Henri Iding Overlijdensbericht.





Henri Iding Geboren 28-12-1942 Overleden 31-03-2009
Henri Iding Overlijdensbericht.




Henri Iding Geboren 28-12-1942 Overleden 31-03-2009
Arnoldus Maandonks Bidprentje Overlijdensbericht.




Arnoldus Maandonks Geboren 04-05-1923 Overleden 24-022009
FAMILIE IDING TEN BOSCH

Archief
|
In de rechterkolom kunt u onder 'categorieën' alles vinden ►
◄
De stamboom kunt u
bekijken via de toekan in de linkerkolom
|
Huisindustrie *
|
Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland naar aanleiding van de Nederlandse Tentoonstelling van Huisindustrie bijeengebracht door de ENQUÊTE-COMMISSIE. 1909.
http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/IISG01:ADV10362232 |

|
Huisindustrie Borstelmakers
Vòòr ca. 1760 werden de "borstels" in feite door bezembinders gemaakt. Rond die tijd kwam een Duitse molenaar, Leodegar Thoma, op het idee om een stuk hout te doorboren, en in de openingen bundeltjes varkenshaar te bevestigen met houten tappen. Ongeveer gelijktijdig opende Judocus de Ryckere in Izegem een werkplaats waar hij primitieve penselen vervaardigde. Meteen het verre begin van het borstelmaken in Izegem.
Tot na de eeuwwisseling was het borstelmaken een huisnijverheid, die bijna volledig op handwerk steunde. Tussen 1880 en de eeuwwisseling doken wel de eerste machines op, die aan de basis lagen van de latere expansie. Belgische firma's voerden vooral uit naar Canada, Groot-Brittannië, Frankrijk en de Verenigde Staten.
Borstelmuseum
http://www.izegem.be/Toerisme/Musea/borstelmuseum/index.htm
Museum voor oudere technieken
|

Huisindustrie papieren bloemen maken
|
Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
De papierindustrie te Rotterdam.
Bloemenmaken en cartonnagewerk.
|

Huisindustrie bonen doppen ± 1910

Huisindustrie bonen doppen ± 1910

|
Huisindustrie garnalen pellen ± 1910
De Hollandse garnaal, een 100% Nederlands product? Niet meer. De kleine grijze diertjes worden tegenwoordig in Marokko van hun jasjes ontdaan.
Met garnalenpellen zijn de meeste oudere bewoners van de Nederlandse kuststreken maar al te bekend. Vaak werd deze thuisarbeid gedaan door de vrouw des huizes, tussen afwas en boodschappen doen in. Overigens was de opbrengst van het garnalenpellen niet altijd voor de eigen huishoudkas. Zo pelde in de jaren zestig een aantal Arnemuiders de nieuwe kerkbanken bij elkaar.
Al in 1927 maakte een Zeeuw zich druk over de hygiënische omstandigheden waaronder dit pellen gebeurde: 'Het garnalenpellen heeft in woningen plaats. En wie nu de visscherswoningen in Arnemuiden kent (...). Dat zijn in de meeste gevallen kleine, bedompte één kamer woningen, waarin gekookt, gegeten, geslapen en gewasschen wordt.' Hij riep op tot beter toezicht 'in het belang der volksgezondheid.'
Pas in 1990 kreeg hij zijn zin. In dat jaar werd het thuispellen verboden, het moest voortaan in bedrijfsruimtes gebeuren. Maar dat was simpelweg te duur in Nederland, dus werd uitgeweken naar lagelonenlanden. De Hollandse garnaal reisde eind jaren tachtig naar Oost-Europa om daarna exotisch Marokko aan te doen.
In een koelvrachtwagen legt de Hollandse garnaal de lange afstand van de Hollandse kust naar Marokko af, waar grote, gecontroleerde pelateliers staan. De Marokkaanse mannen zorgen voor het laden en lossen en ander zwaar werk, in de ateliers werken alleen vrouwen. Annie uit Arnemuiden waagt haar vingers er dus niet meer aan. Tegenwoordig pelt Malika uit Marokko de Hollandse garnaal.
Anno.nl
Garnalenpelsters dreigen werkloos te raken nu er eindelijk een machine is ontwikkeld die dit werk ook snel en vakkundig kan doen. Dat bleek vrijdag in de haven van Lauwersoog, waar Nederlands grootste verwerker van Noordzee-garnalen, Heiploeg, een pelstation met veertien machines in gebruik nam.
Aan de machine is volgens een woordvoerster van Heiploeg tientallen jaren gewerkt. De Hollandse garnaal laat zich moeilijk pellen. In de afgelopen decennia werden diverse machines getest, maar de rendementen waren tot nog toe te laag en de nacontrole te arbeidsintensief om te kunnen concurreren met de kwaliteit en kosten van handpellers in onder meer Marokko.
De nieuwste machine, bedacht door vader en zoon Appie en Klaas Kant uit Lauwersoog, is wel concurrerend. Het rendement is volgens Heiploeg, dat jaarlijks 12,5 miljoen kilo garnalen verwerkt, vergelijkbaar met handmatig pellen. Heiploeg heeft al tien extra machines besteld. De komende jaren blijft het bedrijf (jaaromzet 200 miljoen euro) overigens nog wel gebruik maken van de diensten van garnalenpellers in Marokko.
ANP | 20 juni 2008
|

|
Huisindustrie mandenmakerij
Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
De mandenindustrie te Noordwolde (Fr.)
Organisatie: Het vervaardigen van mandjes geschiedt alleen in huisindustrie en is naar de grondstof in 2 verschillende deelen te
In het voorjaar gaan de mannen, die ‘s winters twijgmandjes hebben gevlochten, overal heen om te werken als maaiers, zandgravers enz. Daardoor is het geheele aantal arbeiders, dat in deze industrie werkzaam bij uitstek lastig te bepalen.
Loon. Het loon, dat met het vlechten der mandjes verdiend wordt, bedraagt voor de teenen mandjes ongeveer per uur 5 cent, zoodat bij een gemiddelden werktijd van 70 uur per week ongeveer f 3.50 verdiend wordt. Arbeid van kinderen, beneden den leeftijd van 12 jaar komt bijna niet voor; boven dien leeftijd helpen zij hun ouders door het maken van bodems en het afknippen der randen; zelfstandige verdienste kan men aan de meesten niet toerekenen.
De mandenvlechters en vlechtsters behooren tot het armste deel der Noordwolder bevolking; hoewel bijna allen in het bezit van een stukje land (met of zonder hypotheek) laten de woningtoestanden nog veel te wenschen over. Verreweg het grootste deel leeft in éénkamerwoningen, terwijl een deel der huizen nog van riet en hout gebouwd is.
Vakvereeniging. Een vakvereeniging of ziekenfonds bestaat er onder hen niet, zoodat ze bij ziekte geen ondersteuning genieten.
Gedwongen winkelnering. Ten slotte de gedwongen winkelnering. Hoewel sinds 1 Februari 1909 wettelijk verboden, bestaat te Noordwolde nog de gedwongen winkelnering; deze, gevoegd bij het z.g. touwgeld, een korting van 10% door de meeste patroon-winkeliers in rekening gebracht, doet de schamele verdiensten tot het minimum dalen. Terwijl uitsluitend winkeliers de mandjes koopen, zijn de arbeiders verplicht bij hen te winkelen.
Geld wordt hun voor hun arbeid nooit betaald; met de mandjes betalen ze het over de afgeloopen week verbruikte en zelfs wanneer dat minder is dan de waarde der ingeleverde mandjes, wordt hun dat niet uitbetaald, maar als tegoed geboekt.
Uit de opgaven der arbeiders blijkt, dat voor koffie bij sommige winkeliers 10 % voor zeep 20 % en voor suiker bij sommigen ? % meer wordt betaald, dan in de vrije winkels te Koordwolde.
Toekomst: In de Rijksrietvlechtschool wordt thans een geslacht opgekweekt, dat de oude mandenvlechterij in nieuwe meer kunstindustrieele banen kan leiden. In deze richting ligt onweersprekelijk de toekomst der manden vlechterij.
------------------------------------------------------------------------------------
Niet alles is wat het lijkt te zijn. Rondsurfend op het internet, kwam ik op de internetsite over Varik terecht (www.varik.nl). Op donderdag 26 februari 2004 besteedde De Gelderlander zelfs enige aandacht aan de website. Er zijn onder meer oude foto's van Varik en Heesselt terug te vinden; bijvoorbeeld van een mandenmakerij in Varik. Ik heb - als streekarchivaris - contact gezocht met de websitebeheerder en gevraagd of het mogelijk was de foto's te lenen ten behoeve van het Streekarchivariaat West-Betuwe. Dit leverde geen enkel probleem op, waarvoor dank aan Alex Olzheim en aan de eigenaar van de foto's, Wien van Driel. Maar wat was er nu precies afgebeeld? Die eerste vraag was het begin van een puzzeltocht, waarbij steeds meer puzzelstukjes op hun plaats vielen, maar het definitieve plaatje nog niet compleet is.
Door Ron van Maanen
Lees verder op
http://www.varik.nl/oud_varik/mandenmakers.htm
|

|
Huisindustrie Spoelster te Goirle
Spoelster : Vrouw die het garen op spoelen windt |

|
Huisindustrie Spoelster te Goirle
Spoelster : Vrouw die het garen op spoelen windt
Vanaf 1860 kwam in ons land de industrialisatie op gang. Er kwamen steeds meer fabrieken waar machinale textiel werd geproduceerd. Toch bleef de huisnijverheid, zoals het thuis weven voor de fabrikant, nog tot in de 20ste eeuw bestaan. Vooral in Noord-Brabant, waar voornamelijk wollen stoffen werden geweven, werkten de wevers thuis op hun brede getouwen. Met de kruiwagen haalden ze de garens op en leverden de geweven stoffen af aan de fabriek. In Tilburg werkten in 1910 nog zo'n 350 mensen (mannen en vrouwen) als thuiswever. Het was zwaar en eentonig werk.
Lees verder op
http://www.cultuurwijs.nl/cultuurwijs.nl/cultuurwijs.nl/i000674.html
|

|
Huisindustrie stoelen matten in Culemborg
Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
Het stoelenmattersbedrijf te Utrecht.
Aantal: Ongeveer 15 gezinnen, die zich met rietvlechtwerk voor stoelzittingen en ruggen bezighouden, werden door ons bezocht. Zij werken voor eenige stoelenfabrikanten. De werkgever levert het riet.
Het stoelenmatten wordt meestal voornamelijk door de vrouw of door een volwassen zoon of dochter gedaan, die dan des avonds door den man of den vader geholpen worden.
Als arbeidstijd voor het vlechten van een zitting wordt vaak 3 a 4 uur opgegeven en voor het vlechten van een rug 2 a 3 uur, Het uurloon varieert van 2 tot 6 cent. Het weekloon is meestal f 2,50 a f 4, maar in enkele gevallen f 5 a f 6.
De stoelenindustrie te Noordwolde (Fr,)
Woningtoestanden: De woning- en gezondheidstoestanden zijn bij de stoelenmakers veel gunstiger dan bij de mandjesvlechters; bijna allen hebben een afzonderlijk werkvertrek en sommigen 2 of 3-kamerwoningen. Degenen, die lid der vakvereeniging zijn en dat is ongeveer 60% der mannelijke thuisarbeiders boven 16 jaar genieten bij ziekte een wekelijksche ondersteuning van f 2.50.
Dit en de omstandigheid, dat zij dikwijls grondstoffen te duur moeten betalen, zijn de bezwarendste toestanden, die op de huisindustrie in dit bedrijf drukken; de winkelnering drukt de geheele industrie. In andere opzichten is de toestand der huisarbeiders lang niet zoo ongunstig als meestal in de huisindustrie voorkomt.
|
Huisindustrie **

