SALA familie Sala - Visino - Pognana - Tavernerio - Roveredo - Pusiano
12-06-2007
Sigarennijverheid in Tilburg - Sala & Co 1
Onderdeel van familie: Sala/Erra - Sala/Frigeri - Sala/Muskeijn
SIGARENNIJVERHEID IN TILBURG - SALA & CO
Sigarennijverheid in Tilburg, een terreinverkenning
door Ton Thelen
Een onderzoek naar de eerste arbeidsconflicten bij de pas opgerichte firma Majoie & Van der Voort, sigarenfabrikanten in Tilburg, deed de vraag opkomen naar de omvang en de ontwikkeling van deze tak van nijverheid. Met het hier gegeven antwoord is geen volledigheid nagestreefd; daarvoor was het bronnenonderzoek niet uitputtend genoeg en de beschikbare tijd niet toereikend.
Tegen de achtergrond van de algemene tendens zoals die in de literatuur is beschreven, wil het enkel een aanduiding geven van de richting waarin verder onderzoek zich zou kunnen begeven. Ondanks de tekortkomingen werpt deze eerste inventarisatie een interessant licht op een tot dusver in het duister gebleven bedrijfstak in Tilburg.
Boeren meent dat het een geluk mag worden genoemd voor de Tilburgse arbeiders, dat in de periode van stilstand en achteruitgang van de wolindustrie, die volgens hem van 1887 aanhield tot 1906, andere takken van industrie zich gingen uitbreiden, met name de fabricage van schoenen en sigaren, die beide omstreeks 1890 in Tilburg hun intrede zouden hebben gedaan.
De eerste twee sigarenfabrieken waren, naar hij stelt, die van de Gebrs. Donders en van Eug. van
Roessel.1) Niet alleen is de sigarennijverheid van veel oudere datum, het is ook te veel eer voor een tak van nijverheid die qua omvang en ontwikkeling een bescheiden karakter had.
De sigarennijverheid was allerminst in staat crises in de dominante wollenstoffenindustrie op te vangen. Pas na de eeuwwisseling kreeg zij betekenis, doch ze bleef in de schaduw van de centra Eindhoven en de Kempen.
Begin van de fabricage
De fabricage van sigaren is eerst in het tweede kwart van de negentiende eeuw in Nederland opgekomen. Tot dan kende men alleen het gebruik van snuif, pruim- en kerftabak voor de pijp. Het nieuwe product veroverde geleidelijk de markt. Was omstreeks 1850 de kerftabak nog oppermachtig, rond 1870 nam de sigaar in het binnenlandse verbruik en de export de eerste plaats in.
Daarmee waren de oudere tabaksproducten niet van de markt verdrongen: het binnenlands verbruik handhaafde zich en vertoonde nog een lichte stijging; de export van sigaren werd na de eeuwwisseling weer overtroffen door de kerftabak. De sigarennijverheid zag haar aandeel in het binnenlands tabaksverbruik stijgen van 14,63% in 1850 tot 68,68% in 1906.2)
In het begin van de tachtiger jaren van de vorige eeuw ontkwam zij evenwel niet aan een zekere terugslag, als gevolg van de algemene economische malaise. Alleen de export gaf een lichte stijging te zien. De oorzaak hiervan was deels gelegen in de gunstige omstandigheid dat deze tak van nijverheid als enige in Nederland achter hoge tariefmuren werkte, terwijl de grondstoffen vrijwel onbelast konden worden ingevoerd.
Belangrijker was evenwel de beheersing van de Indische tabakscultuur, die het om haar hoogwaardige kwaliteit fel begeerde dekblad leverde; en tenslotte was niet zonder betekenis dat de bedrijfsvoering wegens het ontbreken van een tabaksbelasting niet gehinderd werd door allerlei administratieve rompslomp.
Tegen het midden van de jaren negentig werd de onderbroken groei voortgezet.3) In grote lijnen volgde de Tilburgse sigarennijverheid, zij het vertraagd, dit algemene patroon. Van de zo spectaculaire groei van deze nijverheidssector gedurende de negentiende eeuw 4) was in Tilburg wel minder te bespeuren.
De fabricage van sigaren vond, voor zover bekend, voor het eerst plaats in Kampen, waar in 1826 een fabriek werd gevestigd. Nadien verspreidde de nieuwe productiehal zich over het gehele land.5)
In Noord-Brabant kwam de sigarenindustrie vooral tot ontwikkeling in Eindhoven en omgeving en in Den Bosch, waar al voor 1850 sigarenmakerijen werk verschaften.6) Snuiffabrieken en tabakskerverijen hadden zich door toedoen van een levendige tabakshandel in Eindhoven reeds vroeger kunnen ontwikkelen.7) Gold dit waarschijnlijk ook voor Den Bosch, waar handel en nijverheid sterk met elkaar verbonden waren,8)
Tilburg verkeerde in dat opzicht door zijn geografische ligging met zijn gebrekkige verkeersverbindingen in een ongunstiger positie, al had dit de ontplooiing van de wollenstoffennijverheid toch niet belemmerd.
Rond 1850 kwam daar weliswaar tabaksnijverheid voor, maar van expansie of bloei kan toch niet worden gesproken. Een inventarisatie van het bedrijfsleven tussen 1848 en 1853 gaf voor Tilburg elf tabaksfabrieken met vijf arbeiders, allen volwassenen.9)
Een verklaring voor deze merkwaardige "onderbezetting" zou kunnen zijn dat het hier enkele eenpersoonsbedrijfjes betrof van voor eigen rekening producerende thuiswerkers, en enkele met een of meer arbeiders in dienst.
Huisindustrie tabak strippen ± 1910
Zie ook Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland
http://blog.seniorennet.be/toekan/
Naar alle waarschijnlijkheid waren het tabakskerverijen en snuiffabrieken; deze zijn vanwege de eenvoud van de tabaksbewerking weinig arbeidsintensief.
Aan de hand van de patentregisters (patentrecht = soort bedrijfsbelasting) zou kunnen worden vastgesteld of daaronder ook sigarenmakerijen begrepen zijn.
Hoe dit ook zij, levensvatbaar dan wel van enige betekenis leken zij niet te zijn. Afgaande op hetgeen in de literatuur is geschreven over de Tilburgse Kamer van Koophandel in de eerste twintig jaar van haar bestaan, 1842-1862, wordt in haar rapportage en correspondentie de tabaksverwerkende nijverheid niet vermeld, ook niet daar waar de Kamer ter ondersteuning van haar bemoeienis tot verbetering van de verkeersverbindingen met Tilburg, een overzicht gaf van de bedrijvigheid in de gemeente (1858).10)
De zestiger en zeventiger jaren waren voor de sigarennijverheid een tijdperk van grote expansie, die zich nog enkele jaren daarna voortzette.11)
Had deze groei voor Eindhoven geresulteerd in een dominante positie van de tabaksverwerkende nijverheid, die tot 1916 standhield,12)
Tabaksfabriek Mignot & De Block, Eindhoven
De afdeling plakkerij van de kistjesstoffeerderij. Leeftijd 13-15 jaar en ouder. De opleiding wordt gevolgd onder werktijd met een vergoeding van het uurloon. Weekloon fl. 4,- tot fl. 7,-. De werkuren zijn van 7-12 en 2-7 met twee pauzes
Datum: Circa 1919
Tabaksfabriek Mignot & De Block, Eindhoven
De afdeling voorbewerking voor de kistjesstoffeerderij van Tabaksfabriek Mignot & De Block. Op deze afdeling voorbewerking zijn meisjes tussen 13 - 15 jaar werkzaam. Het uurloon ligt tussen de 8 - 12 cent. De werkuren zijn van 7-12 en van 2-7 met een vrije zaterdagmiddag
Datum: Circa 1919
Tabaksfabriek Mignot & De Block, Eindhoven
De kistjesmakerij van de afdeling kistjesstoffeerderij. De leeftijd van de leerlingen is 13-15 jaar. Het gemiddelde weekloon bedraagt 6.50-8.50 gulden. Productie ligt tussen de 1400-1900 klammen per uur. Uit deze groep worden de leerlingen genomen voor de plakkerij
Datum: Circa 1919
Inlegkamer van de sigarettenfabriek Mignot & De Block, Eindhoven. Leeftijd van 13 jaar tot 18 jaar en daarboven. Uur- en stukloon. Weekloon fl 4,- tot fl. 18,- en hoger. Productie van de inleg bedraagt 50.000-100.000 per week. Werkuren 7-12 uur, 2-7 uur met vrije zaterdagmiddag en twee rustpauzes
Datum: Circa 1919
Tabaksfabriek Mignot & De Block, Eindhoven
Links aan de werkbank leerling sigarettenmaaksters. De leeftijd is 15-18 jaar. Vakopleiding door speciale werkmeesteres. In stuk- en uurloon. Gemiddeld weekloon van fl. 7. - tot fl. 32.- . Productie ongeveer 5.000 - 8.000 stuks per week. De werkuren zijn van 7-12 en van 2-7 met een vrije zaterdagmiddag. Rechts leerling tubsplakster. De leeftijd is 14-16 jaar. Vakopleiding door speciale werkmeesteres. In stuk- en uurloon. Gemiddeld weekloon van fl. 5.50. - tot fl. 7.- . Productie ongeveer 3000 tubs met mondstuk en ongeveer 6000 stuks zonder. De werkuren zijn van 7-12 en van 2-7 met een vrije zaterdagmiddag
Tilburg had hieraan niet in diezelfde mate deel. De processen verbaal de commodo et incommodo, regelende de oprichting van fabrieken volgens burenrecht,13) getuigen niet van een verhoogde activiteit.
Als in 1876 het gemeenteverslag voor het eerst gegevens verstrekt over de stand van nijverheid in Tilburg, blijken er vier sigarenfabrieken te zijn met slechts 29 arbeiders in dienst, waaronder twee jongens.
Zoals uit onderstaand overzicht is op te maken, breidde deze sector zich zeer geleidelijk uit, zowel wat aantal fabrieken als aantal werknemers betreft; eerst tegen het midden van de tachtiger jaren is een duidelijke opleving te constateren
STAAT DER VOORNAAMSTE AMBACHTEN 14)
Aantal arbeiders
volwassenen
kinderen
Ambacht
Jaar
Aantal
mannen
Jongens
fabrikanten
1876
4
27
2
van
1877
4
30
2
sigaren
1878
6
32
2
1879
-
-
-
1880
7
32
2
1881
8
41
3
1882
6
28
4
1883
8
37
5
1884
7
38
4
1885
7
60
6
1886
7
105
20
1887
8
112
19
Keerpunt in de ontwikkeling
Toen er in 1885 sprake was van invoering van een tabaksaccijns, die overigens pas in 1922 een feit werd,15) zond de Tilburgse Kamer van Koophandel nog een negatief advies aan de regering: de tabaksindustrie was ter plaatse nog te weinig stevig gevestigd om zulk een belasting te kunnen dragen.16)
Doch deze situatie leek al spoedig voorgoed tot het verleden te gaan behoren: in korte tijd steeg de werkgelegenheid in de sigarennijverheid fors en nam de bedrijfsomvang sterk toe, waardoor het kleinbedrijf (1-10 arbeiders) voor het eerst zijn dominante positie verloor.
De opbloei van het manufaktuur systeem, de concentratie in grotere productie-eenheden, lijkt te wijzen op een terugdringen van de huisindustriële nijverheid en daardoor op de overgang naar de fase van de "take-off" in het industrialisatie-proces.
Doch waren dit symptomen van groei, of was het een antwoord op de scherpe concurrentie bij dalend prijsniveau, gevolgen van de algemene malaise die de binnenlandse afzet deden stagneren?
Die periode had in de sigarennijverheid juist een toename van de huisindustrie te zien gegeven.17)
Indien uit de beroepstellingen mocht blijken dat de gesignaleerde veranderingen in de Tilburgse sigarennijverheid tegen het midden van de jaren tachtig ook nog samenvallen met een toename van de beroepsbevolking, dan duidt de verandering onmiskenbaar op een keerpunt in de ontwikkeling van deze nijverheidssector in Tilburg.
Aangezien tot 1920 van mechanisatie in de sigarenfabricage nauwelijks sprake was - de ontwikkelde machines werkten minder zuinig en voldeden nog niet aan de kwaliteit van het handwerk - is de groei van deze tak van nijverheid immers geheel uit de omvang van de beroepsbevolking af te lezen.18)
Maar ook zonder dit aanvullend bewijs lijkt een kentering manifest. Was het toeval dat in die periode weer een aanvrage werd ingediend in verband met een te bouwen sigarenfabriek? Als feit op zichzelf wellicht minder bijzonder, maar veelzeggender wanneer men let op de strekking van het verzoek en op het beroep van de aanvrager.
Het betreft hier een verzoek uit 1886 van Karel Janssen, wolhandelaar te Tilburg, om een sigarendrogerij te mogen oprichten bij zijn te bouwen fabriek, waarvoor zijn voormalig pakhuis, gelegen aan het Langepad sectie K 3694, zou worden ingericht.
De drogerij werd verderop op het erf geplaatst en zou volgens voorschrift bestaan uit een stenen gebouw, met pannen gedekt en afgesloten door een ijzeren deur.19) Door middel van een met gas gestookte kachel werden de afgewerkte sigaren nagedroogd.
In verband met het gebruik van gas vielen dergelijke inrichtingen onder de bepalingen van de Hinderwet uit 1875.
In Tilburg vermoedelijk nog een nieuwigheid, in elk geval pas na 1895 veelvuldiger voorkomend, elders reeds geruime tijd bekend en op grote schaal toegepast. Zo waren in Eindhoven terzelfder tijd reeds twintig vergunningen verleend.20)
De ondernemende Eindhovense sigarenfabrikanten waren tot deze modernisering in het fabricageproces overgegaan, om langs deze weg van efficiencyverhoging en kwaliteitsverbetering hun positie te versterken.21)
Machinezaal van de Tabaksfabriek Mignot & De Block in Eindhoven. De leeftijd van de arbeiders ligt van16 tot 18 jaar en daarboven. Weekloon ligt gemiddeld tussen fl.9 en fl.12 gulden en hoger. Men krijgt een speciale opleiding en werkt onder toezicht van monteurs. De machinale productie bedraagt per week ongeveer 700.000 stuks. Werkuren 7-12 uur, 2-7 uur met vrije zaterdagmiddag en twee rustpauzes
Datum: Circa 1919
Ongetwijfeld gaf het hun een voorsprong toen de vraag weer aantrok. Toepassing van dit relatief kapitaalintensievere productieproces werd voor de zwakkere Tilburgse sigarennijverheid waarschijnlijk pas aantrekkelijk toen de vooruitzichten zich duidelijk verbeterden.
Sigarennijverheid in Tilburg
Grote fabrieken
Weliswaar gestaag maar nog langzaam kwam de sigarenindustrie in Tilburg tot wasdom. Het gemeenteverslag van 1891 noemde het een gelukkige omstandigheid, dat bij de ingetreden stilstand van de wollenstoffen-nijverheid andere takken van bedrijf zich uitbreidden. Zo waren de laatste tijd twee sigarenfabrieken opgericht.
Het jaar daarop verscheen in het gemeenteverslag weer een overzicht van de bedrijvigheid in Tilburg, dat tot en met het jaar 1897 ook gegevens verstrekte over het aantal tewerkgestelde arbeiders. Voor opname van bedrijven in dit overzicht gold als criterium: inrichtingen waarin tien of meer arbeiders werkzaam waren, benevens die met een getal van minder dan tien arbeiders, indien daarin van mechanische beweegkracht, stoom, water, gas, enz., gebruik werd gemaakt; alle overige waren ambachten.
Aan dit criterium voldeden twee sigarenfabrieken, die van de Gebrs. Donders en die van Eug. van Roessel. met respectievelijk 21 en 35 arbeiders in dienst.22) Of dit de fabrieken waren waarvan in 1891 sprake was, is niet zeker: Eug. van Roessel wordt als sigarenfabrikant al genoemd in het Tilburgs Adresboek van 1889. Hij woonde in de Nieuwlandstraat M 583; de fabriek lag vermoedelijk in het straatje om de hoek, de Schijfstraat.