|
Huisindustrie tabak strippen ± 1910
Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
Het tabakstrippen in de omstreken van Eindhoven.
Techniek: Anders dan te Wageningen, wordt in de omstreken van Eindhoven alleen binnengoed gestript, d.w.z. de tabak, die voor het binnengoed van de sigaren bestemd is, wordt van de stelen getrokken. Eerst wordt de tabak ingevocht, daarna gestript en dan gedroogd.
Bovendien hebben deze lieden, bijna zonder uitzondering, een stukje grond in bewerking.
Het tabakstrippen te 's Hertogenbosch.
De arbeidstijd van de kinderen werd meestal niet opgegeven; gewoonlijk werken zij een paar uur na schooltijd, soms tot 8 of 9 uur des avonds.
Ook het weekloon is natuurlijk zeer verschillend; meestal varieert het tusschen f 1 en f 2.50 voor het strippen.
Een enkel voorbeeld: een vrouw stript 3 dagen in de week 10 a 12 uur per dag. Ze wordt geholpen door 4 kinderen van 4 tot 13 jaar na schooltijd. Haar man is smidsknecht. Het gezin van 8 personen bewoont één kamer in een steegje.
Het tabakstrippen te Kampen.
De stripsters werken vaak tot 12 uur des avonds, in enkele gevallen tot diep in den nacht. Dikwijls wordt nagenoeg geen schafttijd genomen. De werktijd der kinderen varieert van 2 tot 5 uur per dag, meestal naschooltijd.
Het tabakstrippen te Wageningen.
Gewoonlijk wordt alleen het binnengoed gestript, d. w. z. de tabak, die voor het binnengoed der sigaren bestemd is, wordt van de stelen getrokken. De tabak, die te Wageningen gestript wordt, is voor het omblad der sigaren bestemd. Ook deze tabak moet van de stelen worden ontdaan, maar dat vereischt meer zorg, deze tabak mag niet van de stelen getrokken worden, want dan zou het omblad stukgaan. Vandaar vereischt het strippen van een pond tabak te Wageningen meer tijd dan elders. Het omblad moet worden uitgezocht; er wordt iets meer voor betaald. Wat het strippen betreft, neemt Wageningen een uitzonderingspositie in, omdat hier gewerkt wordt voor Engeland. In Engeland bestaat n.l. een invoerrecht op tabak en daarom laat de importeur in Wageningen de stelen, waaraan hij weinig heeft, uit de tabak verwijderen.
Vooral die gezinnen, die alleen van het strippen moeten leven, vertoonen een beeld van ellende. Dat geldt natuurlijk ook voor de andere arbeiders, (dikwijls losse werklieden), wanneer ze werkeloos zijn. Zoo werd bij de enquête een gezin aangetroffen, bestaande uit man, vrouw en 4 kinderen, welk gezin alleen van het strippen moest leven. De man en de vrouw werkten van half 9 's morgens tot 10 uur des avonds en een enkelen keer ook 's nachts; twee kinderen van 6 en 3 jaar werkten 5 uur. Het gezin leverde 100 pond per week a 3 cent per pond, terwijl voor straf wel eens minder tabak werd gegeven. Geen wonder, dat vraag 40 der vragenlijst beantwoord werd met de woorden veel ziekte onder de kinderen!
Wie van Amerongen richting Arnhem rijdt kan hier en daar nog een grote zwart geteerde houten tabaksschuur zien staan. Twee eeuwen lang is tabaksteelt voor kleine Gelderse boeren een bron van bestaan. De noordelijke Rijnoever, van Amerongen tot Wageningen, is één van de centra voor de teelt van ‘inlandse’ tabak. In de 17e eeuw vindt de tabaksplant van Zuid-Amerika, via Spanje, haar weg naar de Veluwe, de Betuwe en de Achterhoek… verder lezen: zie onder
Tabakstrippen is het verwijderen van de hoofdnerf uit het tabaksblad. Het is een zo slecht betaalde vorm van ‘huisindustrie’, dat het in de volksmond ‘de zwijnderij’ wordt genoemd. Het tabaksstrippen wordt vrijwel uitsluitend uitgevoerd in Druten met omliggende dorpen, Harderwijk en Wageningen. In deze gemeenten heerst onder de werknemers een zo groot tekort aan welvaart, dat er steeds voldoende aanbod is van werkkrachten om tegen een lag loon thuis stripwerk te verrichten. In Harderwijk bestaat de bevolking voor een belangrijk deel uit vissersgezinnen met een wisselvallig inkomen.
De Sigarenmakers http://www.hetvolkshuis.nl/ |

|
Huisindustrie uien schillen ± 1910 |

|
Huisindustrie uien schillen ± 1910 |

|
Huisindustrie uien schillen ± 1910 |
Huisindustrie ***

|
Huisindustrie vlasbewerking |

|
Huisindustrie weven Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
De huisweverij te Goirle (N.-B.).
Slechts enkele ondernemers laten alleen in huisindustrie hun goederen vervaardigen. Vreemde arbeidskrachten worden door de huiswevers zeer weinig gebruikt.
Er werkten: 6 uur of minder: ± 40 wevers, 7 of 8 uur: ± 35, 8 uur tot 10 uur: ± 35, meer dan 10 uur: ruim 40 wevers. Loon: In één geval werd als uitzondering een gemiddeld weekloon van f 9.50 bereikt, in alle andere gevallen was dit beduidend minder. Een gemiddeld weekloon van f 7.50 is het gewone maximum. De drukke tijd is van Nieuwjaar tot Augustus, soms tot September. Herhaaldelijk komt het voor, dat de wevers op taak worden gesteld, d. i., dat zij niet meer dan een bepaald aantal stukken per week mogen weven.
Het meest voorkomende type is de tweekamerwoning, waarvan het gevolg is, dat een afzonderlijk werkvertrek weinig voorkomt. Bij meer dan een derde der wevers werd in het werkvertrek tevens geslapen, hetgeen door de stofdeeltjes, die bij het weven loskomen, wat vooral bij de jute geschiedt, zeer onhygiënisch is. |

|
Beschrijving: Haspelmachine bij jutespinnerij en weverij fa. Ter Horst te Rijssen. Het gesponnen jutegaren wordt tot strengen gehaspeld
Datum: Circa 1919
Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
De huisweverij te Tilburg.
Aantal: Te Tilburg werden vanwege de Enquête Commisie ± 350 wevers bezocht. Hiervan waren: bijna 100 wevers van fries, 40 van katoen, ruim 40 van cheviot, 110 van laken, 25 van bukskin. Vrouwelijke arbeidsters, die dit zware werk verrichten, zijn zeer talrijk.
Een uurloon van hoogstens 4 cent verdienden 17 % van de wevers, 47% verdienden 6 cent per uur, 27% verdienden 8 cent en slechts 9% meer dan 8 cent per uur.
De huisweverij in Eindhoven en omstreken.
Aantal: Huiswevers in Eindhoven en omstreken werden gevonden in Boxtel ± 15, Heeze 10, Geldrop 60, Zeelst ± 50, Meerveldhoven 20, Nunen 30, Zesgehuchten ± 25, Veldhoven 30, Waalre 20, Gerwen 15, Someren 5, Strijp ± 20, Aalst 30, Woensel ± 20, Gemert ruim 100 en in Mierlo ± 60, in het geheel dus tusschen de 500 en 600 wevers.
|

|
Kinderen aan het werk bij de Nieuw Buiner Glasfabrieken Meursing en Co |
Huisindustrie ****

|
Kinderen naaien jutezakken bij de jutespinnerij en weverij Ter Horst De zakken worden met de hand genaaid en het gemiddelde ligt op 25 tot 30 zakken per persoon per dag
Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
Het zakkennaaien te Goirle (N -B,).
Aantal: Tusschen de 30 en 40 vrouwen houden zich te Goirle met het naaien van zakken bezig, waarin sommige huisarbeidsters bijgestaan worden door leden van haar huisgezin: man, volwassen dochters of kinderen. De leeftijd der door ons bezochte arbeidsters liep van 24 tot 67 jaar.
Kinderarbeid: Bij het onderzoek werden ? kinderen, waarvan 7 jongens en 4 meisjes, beneden de 14 jaar, aangetroffen, die, hetzij tusschen of na schooltijd, hun moeder eenige uren per dag in het werk hielpen.
Zij ontvangen niet geregeld arbeid; bij de meesten worden daardoor de verdiensten beperkt, vooral daar velen slechts 3 tot 6 maanden werk hebben.
|

|
Huisindustrie zakkennaaisters te Goirle
Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
Het zakkenstoppen te Venlo.
Omvang: Voor den exporthandel op Duitschland in meel, erwten, boonen en lijnkoeken, zijn er gezinnen, die geregeld de gonjezakken stoppen voor de expeditie bestemd. De uitgifte geschiedt door een drietal firma's. Het is meer bijverdienste, speciaal vrouwenwerk.
|

|
Mattenvlechten te Putte
Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
Het vervaardigen van matten in het Noorden van Overijsel.
Aantal: Volgens een schatting in de Verslagen van de arbeidsinspectie, waaruit voor het volgende een en ander is overgenomen, zijn in de mattenindustrie in Overijsel ongeveer 1800 personen werkzaam. Vooral in de gemeenten Genemuiden, Hasselt, Wilsum en Grafhorst wonen zeer vele matters.
De rolmatten worden geweven met behulp van een matten-raam, waarop een aantal draden van dun touw gespannen zijn, tusschen welke de biezen of russchen gevlochten worden.
Velen beginnen reeds om 4 a 6 uur 's morgens en werken dan tot 's avonds door.
Terwijl het uurloon der loonarbeiders 4 a 4,1 cent bedraagt, is dit cijfer voor de eigenwerkers 5 a 5,1 cent.
In het naburige Zwartsluis, waar grootere welvaart heerscht en dus niet gemat wordt, is het tuberculose-sterftecijfer slechts 1/3 van het cijfer voor Genemuiden. Dit is waarschijnlijk niet een gevolg van het mattersbedrijf zelf, maar van de armoede, de ondervoeding en de slechte woningtoestanden. De woning bevat meestal slechts één klein vertrek. |

|
Strohulzenmakerij te Oisterwijk
Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
Het vervaardigen van stroohulzen te Oisterwijk en te Leende (IM.-B.)
Aantal: Hier werden 15 gezinnen bezocht, die zich bezig houden met het maken van stroohulzen voor flesschen enz. Door middel van een ijzeren plaat wordt het stroo dubbel geslagen, waarna het met de machine gestikt wordt. Ten slotte wordt de huls gebonden.
Per week wordt door een gezin met dit werk meestal f 2 a f 3 verdiend.
|
Industrie - Beroepen *

|
Beschrijving: Fabricage van tennisballen De in elkaar geplakte ballen worden in hermetisch gesloten ronde vormen gezet en in een vulcanisatieketel geplaatst, waarbij de bal door uitzetting van de lucht de zuiver ronde vorm aanneemt en wordt gevulcaniseerd
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Fabricage van tennisballen De stukken worden twee aan twee in elkaar geplakt met solutie
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Fabricage van tennisballen De viltbekleding wordt door grotere meisjes met de hand dichtgenaaid
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Fabricage van tennisballen Het beplakken van tennisballen met vilt
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Fabricage van tennisballen Kleinere en grotere meisjes hechten op de stukken een verdikking van gummi
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Steenfabricage
Datum: Circa 1908 |

|
Beschrijving: Steenfabricage
Datum: Circa 1908 |

|
Beschrijving: Steenfabricage
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Steenfabricage
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Steenfabricage
Datum: Circa 1908 |

|
Beschrijving: Steenfabricage
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Steenfabricage
Datum: Circa 1908 |

|
Beschrijving: Steenfabricage
Datum: Circa 1908 |

|
Beschrijving: Steenfabricage
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Steenfabricage
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Kartonnagefabriek Meyer & Couvee, Amsterdam
Datum: Circa 1919
|

|
Beschrijving: Koninklijke Stearine Kaarsenfabriek, Gouda Vrouwen pakken de kaarsen van de band en knippen de lonten op maat
Vervaardiger: J.D. Filarski 1919
|

|
Beschrijving: Jutespinnerij Firma Ter Horst, Rijssen Vrouwen staan aan de twijnmachine waar drie dunne jutedraden in elkaar worden gedraaid om dikkere draden te verkrijgen
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Fabricage van tennisballen Het stansen van de viltbekleding
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Wasgelegenheden in fabrieken en werkplaatsen
Datum: Onbekend |
Industrie - Beroepen **

|
Beschrijving: Gordijnenfabriek Aug. Kleine
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Deventer Capsulefabriek
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Kwattafabriek, Breda Arbeidsters bezig met het verpakken van Kwatta-chocoladerepen in de fabriek in Breda
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Koninklijke Stearine Kaarsenfabriek, Gouda
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Dutch Straw Works, Helmond Bij de strohulzenfabriek Dutch Straw Works te Helmond snijdt een zogenaamde kopper de strohulzen op gelijke lengte. De productie bedraagt 2200 tot 3300 per dag [waarschijnlijk bosjes]
Datum: Circa 1919 Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
Het vervaardigen van stroohulzen te Oisterwijk en te Leende (IM.-B.)
Aantal: Hier werden 15 gezinnen bezocht, die zich bezig houden met het maken van stroohulzen voor flesschen enz. Door middel van een ijzeren plaat wordt het stroo dubbel geslagen, waarna het met de machine gestikt wordt. Ten slotte wordt de huls gebonden.
Per week wordt door een gezin met dit werk meestal f 2 a f 3 verdiend.
|

|
Beschrijving: Fabriek van spanen korven te Schiedam
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Tabaksfabriek Mignot & De Block, Eindhoven Blikslagerij (leerlingenafdeling); het dichtsolderen van blikken over kistjes. Leeftijd 13-14 jr. Gedurende de werkuren ontvangen de leerlingen een opleiding tot het maken van diverse verpakkingen. Produktie 600-800 in 45 uur. Uur en stukloon gemiddeld loon per week fl. 4.50
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Gordijnenfabriek Aug. Kleine
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: De erven de wed. J. van Nelle, Rotterdam De afdeling koffiepakkerij in de fabriek van de erven de wed. J. van Nelle, Rotterdam. Dit is een van de foto's die door de Arbeidsinspectie is ingezonden voor de tentoonstelling 'Opvoeding van den Jeugd boven den leerplichtigen leeftijd', Den Haag, 16 juli - 14 augustus 1919
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Tabaksfabriek Mignot & De Block, Eindhoven De afdeling plakkerij van de kistjesstoffeerderij. Leeftijd 13-15 jaar en ouder. De opleiding wordt gevolgd onder werktijd met een vergoeding van het uurloon. Weekloon fl. 4,- tot fl. 7,-. De werkuren zijn van 7-12 en 2-7 met twee pauzes
Datum: Circa 1919 Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
Het maken van sigarenkistjes te ’s Hertogenbosch.
Aantal: Dit geschiedt door 76 personen, uitsluitend mannen. Echter werkt de vrouw bij na steeds een paar uur per dag mee. Kinderarbeid: Over 't algemeen komt kinderarbeid weinig voor. Toch wordt van ongeveer 12 kinderen beneden 14 jaar bericht, dat zij na schooltijd medewerken.
Men moet voorts in 't oog houden, dat de enquête plaats vond in een tijd van groote slapte, zoodat thuis minder werd gewerkt dan gewoonlijk. Door een arbeider werd verzekerd, dat in den drukken tijd vaak laat op de fabriek gewerkt wordt, zoodat het afmaken van de kistjes thuis dan dikwijls tot in den nacht duurt. De genoemde werktijden gelden vaak slechts voor 5, soms voor 4 dagen in de week. De vrouw helpt bij het kistjes maken meestal 1 ½ a 3 uur per dag, soms nog langer.
|

|
Beschrijving: De erven de wed. J. van Nelle, Rotterdam
De afdeling tabakspakkerij in de fabriek van de erven de wed. J. van Nelle, Rotterdam. Dit is een van de foto's die door de Arbeidsinspectie is ingezonden voor de tentoonstelling 'Opvoeding van den Jeugd boven den leerplichtigen leeftijd', Den Haag, 16 juli - 14 augustus 1919
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: De erven de wed. J. van Nelle, Rotterdam
De afdeling theepakkerij in de fabriek van de erven de wed. J. van Nelle, Rotterdam. Dit is een van de foto's die door de Arbeidsinspectie is ingezonden voor de tentoonstelling 'Opvoeding van den Jeugd boven den leerplichtigen leeftijd', Den Haag, 16 juli - 14 augustus 1919
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Tabaksfabriek Mignot & De Block, Eindhoven De afdeling voorbewerking voor de kistjesstoffeerderij van Tabaksfabriek Mignot & De Block. Op deze afdeling voorbewerking zijn meisjes tussen 13 - 15 jaar werkzaam. Het uurloon ligt tussen de 8 - 12 cent. De werkuren zijn van 7-12 en van 2-7 met een vrije zaterdagmiddag
Datum: Circa 1919 Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
Het maken van sigarenkistjes te Kampen.
Aantal: Een 6o-tal personen, die des avonds sigarenkistjes vervaardigen, werden bezocht. Het zijn allen sorteerders op een sigarenfabriek, die door dezen huisarbeid het lage loon, dat zij op de fabriek verdienen, aanvullen. Bij de meesten bestaat deze huisarbeid in het plakken der kistjes, slechts enkelen houden zich bezig met het zagen en spijkeren hiervan.
Voor stijfsel enz. hebben deze arbeiders ongeveer 10 cent onkosten per week.
|

|
Beschrijving: Tabaksfabriek Mignot & De Block, Eindhoven De kistjesmakerij van de afdeling kistjesstoffeerderij. De leeftijd van de leerlingen is 13-15 jaar. Het gemiddelde weekloon bedraagt 6.50-8.50 gulden. Productie ligt tussen de 1400-1900 klammen per uur. Uit deze groep worden de leerlingen genomen voor de plakkerij
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Onbekende bezigheid Dit is een van de foto's die door de Arbeidsinspectie is ingezonden voor de tentoonstelling 'Opvoeding van den Jeugd boven den leerplichtigen leeftijd', Den Haag, 16 juli - 14 augustus 1919
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Boekdrukkerij in Amsterdam Dit is een van de foto's die door de Arbeidsinspectie is ingezonden voor de tentoonstelling 'Opvoeding van den Jeugd boven den leerplichtigen leeftijd', Den Haag, 16 juli - 14 augustus 1919
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Enveloppenfabriek Firma Bontamps, Venlo Een jongen is behulpzaam bij het vensterdrukken van enveloppen bij de Firma Bontamps, Venlo. Deze 'ouderwetse' methode wordt alleen nog toegepast bij kleine partijen. Handmatig worden 6000 vensterenveloppen gemaakt, machinaal ongeveer 23.000 per dag
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Deventer Capsulefabriek Een medewerkster van de Deventer Capsulefabriek lakt capsules (tot 12.000 per dag per persoon). Het meisje geeft haar de capsules aan en zet ze op de droogplaat
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Fabricage van wollen handschoenen Een meisje breit boorden van handschoenen op de breimachine, zij maakt er 15 tot 20 dozijn per dag
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Enveloppenfabriek Firma Bontamps, Venlo Een meisje legt ongevouwen enveloppen op de roterende toevoerband van een automatische gommachine in de enveloppenfabriek Firma Bontamps in Venlo. De machine vouwt en gomt 80.000 tot 100.000 enveloppen per dag
Datum: Circa 1919 |
http://www.flickr.com/photos/nationaalarchief/sets/
Twentsche Banketfabriek Enschede ***

|
Beschrijving: Op deze afdeling van de Twentsche Banketfabriek in Enschede wordt de koek en het banket afgewogen en de etiketten op de blikken dozen geplakt. De productie bedraagt ongeveer 240 dozen per dag
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Op deze afdeling van de Twentsche Banketfabriek te Enschede worden blikken dozen met koek en banket gevuld. De productie bedraagt zo'n 80 tot 90 dozen per persoon per dag
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Bij de Twentsche banketfabriek te Enschede worden de bakplaten met banket door middel van een zogenaamde inschieter de oven in geschoten. De kleine jongen geeft de bakplaten aan
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Twentsche Banketfabriek, Enschede Verpakkingsafdeling in een suikerwerkfabriek. Meisjes omwikkelen de bonbons, circa 3500 tot 4000 stuks per dag
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: In deze afdeling van de Twentsche banketfabriek te Enschede wordt het banket op platen gespoten. De productie loopt op tot 25.000 stuks per dag per persoon
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Twentsche Banketfabriek, Enschede Het gieten van bonbons: de jongen vooraan drukt een lat waarop gipsvormen zijn vastgemaakt in een bak met stijfselpoeder. De volwassen man vult de aldus gemaakte holten met een gietpan met vier tuiten met de gekookte suiker. De jongen met de zeef bestrooit dit met poeder waardoor de buitenkant van de vloeistof wordt gehard |
Industie - Beroepen ****

|
Beschrijving: Fabriek van spanen korven te Schiedam Een meisje maakt spanen mandjes in een fabriek in Schiedam. De productie lag tussen de 140 tot 200 stuks per persoon per dag
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Glasfabriek v/h Meursing & Co, Nieuw Buinen Een van de zogenoemde bindkamers in de Glasfabriek v/h Meursing & Co. te Nieuw Buinen
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Boekdrukkerij in Amsterdam Een zogenaamde inlegjongen legt met de hand het te bedrukken vel op de boekdruksnelpers. Deze haalt 1800 exemplaren per uur, met een maximum van 2000 per uur. De beide andere machines hebben een automatisch inlegapparaat, waarbij de inlegjongen overbodig is geworden
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Schoenfabriek Jan van Arendonk, Tilburg Hakspijkermachine; de hulp links zet de spijkertjes in een schijf, die dan onder het aambeeld wordt gedraaid. Met een slag worden dan alle spijkertjes gelijktijdig in de hak gedreven
Datum: Circa 1919 Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
De Schoenmakerij in de omtrek van Eindhoven.
Aantal: In de dorpen rondom Eindhoven werden ± 250 schoenmakers bezocht. Bijna altijd beschikken zij over een stukje land. Zeer waarschijnlijk wordt dikwijls door de vrouwen door de kinderen (na schooltijd) meegewerkt, maar bij de enquête bleek hiervan weinig. Als de vrouw meewerkt, maakt zij de knoopsgaten en stikt zij het bovenwerk met de machine. Slechts in enkele gevallen wordt met een knecht of leerling gewerkt.
De grootste helft der woningen bevat 2 kamers, de overige gewoonlijk 3 kamers. Een afzonderlijk werkvertrek vindt men bij de schoenmakers in den omtrek van Eindhoven slechts zelden; meestal is dit tevens woonkamer en keuken en in 33% bovendien nog slaapkamer. |

|
Beschrijving: Schoenfabriek Jan van Arendonk, Tilburg Handzwikkerij in de schoenfabriek. Zwikken is het op de leest vormen van de schoen. [Onleesbaar].
Datum: Circa 1919 Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
De Schoenindustrie te Oisterwijk N.-B.
Techniek: De arbeid, welke thuis verricht wordt, bestaat in het bevestigen van het gesneden leer op de zool en het oppoetsen van de schoenen. De thuiswerkers verrichten hun arbeid uitsluitend thuis en werken niet in de fabriek. Het is handwerk; slechts enkelen, die grovere schoenen maken, gebruikten een eenvoudige machine. De werktuigen bij den arbeid gebezigd worden door de arbeiders zelf betaald, meestal is dit een niet zeer kostbare installatie, die weinig vernieuwd wordt. Daarbij komt echter per paar schoenen, dat geleverd wordt, een uitgave, ten laste van den arbeider, van 6 centen aan z g. onraad: draad, spijkertjes enz. De arbeiders moeten het gesneden leer van de fabriek gaan halen en de afgewerkte schoen terugbrengen. De meeste fabrieken geven weinig werk tegelijk mee, zoodat met heen en weer loopen wekelijks ongeveer 3 uur verloren gaat. Afgekeurde schoenen worden niet betaald. Dit komt echter zeer zelden voor.
Zondagsarbeid komt niet voor. Kinderarbeid komt zeer weinig voor. Slechts enkele schoenmakers leiden hun zoon voor het vak op.
|

|
Beschrijving: Gordijnenfabriek Aug. Kleine Het uitknippen van gordijnen op de Gordijnenfabriek van Aug. Kleine
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Kartonnagefabriek Meyer & Couvee, Amsterdam Het beplakken van houten dozen. Het meisje rechts trekt het papier over een belijmde plank (het zogenaamde aftrekken). Het grotere meisje in het midden beplakt de dozen aan de binnenzijde. Het kleine meisje links strijkt het papier glad (nastrijken). Zij maken samen ongeveer 1000 dozen per week
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Aardewerk- en pijpenfabriek, Gouda Het opplakken van decalcomanieën [zogenaamde plakprentjes] op pijpen
Datum: 1919 Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
Het drummen te Weert.
Omvang: Door nog enkele vrouwen in Weert wordt voor een fabrikant in rookpijpjes bovengenoemde werkzaamheid in huisarbeid verricht.
|

|
Beschrijving: In de enveloppenfabriek Bontamps in Venlo haalt een meisje gegomde en gedroogde enveloppen van de automatische gommachine en maakt er stapels van
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: In de enveloppenfabriek Bontamps te Venlo worden enveloppen met de hand gegegomd. Dit handgommen - met een productie van 6000 tot 7000 enveloppen per dag - wordt alleen gedaan bij kleine partijen en incourante maten
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: In de jutevoorspinmachine van de jutespinnerij Ter Horst en Co in Rijssen worden de gekamde jutevezels tot dunne draden gesponnen
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: In de Koninklijke Stearinefabriek in Gouda pakken vrouwen kaarsen van de band en knippen de lonten op maat
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Fabriek van spanen korven te Schiedam In een fabriek voor spanen korven wordt het hout geschild. Van een boomstam wordt een dunne laag afgeschild. In 3 minuten verkrijgt men op deze wijze van een stam van 60 cm een plaat van 2.50 m lengte en 1 millimeter dikte
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: In een tricotweverij te Vriezenveen brengt een jongen garen van het magazijn naar de spoelsters. [N.B. het betreft hier waarschijnlijk de fabriek van Jansen & Tilanus]
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Inlegkamer van de sigarettenfabriek Mignot & De Block, Eindhoven. Leeftijd van 13 jaar tot 18 jaar en daarboven. Uur- en stukloon. Weekloon fl 4,- tot fl. 18,- en hoger. Productie van de inleg bedraagt 50.000-100.000 per week. Werkuren 7-12 uur, 2-7 uur met vrije zaterdagmiddag en twee rustpauzes
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Inpakken van doosjes lucifers. De fabriek is onbekend
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Interieur van de glasoven van de Glasfabriek v/h Meursing & Co. te Nieuw Buinen
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Schoenfabriek Jan van Arendonk, Tilburg Jongen bewerkt een schoenzool aan een machine
Datum: Circa 1919 |
Industrie - Beroepen *****