Beide fabrieken beschikten nog niet over een moderne sigarendrogerij, terwijl de daarmee reeds uitgeruste fabriek van Karel Janssen in de gemeenteverslagen vanaf 1891 niet voorkwam. Klaarblijkelijk had zijn fabriek het stadium van kleinbedrijf nog niet verlaten, of had hij zich ondanks de modernisering niet kunnen handhaven?
Het ontbreken van zijn naam als fabrikant in de adresboeken van 1889, 1900, 1902 en 1903 is nog geen zeker bewijs.23) Afgezien daarvan bevestigt het de constatering, dat de modernisering van de sigarendrogerij geen belangrijk positieve invloed heeft gehad op het groeiproces in de sigarenmakerij.24) Voor zover de gegevens strekken, maakten de fabrieken van Donders en Van Roessel de volgende ontwikkeling door:25)
Het gelijkblijven van beide firma's in de jaren 1895-1897 is te toevallig.
Vermoedelijk was men niet meer zo bereidwillig of nauwgezet in het verschaffen van de nodige gegevens voor de gemeenteverslagen. Misschien kwam dit meer voor en is daarom besloten vanaf 1897 deze gegevens niet meer in het overzicht van de toestand der nijverheid op te nemen.
Rond 1894 waren beide ondernemingen uitgegroeid tot grootbedrijf en bleven ze daarmee tot na de eeuwwisseling de enige in hun sector. Landelijk gezien nam het grootbedrijf na 1890, de jaren van hernieuwde expansie, een hoge vlucht.26)
Was tegen die tijd het aantal arbeiders ongeveer gelijkelijk verdeeld over grootbedrijf, midden- en kleinbedrijf,27) in Tilburg ontbrak aanvankelijk het grootbedrijf en kwam tussen 1894 en 1900 het middenbedrijf niet voor.
Bedrijfsvoering
Het grote aantal jongeren ten opzichte van het aantal volwassen arbeiders wekt in vergelijking met de vorige cijferreeks enige verwondering. Volgens de Kinderwet van 1874 en de Arbeidswet van 1889 wordt hier onder jeugdigen verstaan: personen van volbrachte twaalfjarige tot volbrachte zestienjarige leeftijd. Voor tewerkstelling van jongeren was een van gemeentewege verstrekte arbeidskaart verplicht.
Aan het eigenlijke sigarenmaken gingen verscheidene eenvoudige bewerkingen vooraf, zoals het bevochtigen, het strippen en het maken van de bosjes (het binnengoed met omblad), ook wel wikkels genoemd, die geen speciale vakkennis vereisten en waarbij veel gebruik werd gemaakt van vrouwen en kinderarbeid.
Door concentratie van arbeiders in één fabriek werd de mogelijkheid vergroot, deze deelbewerkingen afzonderlijk te laten verrichten, waardoor de productiviteit kon toenemen en een betere kwaliteitscontrole was gewaarborgd.
De introductie van sigarenvormen, die na 1880 veel opgang maakten, vergrootte de productiviteit nog meer; bij het maken van de bosjes kon thans worden volstaan met een globaler formaat. Vermoedelijk bevorderde het werken met vormen de concentratie van arbeiders in één fabriek.
De voorliggende cijferreeksen tonen dan aan dat bij Donders en Van Roessel moderne ideeën over rationele bedrijfsvoering toepassing hadden gevonden. Anderzijds kan de inschakeling van zoveel jongeren wijzen op de grote behoefte aan geschoolde arbeidskrachten, waarin dan door het aannemen van leerlingen werd voorzien.
Uiteraard bracht het ook een groot financieel voordeel, omdat jeugdlonen erg laag waren. Toch is het de vraag of alle jongere werknemers op de loonlijst van de onderneming stonden. In de sigarenmakerij was immers de praktijk gegroeid dat een sigarenmaker zelf een bosjesmaker naast zich had, die hij zelf betaalde. Aan dit gebruik werd bij de c.a.o. van 1920 een einde gemaakt.28)
Van oudsher steunde de sigarennijverheid voor een belangrijk deel op jeugdigen; in dat opzicht vormde de situatie in Tilburg geen uitzondering op Eindhoven en Den Bosch. Wel was er een duidelijk verschil wat de arbeid van vrouwen betrof.
Volgens de gemeentelijke opgaven waren tussen 1876 en 1897 geen vrouwen werkzaam op de Tilburgse sigarenfabrieken. Of zij daarnaast veel in de huisnijverheid en de kleinere bedrijven ingeschakeld waren, zal nader onderzoek moeten uitwijzen.
De veronderstelling ligt voor de hand dat het terugdringen van vrouwenarbeid is toe te schrijven aan de invloed van de geestelijkheid. Maar was de clerus in Tilburg dan minder toegeeflijk dan in Den Bosch, waar vrouwenarbeid in de sigarenindustrie wel voorkwam, of in Eindhoven, waar op de fabriek van Lurmans en op die van Mignot & De Block het personeel zelfs merendeels uit vrouwen bestond? 29)
De verwachtingen in het gemeenteverslag van 1891 ten aanzien van de bijdrage van de sigarennijverheid in het behoud van de werkgelegenheid in Tilburg bleken toch te hoog gestemd. Er vond tot 1903 weliswaar uitbreiding plaats, maar het verloop was erg groot. Na 1902 zou de sigarennijverheid pas voldoende stevig gevestigd raken, dat zij voor de economische ontwikkeling van Tilburg betekenis kreeg.
Tweede bloeiperiode
Ondanks een algemeen economisch herstel, ondanks een veelbelovende start, een snelle toename van de bedrijfsomvang, de inrichting van een moderne sigarendrogerij was de continuïteit der werkzaamheden bij Donders en Van Roessel niet gewaarborgd.
Waren in 1896-1897 de vooruitzichten nog gunstig, beide firma's stapten toen over op de moderne sigarendrogerij, Donders breidde in 1896 zijn fabriek in verband daarmee uit,30) na de eeuwwisseling verkeerden beide ondernemingen in moeilijkheden, waarschijnlijk ten gevolge van de slapte die in 1901-1902 alom in deze nijverheidssector was ingetreden.31) Een van beide fabrieken werd in 1901 zelfs ten verkoop aangeboden. De vraagprijs was bepaald op ƒ 14.000.
Er werd geadverteerd in de krant en in de Tabaksplant, Nederlandsch Orgaan gewijd aan de belangen van Tabakshandel & Tabaksteelt; voor Tabakshandelaren, Fabrikanten en Planters.
Dit weinig alledaagse gebeuren had de aandacht getrokken van de vakbladen. "Typisch Brabantsen én Tilburgsch", aldus de Katholieke Tabaksbewerker in zijn commentaar bij de advertentie, overgenomen uit de Meijerijsche Courant, verschijnend in Eindhoven en omstreken:32)
Te Tilburg, waar de werkloonen laag zijn
TE KOOP eene involle werking zijnde Sigarenfabriek, met flinke soliede clientèle.
Des verlangend ook de Inventaris afzonderlijk te koop, een en ander tegen billijke prijs.
Franco brieven onder motto Sigarenfabriek aan het Bureau van dit Blad.
Waarschijnlijk ging het hier om de fabriek van Eug. van Roessel.
Hiervan bleek immers de eigendom te zijn overgegaan naar Leo Diepen, die ter bekendmaking van dit feit in de Tabaksplant van 2 december 1902 de advertentie had laten opnemen: "Tilburgsche Sigarenfabriek Leo Diepen, voorheen Eug. van Roessel Tilburg”.
In het gemeenteverslag van 1902 wordt de fabriek van Leo Diepen voor het eerst genoemd; die van Eug. van Roessel komt niet meer voor, evenals de fabriek van de Gebrs. Donders.
Of deze laatste eveneens is gesloten, dan wel alleen is ingekrompen, is uit het verrichte onderzoek niet gebleken. Afgaande op het Provincieverslag omtrent de toestand der nijverheid in Noord-Brabant bezat Diepen in 1900 reeds een fabriek, en wel een tabak-snuif- en sigarenfabriek.33) In tegenstelling tot de snuiffabriek van Wed. J.A. Verbunt en de tabaks-kerverij van F.C. Woestenbergh maakte hij geen gebruik van mechanische beweegkracht.34)
Vanwege de eenvoud van het fabricageproces had mechanisatie in deze branches al veel eerder toepassing gevonden.35) Diepen beschikte in zijn voormalige fabriek evenmin over een moderne sigarendrogerij, noch had hij volgens het gemeenteverslag tien of meer sigarenmakers in dienst.36) Ook zijn bedrijf ondervond een zekere terugslag door de slapte die was ingetreden.
In augustus 1901 had hij zijn personeel op "taak" moeten stellen: een geplaatste order werd tegen een vooraf bepaalde beloning per geproduceerde hoeveelheid uitgevoerd; geen uurloon en geen stukloon dus. Het loon dat hij bood was evenwel zo laag, dat de arbeiders aanvankelijk weigerden. Na bemiddeling door de R.K. Tabaksbewerkersbond - de fabrikant toonde zich zeer welwillend - besloten de werklieden het werk toch aan te nemen. "Voorts verklaarde de Patroon, dat hij voorloopig onmogelijk volop kon laten werken, maar dat het hem goed was, als de Sigarenmakers na het afwerken hunner taak. op het eerstvolgende schaftuur de fabriek wilden verlaten." 37)
Een jaar later was Diepen nog niet uit de problemen: zijn arbeiders moesten een groot deel van het jaar op "taak" werken en de beloning was erg laag: ƒ 2,50 per 1000 sigaren. Een hongerloon; onbegrijpelijk dat de arbeiders, die nota bene lid waren van "dien hardwerkenden" R.K. Tabaksbewerkersbond, hiermee akkoord gingen; de concurrerende Neutrale Vereeniging van Sigarenmakers had hier geen goed woord voor over.38)
Kennelijk waren de sigarenmakers bereid omwille van het behoud van de werkgelegenheid, een stap terug te doen. Was dit nodig in verband met het opstarten van de nieuwe fabriek? Vermoedelijk ging het hier nog om de eerste fabriek en zag Diepen in overname van de moderner geoutilleerde fabriek van Eug. van Roessel betere toekomstkansen.
Wat zijn motief ook moge zijn geweest, hij bleek een goede beslissing te hebben genomen (zie verderop in deze tekst). Nog enkele ondernemingen, verband houdend met de sigarenmakerij en opgericht na 1890 illustreren het wisselvallige verloop van deze tak van nijverheid in de tweede bloeiperiode.
In 1892 kreeg Hub. Maas verlof tot oprichting van een drogerij aan de Gasthuisstraat, sectie K 4544. Hij werd niet aangeduid als sigarenfabrikant, noch was in zijn verzoek om vergunning sprake van een nabijgelegen of te bouwen fabriek. Dit suggereert dat hij de sigaren "nat-los" kocht van andere fabrikanten of van (zelfstandige) thuiswerkers.
Noch Donders, noch Van Roessel had toen al een moderne drogerij; of de onderneming van Karel Janssens nog in bedrijf was, is zoals reeds opgemerkt, niet met zekerheid te zeggen.
Het is niet onaannemelijk dat Maas van beroep sigarenmaker was en zijn beroep is blijven uitoefenen, zij het dan op bescheiden schaal, omdat zijn naam niet in de gemeenteverslagen voorkomt. Blijkens het adresboek uit 1900, 1902 en 1903 had hij zich inderdaad toegelegd op de sigarenmakerij: als beroep staat vermeld "fabrikant van sigaren".
In 1911 zou de vergunning zijn vervallen.39) Op 9 september 1895 diende Antoon Janssens Hzn een verzoek in tot oprichting van een sigarenfabriek met drogerij, gelegen aan de Stationstraat, sectie M 4127.
Hij begon zijn bedrijf in een bestaand pand, dat hij gehuurd had van een zekere Van Dun. Op de begane grond bevonden zich de drogerij en de bewaarplaats van tabak; de bovenverdieping diende als werkplaats.40) Of de huur kon niet worden verlengd, of om andere redenen zag hij in 1898 uit naar een andere bedrijfsruimte.
Op 19 juli vroeg hij vergunning om een fabriek met drogerij te mogen oprichten, gelegen op de Heuvel, sekte M 3317, naast Villa Nova. Ook hier betrok hij een bestaand pand, dat hij huurde van Louis Broekx.41) Het ging hem voorspoedig: in 1900 had hij minstens tien arbeiders in dienst. Daarna liep de bedrijvigheid terug; de gemeenteverslagen vanaf 1902 noemen zijn fabriek niet meer.42)
In hetzelfde jaar als Ant. Janssens begon M. van Leeuwen met een sigarenfabriek annex drogerij.
De fabriek werd gebouwd in de Capucijnenstraat, op perceel D 3681, aldus diens verzoek van 23 september 1895.43) Tegenspoed bleef hem niet bespaard, zo kan worden opgemaakt uit een toevallig gevonden bericht in de Nieuwe Tilburgsche Courant van 28 juli 1897, namelijk dat was ingebroken in de leegstaande fabriek van v. L. in de Capucijnenstraat.
Maar Van Leeuwen wist zich te handhaven: na enkele jaren, in 1900, waren bij hem tien of meer arbeiders werkzaam.44) De afzet nam toe: op 21 september 1903 vroeg hij een vergunning aan voor de verbouwing van zijn sigarenfabriek in verband met de vergroting van de daarin aanwezige drogerij.
De erbij gevoegde tekening geeft een aardige indruk van de inrichting van een sigarenfabriek. Van Leeuwen had er wel zijn kantoor, maar woonde in de Zomerstraat. Bij hem werkten 42 of meer arbeiders: in de pakkamer vier personen, in de sorteerderij twaalf en in de sigarenmakerij op de verdieping 26 personen.
In verband met de Veiligheidswet van 1895 golden er niet alleen voorschriften met betrekking van de afstand waarbinnen de fabriek mocht gelegen zijn van scholen en gebouwen voor ziekenverpleging en openbare eredienst, maar ook ten aanzien van de inrichting van de fabriek.
De Inspecteur van de Arbeid was met het toezicht belast. Voor de situatie hier, zie bijgaand formulier. 45) Zijn fabriek behoorde tot de grotere sigarenmakerijen in Tilburg. Voor zover nagegaan bleef zijn fabriek evenals die van Leo Diepen zeker tot 1920 in bedrijf.46)
Hiernaast zijn nog enkele kleinere fabrieken te noemen, die ofwel maar kortstondig bestaan hebben, ofwel niet (blijvend) boven het niveau van kleinbedrijf uitgroeiden.
In het overzicht van de bedrijvigheid in Tilburg over 1900 en 1901 is de sigarenmakerij van een zekere Julius Wertheim opgenomen. Hierna ontbreekt deze in de jaarlijkse overzichten. Over een sigarendrogerij beschikte Wertheim zeker de eerste jaren niet.47)
Het Tilburgsch Adresboek voor het jaar 1900 vermeldt onder de categorie "Fabrikanten van Sigaren" behalve de hierboven genoemden: Jan Aarts, J. van Beek en J.B. Happel. In de hierna verschenen adresboeken staat als beroep aangegeven sigarenmaker.48)
Aarts werd als zodanig reeds genoemd in het adresboek van 1881, Happel in 1889. Het is goed mogelijk dat wij hier te maken hebben met geheel of gedeeltelijk zelfstandige thuiswerkers. Huisindustriële nijverheid kwam in de negentiende eeuw geregeld voor, maar was ook na de eeuwwisseling niet geheel verdwenen.
Wegens de moeilijkheid om voor de sigarennijverheid een zuinig werkende machine te ontwikkelen die kwalitatief hoogwaardige producten leverde, bestond de sigarenmakerij nagenoeg geheel uit handwerk (er was hier en daar wel een wikkelmachine in gebruik), waardoor deze productiewijze zich uitstekend leende voor huisnijverheid.
In tijden van economische terug
gang functioneerde het als een buffer voor de kleinere ondernemingen, die door "uitbesteding" van de productie of delen daarvan zich staande konden houden.49) Kende oostelijk Noord Brabant, met name Eindhoven en Woensel na 1900 nog veel huisnijverheid,50) ook in Den Bosch zou het nog veel zijn voorgekomen.51) Uit nader onderzoek moet blijken, hoe groot de omvang was van dit verschijnsel in Tilburg.
De laatste kleine onderneming die in de voorliggende inventarisatie is opgenomen, is de fabriek van Petrus Roef. Eind februari 1901 werd hem vergunning verleend om in de Piusstraat, op perceel sectie M 667, een fabriek annex sigarendrogerij op te richten.
Het was een klein bedrijf, waar voor ongeveer acht arbeiders werk zou zijn.52) Veel groter is dit bedrijf niet geworden: in de meermalen aangehaalde tellingen kwam het niet voor.
Hetzelfde lijkt op te gaan voor de fabriek met drogerij, die de firma Poort en Simonis in september 1907 is begonnen op het adres Tuinstraat 6.53)
De kleinere bedrijven konden de sterke expansie van het groeibedrijf niet bijhouden. In het begin van de twintigste eeuw raakten zij meer en meer in de verdrukking door een stijging van de tabaksprijs, zonder dat dit kon worden doorberekend in een evenredige stijging van de prijzen der sigaren, daar zij het juist van de productie van goedkopere sigaren moesten hebben. Gebrek aan voldoende kapitaal verhinderde hen om alert op de tabaksmarkt te opereren en gunstige voorraden aan te leggen.54)
Sigarennijverheid in Tilburg Overgang naar grootbedrijf
Het is opvallend, dat van de hierboven genoemde ondernemingen het met name de jongere bedrijven waren, die de overgang naar het grootbedrijf konden maken en zich met succes hebben kunnen handhaven.
Dit gold voor Diepen, voor Van Leeuwen en voor de in 1900 met twaalf arbeiders begonnen fabriek van Majoie & Van der Voort, de latere Gulden-Vlies-Sigarenfabriek, die een snelle groei doormaakte, waarover in een volgende bijdrage meer.
Deze ondernemingen eerst leverden een betekenisvolle bijdrage aan de werkgelegenheid in Tilburg.
Daar voegden zich nog enkele concurrenten bij: in 1913 de firma's Louis Anderegg &. Co, Sala & Co en Maas & Jong-bloets, in 1919 M. van Os.55)
Briefhoofd van Sala & Co Tilburg, sigaren fabrikanten
Plaats: Tilburg - Datering: 1918
Briefhoofd
Nota van Gimbrère Luchttechnische-industrie, Gebr. Salastraat 28 voor Coöperatieve Ververijen Koningshoeven, Koningshoeven 77
De mening van Boeren, dat in Tilburg met uitzondering van de firma Majoie & Van der Voort het kleinbedrijf overheerste, blijkt niet gefundeerd.56)
Gaandeweg had Noord-Brabant zich ontwikkeld tot een centrum van sigarennijverheid.
Daarin had uiteindelijk ook Tilburg een plaats verworven, echter in capaciteit overvleugeld door Eindhoven, waar al enkele decennia grootbedrijven gevestigd waren, en het aangrenzende gebied van de Kempen, dat na de eeuwwisseling zeer in trek kwam wegens de lagere lonen.57)
In betekenis werden beide gevolgd door Den Bosch, dat zich vooral had toegelegd op de vervaardiging van de duurderde kwaliteitssigaar.
Omdat de plaatselijke overheid en de burgerlijke bovenlaag zich door hun nog steeds levende handelsgeest niet voldoende industrieminded toonden, zag Den Bosch na 1918 echter de sigarennijverheid grotendeels naar elders in Brabant vertrekken.58)
Na in vogelvlucht over de ontwikkeling van de Tilburgse sigarennijverheid te zijn heen gegaan, volgt thans een dwarsdoorsnede uit 1902, die een goed beeld geeft van de omvang en de verspreiding van deze nijverheidssector:
2) De Jonge, De industrialisatie in Nederland tussen 1850 en 1914, 57 en 468.
3) De Jonge, a.w., 61; Sluytenmin, Ondernemen in sigaren, 19.
4) De Jonge, a.w., 227-231.
5) Sluyterman, a.w., 17.
6) Messing. Het ontstaan van Groot-Eindhoven 1890-1920, 56 en 59-61; Van Oorschot, Eindhoven, een samenleving in verandering 1810-1960, I. 108; Franssen. De Bossche arbeider in zijn werk¬en en leefmilieu, I. 38, 42, 47-48; Van Veldhoven, Noord-Brabant op weg naar groei en welvaart 1850-1920, 33.
7) Van Oorschot, a.w.. I, 108; Van Veldhoven, a.w., 27.
8) Franssen. a.w., I. 19-20 en 37.
9) Boeren, a.w., 65. Buiten de genoemde "vaste kern" kon men een wisselend aantal thuiswerkers in dienst hebben. Deze huisindustriële structuur was typerend voor het vroege kleinbedrijf. Het gaf flexibiliteit naar gelang de commerciële mogelijkheden. Zie: Van den
Eerenbeemt, Ontwikkelingslijnen en scharnierpunten in het Brabants industrieel bedrijf 1777-1914, 62.
10) Schulte, De Kamer van Koophandel en Fabrieken 1842-1862, in Van den Eerenbeemt en Schurink, De opkomst van Tilburg als industriestad, 104-106.
11) Sluyterman, a.w., 17 en 175; De Jonge, a.w., 60 en 227-231.
12) Messing, a.w., 60 e.v.; Van Oorschot, a.w.. I, 116.
13) GAT, Processen verbaal de Commodo et incommodo (ds. 1307; 1308).
14) GAT, Gemeenteverslagen (geschreven) 1861-1880 en (gedrukt) 1881-1903.
15) De Jonge, a.w., 55; Sluyterman, a.w., 21-22.
16) Boeren, a.w., 129.
17) De Jonge, a.w., 61 en 63; Van den Eerenbeemt, a.w., 64-66.
18) De Jonge, a.w., 58; Sluyterman, a.w., 24 en 60-69.
19) GAT, Ingekomen aanvragen tot daarstelling van fabrieken en inrichtingen in verband met de Hinderwet van 2 juni 1875, ds. 1311, 249; Vergunningen krachtens de Hinderwet van 2 juni
1875, ds. 1328, 249.
20) De Jonge, a.w., 377.
21) De Jonge, a.w., 62.
22) GAT, Gemeenteverslag 1891. 1892.
23) Tussenliggende jaren ontbreken.
24) De Jonge, a.w., 240.
25) GAT, Gemeenteverslag 1892-1897. De overzichten, samengesteld door de Tilburgse Kamer van Koophandel verschenen ook in afzonderlijke verslagen van de Kamer.
26) De Jonge, a.w., 63 en 231-234.
27) Sluyterman, a.w., 43-47.
28) Sluyterman. a.w., 41-4.3 en 129-131.
29) Franssen, a.w., I. 148 e.v. en 165; Messing, a.w., 131-140; Van Oorschot, a.w., I, 217-222; Van Veldhoven, a.w.. 108; Van de Weyer, De religieuze practijk in een Brabantse industriestad, 154-155.
30) GAT, Hinderwet, ds. 1315, 605 en 637; ds. 1329, 605 en 637.
31) De Katholieke Tabaksbewerker. 1901. november, december; 1902, maart, april, juni. De Sigarenmaker, 4 januari 1902.
32) De Katholieke Tabaksbewerker, mei 1902 (advertentie); De Sigarenmaker. 23 november 1901, l februari 1902.
33) GAT, Verslag van den toestand der Provincie Noord-Brabant over 1900, 1901. Wat het overzicht der nijverheid betreft wijken Provincie- en gemeenteverslag soms van elkaar af.
34) GAT, Gemeenteverslag 1900, 1901.
35) De Jonge. a.w., 58-59.
36) Van een aanvraag tot vergunning i.v.m. de Hinderwet is niets gebleken. De aanvragen zijn systematisch geraadpleegd tot en met 1903.
37) De Katholieke Tabaksbewerker, augus¬tus 1901.
38) De Weerklank, 9 augustus 1902.
39) GAT,Hinderwet,ds.1313.447;ds. 1328. 447.
40) Idem, ds. 1314, 576; ds. 1329. 576.
41) Idem, ds. 1316, 689; ds. 1330. 689.
42) GAT, Gemeenteverslag 1900. 1901.
43) GAT. Hinderwet, ds. 1314, 577; ds. 1329. 577.
44) GAT, Gemeenteverslag 1900.
45) GAT, Hinderwet, ds. 1321. 990; ds. 1331, 990.
46) GAT, Verslagen van de Kamer van Koophandel 1904-1920.
47) GAT, Gemeenteverslag 1900. 1901. Het provincieverslag noemt hem niet. Zie verder noot 36.
48) GAT. Tilburgsch Adresboek 1900, 1902 en 1903.
49) Sluyterman, a.w., 135-138.
50) Messing, a.w., 55 en 65; Van Ootschot, a.w.. I, 221.
51) Franssen, a.w., I, 63.
52) GAT, Hinderwet, ds. 1319. 852; ds. 1330. 852.
53) GAT, Hinderwet, ds. 1333. 1258.
54) De Jonge, a.w., 63-64; Sluyterman. a.w., 44-47.
55) Zie noot 46.
56) Boeren, a.w., 110.
57) Sluyterman, a.w., 26-27; Van den Eerenbeemt. a.w.. 143; Van Veldho¬ven, a.w., 67-73; Van Oorschot, a.w., I, 116-120.
58) Franssen, a.w., I, 54; Van den Eerenbeemt. a.w., 13.3 en 141-143.
De Tilburgse elite aan het begin van de twintigste eeuw; een momentopname
Auteur:Cor G.W.P. Van der Heijden*
Jaargang:XVII (1999) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur Nummer: 3 Pagina’ s: 59-71 1887
http://www.historietilburg.nl/
UIT BIJLAGE 1
PERSOONLIJKE GEGEVENS VAN DE 100 HOOGST AANGESLAGENEN IN TILBURG (SITUATIE PER 01-01-1904)
No. 65.
Achternaam: Sala
Voornaam: Ludovicus J.
Wijk: O 428
Straatnaam: St. Josephstraat
Beroep: wolfabrikant
Inkomen: 12.000
Geboortedatum: 09-07-1849
Geboorteplaats: Reek
Burgerlijke staat: geh.
Godsdienst-: RK
Ludovicus Josephus Sala, oudste zoon van Louis Joseph Sala en Helena Allegonda Boeracker. trouwde op 05-05-1879 in Rozendaal met Justina Johanna Petronella van Welij.
RK Begraafplaats Parochie Heuvel
St. Josephstraat 109 Tilburg
Ludovicus Josephus Sala
Geboren: 09-07-1849
Overleden: 18-03-1911
Leeftijd: 61
Justina Johanna Petronella van Welij
Geboren: 19-08-1851
Overleden: 15-01-1911
Leeftijd: 59
Begraafplaatsnr: 226
(Plaats)aanduiding: St. Jozeflaan
De maatschappelijke belangstelling voor 'elites' is van alle tijden.
Reeds omstreeks de eeuwwisseling zijn er enkele belangrijke elitetheorieën ontwikkeld die gedurende lange tijd van grote invloed waren.(1) In de jaren zestig en zeventig echter werd, onder invloed van de verspreiding van het socialisme en de voortschrijdende democratisering, het voortbestaan van groepen maatschappelijk uitverkorenen als problematisch ervaren.
In het historisch onderzoek verschoof dientengevolge de aandacht zeer sterk in de richting van de arbeiders. Bestudering van de werk-, woon- en leefomstandigheden van de arbeidersklasse en de ontwikkeling van de arbeidersbeweging beleefde een bloeiperiode.
Voor een deel in het verlengde hiervan, maar voor een deel ook als reactie op de dominantie van de arbeidersgeschiedenis binnen het ruime terrein van de sociale geschiedenis, herleefde vanaf de jaren tachtig bij historici de belangstelling voor de elites weer.(2)
Een hele reeks (vooral lokale) studies naar de handel en wandel van de elite verscheen: de studies van Prak over Leiden, van De Jong over Gouda en van Kooijmans over Hoorn zetten de toon.(3)
Later volgden nog monografieën over de elite in Maastricht en Zwolle.(4) Ook de studie van Kuiper naar de teloorgang van de Friese adel mag in dit rijtje geplaatst worden en met enige fantasie past ook het onderzoek van Verstegen naar de Veluwse jonkers in deze opsomming.(5)
Daarnaast verschenen er vele studies waarin een typering van de plaatselijke of regionale elite een onderdeel van een ruimer geheel vormde.
Deze trend in de geschiedschrijving ging niet geheel aan Brabant voorbij. In 1985 verscheen een studie over de elite in Heusden en vijf jaar later werd de elitevorming in oostelijk Noord-Brabant aan een uitputtende analyse onderworpen.(6)
Aan een bestudering van de Tilburgse notabelen als groep heeft tot op heden nog niemand zich gewaagd (evenals trouwens van de vergelijkbare groep in de andere grote steden in Brabant).(7) Dit artikel wil een eerste summiere aanzet zijn om deze witte vlek met enkele grijstinten in te kleuren.
http://www.historietilburg.nl/startpagina.htm
200 jaar brandweer in Tilburg
In de nacht van zaterdag 13 op zondag 14 augustus brak er brand uit in de wollenstoffenfabriek van de Gebr. Sala aan de Tuinstraat. "Van de geheele fabriek bleef niets over dan de vier muren en de brandkast, welke ondanks den fellen vuurgloed waaraan zij was blootgesteld, bij opening bleek volkomen de proef te hebben doorstaan." De fabriek werd onmiddellijk herbouwd, maar nauwelijks in bedrijf trof deze fabriek hetzelfde lot: op 17 augustus 1888 brandde zij weer geheel af. Het bedrijf werd daarna niet meer herbouwd.
"Wat zegt een naam?" We stellen die vraag ditmaal eens zonder het daarbij behorende scepticisme van Shakespeare.
Gewoon omdat we willen weten waarom er in Tilburg toch eigenlijk een straat „Gebr. Salastraat" heet. U kunt ze vinden op het Industrieterrein-Noord, over het kanaal, niet zo ver verwijderd van de Dongenseweg.
Er bestaan levende generaties in Tilburg, die het u direct vertellen zullen, maar veel groter is het aantal stadgenoten, dat hier volkomen in het duister tast. Het zal wel iets met industrie te maken hebben. De wat exotisch klinkende naam stamt echter helemaal uit het gelid van de oude Tilburgse geslachten wat nog te meer opvalt als men weet, dat hij o.a. toch ook aan de wollen-stoffen-industrie verbonden is geweest. Hij nam daar een bescheiden plaats in tussen de coryfeeën, die het thans nog niet eens tot een straatnaam gebracht hebben. Dus moet er met de naam Sala nog wel iets anders aan de hand geweest zijn.
Op zoek naar bevrediging van onze nieuwsgierigheid, bleek dan ook, dat goed zeventig jaar geleden, n.l. in 1901 de naam Sala in Tilburg op veler lippen heeft gelegen. Dit tengevolge van een op Sebald Sala in een trein gepleegde overval, waarbij Sala zich zó geducht weerde, dat niet hij maar de daders het slachtoffer werden. Er een viel daarbij zelfs een dode doch ook een Komische noot ontbreekt er niet. Sebald Sala circuleerde nadien enige decennia door de Tilburgse historie met een nieuw verworven predikaat: Sala zich zó geducht weerde, werd hij genoemd. Laten we die geschiedenis weer eens te leven wekken!
De overvaller Joseph Vente, gefotografeerd nadat hij dood op de spoorrails was aangetroffen. Van beroep toreador en café-chantentzanger. Rechts de rover Fernand Fau, die voor de rechter verscheen. Fau vertoont verwondingen aan het hoofd.
Foto: Sebald Sala (1850-1912) die zo geducht van zich afsloeg
Maandag 10 januari 1972 - HET NIEUWSBLAD VAN HET ZUIDEN -Sebald Sala dreef aan het eind van de tachtiger jaren van de vorige eeuw met zijn broer Louis een bescheiden wollenstoffenfabriek in de Tuinstraat te Tilburg. Op een dag van het jaar 1901 ging hij per trein op reis naar Frankrijk, waar hij, voor zaken, een machinefabriek wilde bezoeken.In de treincoupé kwam hij in contact met twee mede-reizigers, die hem in de loop van de concersatie sigaretten presenteerden.