|
Beschrijving: Tabaksfabriek Mignot & De Block, Eindhoven Links aan de werkbank leerling sigarettenmaaksters. De leeftijd is 15-18 jaar. Vakopleiding door speciale werkmeesteres. In stuk- en uurloon. Gemiddeld weekloon van fl. 7. - tot fl. 32.- . Productie ongeveer 5.000 - 8.000 stuks per week. De werkuren zijn van 7-12 en van 2-7 met een vrije zaterdagmiddag. Rechts leerling tubsplakster. De leeftijd is 14-16 jaar. Vakopleiding door speciale werkmeesteres. In stuk- en uurloon. Gemiddeld weekloon van fl. 5.50. - tot fl. 7.- . Productie ongeveer 3000 tubs met mondstuk en ongeveer 6000 stuks zonder. De werkuren zijn van 7-12 en van 2-7 met een vrije zaterdagmiddag
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Machinezaal van de Tabaksfabriek Mignot & De Block in Eindhoven. De leeftijd van de arbeiders ligt van16 tot 18 jaar en daarboven. Weekloon ligt gemiddeld tussen fl.9 en fl.12 gulden en hoger. Men krijgt een speciale opleiding en werkt onder toezicht van monteurs. De machinale productie bedraagt per week ongeveer 700.000 stuks. Werkuren 7-12 uur, 2-7 uur met vrije zaterdagmiddag en twee rustpauzes
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Meisje knipt tricot-ondergoed in een Tricotweverij te Vriezenveen. [Wellicht betreft het hier de tricotweverij Jansen & Tilanus te Vriezenveen]
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Meisjes aan de polijstmachine in een fabriek waar gouden colliers worden gemaakt
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Meisjes in de Dutch Straw Works Company (de strohulzenfabriek) te Helmond. Het ene meisje haalt de stromatjes uit de naaimachine, de andere buigt de matjes tot huls en bevestigt de uiteinden door middel van een touwtje. De productie ligt op gemiddeld 3000 stuks per dag
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Meisjes leggen stro in de strokoordspinmachine van de Dutch Straw Works te Helmond. Een machine maakt ongeveer 6000 meter strokoord per dag
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Meisjes maken onderdelen voor diverse typen gouden colliers
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Fabriek voor spanen korven te Schiedam Meisjes sorteren spanen korven en zetten waar nodig nog stukjes in. De productie ligt op ongeveer 1000 stuks per persoon per dag
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Meisjes vouwen enveloppen in de fabriek van de firma Bontamps in Venlo. Na een leertijd van 2.5 à 3 maanden vouwen ze 3000 à 4000 enveloppen per dag. Met de hand vouwen wordt alleen bij kleine partijen en oncourante maten gedaan. Dit werk wordt ook door machines gedaan; een machine vouwt per dag 30.000 tot 100.000 stuks
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Onbekend naaiatelier. [Wellicht betreft het hier de tricotweverij in Vriezenveen]
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Onbekende aardewerkfabriek. [Wellicht betreft het hier een Aardewerk- en pijpenfabriek te Gouda]
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Onbekende fabriek
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Fabriek voor spanen korven te Schiedam Op de binnenplaats van een fabriek in Schiedam die spanen korven maakt, zijn twee jongens bezig met het knieken (buigen) van geschild hout. Na het knieken worden platen tot spanen gezaagd, waarvan korven gevlochten worden
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Op deze afdeling van de Deventer capsulefabriek wordt de capsules gepolijst. De productie ligt op 5000 tot 8000 capsules per persoon per dag
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Overzicht van een van de werkplaatsen in de Dutch Straw Works Co. (een strohulsfabriek) te Helmond
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Kwattafabriek, Breda Paksters bezig met de buitenverpakking van repen. Over het algemeen zijn dit oudere meisjes die hier worden geplaatst na op de afdeling binnenverpakking te hebben gewerkt [Waarschijnlijk betreft het hier de Kwattafabriek in Breda, zie foto ...]
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Tafel waar de chocoladerepen in de binnenverpakking worden gepakt. Dit is werk voor jonge meisjes; op een na zijn deze meisjes tussen de 13 en 15 jaar. [Waarschijnlijk betreft het hier de Kwattafabriek in Breda, zie foto ....]
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Tricotweverij te Vriezenveen. Garenspoelen in een fabriek voor tricot ondergoed in Vriezenveen. [Het betreft hier waarschijnlijk weverij Jansen & Tilanus in Vriezenveen]
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Twentsche Banketfabriek, Enschede Verpakkingsafdeling in een suikerwerkfabriek. Meisjes omwikkelen de bonbons, circa 3500 tot 4000 stuks per dag
Datum: Circa 1919 |
http://www.flickr.com/photos/nationaalarchief/sets/
Beroepen - Industrie ******

|
Beschrijving: Aardewerk- en pijpenfabriek, Gouda Het decoreren van aardewerk
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Werkzaamheden in onbekende aardewerkfabriek. [Wellicht betreft het hier een Aardewerk- en pijpenfabriek te Gouda]
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Afdeling van de Gordijnenfabriek van Aug. Kleine waar de gordijnen geborduurd worden. Op de voorgrond wordt garen opgespoeld
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Gordijnenfabriek Aug. Kleine De afdeling voor het strijken en opmaken van de gordijnen
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Gordijnenfabriek Aug. Kleine De tekenzaal van de gordijnenfabriek
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Het knopen van franjes op de afdeling franjeweverij van de Gordijnenfabriek van Aug. Kleine
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Gordijnenfabriek Aug. Kleine Het opspoelen van garen op de afdeling franjeweverij
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Kartonnagefabriek Meyer & Couvee, Amsterdam Deksels van dozen worden door kleine meisjes aan bovenzijde beplakt. Het papier wordt op een roterende lijmrol belijmd
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Kartonnagefabriek Meyer & Couvee, Amsterdam
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Kartonnagefabriek Meyer & Couvee, Amsterdam
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Luciferfabriek
Datum: Onbekend |

|
Beschrijving: Schoenfabriek Jan van Arendonk, Tilburg ...stans. Uit randjes leer worden de stukjes gestanst voor het opbouwen van hoge hakken. De meisjes leggen de stukjes op elkaar, het zogenaamde voorbouwen van de hak
Datum: Circa 1919 Uit "Een zestigtal Rapporten over Huisindustrie in Nederland"
De schoenenindustrie in de Langstraat.
Karakter: De vervaardiging van schoenen in huisindustrie wordt in alle dorpen van de Langstraat aangetroffen. De meeste arbeiders en ondernemers vindt men evenwel in het centrum van de Langstraat, dat gevormd wordt door de drie aan één gebouwde dorpen, Waalwijk, Baardwijk en Besoijen. Hier moeten de schoenmakershuisgezinnen geheel leven van wat zij als huis-industriëelen verdienen, evenals in het zuidelijker gelegen Kaatsheuvel. In een drietal dorpen, meer naar den kant van Den Bosch gelegen, Drunen, Elshout, Nieuwkuijk, hebben zeer velen een lapje grond, waarvan zij de opbrengst ten deele zelf gebruiken, ten deele verkoopen.
Het stikken is vrouwenarbeid en geschiedt voornamelijk door jonge meisjes bij de patroons aan huis. Dit valt dus grootendeels buiten de huisindustrie. Een enkele maal treft men een meisje aan, dat den geheelen dag voor haar patroons thuis mag werken. Zij kan dan van 5 tot 7 gulden per week verdienen. Het grovere stikwerk wordt nog al eens door getrouwde vrouwen verricht om op die wijze de doorgaans lage verdiensten van haar man aan te vullen. Naast haar huiswerk blijft daar gewoonlijk weinig tijd voor over; bovendien schijnen vele patroons er niet zeer op gesteld te zijn en geven ze alleen werk mee, als de meisjes bij hem ,,op den winkel" het niet afkunnen.
Globaal berekend vindt men o.a. :
Hetzelfde verschijnsel doet zich ook te Kaatsheuvel en Sprang voor.
Door elkaar genomen werken slechts weinigen minder dan 11?, uur per dag, zeer velen 12, 13 en 14 uur. Een arbeidstijd van 15 uur behoort niet tot de uitzonderingen in Waalwijk, Besoijen, Baardwijk en Kaatsheuvel, zelfs komt bij huisvaders van groote gezinnen een werktijd van 16 en 17 uur per dag een enkele maal voor.
|

|
Beschrijving: Schoenfabriek Jan van Arendonk, Tilburg Napoetsen van witte schoenen door meisjes. Dit is seizoenswerk en wordt verricht door de jongere meisjes die anders in de stikkerij werken
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Schoenfabriek Jan van Arendonk, Tilburg
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Schoenfabriek Jan van Arendonk, Tilburg
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Schoenfabriek Jan van Arendonk, Tilburg
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Schoenfabriek Jan van Arendonk, Tilburg Snijden van overleer door 16- en 17-jarige leerlingen. De jongen links doet het meest eenvoudige werk: uit afval snijdt hij langs een lineaal de smalle biesjes om de randen te beleggen. De jongen rechts is een stadium verder: hij snijdt de lederen voering voor de kleppen [onleesbaar]. [Onleesbaar] grondstof zo zuinig mogelijk te verwerken
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Schoenfabriek Jan van Arendonk, Tilburg Stanzerij. Stansmessen in de vorm van zolen en hakken worden op het leer gezet en vervolgens onder het op en neergaande stansblok gebracht. Op de foto ziet men een 16-jarige jongen. Sindsdien is dit gevaarlijke werk voor jeugdige personen verboden door het Districtshoofd der Arbeidsinspectie
Datum: Circa 1919 |

|
Beschrijving: Schoenfabriek Jan van Arendonk, Tilburg Voorbewerking van het overleer. De twee meisjes links zijn aan het 'schalmen', dit is het afsnijden van het leer aan de binnenkant om het beter te kunnen bewerken. Het bedienen van de machine is eenvoudig, maar de arbeidster moet leren deze goed op dikte te stellen. Het geschalmde leer komt bij de omboekster rechts op de foto; zij vouwt het leer aan de rand om en plakt het vast. Dit geschiedt alleen bij de betere soorten, om aan de te stikken onderdelen een netter uiterlijk te geven. In veel fabrieken geschieden deze werkzaamheden nog geheel met de hand
Datum: Circa 1919 |
http://www.flickr.com/photos/nationaalarchief/sets/
Oude Beroepen

De kruidenier

De Bezem maker
HET VERLEDEN IN BEELD
http://geneaknowhow.net/in/beeld.htm

De bezembinder

De Radmaker

De Leerlooier

De Mandenmaker

Melkboer met hondenkar

De Papierfabriek
Schoolplaten op "Ambachten, Beroepen & Industrie"
http://www.de-kantlijn.com/schoolplaten_ambachten.htm

Aalten Spinnen
A. Over namen en bloedverwanten
|
Bloedverwanten Bloedverwanten in de zijlijn tot en met de 3e graad mogen niet met elkaar huwen. De gradentelling wordt in het Nederlands burgerlijk recht volgens het Romeins recht toegepast. De graad van bloedverwantschap tussen personen "die elkaar in de rechte lijn bestaan" vindt men door het aantal geboorten te tellen dat tussen hen ligt. Vader en zoon bestaan elkaar in de 1e graad, grootvader en kleinzoon bestaan elkaar in de 2e graad. |

|
Waarom komt mijn familienaam in verschillende varianten voor? Pas door het erfelijkheidsbeginsel van de burgerlijke stand, die in 1811 landelijk werd ingevoerd, kregen familienamen hun vaste vorm: een naam werd voortaan van generatie op generatie overgedragen in de spellingsvorm waarin de naam was geregistreerd. De herkomst en de interpretatie van namen volgens Meertens instituut. Herkomstnamen http://www.meertens.knaw.nl/index.html De uitgang "ing" of "ink" H. Tankink door H. Tankink. |
B. Toelichting gegevens en het woongebied
|
Afbeeldingen De behoefte om de werkelijkheid zo natuurgetouw mogelijk weer te geven zien we vaak in oude afbeeldingen. Het was de oude Grieken al bekend dat er in een verduisterde kamer, door een klein gaatje in de luiken van een venster, een beeld van buiten op de tegenovergelegen muur kon worden geprojecteerd, het principe van de Camera Obscura. Eerst vanaf 1826 werd het mogelijk een foto te maken. De belichtingstijd duurde zo'n 8 uur. In 1829 werd de belichtingstijd gereduceerd tot een half uur. Aanvankelijk was de foto slechts bereikbaar voor welgestelden. Daarna ging de verspreiding van het nieuwe medium vrij snel en was halverwege de negentiende eeuw voor iedereen bereikbaar. Hoe verder terug in de tijd hoe zeldzamer de foto's. Vóór 1830 was men afhankelijk van de portretkunst. Hoe graag we ook afbeeldingen van voorouders uit die tijd zouden willen zien, de portretkunst lag voor de meeste mensen niet binnen bereik. De burgerlijke stand Vanaf 1811 voerde Napoleon de burgerlijke stand in en moest iedereen zich laten inschrijven. De burgerlijke stand registreerde geboorten huwelijken en overlijdens. Oudere gegevens zijn te vinden in een groot aantal oude bronnen zoals procesdossiers, notariële akten, kerkelijke registers en dergelijke. De kwartierstaat Een kwartierstaat is een document met de gegevens (naam geboorte huwelijk overlijden) van de voorouders van een bepaalde persoon. -In pricipe kan voor elke naam in een stamboom een kwartierstaat worden gegenereerd, met uitzondering van de vroegste voorouders. Immers hun voorouders zijn niet bekend. Het Parenteel Het parenteel is een document dat de gegevens bevat van het nageslacht van een bepaalde persoon. In pricipe kan ook voor elke naam in een stamboom een parenteel worden gegenereerd, met uitzondering van de jongsten. Immers zij hebben geen nageslacht. De stamboom In vroeger tijden waren de families Iding en ten Bosch nogal op elkaar betrokken. Bij feestelijke gelegenheden en ook daarbuiten was er omgang. -Wij beperken ons niet tot de naam Iding of ten Bosch, maar kiezen voor een stamboom Iding ten Bosch. Doorgaans is het de gewoonte een stamboom op te bouwen die uitgaat van één persoon. In de taal van genealogen (stamboomonderzoekers) noemt men die centrale persoon de probant. Dat kun je zelf zijn, je vader of bijvoorbeeld je grootvader. Voor deze stamboom stellen we 2 personen centraal. Stephanus Henricus Iding en zijn echtgenote Johanna Geertruide ten Bosch vertegenwoordigen de Familie Iding ten Bosch. Johannes Bernardus Franciscus ten Bosch en zijn echtgenote Sophia Hedwig Schäpers vertegenwoordigen de Familie ten Bosch Schäpers. Alleen Johannes Bernardus broer, Antonius Aloysius Maria (Anton, Antony) ten Bosch en echtgenote Adele ...? kregen ook kinderen. De Achterhoek en De Liemers Met de kaarten van het woongebied krijgen we een indruk van de omgeving. We zoomen in van het overzicht de Achterhoek en De Liemers, via de gedetailleerde Kaart, naar het kadaster van het jaar 1828 en details van kadasterkaarten. De vroegere familiegeschiedenis speelt zich overwegend af in de Achterhoek/De Liemers en het grensgebied. De grenzen zoals we die nu kennen wijzigden in het verleden nogal eens. |

|
Detailkaart Oost Gelderland Lichtenvoorde, Aalten, Bocholt, Dinxperlo, Gendringen, Groenlo, Rheden, Ruurlo, Winterswijk zijn allemaal plaatsnamen die verband houden met de familiegeschiedenis |

|
Detailkaart West Gelderland |

|
Verzamelplan Lichtenvoorde kadaster 1828 Lichtenvoorde; Lievelde Bewesten en Beoosten, Vragender Beoosten en Bewesten. Het zieuwent en Harveld, zijn namen van buurtschappen rond Lichtenvoorde die we vaker zullen tegenkomen. Links onder Harveld waar diverse namen uit onze genealogie voorkomen. |
|
Verzamelplan Lichtenvoorde kadaster 1828 Lichtenvoorde; Lievelde Bewesten en Beoosten, Vragender Beoosten en Bewesten. Het zieuwent en Harveld, zijn namen van buurtschappen rond Lichtenvoorde die we vaker zullen tegenkomen. Links onder Harveld waar diverse namen uit onze genealogie voorkomen. |

|
|
Verzamelplan Varsseveld kadaster 1828 In het centrum van deze kaart ligt dorp Varsseveld (Gemeente Gendringen) en daar omheen de buurtschappen; Heelweg ten Westen en ten Oosten,Varsseveld, Sinderen, Westendorp ten Zuiden en ten Noorden, het Lanker en de Binnenheurne sectie D blad 3 waar de Hoeve Ydink gelegen was. In dezelfde sectie waren ook de hoeven Meurs, Vrieselaar, Welsink kd nr. 673, Welsink 669 kd nr. en Doornink gelegen. |

C. Hoeve Ydink, Wehl, Varsseveld Trouwboek en Archief, Idink, Transcriptie, Fiscale Procesdossiers

|
Varsseveld: De Hoeve Ydink Binnenheurne sectie D blad 3 Wehl Varsseveld prae Trouwboek Dinxperlo In een transcriptie opgemaakt door J.H.G. te Boekhorst van het Registre Civique van de gemeente Gendringen – pag. 2 Deel 8 uit de serie Bronnen van het Algemeen Historisch Archief komen de volgende twee vermeldingen voor. Onder het Rot van H.J. Bruekelder 131 40 Groepsnaam Idink volgens Varsseveld archief |

| Wel herinneren ook thans nog enkele locale namen aan de vroegere hoeve: aan den noordkant van het dorp, nauwelijks buiten de bebouwde kom, te weten, bij het begin van den Lichtenvoordsche weg, buigt zich de Hiddinkdijk links af, die zich met een oostwaartsche ronding in noordelijke richting uitstrekt, weldra links en rechts eenige kleinere beboschte gronden, die tesamen het Hiddinkbosch heeten, passeert, daarna via de Hiddinkbrug over de Slingebeek en verder recht toe recht aan op de grens van Varsseveld en Lichtenvoorde aangaat, in de nabijheid van welke grens hij op de Landstraat, ook wel Romeinendijk geheeten, uitkomt. |