Uit de ons ter beschikking staande summiere overlevering blijkt niet of Sala gronden had om zijn medereizigers te wantrouwen, In ieder geval weigerde hij de sigaretten. Ze zouden „verdovende middelen" bevat hebben. Even later wierpen de onbekenden hem een gechloroformeerde doek over het hoofd met de kennelijke bedoeling hem te verdoven en daarna te beroven.
Naar buiten gesmeten bandiet stierf op de rails
Nu was Sala voor geen kleintje vervaard. Hij had zijn stevige figuur mee en was ook op de hoogte van de kunst van zelfverdediging. De overvallers waren, dus aan het verkeerde kantoor. Onze stadgenoot, sprong op, greep de aanrander bij de strot en diende hem, volgens de regels der kunst, een fikse scheentrap toe, zodat de man enige tijd nodig had om tot zichzelf te komen. Daarna pakte hij nummer twee in een schoudergreep en smeet hem door het portierrampje de trein uit. Terwijl hij de overgeblevene met een extra portie schoppen tegen de schenen definitief buiten gevecht stelde, trok Sala aan de noodrem. Na het stoppen van de trein kon de overgebleven aanrander in verzekerde bewaring worden gesteld.
"En nu moet je ook nog eens langs de rails gaan kijken", adviseerde Sebald. "Ze waren mét z'n tweeën en ik heb er één uit de trein gesmeten". Bij het ingestelde onderzoek werd de bandiet dood aangetroffen. Hij bleek toevallig op een wissel terecht te zijn gekomen en had zware verwondingen aan de rug. Sala was er in het gevecht ook niet geheel zonder kleerscheuren afgekomen. Een bandiet had hem in de ogen geraakt. Bovendien bleek het sensationele gebeuren hem geestelijk te hebben aangegrepen en wel in die zin, dat Sebald voortaan voortdurend in de vrees leefde te worden aangevallen. Hij legde een opvallende argwaan aan de dag. Kwam er een onbekende toevallig wat dicht naast hem lopen dan bestond er groot risico, dat Sebalds vuisten uitschoten om de vermeende belager op een afstand te houden.
De bij dit artikel afgedrukte foto's troffen wij aan in het Personeelsorgaan van Int. Flavors and Fragrances J.P.F. Nederland N.V., waarvan een afdeling gevestigd is aan de Gebr. Salastraat in onze stad. Aan dit blad ontleenden wij ook enige gegevens. De overige zijn afkomstig uit het Tiburgse Gemeentearchief.
Het bewijs
De overval-affaire heeft haar einde gevonden in een rechtszitting, waarin Sala als getuige optrad. Daar hij genoeg van alleen reizen had, liet hij zich op deze tocht door een „beschermer" vergezellen.
De gearresteerde boef werd tot levenslang veroordeeld. Tijdens de rechtszitting speelde zich een komisch tafereel af. De beklaagde bleef namelijk hardnekkig ontkennen bij de overval betrokken te zijn geweest. Sala adviseerde toen de rechter zelfbewust: „Laat hem eens zijn linkerbroekspijp opstropen. Als hij geen blauwe plekken op zijn schenen heeft dan is hij het niet!" Ofschoon de man-in-kwestie niet veel voor een demonstratie voelde kon hij daaraan onder dwang van de rechter niet ontkomen. En zie: het bewuste been bleek een fraaie staalkaart van blauwe plekken te vertonen.
„Dit is de historie, waardoor Sala beroemd werd. Zo is het gebeurd omdat hij (Sala) het zelf aan mijn vader heeft verteld", zo besloot een Goirkenaar zijn geschiedenis. Hij vertelde daarin ook dat Sala een vaste „buurter" bij zijn vader was. Die had dus de geschiedenis waarvan ook wel een afwijkende lezing gegeven werd, uit de eerste hand. Zo vernamen wij uit die andere bron, dat de bandieten poogden Sala een jutenzak over het hoofd te trekken, welke op de brede rand van zijn panamahoed bleef hangen. Dat Sebald een van de bandieten een vinger zou hebben afgebeten; dat beiden zelf uit de trein zouden gesprongen zijn en dat Sala voor een diamanthandelaar was aangezien.
Vragen
Laten we het houden op de geschiedenis van de zoon van Goirkenaar al blijven ook hier tal van vraagtekens over. We missen node meer gedetailleerde en controleerbare aanduidingen zoals plaats, uur, dag en datum. Er blijkt niet uit of de overval plaatsvond op Nederlands, Belgisch of Frans gebied. Evenmin vernemen we iets over plaats of land van de rechtszitting. Wel lezen wij, dat Sebald in Parijs „gehuldigd werd voor zijn moedige daad".
Namen en zelfs foto's van de misdadigers zijn wél tot ons gekomen. Degene, die dood op de wissel werd aangetroffen was Joseph Vente voor wie als beroep toreador en café-chantentzanger genoemd wordt. Aangezien wij er in Nederland geen toreadors op na houten, wijst dit niet naar een Nederlander. De Franse naam Fernand Fau van de veroordeelde doet dit evenmin. Wat er aan details ook te kort mag komen en of er door mondelinge overlevering versieringen werden aangebracht, de grote lijn van de hele historie kan niet geloochend worden.
Maandag 10 januari 1972 - HET NIEUWSBLAD VAN HET ZUIDEN
Geslacht Sala
De affaire heeft destijds ook aandacht buiten Tilburg getrokken. Zelfs de geïllustreerde pers met name „De Prins" besteedde er in 1901 aandacht aan. We waren echter niet in de gelegenheid het bewuste nummer van dit blad te raadplegen. Wél vonden we enige bijzonderheden over het geslacht Sala. Deze familie is van Italiaanse oorsprong, afkomstig uit Vesino in het gebied van Como. In het begin van de 19de eeuw vestigde zich een Jean Baptiste Sala, die met een Antwerpse getrouwd was, in het Brabantse dorpje Lith aan de Maas. Al zal men in zo'n klein dorp de eerste tijd wel wat vreemd tegen de Italiaan hebben aangekeken, het gezin raakte er goed ingeburgerd. Misschien heeft de Antwerpse echtgenote daartoe ook wel een steentje bijgedragen. Hun zoon Louis Joseph bracht het tot rijksontvanger zodat hij dus de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten. In 1848 trouwde deze met Helena Boeracker de dochter van een bierbrouwer.
Fabrikanten
Twee zoons uit dit huwelijk waren Louis en Sebald, die we later als de Tilburgse gebroeders Sala zullen ontmoeten. Zij bekwaamden zich beide te Aken in de fabricage van wollen stoffen en toen ze meenden de knepen van het vak wel onder de knie te hebben, stichtten zij te Tilburg een fabriek aan de Tuinstraat. In het begin deden ze samen met twee zwagers van Sebald, de gebroeders Kieckens. Later gingen de compagnons uit elkaar. Zowel de Sala's als de Kieckens produceerden nadien onder eigen naam. Om enig idee van de omvang van het bedrijf van de Sala's te krijgen: In de tachtiger jaren werkten daar 40 mannen, 8 vrouwen, 4 jongens en 2 meisjes. Dus een personeelsbezetting van 54 man, waarmee de fabriek tot de kleine bedrijven gerekend moest worden. Men stelle daar maar eens de grote bedrijven naast zoals H. Eras en Zn. (500 man), Pollet en Zn. (317) en L.V. Ledeboer en Zn. (316). De Sala's werkten met een stoomketel Van 35 paardekrachten.
Afgebrand
Op een plattegrond van Tilburg van 1890, die o.a. alle Tilburgse wollenstoffenfabrieken uit die tijd vermeldt, vinden wij die van Gebrs. Sala bij de Nieuwe Dijk (Mgr. Zwijsenstraat) vermeld. Het bedrijf van Gebrs. Kieckens staat daar bij de Tuinstraat aangegeven. Een adresboek van 1889 noemt Gebr. Sala wollenstóffenfabriekanten. Hun bedrijf was echter op 14 augustus 1887 tot de grond toe afgebrand. Alleen vier geblakerde muren bleven overeind. De inhoud van de brandkast bleek later ongedeerd. Na de brand verscheen in de Nieuwe Tilburgse Courant een aantal advertenties, waarin Charles Marsé, Willem II-straat 1011, in dikke letters o.a. met „brandvrije brandkasten" adverteerde. Naar een verslagje van de brand zochten we echter tevergeefs in beide Tilburgse kranten. Mogelijk is deze brandcatastrofe de ondergang van de fabriek geweest. Sala was dan slachtoffer van het vuur, dat hij als lid van Tilburgs vrijwillige brandweer, voor anderen zo vaak had bestreden. En branden deed het in die tijd in Tilburg dikwijls daar bedrijven en huizen met een verlichting van olielampen waren uitgerust. In dit kader lijkt ons vermeldenswaard de door Sebald Sala aan de dag gelegde activiteit en kracht toen het bedrijf van de firma Bijvoet in brand stond. -Bijvoet, die de wanhoop nabij was, legde de brandweer uit, dat zijn ijzeren geldkist nog op de bovenverdieping stond. Maar hoe kreeg men er die uit nadat de tegen een muur geplaatste ladder te kort bleek om een raam te bereiken. Sala, zich bewust van zijn sterkte, die hem later in de trein zo goed van pas zou komen, bedacht zich niet lang. Hij ging „bok staan" met de ladder op zijn schouders. Toen konden twee brandweerlieden naar boven klimmen en zij keerden veilig met de zware, ijzeren kist op de begane grond terug.
Op 't Goirke
Dat Sebald Sala op 't Goirke ging „buurten" zoals boven gereleveerd kan kloppen. Hij woonde namelijk op 't Goirke en wel in het herenhuis vlak bij het Julianaparkje op de hoek van de huidige Pater Rutterstraat. Het gaat hier om het huis waarin rond 1900 de familie Jo van Dijk-van Roessel woonde. Later is het witte pand van weleer verbouwd tot twee woningen. Sebald Sala is twee maal getrouwd geweest, het laatst met een dochter van Van Wesel. In het begin van 1900 ontmoeten wij de gebroeders Sala in een geheel nieuwe branche nl. als sigarenfabrikanten. Zij krijgen op 21 november 1908 een vergunning (Hinderwet) voor de oprichting van een sigarenfabriek met drogerij aan Stedekestraat. Het betrof hier een gebouw, dat reeds vroeger voor hetzelfde doel was gebruikt. Volgens een inschrijving in het handelsregister op 7 juni 1910 en ook blijkens briefhoofden van latere ...ren, is de firma naar de Alléenhouderstraat verhuisd. Blijkens: een briefhoofd was toen de firma „sociaal" ingericht voor exportverpakking". Haar telegramadres luidde;"Salaco". Een adresboek van 1922 vermeldt Sala en Co nog steeds als sigarenfabribrikanten. Op 16 juni 1924 blijkt in het Handelsregister kennis gegeven, dat de zaak in 1923 was opgeheven.
Nog één naam
Nu wilden we toch ook nog eens weten of de naam Sala buiten de straatnaam van het industrieterrein helemaal uit Tilburg verdwenen is. Dat is niet het geval. In het Tilburgse adresboek 1968-'69 komt hij nog één keer voor in gezelschap van nóg exotischer namen, waarvan men het bestaan in Tilburg niet kon bevroeden en die er meestal zo uitzien. We noteerden: Saher Sahin, Said. Saïd (dus mét en zonder trema boven de i). Sakar. Salahessi en een uit het gelid springende Salakpry. Tilburg is een internationale stad geworden. Maar daar was het niet om begonnen. Het ging om „Sala, de dappere" en de beantwoording van de vraag: Wat schuilt achter de naam van een straat het Industrieterrein-Noord?
De affaire heeft destijds ook aandacht buiten Tilburg getrokken. Zelfs de geïllustreerde pers met name „De Prins" besteedde er in 1901 aandacht aan. We waren echter niet in de gelegenheid het bewuste nummer van dit blad te raadplegen.
Wél vonden we enige bijzonderheden over het geslacht Sala. Deze familie is van Italiaanse oorsprong, afkomstig uit Visino in het gebied van Como. In het begin van de 19de eeuw vestigde zich een Jean Baptiste Sala, die met een Antwerpse getrouwd was, in het Brabantse dorpje Lith aan de Maas. Al zal men in zo’n klein dorp de eerste tijd wel wat vreemd tegen de Italiaan hebben aangekeken, het gezin raakte er goed ingeburgerd.
Misschien heeft de Antwerpse echtgenote daartoe ook wel een steentje bijgedragen. Hun zoon Louis Joseph bracht het tot rijksontvanger zodat hij dus de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten. In 1848 trouwde deze met Helena Boeracker de dochter van een bierbrouwer.
Italië 1814
Giuseppe (Joseph Maria Sebastiaan) en Luigi(Jean Baptiste Louis Sala) hebben Italië verlaten rond 1814 (Bron: brief Angelina Sala 02/05/1
874)
Volgens overlevering zouden de gebroeders Italie verlaten hebben met een kar vol schilderijen en in Den Bosch zijn neergestreken om daar een kunsthandel te beginnen.
’s-Hertogenbosch 1821
Het stadsarchief van ’s-Hertogenbosch vermeldt Luigi (Jean Baptiste Louis Sala), als Lodewijk Sala ingeschreven door de ambtenaar burgerlijke stand op 16 mei 1821 samen met zijn vrouw Josephine Jacobine Muskijn geb. 1800 Antwerpen.
Volgens andere bronnen werd Jacoba Muskeijn geboren te Antwerpen op 17 juli 1795 en is zij overleden teSint- Oederade (jaar ontbreekt)
Volgens familienotities is zij overleden op 15-03-1875 te Sint-Oedenrode.
Ze vestigden zich aan het Hinthamereinde in wijk C 417-431 2, de panden naast elkaar. Bron: klapper B47.02 microfiche 39.
Hij gaf toen aan, koopman te zijn in bijouterieën en afkomstig van Valbrona/Vicino (Italie), en 24 jaar oud te zijn.
HinthamereindeGezien vanaf de Zuid Willemsvaart.
Ca 1897 Hinthamerstraat 21 t/m 43 Tijdens marktdag of een of andere festiviteit
Ze zijn later verhuisd naar de Hinthamerstraat.
Maart 1876 HinthamerstraatTijdens een overstroming
1915 PaleisvanJustitie Hinthamerstraat
’s-Hertogenbosch 1822
In 1822 werd Jean Baptiste zware mishandeling ten laste gelegd. We zullen het er tot nader onderzoek maar op houden dat een of andere onverlaat aan zijn mooie spullen heeft gezeten.
Jean Baptiste Louis Sala: zware mishandeling
Voornaam: Jean Baptiste Louis
Achternaam: Sala
Delict: zware mishandeling
Jaar: 1822
Toegangsnummer: 21 Rechtbanken in Noord-Brabant, 1811-1838
Inventarisnummer: 6
Rolnummer: 99
Pentekening van de voorgevel van het Paleis van Justitie. Militairen links. Nu Jeroen Boschhuis of Muzerije.
's-Hertogenbosch, Hinthamerstraat 74;1840 door F. Hupsch
Menen West-Vlaanderen 1827
Guiseppe Maria Sebastiano Sala geboren te Vesino (Visino) op 11 mei 1796 heeft zich op 12 april 1827 te Menen (Menin - West-Vlaanderen - België) gevestigd. Bron M.S.
Lith
Wanneer Luigi (Jean Baptiste Louis) zich in Lith vestigde is nog niet bekend.
Krant: TC
Datum 8-1-1880
Artikel
Het jaarlijkse Armen Concert op Driekoningendag door de Nieuwe Koninklijke Harmonie heeft f1200,- opgebracht. Ook in omliggende plaatsen worden dergelijke actie's voor de armen gehouden. De nood is dit jaar bijzonder hoog vanwege de zeer koude winter. De Souvenir des Montagnards gaat een grote tombola organiseren ten bate van de armen. Een groot aantal prijzen worden ingezameld, en loten zijn te koop bij de volgende personen: E. Janssens, H.M. Rosendaal, Fr. Lommen, F. Jansen, Arn. Pollet, J. Hartogensis, Jansen-Marijnen, J. Vrancken, Leo Swagemakers, Ch. Verschuuren, Armand Diepen, M. Goijarts, Jansen-Koene, Louis Lommen, P.C. Kooij, Theo Bronsgist, Sebald Sala, L.G. Swagemakers, N. Daamen.