|
Het lijkt ons toe, dat het laatstgenoemde, ten noorden van de Slingebeek gelegen gedeelte van den Hiddinkdijk eerst later, en wel als verlengde van het eerstgenoemde oudere gedeelte, dezen naam heeft verkregen, en dat de Hiddinkdijk voorheen z’n ronde tracé bezuiden de Slingebeek, eerst in westelijke, dan in zuidelijke en tenslotte weer in oostelijke richting vervolgde (deze cirkel-vormige weg is er nog!), om Zoo een esch-achtigaandoend gebied van ongeveer één km doorsnede af te bakenen, welk gebied thans in den volksmond nog in z’n geheel "Het Hiddink" heet. Met de onderstaande gevallen liep het minder goed af. |
D. Wisch in vogelvlucht - De vestiging van joden in Nederland Groenlo en Lichtenvoorde - Izak en Jödde Ten Bosch
|
De gemeente Wisch in vogelvlucht
De gemeente Wisch behoort tot de gemeenten met nogal opmerkelijke verschillen tussen de samenstellende delen; dit wat betreft het landschap als ook wat betreft volksaard, taal en godsdienst.
Het is eigenlijk opmerkelijk dat de gemeente Wisch die begrenzing heeft die ze heeft. In het westen maakt de Oude IJsselvallei een duidelijke scheiding tussen een klein westelijk deel en een vele malen groter oostelijk gedeelte.
Een stroomdal van een rivier is meestal niet meer dan alleen een landschappelijk gegeven. Voor wat betreft de bevolking aan beide oevers heeft zo’n waterloop veelal een sterke verbindende functie. In oude tijden heeft de Oude IJssel in onze streken echter wel als een scheidende factor gefunctioneerd. Het moeilijkste te bestuderen en beschrijven is de oudste bewoningsgeschiedenis.
In het verleden waren we er heel snel mee klaar door vast te stellen dat de Franken ten westen van de Oude IJssel woonden en de Saksen ten oosten. In ‘Mensch en land in de Middeleeuwen’ doet Slicher van Bath ons uit de doeken dat dit een te eenvoudige voorstelling van zaken is.
Toch heeft de loop der historie wel een aantal sporen nagelaten daar aan de Oude IJssel.In de eerste plaats valt het optreden der Romeinen te noemen. Het is niet duidelijk in hoeverre deze er in geslaagd zijn in de Liemers een onbewoonde landstreek te creëren; toch zal deze politiek wel enige gevolgen gehad hebben.
Gedurende vele eeuwen heeft er weinig vermenging van de bevolkingen aan beide zijden der Oude IJssel plaats gehad. Hoewel dus niet eenvoudig aan te wijzen menen we te mogen stellen dat we toch wel met twee verschillende volksaarden van doen hebben in het Oude IJsselgebied.
Vervolgens hebben een aantal andere processen deze verschillen belangrijk versterkt. In de eerste plaats willen we noemen de kerstening van onze streken in de achtste en de negende eeuw. Hierbij valt een vroege zendingsijver vanuit Utrecht en een jongere vanuit Münster te constateren.
De invloed van Utrecht reikt daarbij tot aan of iets ten oosten van de Oude IJssel. Daar komt dan ook de grens tussen de beide bisdommen te liggen; een grens die zal blijven functioneren tot de oprichting van het bisdom Deventer in 1559. De oude bisdomgrens liep tussen Terborg en Silvolde; Terborg behoorde tot Utrecht, Silvolde tot Münster.
Het is niet verwonderlijk dat de politieke ontwikkeling zich bij de zojuist genoemde landschappelijke, volkenkundige en kerkelijke aansloot. Wanneer we ons dan tot het gebied van onze gemeente beperken dienen we in de eerste plaats de kleine ten westen van de Oude IJssel gelegen Heerlijkheid Wisch te noemen. Het betreft hier het gebied van het tegenwoordige Terborg en De Heuven.
Hoogstwaarschijnlijk lag dit oude Wisch ingeklemd tussen twee armen van de rivier. De oostelijke loop heeft in dat geval heel dicht bij de huidige Doetinchemseweg gelegen; reden waarom ‘de Dyke’ (tegenwoordige Hoofdstraat van Terborg) bij de oude heerlijkheid hoorde. Bij het verhaal van de oude heerlijkheid behoort dat van eerste Huis Wisch op De Heuven en het tweede thans nog bestaande te Terborg.
De kerspelen Silvolde en Varsseveld behoorden tot het vele malen groter en aanzienlijker Graafschap Lohn, dat zich van Stadlohn en Sudlohn tot aan de Oude IJssel uitstrekte. Eerst toen een Van Wisch in 1315 het richterambt over de kerspelen Silvolde en Varsseveld verwierf begon het grotere Wisch zich af te tekenen. Vanaf ongeveer 1330 functioneert dan de Heerlijkheid Wisch met de oppervlakte gelijk aan onze tegenwoordige gemeente.
Groot Wisch had al zo’n twee eeuw bestaan toen de Reformatie zich hier aandiende. Men zou kunnen veronderstellen dat deze dan ook wel eenzelfde verloop zou hebben in de heerlijkheid. Dit is echter niet het geval.
Terwijl Silvolde als dochterkerk van Varsseveld de moeder in het verleden steeds trouw gevolgd was begon er zich nu een verwijdering tussen dochter en moeder af te tekenen. Hoewel Silvolde een tweeslachtige positie inneemt valt toch wel te stellen dat Wisch tot op de dag van vandaag door een vrij duidelijke scheidslijn in twee delen uiteen valt.
We zouden ook de ontwikkeling van de stad, dorpen en buurschappen in onze vogelvlucht willen opnemen.
De jongste en duidelijkste geschiedenis heeft Terborg. Terborg is een vestiging bij de ‘Nije Borch’ van de heren Van Wisch op een dermate moerassige bodem dat zonder die eerste aanzet niet makkelijk ontstaan zou zijn. Door de aanwezigheid van het Huis Wisch en door de verwerving van stadsrechten in 1419 werd het het bestuurscentrum van de heerlijkheid.
De ontstaansgeschiedenis van Varsseveld en Silvolde ligt in het grijze verleden en is dan ook veel moeilijker te achterhalen en beschrijven. De nederzettingen ter plekke kunnen het gevolg zijn van de aanwezigheid van voldoende hoog gelegen bouwgrond; dit versterkt door een belangrijke hof en kerspelkerk. In grootte zijn het vroegere Varsseveld en Silvolde het beste te vergelijken met de kernen van onze tegenwoordige buurschappen.
De buurschappen beslaan het grootste deel van de gemeente; het is dus de hoogste tijd er even neer te strijken. De woorden boer en buur hebben een grote verwantschap met elkaar. De boeren/buren vormen met elkaar een naoberschap en een buurschap.
De verspreide bewoning van de buurschappen is zeer oud en kan wel van ongeveer gelijke tijd stammen als die van onze dorpen. De ontwikkeling van buurschappen is nogal verschillend geweest.
Slicher van Bath zegt ondermeer dat de gerechtigden op de esgrond een buurschap kunnen vormen, maar ook de markegenoten. In andere gevallen vormt de oppervlakte van de mark een buurschap. Bij ons zijn er geen duidelijk aanwijzingen in de een of andere richting.
Vanaf ongeveer 1600 treffen we bij het bestuur vrij vastomlijnde buurschappen aan. Binnen de buurschappen is er weer een onderverdeling in rotten. Och, de heren Van Wisch hadden hun heerlijkheid ook wel zonder die indelingen kunnen besturen, maar het was toch wel makkelijk zo’n indeling op menselijke maat.
Die indeling kwam goed van pas bij de administratie van de door de onderdanen te verrichten herendiensten, o.a. de hand- en spandiensten ten behoeve van het begaanbaar houden der wegen. De naamgeving van de buurschappen was geen enkel probleem. De goegemeente heeft immers van Adam af altijd al namen gegeven aan mensen, dieren, akkers, buurschappen, dorpen, steden, landen.
Bij de invoering van de buurschapbenamingen in de administratie hoefden men alleen maar in te vullen wat het volk al lang zei. Het gebied daar in het noordoosten waar de oude Heelweg van Zelhem en Halle (Heelweg?) naar Aalten over de zandruggen loopt heette natuurlijk altijd al Heelweg.
De streek in het zuidoosten van de heerlijkheid in de omgeving van het Huis Sinderen werd natuurlijk altijd al Sinderen genoemd. Het deed daarbij niet terzake of de daaronder ressorterende boerderijen het eigendom van Sinderen waren; voor een deel was dit wel het geval, voor een ander deel niet. Sinderen is zelfs grensoverschrijdend; tot op de dag van vandaag heet het aanpalende Gendringse grondgebied eveneens Sinderen.
Volgens de verpondingsadministratie van 1647 beslaat het dorp slechts de oude kern rondom de kerk. De boerderijen Reussink en Bettekamp worden al tot de Binnenheurne gerekend. Het Giezenveld en het Molenveld (de boerderijen Hiddink en Hofs incluis) worden bij Westendorp ingedeeld. De namen Binnenheurne en Westendorp zijn vast ook al heel oud; de vraag is; hoe oud?
Aangenomen wordt dat een punt of hoek wel Heurne genoemd werd. De naam Westendorp is veel moeilijker dan ze lijkt. Er zijn verschillende mogelijkheden.
De namen Westendorp voor een boerderij in IJzerlo en Oostendorp voor een Sinderense geven al aan dat enkele gebouwen bij elkaar soms de naam dorp kregen. Ten westen of ten oosten van wat ze lagen is niet erg duidelijk. Misschien dat het Oostendorp op Sinderen wel zo genoemd is in verband met de ligging ten oosten van (oriëntatie) het Nottelbos. Zo kan de oorsprong van het Westendorp gezocht moeten worden in de aanwezigheid van ‘dorp’ (drobbel huizen) ten westen van b.v. Varsseveld.
Helaas is in het tegenwoordige centrum of buitengebied van Westendorp geen akker- of boerderij- naam meer voor handen die aan zo’n oud dorpje herinnert. Toch lijkt me deze verklaring aannemelijker dan die van: Westendorp is een buurschap ten westen van het dorp Varsseveld.
Bij Terborg en Silvolde verschilt de situatie ten opzichte van Varsseveld en de buurschappen aanmerkelijk. Hier worden stad en schependom meestal in een adem genoemd. Het schependom Terborg omvat een smalle strook ten noorden van de stad en de omgeving van het eerste Huis Wisch, de zogenaamde Hoven of Heuven.
Vanouds stonden er vijf vorse bouwhoven; vier van Bergh en één van Wisch. De heer Bosman te Warm vertelde me eens dat de heer Van Wisch op een kwade dag al z’n vijf boerderijen op de Heuven aan de heer Van Bergh verdobbeld had. De heer Van Bergh zou toen de Smachtstede maar aan Wisch gelaten hebben.
Het archief van het Huis Bergh kan het verhaal bevestigen of ontkennen. Als tegenwoordige besturen de Heuven maar niet weer opnieuw verdobbelen! Alles wat dan nog rest van de heerlijkheid wordt Silvolde genoemd. Een kleine uitzondering hierop vormt de kleine Heerlijkheid Lichtenberg.
Uit de aan Anholt leenroerige hoeve Enekink, die achtereenvolgens aan een Lichgtenberg, een Van Wely en een Van Wisch heeft toebehoord, ontstaat, waarschijnlijk dankzij laatstgenoemde, deze heerlijkheid als een enclave in de Heerlijkheid Wisch.
De boven omschreven indeling blijft ongewijzigd tot in de Franse Tijd. Van 1811 tot 1818 bestaan er twee gemeenten; één omvattende Terborg en Silvolde, de andere omvattende Varsseveld en de buurschappen. Vanaf 1818 gelden de oude grenzen weer.
Bij de opzet van het kadaster hanteert men de zojuist genoemde tweedeling; reden waarom de gemeente Wisch, wat het kadaster betreft, nog steeds uit de gemeenten Wisch en Varsseveld bestaat. De landmeters hadden de opdracht zich bij de indeling in secties zoveel mogelijk aan oude begrenzingen te houden. Men is daar maar gedeeltelijk in geslaagd.
Het oostelijke gedeelte van de Binnenheurne brengt men bij Varsseveld onder en het westelijk deel van de Heelweg bij Het Lanker. Bij de opzet van de Bevolkingsregisters in 1826 houdt men zich weer precies aan de oude indeling van o.a. de verponding.
Het buitengebied van Silvolde gaat men op de duur indelen in Voorbroek, Silvoldse Buurt en Kroezenhoek. De Lichtenberg rekent men tot Silvolde en in 1900 worden het Voorbroek en de omgeving van de tegenwoordige Doetinchemseweg en Silvoldseweg van Silvolde naar Terborg overgeheveld.
Ook in Wisch is de tijd niet stil blijven staan. De woonkernen Terborg, Silvolde en Varsseveld ondergingen de nodige uitbreidingen en de bestuurlijke administratie diende zich hierbij aan te passen; het bestuur speelde ook zelf een actieve rol in die hele ontwikkeling, althans in de laatste tijd.
De uitbreiding van woonkernen in de buurschappen ging vooral uit van de plaatselijke bevolking. Met name Westendorp, Sinderen en Heelweg kregen echte woonkernen. Doordat deze buurschappen nogal ver van het dorp verwijderd lagen werden ze reeds in de vorige eeuw met scholen begiftigd. De vestiging van deze scholen stimuleerde weer de verdere ontwikkeling der buurschappen.
Een buurschap als Binnenheurne miste al deze ontwikkelingen vanwege de ligging ten opzichte van het dorp. Terwijl Westendorp, Sinderen en Heelweg actieve Belangenverenigingen en andere verenigingen hebben ontbrak en ontbreekt dit alles in Binnenheurne.
Vanaf 1922 komt de naam Binnenheurne niet meer voor in de Bevolkingsregisters van Wisch. Gemeente en P.T.T. rekenen de oostzijde van Binnenheurne tot Varsseveld en de westzijde tot Sinderen, dat nu totaan de Terborgseweg, en dus aan Westendorp, reikt.
Sommige mensen uit de oude Binnenheurne wonen nu in Sinderen en zijn lid van Varssevelds Belang. Ten noorden van Varsseveld heeft Westendorp zich teruggetrokken tot de omgeving van de Buulsdiek. Een aparte ontwikkeling ontstond bij de Bonte Brug over de A Strang nabij UIft.
Door de komst van de gereformeerde kerk in 1887 en een christelijke school in 1891 ontstond hier langzamerhand een nieuwe buurschap zonder buitengebied. In tegenstelling tot de kerkdorpen in de gemeente Gendringen behoren slechts een klein aantal bewoners van de Bonte Brug tot de kerk die boven de buurschap uittorent.
Door B.J. Dorrestijn |
|
De vestiging van joden in Nederland
De eerste joden die zich blijvend in Nederland vestigden waren afstammelingen van Spaanse en Portugese joden. Hun komst werd voorafgegaan door een reeks ingrijpende veranderingen op het Iberisch schiereiland.
In 1492 werden de Spaanse joden onder druk van de inquisitie voor de keus gesteld zich tot het katholicisme te bekeren of het land te verlaten. Veel joden vluchtten naar Portugal, waar ze in 1497 en masse gedoopt werden. Zowel in Spanje als in Portugal bleven sommige van deze bekeerden in het geheim thuis het jodendom belijden, terwijl ze voor de buitenwereld als katholieken leefden.
In 1536 werd ook in Portugal de Inquisitie ingesteld die de onder dwang gedoopte joden scherp in de gaten hield. Dit was voor velen een reden het land te ontvluchten, ondermeer naar Brazilië en Frankrijk. Een halve eeuw later kwamen sommige afstammelingen als kooplieden naar de Republiek der Verenigde Nederlanden. Zij vestigden zich in Amsterdam, van waaruit zij via Lissabon handel dreven in suiker en tabak uit Brazilië en diamant en katoen uit India.
Eenmaal in Amsterdam gevestigd keerden ze vaak terug tot hun oorspronkelijke joodse geloof. Gezien hun gemengde Spaans-Portugese afkomst noemen wij hen sefardische joden. Ook wordt de term Portugese joden gebruikt, omdat Portugees hun voertaal was.
Omstreeks 1630 bereikten joden uit Midden- en Oost-Europa, Hoogduitse of asjkenazische joden genoemd, de Republiek. Ze spraken Jiddisj, een vroege vorm van Duits gemengd met Hebreeuwse, Slavische en Romaanse woorden en in Hebreeuwse letters geschreven. De Asjkenazische joden waren gevlucht voor het geweld van de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) en voor de vervolgingen van de kozakkenhoofdman Chmielniki in Polen in 1648.
Berooid kwamen zij in Amsterdam aan; ze konden blijven omdat joden zich hier vrij konden vestigen en omdat zij op ondersteuning mochten rekenen van hun sefardische broeders.
De Portugese en Hoogduitse joden brachten zeer verschillende culturele achtergronden mee. Zij spraken een verschillende taal en vormden ook in sociaal opzicht verschillende groepen. Voor de buitenwacht telde echter voornamelijk hun gemeenschappelijke religie en werden ze als één (geloofs)gemeenschap gezien.
Aan het begin van de zeventiende eeuw had de vestiging van joden in Amsterdam aanvankelijk niet tot problemen geleid. Oogluikend werd hun toegestaan hun afwijkende religie in privé-woningen te belijden, maar van volledige burgerrechten was geen sprake.
Vooral op economisch gebied werden hen vele beperkingen opgelegd. Rond 1615 ontstonden er wrijvingen op sociaal en religieus gebied, wat leidde tot overleg in de Staten van Holland en een poging om een jodenreglement vast te leggen. Zover is het nooit gekomen, maar wel werd in 1619 besloten dat het iedere stad vrijstond zelf te bepalen of zij joden wilde toelaten of niet en onder welke voorwaarden.
Wanneer de plaatselijke autoriteiten de joden toestemming hadden gegeven zich in de stad te vestigen, was het verboden hen een uiterlijk kenteken te laten dragen. Wel werd het de Hollandse steden toegestaan een afzonderlijk stadsdeel als woongebied voor de joden verplicht te stellen, maar in de praktijk is dit nooit gebeurd. |
|
Het ontstaan van de mediene
Met “Mediene” worden alle joodse gemeenten (kehillot, kehilla of kille genoemd) buiten Amsterdam aangeduid.
In de 18de eeuw vestigden zich joden in verschillende plaatsen buiten Amsterdam. Zo ontstond er naast Mokum (=Amsterdam) een mediene, waartoe alle joodse gemeenschappen buiten de hoofdstad gerekend werden.
De sefardische gemeenten, die onder andere in Den Haag, Rotterdam en Middelburg ontstonden, ontwikkelden zich volgens het voorbeeld van de Amsterdamse ‘moedergemeente’.
Heel anders verliep de vestiging van de eerste Hoogduitse joden in de mediene. Ze kwamen vaak rechtstreeks uit het Duitse grensgebied naar Groningen, Gelderland en Overijssel en kozen een woonplaats op economische gronden. Ook in de westelijke handelssteden en in de plaatsen langs de Zuiderzee ontstonden asjkenazische gemeenten, die een hoge mate van zelfstandigheid kenden.
Voordat een dergelijke gemeente (kehilla of kille) daadwerkelijk opgericht kon worden moest er aan een aantal voorwaarden worden voldaan. Zo moet er een quorum van tien mannen van dertien jaar of ouder zijn, een zogenaamde minjan, voordat er een volledige gebedsdienst gehouden kan worden.
Vaak diende eerst een kamer in een woonhuis of boerderij als plaats van samenkomst, voordat er een synagoge gebouwd mocht of kon gebouwd worden. Naast een synagoge behoorde ook een ritueel bad ofwel mikwe tot de noodzakelijkheden, terwijl ook een schoollokaal wenselijk was. Een van de eerste vereisten was tevens een begraafplaats, omdat joodse overledenen apart te rusten gelegd moeten worden, met de zekerheid dat deze rust voor eeuwig geldt.
Iedere joodse gemeente werd geacht om als autonome organisatie met behulp van een intern stelsel van belastingen, offergelden en boetes haar voorzieningen als synagoge, leerhuis, mikwe en begraafplaats aan te kopen en te beheren.
Gekozen bestuurders (parnassiem) stelden de reglementen (takkanot) op, die door de plaatselijke overheid goedgekeurd moesten worden. Ook waren de parnassiem verantwoordelijk voor het handhaven van de orde en voor het sociale en economische reilen en zeilen van het onder hun gezag staande deel van de zogenoemde ‘Joodsche Natie’. Tevens droegen zij de plaatselijke belasting af.
Afhankelijk van de financiële middelen beschikte de joodse gemeente over een rabbijn, een voorzanger, een onderwijzer en een schrijver. In verband met de voedselvoorschriften was de aanwezigheid van een ritueel slachter en een toezichthouder noodzakelijk.
In de meeste kleinere gemeenten werden deze functies gecombineerd. Diverse liefdadigheidsinstellingen vervulden een belangrijke sociale en religieuze rol. De zorg voor armen, zieken, stervenden, doden, aanstaande bruiden, zwangere vrouwen, weduwen, wezen, behoeftige studenten en leraren ging steeds gepaard met religieuze studie. Het merendeel van de joden in de mediene was werkzaam in de handel, als slager of als kleine neringdoende. |
|
Ontwikkelingen binnen joods Nederland
In de praktijk bleef Amsterdam gedurende vrijwel de gehele achttiende eeuw het zwaartepunt van joods Nederland. Grote veranderingen traden op na 1796. Met het verlenen van gelijke burgerrechten aan alle inwoners van de Republiek der Verenigde Nederlanden werd de politieke emancipatie een feit. Eén van de gevolgen was dat joden zich overal vrij konden vestigen. Daardoor ontstond in de eerste helft van de negentiende eeuw verspreid over Nederland een groot aantal joodse gemeenten.
Joods Nederland werd ingedeeld in twaalf hoofdsynagogen, die op hun beurt weer in ringsynagogen en bijkerken verdeeld werden. Aanvankelijk stonden deze gemeenten onder een sterk centraal gezag, maar gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkelde zich de scheiding tussen kerk en staat. Dit had tot gevolg dat de autonomie van de gemeenten wederom toenam.
Rond 1885 bereikte het joodse leven in de mediene zijn hoogtepunt, daarna begon de neergang. Behalve in de plaatsen die een duidelijke industriële ontwikkeling doormaakten nam het aantal leden van de killes vrijwel overal af. Emancipatie en integratie speelden ook een rol in de organisatievorm van de diverse joodse gemeenten; naast de bestaande liefdadigheidsinstellingen ontstond een ander joods verenigingsleven, gebaseerd op politieke of culturele gronden.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw verliest een groot aantal van de kleinere joodse gemeenten zijn zelfstandigheid of wordt opgeheven. Amsterdam wordt nog meer dan tevoren het centrum en zwaartepunt van joods Nederland. De nazi-terreur in de bezettingsjaren heeft ook het joodse leven in de provincie vrijwel vernietigd. Ook in de naoorlogse jaren maakte het joodse leven in de mediene een verdere neergang door. |
|
De Joden te Groenlo
In de tweede helft van de zeventiende eeuw vestigden de eerste joden zich blijvend in Groenlo. Tussen 1674 en 1895 pachtten zij de Stedelijke Bank van Lening. Hans Kooger die 25 jaar lang onderzoek verrichtte naar de joden in de Achterhoek en Liemers geeft voor de vroegste vestigingen het jaartal 1285 voor Groenlo en overigens voor Bergh 1296, Lochem 1332, Zutphen 1340 en Wish 1342. In Doesburg vestigde zich de familie Godschalck al in 1185.
Van een georganiseerde joodse gemeente was pas vanaf het einde van de 18de eeuw sprake. Aanvankelijk werden de synagogediensten in een gehuurd huis gehouden. Mede door een ruime donatie van koning Lodewijk Napoleon was het mogelijk een synagoge te bouwen aan de Noteboomstraat.
Bij de ressortale herindeling van 1814 kreeg Groenlo, met inbegrip van Lichtenvoorde, de status van Ringsynagoge. Ook Winterswijk en Aalten ressorteerden tot 1862 als bijkerk onder Groenlo. In 1822 werd een nieuwe synagoge aan de Schoolstraat ingewijd. Dit gebouw werd in 1878 in oriëntaalse stijl gerenoveerd.
De joodse gemeente van Groenlo had de beschikking over twee begraafplaatsen; de ene lag buiten het dorp Lichtenvoorde en was tot 1909 in gebruik, de ander lag in een park aan de Kanonswal. Naast het kerkbestuur en de kerkenraad was er een penningmeester voor het Heilige Land en was er zowel voor vrouwen als voor mannen een begrafenis- en studiegenootschap.
|
|
De Joden te Lichtenvoorde
De Winterswijkse jood Isaac Jacobs betaalde een borgtocht om Moijses weer vrij te krijgen.
Glazenmaker Ansel Sijmon zette in 1740 en 1741 glazen in loden roeden onder meer in de poort, de kerk en in het huis van de heer van Harreveld. In 1740 diende Ansel een rekening van 8 gulden en 1 stuiver in. In het jaar erop kreeg hij 7 gulden en 19 stuivers voor zijn werk betaald.
Een andere Lichtenvoordse jood was Selig Salomon, die in maart 1743 met Hester Jacobs te Ringenberg was getrouwd.
Herts Levi bezat een uit 1553 daterend octrooi, dat hem was verleend door Frederik Otto van Dornburg, genaamd Heijden, die tussen 1738 en 1768 op het hof in Lichtenvoorde woonde. Herts levi was in 1947 te Kleef met Mindele Emanuel getrouwd.
De broers Levi Meijer (een slachter die ook een schutsbrief had van van Dornberg) en Isaac Meijer STAM (een lompen koopman) trouwden respectievelijk in 1769 en 1768 te Kamen en te Enschede. Isaac Meijer huwde Roosken Jacobs. Deze voormelde huwlijken zijn in maart 1777 bevestigd te Lichtenvoorde. De weduwe van Levi Meijer trouwde later met salomon Philip Vink.
Mozes Levi woonde tussen 1765 en 1774 met zijn vrouw Esther Heijmans en vier kinderen ter plaatse. Mozes – omstreeks 1740 in Krenshausen geboren – kreeg in oktober 1774 toestemming van baron J.A.G. de Vos van Steenwijk om zich in Kuinre, in de kop van Overijssel, te vestigen. Mozes Levi’s kinderen namen in Kuinre de familienaam de Horst aan. Hun afstammelingen woonden onder meer in Blokzijl en Kuinre.
Uit - Hans Kooger's "Het Oude Volk" Izak (Isaac) en Jödde Ten Bosch Solemnisatie (plechtige herdenking) van het huwelijk van de Lichtenvoordse Geertruid Hansels (Anschel), geboren in 1754, met Jacob Moses, geschiedde in 1774 door rebbe Aaron Gomperts. De zoon van Isaac en Roosken, Symon Izak (Isaac), geboren in 1774, trouwde in 1797 met Rachel Moses, afkomstig uit Bretsenheim/Hannover. Zij was de stammoeder van de Lichtenvoordse familie die de achternaam Ten Bosch aannam. In het dorp werden zij ‘jödde Bosch' genoemd. "Hee kof ulkevellen en kenienevellen op" (hij koopt bunzing en konijnenhuiden op) en "Hee hef ziene beste vellen an den jödde edaone" (hij heeft zijn beste huiden aan de jood verkocht) waren gebruikelijke gezegden. Levi Herts had in november 1803 een geschil met de Winterswijker Berend Grevink betreffende de leverantie van 30 stuks ‘rauwe vellen' Naamsverandering Op 24 december 1812 legden twee joodse familiehoofden en één vrijgezel op het Lichtenvoordse gemeentehuis verklaringen af over het aannemen of behouden van hun familie- en voornamen. Koopman Symon Izak (Isaäks Isaac) nam de achternaam Ten Bosch aan en dat gold ook voor zijn 12-jarige zoon Mozes Symon. Slager Saloman Philip koos Vink als achternaam evenals zijn 28-jarige zoon Philip Salomon. Philip Hertz wilde als familienaam De Haas; zijn voornamen wilde hij behouden. Zij verklaarden allen niet te kunnen schrijven. Op een lijst van 977 gezinshoofden uit 1811-1812 komen tevens de namen voor van koopman Manuel Levy, geboren in 1785, de eerder genoemde Levy Hertz (die capitaliste werd genoemd; geboren in 1755) en kleermaker Jackes wolf (wellicht joods). Levy Hertz ging in mei 1812 naar Groenlo, waar hij op 30 september 1812 de achternaam Kok aannam. In Bredevoort werd rond 1801 een gebouw tot sjoel ingericht (er werd waarschijnlijk al eerder een gebouw van de Winterswijkse Janner Rattemer voor f 20 per jaar gehuurd) Het gebouwtje was 30x 15 voet groot en had aan de achterzijde een kleine woning voor de voorganger annex lesruimte. Omstreeks 1828 kregen de Bredevoortse joden het gebouw in eigendom. Het complex was 268 vierkante meter groot. De familie's de Haas, Vink en ten Bosch kwamen al voor 1810 naar de Bredevoortse sjoel. (Inv.nrs. 188 en 1200) Van de joodse familie Ten Bosch zou Mozes Symon, de zoon van Symon Izak, in maart 1836 trouwen met de in Ruurlo geboren Rachel Samuels. Achtereenvolgens werden de volgende kinderen geboren; Izaak (1837), Catharina (Kaatje; in 1838), Salomon (1839) en Jacob (1842). Salomon zou 27 jaar later, in 1866, zijn voornamen vanwege overgang tot het roomskatholieke geloof veranderen in Antonius Aloysius Maria en vervolgens in het huwelijk treden met de boerin Johanna Hulshof. Zij kregen tien kinderen. De broers van Salomon (Jacob en Izaak) en zijn zusje Catharina bleven het joodse geloof behouden. Jacob ten Bosch was een tijdje in huis bij de in Bredevoort wonende gepensioneerde soldaat Jozef Hartog Vogelzang. Hij ging in 1866 naar Doesburg waar hij in 1868 trouwde met Lena de Groote. Haar vader Izak Levi de Groote was bijna 40 jaar voorganger in Doesburg (1828-1868) Auschwitz Jacob en Lena Ten Bosch vertrokken later naar Aalten. Hun kleindochter Sara Lena Ten Bosch kwam in 1942 om in Auschwitz. Hun kleinzoon Jacob Ten Bosch zou in 1944 eveneens in Auschwitz sterven, na in Halle te zijn verraden. Met hen kwam meerdere ten Bosschen in de concentratiekampen om het leven. Overwegend Ten Bosch In de negentiende eeuw hebben nooit meer dan enkele joodse families in Lichtenvoorde gewoond. In 1809 waren het er 11 en in 1830 zes; in 1849 woonden er slechts drie joden. Omstreeks 1850 woonde behalve de familie Ten Bosch, ook ter plaatse; Derschen, Harmina Rebecca, Dela Hendrika en Philip Vink. Na 1860 waren er geen Vinken meer in Lichtenvoorde te bekennen. Uit een volkstelling uit 1860 komen de volgende namen naar voren. Elisabeth (tijdens de telling 51 jaar) en Symon Izak Ten Bosch (69 jaar) beide wonende in de Rentenierstraat. In de wijk Bosch woonden Kaatje (2 jaar), Mozes Symon (39 jaar) en Salomon Ten Bosch (10 mnd.). Ook Philip Vink (58 jaar en wellicht de laatste) woonde er. In 1880 woonden er nog korte tijd de volgende joodse families in Lichtenvoorde: Rosendal, Zeehandelaar (afkomstig uit Joure) en Spier uit Eibergen. Een synagoge hebben de Lichtenvoordse joden nooit gehad. Wellicht zijn wel godsdienstlessen ergens bij een joodse familie thuis gegeven, maar het ligt meer voor de hand te veronderstellen dat de joodse kinderen les kregen in het joodse schooltje dat in 1865 in Groenlo werd gebouwd. Voor de joodse feestdagen gingen de joden naar de sjoel in de schoolstraat in Groenlo. De vee, boter en warenmarkt in Lichtenvoorde, die al dateert van voor 1900, werd elke veertien dagen gehouden. Bekende kooplieden waren de Arnhemse IJzerketel met hamers, nijptangen, enzovoort en de "dinsdagsjood" Heijmans uit Groenlo die lappen verkocht. Bestellingen konden destijds in de loop van de week bij café Kruip worden afgehaald. |
E. De joodse begraafplaats - De joden in de oorlogsjaren

|
De joodse begraafplaats Een joodse begraafplaats bevindt zich tussen Lichtenvoorde en Vragender, nabij de boerderij van Wamelink op de Bulte, aan de Kerkdijk. De begraafplaats stamt waarschijnlijk uit het begin van de negentiende eeuw en was tot 1909 in gebruik. In 1972 is de dodenakker van 10,30 are (kad. Sectie D nr. 1604) omheind met betonnen paaltjes en met prikkeldraad afgesloten. Er staan geen stenen op de dodenakker, waar toch menig keer een lewaje (begrafenis) moet hebben plaatsgevonden. In 1932 vermeldde chazzan (voorzanger) David Schielaar namelijk in een kort overzicht van de historie van de kille (joodse gemeente) Winterswijk dat er tien graven moesten zijn. In 1967 is het stukje grond verkocht aan het Nederlands Israëlitisch Kergenootschap te Amsterdam. Voordien was het in bezit van de burgerlijke gemeente. Tegen de oostzijde van de begraafplaats ligt een perceeltje grond (kd. Sectie D nr. 1903) ter grootte van 1,60 are. Dat stukje is aangekocht als particuliere begraafplaats en staat op naam van Maurits Prins (geboren1898) en consorten, fabrikant te Dinxperlo. Mede-eigenaren waren Marcus Gans, koopman te Aalten, Mozes Meijer Poppers, (geboren 1906), fabrikant te winterswijk, Gezina Mara Koopmans en consorten, weduwe van Jesaja Mogendorff te Groenlo. Op het stukje grond staan evenmin grafstenen. De lewaje (begrafenis) op het grootste stuk van de begraafplaats moet omstreeks 1850 hebben plaatsgevonden. Hans Kooger "Het Oude Volk" |
Familie historie en cultuur 1
|
Familie historie en cultuur 1
Wat data betreft, moeten we er rekening mee houden dat een sterretje * betekent dat het jaartal 1 jaar kan afwijken. Probanten zijn Stephanus Henricus Iding en Johanna Geertruide ten Bosch ook aangeduid als Opa en Oma Iding. Behalve door familie overgeleverde anekdotes komen alle gegevens uit archieven en betrouwbare bronnen. |
|
Verlichting
Tot ver in de Middeleeuwen heeft de mens voor verlichting gebruik gemaakt van eenvoudige olielampjes. De olie werd geperst uit zaden. Een pit, ook wel het snotneusje genoemd, zat meestal in een tuit en zoog olie op uit een reservoir. Het uiteinde werd dan aangestoken.
In de kaarsenindustrie slaagde men erin de olie uit het schapen- en rundvet te scheiden van de vaste bestanddelen. Er bleef zo stearine over, dat minder snel smelt, en daardoor beter brandt. |