Krant: TC
Datum 17-5-1885
Artikel
Op de tentoonstelling te Antwerpen zijn de Gebr. Sala en Pieter van Dooren, als vertegenwoordigers van de Tilburgse wollenstoffen industrie aanwezig. Ook de geperforeerde zittingen van de stoelenfabrikant J. van Hoof te Tilburg oogsten veel succes. De firma Gebr. Lommen is vertegenwoordigd met vernislakken.
Fabrikanten
Twee zoons uit dit huwelijk waren Louis en Sebald, die we later als de Tilburgse gebroeders Sala zullen ontmoeten. Zij bekwaamden zich beide te Aken in de fabricage van wollen stoffen en toen ze meenden de knepen van het vak wel onder de knie te hebben, stichtten zij te Tilburg een fabriek aan de Tuinstraat.
Foto: Tilburg: Centrum De Tuinstraat rond 1930 (Aan dit artikel toegevoegd)
In het begin deden ze samen met twee zwagers van Sebald, de gebroeders Kieckens. Later gingen de compagnons uit elkaar. Zowel de Sala's als de Kieckens produceerden nadien onder eigen naam.
Om enig idee van de omvang van het bedrijf van de Sala's te krijgen: In de tachtiger jaren werkten daar 40 mannen, 8 vrouwen, 4 jongens en 2 meisjes. Dus een personeelsbezetting van 54 man, waarmee de fabriek tot de kleine bedrijven gerekend moest worden.
Men stelle daar maar eens de grote bedrijven naast zoals H. Eras en Zn. (500 man), Pollet en Zn. (317) en L.V. Ledeboer en Zn. (316). De Sala's werkten met een stoomketel Van 35 paardekrachten.
Afgebrand
Op een plattegrond van Tilburg van 1890, die o.a. alle Tilburgse wollenstoffenfabrieken uit die tijd vermeldt, vinden wij die van Gebrs. Sala bij de Nieuwe Dijk (Mgr. Zwijsenstraat) vermeld. Het bedrijf van Gebrs. Kieckens staat daar bij de Tuinstraat aangegeven.
Een adresboek van 1889 noemt Gebr. Sala wollenstóffenfabriekanten. Hun bedrijf was echter op 14 augustus 1887 tot de grond toe afgebrand. Alleen vier geblakerde muren bleven overeind. De inhoud van de brandkast bleek later ongedeerd. Na de brand verscheen in de Nieuwe Tilburgse Courant een aantal advertenties, waarin Charles Marsé, Willem II-straat 1011, in dikke letters o.a. met „brandvrije brandkasten" adverteerde.
Naar een verslagje van de brand zochten we echter tevergeefs in beide Tilburgse kranten. Mogelijk is deze brandcatastrofe de ondergang van de fabriek geweest.
Krant: TC
Datum 6-3-1887
Artikel
De volgende 36 firma's te Tilburg hebben hun schafttijd gesteld van twaalf uur tot half twee ‘s middags. G.C. van Spaendonck & zonen, C. de Wijs & zn., J. Meulesteen, Wed. Boxs & Zn., Swagemakers Ceasar, Mutsaers van Kakerken, Janssens van Buren, M. Aelen, J. Brouwers, Van Dooren & Dams, Gebr. Kieckens, J.L. Donders & Zn., L.V. Ledeboer & zonen, B.T. Str{uml}ater, F.A. Swagemakers & zn., Van den Bergh Krabbendam, Bijvoet-Mutsaers & co., L.E. van den Bergh, A.Goijarts & zn., E. Lombarts & zonen, Mathijsen-van Gils, Tepe & Achterbergh, J.A. Blomjous, G. Bogaers & zn., Gebr. Sala, Andr{acute}e Lombarts, van Gorp de Wijs, Wed. J.B. de Beer & zonen, Janssens de Horion, A & N. Mutsaerts, W. Brands & zonen, Swagemakers- Bogaerts, J.A.A. Kerstens, De Kanter-van den Heuvel, F. de Wijs & de Rooy, H. Mommers & zonen.
Krant: NTC
Datum 14-8-1887
Artikel
De fabriek van de Gebrs Sala in de Tuinstraat is in de nacht van zaterdag op zondag totaal afgebrand.
Krant: TC
Datum 18-8-1887
Artikel
Zaterdagnacht stond de stad in rep en roer door een grote uitslaande brand bij de gebroeders Sala in de Tuinstraat. Aan blussen viel niet te denken, alleen vier geblakerde muren bleven over.
Sala was dan slachtoffer van het vuur, dat hij als lid van Tilburgs vrijwillige brandweer, voor anderen zo vaak had bestreden. En branden deed het in die tijd in Tilburg dikwijls daar bedrijven en huizen met een verlichting van olielampen waren uitgerust.
Krant: TC
Datum 19-8-1888
Artikel
Vrijdagnacht stond voor de tweede keer de nieuw opgebouwde fabriek van de Gebr. Sala in brand. In minder dan een uur was de gehele inrichting die juist een grote uitbreiding en van nieuwe machines was voorzien, een prooi van de vlammen. Voor de arbeiders is het weer een hard gelag zonder werk te zijn.
Krant: NTC
Datum 19-8-1888
Artikel
Donderdagnacht is de pas opgebouwde fabriek van de Gebr. Sala in de Tuinstraat opnieuw door brand verwoest. Ook de nieuwste machines gingen verloren.
Krant: TC
Datum 14-5-1893
Artikel
De heer Alex van Glabbeek is in de plaats van S. Sala benoemd tot brandmeester in de wijk Heuvel. Tot meesterknecht aan de gasfabriek de heer A. van de Nouweland.
Krant: TC
Datum 9-7-1899
Artikel
Maandag jl. herdacht Jan Poulusse zijn 12,5-jarig jubileum bij de firma Louis Sala. Hij ontving 5 rijksdaalders van de directie.
In dit kader lijkt ons vermeldenswaard de door Sebald Sala aan de dag gelegde activiteit en kracht toen het bedrijf van de firma Bijvoet in brand stond. Bijvoet, die de wanhoop nabij was, legde de brandweer uit, dat zijn ijzeren geldkist nog op de bovenverdieping stond. Maar hoe kreeg men er die uit nadat de tegen een muur geplaatste ladder te kort bleek om een raam te bereiken.
Sala, zich bewust van zijn sterkte, die hem later in de trein zo goed van pas zou komen, bedacht zich niet lang. Hij ging „bok staan" met de ladder op zijn schouders. Toen konden twee brandweerlieden naar boven klimmen en zij keerden veilig met de zware, ijzeren kist op de begane grond terug.
Op 't Goirke
Dat Sebald Sala op 't Goirke ging „buurten" zoals boven gereleveerd kan kloppen. Hij woonde namelijk op 't Goirke en wel in het herenhuis vlak bij het Julianaparkje op de hoek van de huidige Pater Rutterstraat. Het gaat hier om het huis waarin rond 1900 de familie Jo van Dijk-van Roessel woonde. Later is het witte pand van weleer verbouwd tot twee woningen.
Tilburg
Oude Lind
Wijk Ind.Strook Goirke Kanaaldijk
Ansichtkaart 1915
Vanaf het Julianapark liep vroeger het Lijnsheike richting Heikant.
In 1958 kreeg het gedeelte tussen de Ringbaan Noord en het Wilhelminakanaal officiëel de naam Oude Lind.
De naam komt al voor in de 14e eeuw als 'Guet Terlinde'.
In 1535 en 1537 is er sprake van 'die Ouwe Lijnde' en 'de Ou Lijndt'
Op de voorgrond het Goirke, vanaf 1927 het Julianapark.
Het herenhuis met dubbele kap rechts hoorde tot 1958 bij het Julianapark, maar daarna werd het Oude Lind 32.
De rij lage huisjes rechts (v.l.n.r. huisnrs. Julianapark 74-73-72-71) werd in 1937 gesloopt voor de aanleg van de Ringbaan Noord.
De laatste bewoners waren v.l.n.r. slager P.J. Pijnenburg, wever L.J.J. Rijnen, schoenmaker G. de Kinderen en los arbeider Fr.P. van Loon.
Pijnenburg opende later een nieuwe slagerij aan het Julianapark nr. 68.
Rechts in de verte de schoenfabriek van de firma Mannaerts.
Links de tramrails van de lijn Tilburg-Waalwijk.
Op het Lijnsheike vond bakker A. van Empel in 1904 de dood, toen hij met zijn bakkerskar onder de tram terecht kwam. Zijn knecht en paard waren slechts licht gewond.
Tilburg Wilhelminapark Gasthuisstraat
Ansichtkaart 1900
Openbaar vervoer. De noordzijde van het Wilhelminapark richting Hasselt/Goirke.
Rechts het pand K226, het tramkantoor met remise van de tramlijn Tilburg/Waalwijk.
Dit pand dat in 1910 het huisnummer Wilhelminapark 133 kreeg was later bekend als café Tramstation.
Eigenaar was herbergier en expediteur Jacobus Zebregs, geboren te Tilburg op 23 oktober 1882.
Hij was een zoon van de bewoner van het pand naast het tramkantoor: K225, vanaf 1910 Wilhelminapark 134.
Dit pand werd rond 1900 bewoond door landbouwer en voerman Hendrik Zebregs.
Het hoge herenhuis op de achtergrond staat aan het begin van de Goirkestraat (Goirkestraat 185)
In dit pand woonde o.a. de fabrikantenfamilie W.A. de Rooij-van Dijk en vanaf 1949 dokter Eduard Boelaars.
Op de weg de tram van Tilburg naar Waalwijk. Zie ook de website Goirke Tilburg www.goirketilburg.nl
Sebald Sala is twee maal getrouwd geweest, het laatst met een dochter van Van Wesel. In het begin van 1900 ontmoeten wij de gebroeders Sala in een geheel nieuwe branche nl. als sigarenfabrikanten.
Zij krijgen op 21 november 1908 een vergunning (Hinderwet) voor de oprichting van een sigarenfabriek met drogerij aan Stedekestraat. Het betrof hier een gebouw, dat reeds vroeger voor hetzelfde doel was gebruikt.
Foto: Stedekestraat Tilburg Wijk Gasthuisstraat Jaar 1917 Stedekestraat richting Wilhelminapark.
Links het pand Stedekestraat nr. 27: de Zuid Nederlandse Kledingfabriek. In de Staatscourant van 27 februari 1914 werd de oprichting van dit bedrijf bekend gemaakt door de Tilburgse notaris Maas.
Op 6 september 1963 vierde het bedrijf haar vijftigjarig bestaan.
Aan de overkant van rechts naar links de panden K 872 en K 871, vanaf 1910 Stedekestraat nr. 26 en nr. 24. Op nummer 24 zat sigarenfabriek ‘San Felix’ van L. van den Boer & Cie.
Het bedrijf kwam in het nieuws in 1917 toen de prijs van de sigaren drastisch verhoogd werd met een cent.
De goedkoopste sigaren kostten voortaan vier cent, de duurste acht cent. Sigarenfabriek ‘San Felix’ is geliquideerd in juli 1921. Daarna zat in het pand de ‘N.V. Metaaldraadlampenfabiek Helium’. Dit bedrijf is later verplaatst naar de Lovensestraat. Op Stedekestraat nr. 24 kwam de chemische fabriek ’t Wapen van Tilburg’. Later zat in het pand metaalwarenfabriek Vokofa (vogelkooifabriek) van Van Dijk.
Dit bedrijf is in 1960 afgebrand. In het pand K 872 (nr. 26) woonde rond 1900 ‘briquetmaker’ M. Eijffert.
Andere bedrijven in deze straat waren; Handelsdrukkerij L. van Eerd, vanaf 1919, De Tilburgsche Stroohulzenfabriek Catalonië’ van H.J.M. Verbunt, gesticht rond 1900, en de ‘Eerste Nederlandsche Papiergaren Industrie’. Op de achtergrond de schoorsteen van de C.T.M. (Coöperatieve Tilburgsche Melkinrichting en Zuivelfabriek) aan het Wilhelminapark.
Volgens een inschrijving in het handelsregister op 7 juni 1910 en ook blijkens briefhoofden van later, is de firma naar de Alléenhouderstraat verhuisd.
Tilburg Alleenhouderstraat Tekening van architect Bouman van sigarenfabriek Sala & Co.
Naast twee sigarenfabrieken waren in het verleden in het pand ook een toeleveringsbedrijf voor de schoen- en lederindustrie en een confectiefabriek gehuisvest. Dit gebouw stond tussen de Arke Noëstraat en de Noorwitsstraat. Op zondag 8 januari 1950 brandde het af, waarna het gesloopt werd ten behoeve van woningbouw.
Sloop gloeilampenfabriek Lumax, gevestigd aan de Alleenhouderstraat 107. Het pand werd in 1914 gebouwd voor sigarenfabriek Sala & Co. naar een ontwerp van architect Bouman.
Blijkens: een briefhoofd was toen de firma „sociaal" ingericht voor exportverpakking". Haar telegramadres luidde;"Salaco". Een adresboek van 1922 vermeldt Sala en Co nog steeds als sigarenfabribrikanten. Op 16 juni 1924 blijkt in het Handelsregister kennis gegeven, dat de zaak in 1923 was opgeheven.
Nog één naam Nu wilden we toch ook nog eens weten of de naam Sala buiten de straatnaam van het industrieterrein helemaal uit Tilburg verdwenen is. Dat is niet het geval. In het Tilburgse adresboek 1968-'69 komt hij nog één keer voor in gezelschap van nóg exotischer namen, waarvan men het bestaan in Tilburg niet kon bevroeden en die er meestal zo uitzien.
We noteerden: Saher Sahin, Said. Saïd (dus mét en zonder trema boven de i). Sakar. Salahessi en een uit het gelid springende Salakpry. Tilburg is een internationale stad geworden. Maar daar was het niet om begonnen. Het ging om „Sala, de dappere" en de beantwoording van de vraag: Wat schuilt achter de naam van een straat het Industrieterrein-Noord?
De Tilburger Sebald Sala, is in de trein naar Parijs door twee vagebonden overvallen. Ondanks verwondingen slaagde de heer Sala tijdens een hevig gevecht beide bandieten te ontwapenen. Toen de trein op een tussenstation wilde stoppen, vluchtten zij uit de trein waarbij een der overvallers op slag werd gedood en de andere bewusteloos langs de spoorlijn werd aangetroffen.
Krant: NTC
Datum 28-6-1901
Artikel
Uitvoerig verslag over de overval op de heer Sebald Sala in de trein Mons-Parijs.
Krant: TC
Datum 8-12-1901
Artikel
Op zaterdag 14 December begint te Douai (Frankrijk) het strafproces wegens de moordaanslag op de Tilburgse fabrikant S. Sala. Deze overval vond plaats op 24 Juli 1901 in de spoortrein naar Parijs, hierbij werd een van de daders gedood en de andere dader werd zwaar gewond.
Krant: TC
Datum 27-8-1905
Artikel
Woensdagavond brak brand uit in het ijzermagazijn van de firma W. van der Schoot. De brand ontstond op de modellenzolder waar vonken van de smeltoven, de droge lichtbrandbare voorwerpen in vlam zetten. De brand sloeg over op het dak van de naastgelegen wollenstoffenfabriek van L. Sala. Ook de rijtuigfabriek van de heer Schoenmakers-Hoefnagels en de parapluiefabriek van de heren Gimbr{grave}ere et fils liepen groot gevaar.
Krant: TC
Datum 9-12-1913
Artikel
Zondagmiddag is de sigarenfabriek van de firma Sala & Co. aan de Stedekestraat, nagenoeg tot aan de grond afgebrand. Ook een grote hoeveelheid sigaren en tabak gingen in de vlammen verloren
Tilburg Wijk: Tivoli, Tivolistraat, voorheen Bossche Weg
Ansichtkaart, Datering: 1900
Bosscheweg, nu Tivolistraat, in noord-oostelijke richting.
Links achter het groepje personen, waaronder een slagersknecht, de ingang van de Veemarktstraat.
Rechts drie hoge panden die rond 1900 v.l.n.r. de huisnummers N480, N483 en N484 hadden.
In 1910 werd dat v.l.n.r. Bosscheweg 224 (het witte, nu nog bestaande pand), 226 en 228 vanaf 1932 Bosscheweg 510 t/m 514.
Rond 1900 woonden in deze huizen v.l.n.r. H.A. van Swaaij, leraar aan de rijks-H.B.S., A. Janssens en handelsagent Sebaldus Sala.
Tien jaar later waren de bewoners van deze huizen v.l.n.r. Antonius W.J.M. Arnold, onderdirecteur van een wollenstoffenfabriek, Jan Frederik David Blöte, leraar aan de rijks-H.B.S. en Jos.A. Vorstenbosch, gymnastiekleraar aan de rijks-H.B.S.
Nederlandse banjobarometer ca. 1840-1860 gesigneerd “Sala Leyden”
H.112 cm. Collectie B.Bolle
De grenen kast is belijmd met bloemmahonie motieven en is voorzien van verzilverde messing platen. De 25 cm brede wijzerplaat wordt afgeschermd door bol glas en heeft een schaalverdeling in Engelse duimen. Zowel hygrometer als thermometer is afneembaar. De tendenswijzer werkt via een snaaroverbrenging. Het is waarschijnlijk dat Daniël Antonius Sala de maker is.
Daniël Antonius Sala geb: 17-05-1835 Leiden ovl: 09-03-1875 Leiden bgr: 11-03-1875 Leiden
Relatie: huwelijk 27-07-1859 met Eugénie Marie Eberson, 36, 1839-1875 (x1859, 4k)
Kinderen: Hendrikus Petrus Sala, 1, 1860-1862 Catharina Maria Petronella Sala, 36, 1861-1898 (x1881, 3k) Louiza Maria Sala, 1864-? Antonius Françiscus Sala, 1865-?
Ouders: Carolus Antonius Sala, ~54, ~1803-1858 (x1827, 13k) Maria Sibilla Spekman, ~50, ~1807-1857 (x1827, 13k)
Nederlandse contra-bakbarometer gesigneerd “D.Sala Leyden” ca.1800
Bijzonderheid: In tegenstelling tot de meeste contra-bakbarometers heeft deze geen thermometer gemonteerd. De opengevallen plaats is op elegante wijze opgevuld met sierlijk graveerwerk. Interessant is ook de spelling van het contrasysteem dat op de meeste achttiende eeuwse bakbarometers , alsook de vorige afgebeelde Sala, als “Contraleur” werd aangeduid. Op deze staat “Contraroleur”, hetgeen in de laatste decennia van de achttiende eeuw in zwang kwam.
H. 125 cm. Particuliere collectie
Nederlandse contra-bakbarometer gesigneerd “D.Sala Leyden” ca.1790
Enkele barometer en controleur. De eikenhouten kast is ingelegd met mahonie en satijnhout en heeft verzilverde messing schaalplaten in Engelse en Rijnlandse duimen afgeschermd door een glazen deur. Thermometer in Reaumur en Fahrenheit. De tendenswijzer voor de contrabuis wordt bediend via een snaaroverbrenging in de deur.
Bijzonderheid: Een zeer mooi exemplaar met typische “Sala-kenmerken”, zoals de gestoken platte staartornamenten en de gestoken profielen boven het fries en langs het tympaan, alsook de fijne marqueterie.
H.130 cm. Collectie: Stedelijk museum “De Lakenhal” Leiden
Engelse multipelbarometer ca. 1780-1800 “SALA FECIT”
De schaalplaat is van palmhout, afgeschermd door een mahonie glasdeur, bekroond met messing knopjes. De barometerstand wordt ondersteboven afgelezen op de rechter buis. De schalen en de weer indicaties zijn ingeslagen. De barometerschaal heeft een verdeling van 0 tot 16, onderaan beginnend bij “Very dry” en eindigend bij “Stormy”. De geheel links gemonteerde thermometer heeft de Florentijnse schaal. Langs de voorzijde van de rechter deurstijl zit een messing geleider voor de tendenswijzer.
H. 60 cm Particuliere collectie
Engelse contrabarometer ca. 1780-1800 “DOMINICO SALA LONDINI FECIT”
De massief mahonie kast heeft ingelegd palmhouten schaalplaten voorzien van een schaal van “Very dry” tot “Stormy weather”. Voorts staat rechts boven vermeld “GREAT DOUBLE BAROMETER”. De thermometer heeft een schaal in Farhenheit.
Bijzonderheid: Dit barometertype komt in Engeland slechts sporadisch voor.
H. 108 cm Particuliere collectie
Vervalsingen van Nederlandse contrabakbarometers “D.Sala te Leyden”
Pagina uit het boek “Barometers in beeld” Bert Bolle Lochem 1983
Onderstaande gegevens zijn verzameld door Helmut Sala
De Nederlandse contra-bakbarometers gesigneerd met D. Sala te Leyden hebben de Lodewijk XVI –Empire stijlkenmerken uit het laatste kwart van de 18e eeuw (Afb. 3 en Afb.4). zodat niet Daniel Antonius Sala de maker kan zijn geweest doch Dominicus Sala. In het register van “Declaratoiren van Inwooninge” begonnen in het jaar 1789 komt Ds. Sala voor als neringdoende in barometers. Zijn beroep wordt op diverse plaatsen ook vermeld als winkelier of verkoper van paraplu’s en prenten. Een dochter Anna Maria (geboren 1799) huwt circa 1819 met Joseph Willem Borzo (1781-1839) die zich in ’s Hertogenbosch vestigt, in diens atelier werden ook barometers vervaardigd. Dominicus Sala is een vooraanstaand barometermaker geweest. Zijn barometers zijn van grote klasse. Over het algemeen zijn het rijke stukken, met veel inleg van roze- en citroenhout. Ook “verre églomisée” werd veelvuldig door hem toegepast. Van hem zijn typen bekend met kwart, halve en met hele (vrijstaande) kolommen.
Ook trachtte Dominicus Sala de “Hollandse” contrabarometer in de periode 1780-1800 in Engeland ingang te doen vinden.(Afb.1 en Afb.2)
Een onderzoek naar de antieke Nederlandse barometers en hun makers is tot nu toe niet verricht.
De ontwikkeling van een simpele houten achterwand met een kwikbuis eind zeventiende eeuw, tot pronk en meubelstuk begin 19de eeuw, is tot op heden niet op schrift gesteld evenmin als een opgave is gedaan van alle in Nederland gewerkt hebbende barometermakers met biografische gegevens en afbeeldingen van hun werk. Ik wil trachten in deze leemte te voorzien. Dit artikel beoogt een aanzet te zijn tot een volledige uitgave in boekvorm.
Een tweeledig doel staat mij hierbij voor ogen: enerzijds een proberen of de gekozen vorm de juiste is, anderzijds hoop ik met deze publicatie op nog voor mij onbekende namen van makers geattendeerd te worden. Voor deze verhandeling wordt een bekende maker uit het totaal gelicht, wat een goed beeld geeft hoe, voor zover bekend, de andere makers beschreven zullen worden.
Kritiek op deze vormkeuze of anderszins is uiteraard welkom.
Het idee van publicatie van dit artikel en de vorm waarin het gegoten zou moeten worden is afkomstig van de heer Drs. A. J. F. Gogelein, directeur van het Museum Boerhaave, Rijksmuseum voor Geschiedenis van de Natuurwetenschappen en van de Geneeskunde te Leiden. Zeer veel opbouwende kritiek heb ik mogen ontvangen van de heer Drs. P. van der Star, Conservator van voormeld museum. Tot slot is de heer H. Muller oud medewerker van dit museum mij ook zeer ter wille geweest. Ik ben hen veel dank verschuldigd.
ONTSTAAN EN ONTWIKKELING VAN DE BAROMETER
Het laatste, waar de geleerden die zich in de eerste helft van de zestiende eeuw bezig hielden met onderzoekingen naar het vacuüm, het gewicht en de druk, die lucht uitoefent, aan gedacht hebben was, dat het resultaat van hun onderzoekingen een halve eeuw later zou leiden tot het ontstaan van een instrument waar weerkundige voorspellingen mee gedaan zouden worden. 'L'Histoire se répète': hoeveel uitvindingen ten behoeve van de ruimtevaart, worden nu niet voor heel andere doeleinden in het dagelijks leven gebruikt. De grootste en veelzijdigste geleerde uit het begin der zeventiende eeuw was wel de Italiaan Galileo Galilei (1564-1642),
een natuurfilosoof, die het brede terrein van wiskunde, natuurkunde en astronomie niet alleen beheerste, maar bovendien door zijn proefnemingen en denkbeelden de beoefening der natuurkunde in nieuwe banen leidde.
Reeds in 1602 deed hij proefnemingen met lucht en erkende hij het bestaan van een vacuüm, maar in 1615 stelde hij wederom een onbegrijpelijke missing link in het denken van zo'n grote geest dat lucht geen druk uitoefent en geen gewicht heeft.
Isaac Beekman (1588-1637) een medicus en natuurfilosoof uit Middelburg en Giovanni Batista (1582-1666) hebben de veronderstelling geuit dat lucht gewicht zou hebben en druk zou uitoefenen. Torricelli heeft deze stellingen met zijn proef bewezen.
Evangelista Torricelli (1608-1647) werd in 1641 assistent van Galilei, die hij erg bewonderde. Helaas heeft de samenwerking maar kort geduurd. In 1644 vond het beroemde experiment plaats waarmee Torricelli voor het eerst bewees dat lucht druk uitoefent en waarmee het verschijnsel, dat kwik in een luchtledige buis kan stijgen en dalen, verklaard kan worden. Viviani (1622-1703) door Galilei op het spoor gezet om kwik te gebruiken, heeft het experimentele werk gedaan en Torricelli's aandeel was te veronderstellen dat een instrument kon worden bedacht, dat het veranderen van de luchtdruk zou aantonen. Dit instrument zou de barometer worden.
De naam barometer is voor het eerst gebruikt door Robert Boyle in 1665. De naam is afgeleid van het Griekse baros = zwaarte en metron = maat, dus zwaartemeter. In een brief van 11 juni 1644 aan zijn vriend Michel Angelo Ricci in Rome heeft Torricelli het experiment zeer duidelijk beschreven. We mogen dus 1644 als het jaar van de uitvinding aanhouden.
Hoe werkt het principe van Torricelli?
Een glazen buis van + 85 cm lengte, die aan een zijde gesloten is, wordt geheel met kwik gevuld.
Met een vinger wordt de opening afgesloten, de buis wordt omgedraaid en in een bakje met kwik geplaatst. Het blijkt dan dat het kwik in de buis op een hoogte van + 76 cm blijft staan (tek. 1).
Kwik is bij uitstek geschikt vanwege zijn hoge soortelijke gewicht namelijk 13.59. Wil men hetzelfde experiment met water doen, dan krijgt men een kolom van 76 x 13.59 = 1033 cm ofwel meer dan 10
De kwikbak wordt met een deksel, waarin zich een kleine opening bevindt, afgesloten om verontreiniging te voorkomen. In de begintijd zijn alle bakbarometers op deze wijze uitgevoerd. Het is echter duidelijk dat dit een zeer kwetsbaar systeem is. Bij vroegere restauraties zijn deze bakjes helaas verdwenen en vervangen door de hevelbarometer. De hevelbarometer, een dubbel gebogen buis, was een gemakkelijkere oplossing, die men tegenwoordig dan ook in alle bakbarometers vindt (Tek. 2). De lucht oefent druk uit op kwikoppervlak A en kan zo kwikkolom B laten stijgen en dalen. Als in C een vacuüm is dan varieert de lengte van de waterkolom boven A van 74 tot 78 cm.
De contrabarometer
René Descartes heeft omstreeks 1650 geëxperimenteerd met een twee-vloeistoffen-barometer, met het doel de schaal te vergroten (Tek. 3). Boven het kwik in AA' bevindt zich een lichtere vloeistof, bijvoorbeeld een olie. Daar dé doorsnede van B veel kleiner is dan die van A', daalt en stijgt de vloeistof, in B over een veel grotere afstand dan in A'.
Er zijn twee nadelen aan dit systeem verbonden: ten eerste oefent de dampspanning van de olie B in de ruimte C een niet toelaatbare druk uit en ten tweede veroorzaakt het stijgen en dalen, en dus langer of korter worden van de oliekolom een variabele druk op de kwikkolom A. Door deze twee fouten zijn de veranderingen niet meer lineair gelijk aan de veranderingen van de barometerdruk.
Christiaan Huygens (1629-1695) heeft in 1672 een verbeterde twee-vloeistoffen-barometer uitgevonden (Tek. 4) en aan de Royal Society getoond. Deze is bekend geworden onder de namen controleur, contraleur en contraroleur. De laatste naam zou kunnen duiden op het feit dat de schaal omgekeerd, contra, is aan die van de enkele barometer.
De controleur bestaat uit een dubbel gebogen buis en is dus ook een hevelbarometer. Het open been is nu echter even lang als het gesloten been. In het boveneinde van het gesloten been en in het ondereinde van het open been bevinden zich twee verwijdingen A en B van dezelfde diameter. Boven het kwik in het open been bevindt zich water of (gekleurde) alcohol (C). De inwendige diameter van het nauwe deel van het open been is 3 mm en de inwendige diameter van het wijde gedeelte waar zich het kwikoppervlak bevindt, is 8 mm. De oppervlakten verhouden zich nu vrijwel als l : 7. De stijging of daling van de paraffineolie zal nu ook 7 maal zo groot zijn als die van het kwikoppervlak.
Bij de contraroleur (Tek. 5) is de aanduiding van het weertype van boven naar beneden gaande, omgekeerd aan die van de enkele barometer. De schaalverdeling bij de barometer en contraroleur (7 maal zo groot als bij de barometer) is in Engelse en Rijnlandse duimen aangebracht. Bij de contraroleur staat bij de aanduiding 'orcaan' 28 (x 2.54 = 71.12 cm kwik) ED; en bij 'heel schoon' 31 (x 2.54 = 78.74 cm kwik) ED; bij de barometer is dit omgekeerd. Aan de contrabarometer kleven enkele bezwaren. De variabele druk van de vloeistof op de kwikkolom en de verdamping van de vloeistof zijn de voornaamste.
Robert Hooke (1635-1703), die werkzaam was bij de Royal Society, heeft in 1686 een verbetering beschreven en wel in de vorm van een drievloeistoffen-barometer (Tek. 6). Hooke gebruikte alcohol (E) en een niet met alcohol mengbare olie (D). De alcohol was iets lichter, maar door toevoeging van water maakte hij het soortelijk gewicht een klein beetje groter dan dat van de olie, zodat die bovenop kwam. Doordat de beide soortelijke gewichten slechts minimaal verschil vertoonden en de reservoirs A, B en C dezelfde doorsnede hadden bleef de druk op het kwikoppervlak F bij stijgen en dalen constant. Bovendien verhinderde de olie het verdampen van de (gekleurde) alcohol. In 1690 doet Philippe de la Hire (1640-1718) de heruitvinding van de drie-vloeistoffen-barometer en beschrijft deze aan Huygens. De drie-vloeistoffen-barometer is zeer weinig toegepast. Voor de simpele barometermaker was hij te ingewikkeld.
Tot slot een bespreking van de werking van de banjobarometer, door Hooke in 1665 als 'wheel-barometer' uitgevonden. Dit is een hevel¬barometer, waarbij in het open been een vlotter op het kwik drijft (Tek. 7). Deze vlotter is aan een touwtje bevestigd dat over een katrolletje loopt, met aan het andere einde een tegengewicht. Aan de as van het katrolletje is een wijzer bevestigd die langs een schaalverdeling heen en weer gaat met het stijgen en dalen van het kwik in de buis.
Bakbarometer met enkele barometer, mahonie massief. Koperen schalen (vroeger verzilverd?) in Engelse en Rijnlandse duimen met nonius. ± 1740. Gesigneerd: 'P. Eysenbroek, Fec. Haarlem, afm. 102 x 17 cm. Part. coll.