|
Tinnen snotneus, Hollands, 19e eeuw |
|
De Republiek 1600-1795
De republiek is de benaming van de statenbond of federatie van de zeven Noord- Nederlandse provinciën in deze periode: Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland, Overijssel, Groningen, Friesland.
Grondslag voor hun samengaan vormde de Unie van Utrecht waarbij de sluiting werd vastgelegd van een Nadere Unie binnen de in de Pacificatie van Gent (nov. 1576) verenigde gewesten, de Generale Unie.
In 1648 werd de onafhankelijkheid van de republiek van Spanje internationaal erkend. Ook werd bevestigd dat de Republiek geen deel meer was van het Heilige Roomse Rijk. Het Zuiden werd daar wel weer een deel van, inclusief Vlaanderen.
De nieuwe republiek werd wel de Grote Uitzondering van de 17e eeuw genoemd omdat in tegenstelling tot de meeste landen in Europa de Derde Stand, vooral de handelaren van de steden het voor het zeggen kregen. Zij ruilden een feodaal systeem in voor iets nieuws dat later kapitalisme zou gaan heten.
In Antwerpen kwamen al handelslui samen bij een Beurs om aandelen te verhandelen. Amsterdam nam dat over en spoedig waren er verzekeringsmaatschappijen en zelfs de eerste speculatieve crash: de windhandel in Tulpen in 1637. |

|
Konstige meesters
In de 17de en 18de eeuw had de medische stand hinder van rondreizende kwakzalvers. Zij zagen zichzelf als ‘konstige meesters’, met meer praktijkervaring dan de opgeblazen medicinae doctores.
Als bewijs van hun kunnen toonden zij quasi-officiële stukken waarin lieden van onbesproken gedrag de meester aanbevalen. Hun komst op kermis of jaarmarkt werd vaak aangekondigd door mensen die zogenaamd door hem waren genezen en dat luidkeels uitbazuinden.
Ook met strooibiljetten werd klandizie getrokken. Begin 18de eeuw werd de bevolking zo de komst aangezegd van de breukzetter en steensnijder J. Francken, ‘wiens werck is eerstelijk blinde menschen op een nieuwe en gemakkelijke wijze te cureren, deels in twee of drie minuten. Ten tweeden, snijd diegeene die met den steen in de blaes beladen zijn. Ten derde geneest alle gebrookene menschen, deels door een klijne snee en deels met bequame handen’.
Op het doek van Jan Steen vertoont een ‘reizende meester’ zijn kunnen. |
|
De historie van Oostelijk Gelderland
De historie van Oostelijk Gelderland werd gekenmerkt door het leven op de grenzen van twee rijken. Enerzijds stond het gebied onder invloedssfeer van het vroegere hertogdom Gelre en later na de stichting van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, onder die van het gewest Gelderland.
Anderzijds hadden de bisschoppen van Munster en voor wat het gebied van Liemers betreft de heren van Kleef hier veel in de melk te brokken. Tot 1823 bleef de Munsterse invloed in de achterhoek.
Toen pas werden de parochies Groenlo, Lichtenvoorde, Aalten, Borculo, Bredevoort, Eibergen en Winterswijk uit de lijst van Munsterse parochies gelicht en toegewezen aan de z.g. Hollandse Zending. Hoe ingewikkeld de toestand langs de grens was, blijkt in de Liemers.
Het gebied rond Zevenaar, Huissen, Duiven, en Wehl kwam pas in 1816 officieel bij Nederland.
Voordien was het een Kleefse enclave. De enclave had rond 1800 een bewogen politieke geschiedenis. Tot 1806 was dit gebied Kleefs, hetgeen in die jaren Pruisisch betekende.
In de daarop volgende tien jaar hoorde het gebied respectievelijk tot het Groothertogdom Bergh, het Koninkrijk Holland, het Franse Keizerrijk, enkele weken weer onder Nederlands bewind, dan weer onder Pruisisch bewind om ten slotte weer in 1816 aan Nederland toe te vallen. |
|
1618 - 1648 oorlog verpaupering en roversbenden
Er woedt een oorlog tussen Duitsland en Bohemen. Veel joodse gemeenschappen lijden er sterk onder en velen vluchten naar veiliger landen. Een golf van doortrekkende vreemdelingen komt terecht in de dorpen en steden van een Kleefse enclave of in de Achterhoek, in Aalten, Bredevoort, Neede, Winterswijk, en Didam.
In 1648 protesteert Pastor Arnoldus Monhemius in naam van de kerkenraad, bij de drost van Bredevoort tegen de ceremoniën en kerkelijke riten van de joden. Want het gaat, meent de pastor “om Onses Saligmaker Jesu Christi … dessen viandan die joden sijn, denwelcken sij blasphemeren” (lasterlijk van God spreken). De protesten vermogen niets uit te richten. De joodse families blijven in Bredevoort wonen.
In de achttiende eeuw en de eerste helft van de negentiende eeuw opereren georganiseerde roversbenden in het grensgebied van Pruissen en Nederland. Soms bestaan de benden uit louter joden: vaker treedt een kongsi van christenen en joden op om eerzame burgers te beroven.
Een van de oorzaken is dat talloze opgejaagde en verpauperde lieden wel een legale broodwinning willen, maar door allerlei maatregelen op het criminele pad terecht komen. Onder de rovers zijn kleurrijke figuren zoals Hampel Holmich, de ‘Pockennarbige Schmuel, ein Glückspieler’ en Schelfisch. |
|
Varsseveld 1653-1683 Actum den 30 maart 1676
In de declaratie van de penningen van de kerk van Varsseveld door kerkmeester Henderick Aerntsen over de jaren 1653-1655 staat vermeld: "Aen Garit Aerntsen voor nagels ende wijn sijnde gebruikt aan de taffel des herren betalt (zie reknr.13) 2 dal..13stvr". (KA Varsseveld invnr 188)
Op 12 juni 1659 tijdens de 99e vergadering van de kerkeraad van de Laurentiuskerk te Varsseveld wordt Gerrit Aerntsen benoemd als diaken. Rolef Aernsen treedt dan af als ouderling.
Op 21 juli 1662 geeft Garit Aerntsen rekenschap als diaken.
Op 17 juli 1670 wordt Gerrit Arentsen als ouderling benoemd. De vraag is of dat dezelfde is. De momboiren van Gerrit Plante hebben op 17 febr 1669 te Varsseveld zijn huis verkocht aan Gerrit Arntsen en zijn vrouw Luijtjen Luijcken met "hoff en den bongart en wat daerin aerdt en naegelvast is" in 't dorp aan de straat naast Willem Helmincks huis.
Op 14 sep 1669 is de 50e penning betaald met 20 Gld..
Op 27 mrt 1702 "bekent Gerrit Plante eeuwig vererfft te hebben" zijn huis en hof en bogaard in het Dorp en alles wat spijkervast is aan Luijtjen Luijksen, w.v. Gerrit Arntsen, en haar erven (ORA Wisch Protocol verbanden en opdrachten (0207), inv nr 327, folio 41V/42R)
Op 17 febr 1670 verzoekt Henrich Kettien voor het gerecht dat Gerrit Arentsen zijn achterstallige betaling doet voor het kopen van het huis van Gerrit Planten ad 51 gld 13 stv. Het gericht verordonneert dat Gerrit dat op 21 febr. 1670 zal moeten betalen.
Op 20 juli 1676 verschijnen Gerrit Arntsen en Luijtjen sijn huijsvrow voor het gericht en geven als onderpand voor voormelde obligatie, rente en kosten hun gerede en ongerede goederen en huis en boomgaard die volgens de wet toebehoren aan hun 4 onmondige kinderen.
Op 21 jun 1683 bekent Gerhart Aerntsen verlopen rente schuldig te zijn aan de weduwe van vrouw Van der Horst, verminderd met de betalingen van fl 45,-.
Onderpand zijn gerede goederen zowel binnen- als buitenshuis, waar ze maar te vinden zijn (ORA Wisch Orinair protocol 1678/1684, invnr 0209236, fol 215R) (ORA Wisch invnr 0209/235, fol 162R) Actum den 30 maart 1676 Coram de Wel.Ed.Heeren Drosten, respective: Quirijn Verhulle @ Andries Selse
Erschenen Gerhardt Arntsen, Luijtien Arntsen eheluijden, bekanden, uijt cragten van transporte, soodaenighe somma van hondert vijffigh Gld., op haer tot haeren lasten genomen te hebben, als Jan Planten, soone van Gerhardt Planten, van Derck Idinck, in den jaere 1663, op Martini opgenomen hadde becanden Comptn. |

|
De Pest
In het laatste kwart van de 17de eeuw worden de Nederlanden voor een laatste keer door een pestepidemie getroffen. |
|
Pruiken
In de 18de eeuw volgden allerlei soorten pruiken elkaar in snel tempo op, soms gecombineerd met het eigen haar. Ook werd het mode de pruik met een soort zalf te pommaderen en vervolgens te poederen.
Op herenportretten uit de 18de eeuw is daarom op de schouders vaak wat wit rijstpoeder te zien. |
|
Kinderen in volwassenenkleding
Hoewel in de 18de eeuw het besef groeide dat kinderen geen volwassenen-inzakformaat waren, werden ze toch al vanaf hun vijfde jaar in grote-mensenkleren gestoken.
Meisjes werden in een korset geregen en kregen een hoepelrok aan; jongetjes droegen vooral in de tweede helft van de 18de eeuw een driedelig kostuum. Het bestond uit een halflange jas, een vest en een kniebroek, met daaronder gladde kousen en schoenen met gesp. Onder de kin viel een kanten jabot in ruches naar beneden. |
|
Zwervers en vagebonden
Zwervers en vagebonden trokken vroeger in groten getale langs ‘s heren wegen. Het bonte gezelschap, zonder vaste woon- of verblijfplaats, bestond uit bedelaars, huursoldaten zonder emplooi, kwakzalvers die dubieuze pillen en zalfjes verkochten, marskramers, kermisklanten, speellieden en liedjeszangers.
Behalve dat ze hun waren of diensten aan de man brachten, vormden ze vooral voor de bevolking van het platteland een belangrijke bron van informatie. Ze waren voortdurend op reis en brachten dikwijls nieuws van verre. Niet altijd even betrouwbaar nieuws overigens.
De bevolking moest vooral het nieuws van liedjeszangers met een korreltje zout te nemen. Omdat ze voor hun inkomen deels afhankelijk waren van wat ze aan sensationeels hadden te melden, was enige overdrijving hun niet vreemd. Hoe mooier de verhalen, hoe guller immers de giften van de toehoorders. |
|
1723 Maart 14.
Een zeer actieve roversbende met joodse leden maakt de wegen in Gelderland, Overijssel en het grensgebied onveilig. Overvallen vinden onder meer plaats in Rheden, Goor, Laag Elten en Loenen.
Er liggen plannen klaar om een dominee in Steenderen en de pastoor in Olburgen te beroven.
In Doesburg worden twee leden van de bende gearresteerd, Benjamin, één van de leiders, en de voormalige leenbankhouder Abraham Salomon Heijman. Benjamin was op last van roverhoofdman kapitein Mozes Dikkop uit Kalkar naar Doesburg gestuurd om een kraak voor te bereiden bij de dominee in Steenderen.
Salomon had in 1722 al met Mozes Dikkop kennis gemaakt. Mozes Dikkop stond in rang direct onder de generaal van de rovers, Selich. Mozes zou tegen Abraham hebben gezegd: “Wat hebt gij aan dat lopen met een zware mars, gij kunt boven een stuiver vijf ses deags niet verdienen, weet gij mij niet hier of daer een buyt aan te wijsen die ik kan gaen halen?”
Abraham Salomon zwoor op de tora dat hij de bende niet zou verraden. Zo was de leenbankhouder, al afgezakt tot wanbetalende marskramer, nog lager gezonken tot criminele aanbrenger.
Abraham Salomon zou de kraak samen met Benjamin zetten. Boer Cristiaen Hendriks uit Steenderen krijgt lucht van het zaakje en waarschuwt de gerechtsdieneren.
Op zondag 14 Maart 1723 worden Benjamin en Abraham Salomon gearresteerd. In April worden ze verhoord. Abraham bekent schuld maar Benjamin ontkent.
In dezelfde maand worden eveneens twee leden van de bende, Faibel en Herzvegter in Zwolle opgepakt. Benjamin wordt met de twee geconfronteerd.
Aanvankelijk blijft hij ontkennen maar na een ‘behandeling’ op de pijnbank slaat hij door. Faibel en Hertzvegter krijgen de doodstraf.
Benjamin krijgt een proces in Doesburg en wordt veroordeeld tot pijniging op ‘het radt’ en daarna onthoofding.
Abraham Salomon komt er beter van af; hij zal, na vastgebonden te zijn aan de galg met de bungelende Benjamin, ‘slechts’ worden gegeseld en vervolgens worden gebrandmerkt. Daarna moet hij 12 jaar tuchthuis uitzitten in Arnhem. Zijn vrouw Roosken en haar kinderen moeten Doesburg en de provincie verlaten. |