Bakbarometer met enkele barometer, mahonie massief. Koperen schalen in Engelse en Rijnlandse duimen met nonius. ± 1750. Niet gesigneerd. Part. coll.
Bakbarometer met enkele barometer, wortelnoten gefineerd. Koperen schalen in Engelse en Rijnlandse duimen. Thermometer in Reaumur en Fahrenheid. 1759. Gesigneerd: 'C. Ruspinus, Amsterdam', afm. 122 x 15 cm. Part. coll
Bakbarometer met enkele barometer, wortelnoten gefineerd. Tinnen schalen in Engelse en Rijnlandse duimen. Thermometer in Fahrenheit en Florece, ± 1770, Gesigneerd: 'P. Poleti Amsterdam', afm. 121 x 20 cm. Part. coll.
Bakbarometer met enkele barometer, wortelnoten gefineerd. Tinnen schalen in Engelse en Rijnlandse duimen met nonius. Thermometer in Reaumur en Fahrenheit. ± 7770. Gesigneerd: 'A. Solaro, Leeuwarden', afm. 118 x 25 cm. Part. coll.
Bakbarometer met enkele barometer en controleur, noten gefineerd. Tinnen schalen in Engelse en Rijnlandse duimen met nonius. Thermometer in Fahrenheit. ± 1780. Gesigneerd: 'Ds. Brenta, 's Bos', afm. 122 x 24 cm. Part. coll.
Bakbarometer met enkele barometer en controleur. Mahonie gefineerd en intarsia (satijnnoten en ebbehout) op tympaan, fries, deur en onderbouw.
Kwart schacht. Tinnen schalen in Engelse en Rijnlandse duimen met nonius. Thermometer in Reaumur en Fahrenheit. + 1815. Gesigneerd: 'Solaro en Butti te Amsterdam', o/m. 128 x 32 cm. Pan. coll.
Bakbarometer met enkele barometer en controleur. Maho¬nie gefineerd. Intarsia en verre eglomisée op tympaan, fries en onderbouw. Intarsia tevens op de deur. Kwart schacht. Tinnen schalen in Engelse en Rijnlandse duimen. Thermometer in Reaumur en Fahrenheit. Omstreeks 1810. Gesigneerd: 'F. Bazerga, Rotter¬dam', afm. 134 x 25 cm. Part. coll.
Bakbarometer met enkele barometer en controleur, Mahonie gefineerd. Intarsia en verre eglomisée op tympaan, fries en onderbouw. Intarsia tevens op achterwand en deur. Kwart schacht.
Tinnen schalen in Engelse en Rijnlandse duimen met nonius. Thermometer in Reaumur en Fahrenheit. Omstreeks 1820, Gesigneerd: 'Solaro en Butti Amsterdam', afm. 129 x32 cm. Part. coll.
Foto: An 8" dial figured mahogany mercury wheel barometer with black and white edging, by Barnaschoni of Cardigan. Case repolished, replacement thermometer box, tube, hygrometer, level bezel, mirror and frame, pediment, finial and set key. Considerable restorations but a typical wheel barometer. Circa 1845. Dimensions 10" x 38 ½"
Primavesi barometer Paulus Wast (1721-1784) kam als Emigrant der ersten Stunde, im Jahre 1740 in die Niederlande und ging zu Frans Primavesi in die Lehre. Ursprünglich hieß er Paoli Quasti. Später machte er sich in Amsterdam selbständig und passte seinen Namen an die niederländische Namensgebung an (um 1750). Er wurde ebenfalls ein ganz Großer seiner Zunft. Beide Söhne, Paulus und Pieter, führten den Betrieb nach seinem Tod weiter.
Zu nennen wäre noch Jan Paauw (1723?-1803) aus Leiden, der die Instrumente für Peter van Musschenbroek lieferte.
Im Verlauf des 18. Jh. lässt sich in den Niederlanden die Entwicklung des so landestypischen Bakbarometers in mehreren Stufen verfolgen. Vom einfachen, schlichten Gefäßbarometer mit Zinnskala aus den Anfangsjahren (ab 1725), über Instrumente mit mehrteiligen, kunstvoll gestalteten Skalen zur Mitte des Jahrhunderts, bis hin zum Kontra-Bakbarometer mit zusätzlichem Controlleur, ein- oder zweiteiliger, langer Zinnskala und verglaster Türe, in den 80iger Jahren, lässt sich das Design Schritt für Schritt verfolgen.
In der 2. Hälfte des 18. Jh. tauchen dann vermehrt Werkstätten mit italienischen Namen auf. Die zweite Welle der Emigranten hatte aus der Südschweiz und Norditalien kommend, auch die Niederlande erreicht. Viele der Einwanderer beschäftigten sich danach erfolgreich mit der Herstellung der Bakbarometer. Hier einige Namensbeispiele: Reballio in Rotterdam, Sala in Leiden, Primavesi, Stoppani und Peia in Amsterdam, oder Bianchi, Tarroni, Pagani, Solaro und wie sie alle heißen.
PRIMAVESI, FRANS Holland, fl.1740-60, PHIM Thermometer = UTR. according to Crommelin, thermometer is signed "L. Primavesi." Amsterdam. Crommelin 1; Middleton 1; Rooseboom 1.
PRIMAVESI, JEAN Italy; Holland, c.1750, PHIM Barometer = UTR. signed "L. Primaves." Amsterdam. Middleton 1. PRIMAVESI, L.P. Holland, c.1760, PHIM associated with his father, Frans Primavesi. Amsterdam. Rooseboom 1. PRIMAVESI, LODK. Holland, c.1771, OIM PHIM Double Barometer = UTR. see Bianchi and Primavesi; see Bianchi, Primavesi and Co.; made thermometers. Amsterdam. Rooseboom 1; Daumas 1; Middleton 1; RSW. BIANCHI AND CO. Holland, pre-1793, MIM OIM PHIM made solar microscopes, pumps, etc.; by 1793 owners of a fancy-goods shop. Kalverstraat over de Gapensteeg, Amsterdam. Mörzer Bruyns 2; Rooseboom 1. BIANCHI AND PRIMAVESI Holland, PHIM Barometer = LEY. Amsterdam. RSW.
Signature Maker Instruments Comments Location References PRIMAVESI, FRANS Holland, fl.1740-60, PHIM Thermometer = UTR. according to Crommelin, thermometer is signed "L. Primavesi." Amsterdam. Crommelin 1; Middleton 1; Rooseboom 1. PRIMAVESI, FRANS Holland, fl.1740-60, PHIM Thermometer = UTR. according to Crommelin, thermometer is signed "L. Primavesi." Amsterdam. Crommelin 1; Middleton 1; Rooseboom 1.
Frans Primavesi
Barometermakers als Antony Gulino en Frans Primavesi behoorden tot de eerste generatie immigranten die zich rond 1740 in Amsterdam vestigde.
Van deze Frans Primavesi is de volgende, in 1740 geplaatste advertentie bekend:
'Frans Primowees woond in de Dykstraet in de stad Byleveld by de Nieuwmarkt te Amsterdam, maekt bekend aen alle liefhebbers, dat hy maekt en verstelt allerhande soorten van weerglazen, baromeeters, en termomeeters van quik en spiritus, groot en kleyn. Hy zal zyn werk op de proef geeven en staet een jaer goed buyten breeken'. Zoals uit deze woorden blijkt, was de bakbarometer ten tijde van de vestiging van de allereerste groep buitenlandse makers nog steeds vooral iets voor een beperkte groep 'liefhebbers'.
Met de komst van meer en meer buitenlandse barometermakers in de hierop volgende jaren, nam zowel het aanbod als de vraag naar bakbarometers in evenredige mate toe, waardoor een steeds groter en algemener publiek werd bereikt.
Op 24 mei 1744 zou Frans Primavesi in de Oude Kerk getuige zijn bij het huwelijk van zijn leerling Paoli Quasti met Anna Catharina Bregers.
Paoli Quasti werd in 1721 in Bern geboren en emigreerde rond zijn twintigste levensjaar naar de Republiek, waar hij in de leer trad bij Frans Primavesi.
Al spoedig zou hij zijn leermeester gaan overvleugelen. Wanneer hij zich precies zelfstandig vestigde is niet bekend, maar vermoedelijk was dat omstreeks 1750.
Het moet ook rond deze tijd geweest zijn dat Paoli Quasti zijn naam vernederlandste tot Paulus Wast. Op 21 november 1758 plaatste hij de volgende zelfbewuste advertentie in de Amsterdamse Courant:
'Paulus Wast, woond t' Amsterdam op de hoek van de Nes en de Langenbrugsteeg, in 'de Gekroonde Baromeeter', maakt, verkoopt en repareert alle zoorten van Weerglazen, 't zij Baromeeters of Termomeeters, tot allerley gebruiken, als ook tot Broeybakken: alles volgens de accuraatste schaalen; recommandeerdende een ieder, zig te wagten voor zulke perzoonen, die zig uitgeven voor of van hem te komen, en verzoekt een ieders gunst'.
In Amsterdam is wel wat bekend over kinderen van Franciscus Xaverius Primowesi en Katrien Amesin en op Google heb ik meer gegevens over de barometerbouwer Primavesi gevonden
Frans zou de vader van jouw jongedame kunnen zijn, waarna haar man het beroep van zijn schoonvader kan hebben geleerd.
(Bedoeld wordt Maria Primavesi maar dat is nog maar de vraag.)
Zoon Jan Jacob Primowees, ged. 3-10-1754, ovl. 19-11-1813 Amsterdam, trouwde 8-9-1780 met Maria Willegers en werd zeeman.
Na zijn huwelijk koos hij een baantje aan de wal en werd als sjouwer in het poortersboek van Amsterdam ingeschreven.
Het poortersboek tekende hij met Jan Primavezi, als Maria overlijdt (3-2-1819) wordt ze weduwe van Jan Wees genoemd.
Hun dochter: Elisabeth Primowees, ged. 26-10-1783, ovl. 27-4-1833 Amsterdam ondertrouwde 20-3-1807 met Georg Fredrik Nootwang, geb. te Bornworf?, ovl. 30-11-1829 Amsterdam.
Georg was bootsman op het corvet 'Ajax', welk corvet in den Helder lag en had toestemming nodig van zijn commandant J.N. Polders. 12-3 was de ondertrouw in den Helder, Elisabeth die Yeliesebeth werd gedoopt, krijgt toestemming van het Aalmoeseniers Weeshuis, mits het huwelijk in Amsterdam wordt gesloten.
Waarom deze toestemming is niet duidelijk, daar haar ouders nog leven.
De juiste huwelijksdatum heb ik niet kunnen vinden, daar er 2 genoemd worden: 19-4 en 7-6.
Het was praktisch onmogelijk de juiste Amsterdamse kerkboeken te vinden.
Met dank aan de inzender ____________________
Paulus Wast (1721-1784) kam als Emigrant der ersten Stunde, im Jahre 1740 in die Niederlande und ging zu Frans Primavesi in die Lehre. Ursprünglich hieß er Paoli Quasti. Später machte er sich in Amsterdam selbständig und passte seinen Namen an die niederländische Namensgebung an (um 1750). Er wurde ebenfalls ein ganz Großer seiner Zunft. Beide Söhne, Paulus und Pieter, führten den Betrieb nach seinem Tod weiter.
Zu nennen wäre noch Jan Paauw (1723?-1803) aus Leiden, der die Instrumente für Peter van Musschenbroek lieferte.
Im Verlauf des 18. Jh. lässt sich in den Niederlanden die Entwicklung des so landestypischen Bakbarometers in mehreren Stufen verfolgen. Vom einfachen, schlichten Gefäßbarometer mit Zinnskala aus den Anfangsjahren (ab 1725), über Instrumente mit mehrteiligen, kunstvoll gestalteten Skalen zur Mitte des Jahrhunderts, bis hin zum Kontra-Bakbarometer mit zusätzlichem Controlleur, ein- oder zweiteiliger, langer Zinnskala und verglaster Türe, in den 80iger Jahren, lässt sich das Design Schritt für Schritt verfolgen.
In der 2. Hälfte des 18. Jh. tauchen dann vermehrt Werkstätten mit italienischen Namen auf. Die zweite Welle der Emigranten hatte aus der Südschweiz und Norditalien kommend, auch die Niederlande erreicht. Viele der Einwanderer beschäftigten sich danach erfolgreich mit der Herstellung der Bakbarometer. Hier einige Namensbeispiele: Reballio in Rotterdam, Sala in Leiden, Primavesi, Stoppani und Peia in Amsterdam, oder Bianchi, Tarroni, Pagani, Solaro und wie sie alle heißen.
Categorie:1 SALA DOMINICUS JOHANNES DE ANSICHTKAARTEN VAN
07-05-2007
DE ANSICHTKAARTEN VAN DOMINICUS JOHANNES SALA 2
Den Jongenheer H. Sala Heusdensebaan C. 62 Oisterwijk N. Br.
's Gravenhage 23 Dec 47
Hermannetje Veel geluk met je verjaar dag. Opa hoopt je een zoete jongen zal zijn en erg ge- hoorzaam. Niet in je blote bibs naar de buurvrouw loopt en vooral niet op de mooie stoelen kruipt Want je weet dan wordt Opa boos. Hoe is het met de st. Nicolaas geweest, heb je veel versjes gezongen. Nu heb je er al weer een broertje bij. Veel helpen bij de zusters en zoet zijn Marie en Herman hartelijk gefeliciteerd en sterkte met Ivo Franciscus Wanneer je eens tijd hebt schrijf je wel je liefhebbende Vader
Den Heer Mevr H. Sala Heusdensebaan Oisterwijk N.B.
2/2 - 51 BesteHerman en Rietje Zoojuist ontving brief kaart van Anatol waarin zijn laatste en juiste adres schrijft 23 Smithstreet Sydney N.S.W. Summerhill Australia vorige adres was 34 College Anthony Robertson W.S.W. Australia en hij schijnt van werkkring veranderd te zijn Veel groeten van allen uit Leiden Je Liefhebbende Vader
Den Heer p- Mevrouw H. Sala Heusdensebaan Oisterwijk
's Gravenhage 11 Oct. 50 Beste Rietje en Herman Wanneer er niets tussen komt verschijn ik aan staande Dinsdag Vier eerst verjaardag bij Kitty maandag en reis dinsdag naar brabant alles wel aan boord je L.H. Vader
Mejuffrouw M. Iding en Herman Provinciale weg 102 Meerveldhoven N.B.
Familie Sala
Fam, Siecke HauptStraße 8 Herzogenrath
Vader Sala Haagweg 599 (L) 's Gravenhage
Onbeschreven
4c58d5e3bd.jpg">
Den Heer en Mevrouw L. Ouwerkerk Graaf Florisstraat 78 Schiedam
‘s Gravenhage 31-07-1948
Toos en Leo, Wanneer je misschien naar de legertentoonstelling gaat, moet je Herman eens opzoeken. Wachtmeester 1e kl. Art. afdeling tanks. Misschien als hij tijd heeft zou hij jullie eens opzoeken. Ik hoop alles nog goed gaat. Hebt ge al een baard? ‘t is nu fijn weer voor zeilen en zwemmen, heb tenminste de heele week in ’t water gelegen. ’t allerbeste je oom Minic
Zijkant; Een kladje van je schilderij v.d. Windt Afz Haagweg 599 (L) ‘s Gravenhage
Opm; Herman is de zoon van Dominicus
Den Heer en Mevrouw L. Ouwerkerk Graaf Florisstraat 78 Schiedam
‘s Gravenhage 19-08-1949
Beste Toos, Zend bij gelegenheid afschrift eens op van de stamboom Sala. Ik heb ’t zoo druk gehad met logeren in Oisterwijk en daarna vacantie van de jongens (waaronder uw blogbeheerder) in Kitty’s Huis Amalia van Solmsstraat 154 en had opa dienst elken dag naar het strand en dan met de jongens in zee. Terwijl was Kitty Freek haar man en Herman als schipper heerlijk gaan zeilen in Friesland vanuit Langmeer. Bij gelegenheid kom ik wel weer eens overwaaien. Hoe is met woning Sassenheim? Veel groeten Oom Minic
Mevrouw L. Ouwerkerk Willem Warnaarlaan 75 Sassenheim
‘s Gravenhage 06-07-1951
Beste Toos, De winterjasmijn bollen, L. van Dalen en Irisbollen moeten in October de grond in, dus is ’t beter tegen October te kopen. Wanneer ik dan weet hoeveel komt ’t in orde. Hier is alles wel aan boord maar heb nog geen kamer doch dat komt ook wel. Veel groeten van Freek, Kitty, Yvon en Izan en goede vaart en gezellige tocht. Tot kijk Oom Minic
Categorie:1 SALA DOMINICUS JOHANNES DE ANSICHTKAARTEN VAN
06-05-2007
DOMINICUS JOHANNES SALA SCHRIJFT Ansichtkaart Kunsthandel Sala
Marie Iding Provinciale weg no 102 Meerveldhoven bij Eindhoven
Lieve Rietje, Even wil ik je laten weten ‘t goed met Herman gaat, hij heeft vreeselijk veel bezoek, wat hij erg leuk vindt, wij gaan ’s avonds, want dan mogen alleen de ouders ze brengen van alles mee, bloemen, eau de cologne chocolade leesboeken, hij is erg tevreden en ik zorg dat hij iedere keer schoone pyama heeft dat is moeders zorg later mag jij ’t dan doen hoor, ik ben zondagavond nog naar ’t spoor wezen kijken of ik je nog zag maar je was al weg nu vele lieve groeten van moeder
Den Heer Mevr. H. Sala Heusdensebaan Oisterwijk
7/2 - 49 's Gravenhage
Herman - Rietje Van harte geluk met de echte kwaaijongen Annatol 't is een heerlijke knul en voel me weer jong, wanneer hij zijn strandzakken leeghaalt met heerlijkgezicht, dat is allemaal … mijn hoop nog eenige jaren zijn groei te beleven Zo gauw Freek die kant uitkomt brengt hij een en ander mee Veel gezondheid en vrolijke Dag D.J. Sala Haagweg 599; Vader
Mejuffrouw M. Iding Provincialeweg 102 Meerveldhoven N.B.
Lieve Rie Wat een fijn cadeau. Je moet wel hard werken maar het is toch echt je broers je zoo waarderen. Tante Riek is een paar dagen hier gelogeerd en de twee zussen kakelen als hennen. Als de feestdagen voorbij zijn zal moeder weer eens een lange brief schrijven Ze zit als de soldaat met verlof af te tellen naar de tijd ze naar Meerveldhoven kan komen. Ze maakt ’t op oogenblik heel goed, ik hoop voor je moeder de drukte haar niet te veel vermoeid. Hieronder de adressen Mevrouw Wed. G. Schretlen Breestraat 137 Leiden. Tante Riek
Mevr. Wed. H. Sala Jan van Houtkade 30 Leiden Den Heer S. Sala Noordeindeweg 6 ’s Gravenhage. L. Sala Fred. Hendriklaan 83 ‘s Gravenhage Vele groeten aan allemaal je l.h. Vader
Categorie:1 SALA DOMINICUS JOHANNES DE ANSICHTKAARTEN VAN
11-03-2007
Genealogie een ziekte?
Genealogie een ziekte?
Dat de populariteit van genealogie veroorzaakt wordt door een onbekend virus wist ik al, maar dat deze ogenschijnlijk onschuldige ziekte zulke ernstige symptomen kan veroorzaken zoals in het artikel "Deelnemers gevraagd voor het Project Genetische Genealogie in Nederland" tot uiting komen, is betrekkelijk nieuw voor mij.
Of misschien toch niet helemaal. Vaag herinner ik mij ooit gelezen te hebben dat stambomen in een grijs verleden wel eens voor minder nobele doelstellingen werden gebruikt dan de geschiedschrijving van de onbekende burgerfamilie. De regel "oorzaak" in het venster "overlijden" van het genealogieprogramma laat ik dan, zoals vele familieonderzoekers, consequent leeg. Er is al meer dan genoeg persoonlijke informatie in diverse (semi) overheidsdossiers.
Bij het lezen van onderstaande waanzin rijst de vraag; Wat is er nu eigenlijk leuk aan genealogie en waarom kan deze hobby zich de laatste decennia in een toenemende belangstelling verheugen? Er zijn diverse redenen aangevoerd voor dit opmerkelijke verschijnsel. Het meest voor de hand liggende antwoord is natuurlijk "Het internet" De burgerlijke stand met een muisklik onder handbereik. De landelijke internetdatabase Genlias zegt; "Familieonderzoek is actieve geschiedbeoefening, die het mogelijk maakt antwoorden te vinden op vragen als: hoe leefden onze voorouders? Wat deden zij voor de kost? Waren zij arm of rijk? Zo'n speurtocht in het verleden kan een werkelijke ‘historische sensatie' zijn." Daarmee is in enkele woorden het aantrekkelijke van familieonderzoek weergegeven.
Een andere verklaring voor de populariteit van genealogie is volgens een krantenartikel de ondergang van de nationale identiteit in een groot Europa. Weer anderen houden het op het verval van sociale verbanden. Niet voor niets luidt het motto van het huidige kabinet: 'Samen werken, samen leven' Al deze beweegredenen zullen wel in meer of mindere mate een rol spelen in de groeiende belangstelling voor familieonderzoek. Maar hoe staat het met de persoonlijke motivatie van de stamboomonderzoeker en in hoeverre ontleent hij een persoonlijke status aan zijn al dan niet roemrijke voorvaderen of vrouwen. Wat te zeggen bij voorbeeld over deze met enkele steekwoorden opgegoogelde tekst?
Karel de Grote geniet een ongekende populariteit bij genealogen: je hoort er pas bij als je kunt bewijzen dat je een rechtstreekse afstammeling bent. Nu is dat niet zo heel bijzonder, want het geldt zo'n beetje voor het grootste deel van de West-Europese bevolking. Gelukkig voor alle stamboomonderzoekers was Karel de Grote bijzonder reproductief: naast zijn vier huwelijken hield hij er minstens zes geliefden op na. Alle oude adel en alle koningshuizen van Europa zijn familie en via talrijke bastaards geldt dat ook voor vele gewone burgers. Daaronder vinden we bekende namen als Johann Wolffgang von Goethe, Winston Churchill, George Bush en Hans van Mierlo, maar ook prinses Maxima. Zij is de nazaat van koning Alfonso III van Castilie, die in 1235 mooi momenten beleefde met de moslimdanseres Mourana Gil. Dat leidde tot een buitenechtelijke zoon, waarvan een nazaat in de zeventiende eeuw met het Spaanse leger in Argentinië terecht kwam.
"Ik doe geen familieonderzoek meer omdat er toch niets bijzonders over mijn familie is te vinden" staat er ergens in mijn correspondentie te lezen. Een motief dus, om géén onderzoek te doen. Ook dat spreekt boekdelen.
Het project.
Het zal u wellicht bekend zijn dat uw voorouders óf Adam en Eva heetten, óf rechtop lopende apen waren. We kunnen dus eenvoudig stellen dat Karel de Grote en andere beroemdheden dezelfde voorouders hebben als u en ik.
Veel interessanter is de kleine familiegeschiedenis, als ze wordt ingebed in de geschiedenis en cultuur van het dagelijks leven in de steden en dorpen waar de voorouders verbleven. De wereld is niet gebouwd door de "Groten der aarde" zomin als de piramiden. Elke kleine familiegeschiedenis is meer dan moeite waard om opgetekend te worden.Voor de genealogie kan onderstaand project geen zinnige betekenis hebben.
De zogenaamde ‘missing link' waarover gesproken wordt zal steeds vaker voorkomen naarmate u vroeger in de tijd beland. Ongetwijfeld zijn hier andere belangen mee gemoeid dan het gewone familieonderzoek dat zich vragen stelt als: hoe leefden onze voorouders? Wat deden zij voor de kost? Waren zij arm of rijk? Hoe hard de garantie's voor bescherming van het DNA materiaal zijn, zal de tijd uitwijzen. Een ding is zeker, deze data komen in een archief waarover op de langere termijn steeds anderen de regie zullen voeren. Pelikaan
Deelnemers gevraagd voor het Project Genetische Genealogie in Nederland
Vrijwel iedereen, die genealogisch onderzoek doet naar zijn of haar (mannelijke) voorouders, krijgt vroeg of laat te maken met ‘puzzels' die vaak moeilijk op te lossen zijn. Men heeft bijvoorbeeld duidelijk aanwijzingen om de opgebouwde stamreeks met nog enige generaties verder terug de tijd in te brengen, maar er ontbreekt bewijsvoering over het bestaan van één generatie een zogenaamde ‘missing link'.
Of er zijn een paar families met dezelfde weinig voorkomende achternaam (die soms vanuit het buitenland in Nederland zijn komen wonen) en waarbij het de vraag is of zij wel of niet een gemeenschappelijke voorouder hebben. Ook is het mogelijk dat in een bepaalde streek families voorkomen die van oudsher hetzelfde (erfelijke) wapen voeren, maar waarbij een familieband in de mannelijke lijn oorkondelijk niet te bewijzen valt. En ook als er geen aanwijzingen zijn van verwantschap bijvoorbeeld door het voeren van verschillende achternamen kunnen families uit een bepaalde regio wel degelijk tot hetzelfde geslacht behoren, maar hoe is dat aan te tonen?
Dergelijke hardnekkige ‘puzzels' of open vragen kunnen nu mogelijk opgelost worden met behulp van DNA-techniek. We zullen de toepassing van deze techniek in het vervolg ‘ Genetische Genealogie' noemen. Als u met een dergelijk hardnekkige puzzel zit, dan is het ‘Project Genetische Genealogie in Nederland' wellicht uw redder in de nood. Bovendien geeft genetische genealogie antwoord op de interessante vraag welke route uw verre voorouders hebben gevolgd in de afgelopen duizenden jaren om daar terecht te komen waar u ze in de bronnen uiteindelijk tegenkwam. Dit onderzoek geeft tevens antwoord op de vraag tot welke ‘grotere stam' van de menselijke familie u behoort.
De Nederlands Genealogische Vereniging en de Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie ‘Ons Voorgeslacht' werken beiden mee aan het landelijke ‘Project Genetische Genealogie in Nederland'. Het project is een initiatief van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde in het kader van de viering van haar 125-jarig bestaan volgend jaar 2008.
Sinds enige jaren is er sprake van een duidelijke toename in de belangstelling voor genetische genealogie, die enerzijds gegenereerd wordt door de uitbreiding van het aanbod van wat genetisch onderzoek kan opleveren en die anderzijds ook zelf die uitbreiding van het aanbod genereert.
Het belang van een betrouwbaar inzicht in het in Nederland voorkomend genetisch materiaal wordt al sinds geruime tijd door diverse disciplines onderschreven. De genetische genealogie belooft de horizon van genealogisch onderzoek op termijn aanzienlijk te verbreden.
Genetische genealogie biedt de mogelijkheid familierelaties vast te stellen die niet via archiefonderzoek vastgesteld kunnen worden en biedt tevens de mogelijkheid om die familierelaties die wel via geschreven bronnen vastgesteld kunnen worden biologisch te bevestigen.
Het project zal bestaan uit het verzamelen van zowel genetisch als genealogisch materiaal van enige honderden Nederlanders via het afnemen van wangslijm (middels het eenvoudig schrapen met een stokje van de binnenkant van de wang). Daarbij is gekozen voor het verzamelen van de erfelijke informatie over het Y-chromosoom. Het Y-chromosoom is altijd van de vader afkomstig en wordt in principe één op één doorgegeven. Kortom het Y-chromosoom van een vader en zoon zijn op zijn minst bijna geheel identiek. Ook over meerdere generaties blijft het Y-chromosoom vele gelijke kenmerken houden. De kleine mutaties die optreden helpen de ‘stamboom' op te bouwen. Dit maakt het onderzoek naar het Y-chromosoom bij uitstek geschikt om gekoppeld te worden aan genealogisch onderzoek.
Een hieruit voortvloeiend nadeel is dat het onderzoek naar het Y-chromosoom alleen maar gedaan kan worden met behulp van mannelijke donoren. Dat houdt in dat vrouwen, die informatie over de genetische stamboom van hun vaders familie willen ontvangen, een mannelijk familielid bereid moeten vinden als donor op te treden. Mannen en vrouwen, die deze informatie willen ontvangen over bijvoorbeeld hun moeders familie, dienen een mannelijk lid van de moeders familie bereid zien te vinden als donor op te treden.
Door middel van dit onderzoek wordt de haplogroep van de deelnemer vastgesteld; het grotere familieverband, de ‘stam', waar de familie uit afkomstig is. Zo kan ook min of meer vastgesteld worden welk traject over de wereld de voorouders in de stamreeks in de afgelopen duizenden jaren hebben afgelegd. De 16 markers op het Y-chromosoom die worden onderzocht geven aan welke andere families tot dezelfde familie of mannelijke stamreeks behoren.
Het onderzoek zal worden uitgevoerd door het Forensisch Laboratorium van de Rijksuniversiteit Leiden onder leiding van Professor Peter de Knijff. De werkgroep ‘Projectgroep Genetische Genealogie in Nederland' heeft voor dit instituut gekozen vanwege de hoogstaande kwaliteit van het onderzoek. Daarnaast zal het Laboratorium het DNA van de deelnemers ook vergelijken met het DNA dat bij het laboratorium al bekend is uit archeologisch onderzoek. Te noemen de Graven van Holland, de opgraving van het middeleeuwse kerkhof te Eindhoven, het verzamelde materiaal voor de zoektocht naar de ‘Oer-Vlaardinger' e.d.
Het is de bedoeling om de eerste resultaten medio 2008 aan de deelnemers mee te delen. Tijdens het congres dat in oktober 2008 zal worden gehouden, zullen de bereikte resultaten naar buiten worden gebracht. Deelnemers hebben de mogelijk te kiezen voor openbaarheid van de gegevens of niet. De eerste 300 deelnemers, die zich aanmelden, krijgen de mogelijkheid de resultaten (eventueel) gekoppeld aan een (geïllustreerde) stamreeks, te publiceren in een boek. Dit boek zal onder auspiciën van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, de Nederlands Genealogische Vereniging en de Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie ‘Ons Voorgeslacht' worden uitgegeven.
Vanzelfsprekend dienen de deelnemers zich ervan bewust te zijn dat het biologische erfelijke materiaal in niet alle gevallen 100% gelijk hoeft te zijn aan dat wat het ‘papieren' onderzoek aan genealogisch materiaal heeft opgeleverd.
Het DNA-onderzoek blijft beperkt tot 16 markers, die voor de genealogie van belang zijn. Het onderzochte materiaal zal nergens anders voor gebruikt worden. Erfelijke ziekten kunnen en zullen bijvoorbeeld hier niet uit aangetoond worden. Het materiaal blijft alleen bewaard voor dit onderzoek wat contractueel vastgelegd wordt tussen de deelnemende verenigingen en het Forensisch Laboratorium.
Een dergelijk onderzoek met de door de werkgroep gewenste kwaliteit (haplogroep en 16 markers) en zorgvuldigheid zal bij een deelname van minstens 400 personen per persoon € 155,- bedragen.
Deelnemers aan dit hoogst interessante project, dat een nieuwe fase inluidt in het genealogisch onderzoek in Nederland, kunnen zich bij ons per e-mail of schriftelijk aanmelden of verdere inlichtingen verkrijgen bij L.A.F. Barjesteh van Waalwijk van Doorn, email: publisherbarjesteh.nl of 043-4087772, Gloriet 1, 6247 BB Gronsveld.
Degenen, die zich opgegeven hebben als deelnemer, worden uitgenodigd om op 24 januari 2008 aanwezig te zijn op de ‘innamedag' te Leiden. Op deze dag zal een lezing gehouden worden over genetische genealogie en worden de monstersetjes uitgedeeld en kunnen na het afnemen van het wangschraapsel weer worden ingeleverd. Voorts zullen alle deelnemers worden gevraagd - indien voorhanden - een goed uitgewerkte stamreeks in te leveren. -Locatie: zaal 028 in het Lipsiusgebouw, Cleveringaplaats 1 2311 BD Leiden.
Tijd: 13.30-15.00 uur, 24 januari 2008. -Nationale Werkgroep Genetische Genealogie