Naar de inhoud

FAMILIE IDING TEN BOSCH

Familie Iding ten Bosch - Varsseveld - Heurne - Huissen - Westervoort - Lichtenvoorde
akke.beakke.be

Berichten van 20 juli 2008 tot 21 juli 2008

Familie historie en cultuur 5

 

Napoleontische tijd 1797-1814

 

 


 

1798

 

Van Selig Salomon, Herts Levi en Levi Meijers is uit ca. 1798 een notitie bewaard gebleven van de rentmeester van de Nassau-domeinen. Zij betaalden op Martinij (11 november) elk het jodentribuut (cijns, heffing) met twee vette ganzen (ter waarde van ƒ 1 en tien stuivers) en bovendien ƒ 6 in contanten.

 

Hartog Philip, Benjamin Levi en Salomon Selig (zoon van Selig die in 1781 te Groenlo was gehuwd met vogeltje Moses), woonden omstreeks 1783 eveneens in Lichtenvoorde. Benjamin Levi vertrok naar Dinxperlo. In 1825 droeg Vogeltje Moses onroerende goederen over aan de familie Frankenhuis-Salomons in Groenlo.

De Klomp

 

De klomp, in zijn tegenwoordige vorm, werd sinds de late middeleeuwen 1300-1555 op vele plekken in Europa gedragen. Hier en daar komt hij nu nog voor, het meest in Nederland.

 

Vooral door de drassige bodem van Nederland, en mede door het feit dat in Holland de juiste houtsoorten (wilgen en populieren) in overvloed beschikbaar waren, bleef dit eenvoudige schoeisel lange tijd populair, overal in Nederland.

 

Zelfs toen de waterdichte rubberlaars ontworpen werd, bleef de klomp, omdat hij zo gemakkelijk in het gebruik was.

 

1797* Huissen Familie Jorissen Derkzen

 

Gerarda Jorissen wordt te Huissen (Koninkrijk Pruisen) geboren uit het huwelijk van Joannes Jorissen en Elisabeth Derkzen

Grootouders van Stephanus Henricus Iding (probant) vaders kant

 

1797 Mei 1 Lichtenvoorde Fam. ISAÄKS MOIJSES

 

Symon ISAÄKS Izak trouwt met de uit Bretsenheim/Hannover afkomstige Rachel Moses.

Zij zijn de overgrootouders van Johannes Bernardus Franciscus en Johanna Geertruide ten Bosch (probanten) van vaders kant.

 

Compareerde voor Henricus Sterenborg en Arnoldus Balster, commissariën van huwlijks saaken 01.05.1797 - 1 maij

- Bruijdegom - SIMON ISAÄKS, jongman, oud 23 jaaren, soon van wijlen Isaäk Meijer en Ruesken Jacops, gebooren en woonagtig alhier

- Bruijd - RACHEL MOIJSES, oud 25 jaaren, jonge dogter van wijlen Moses Zelig en Adel

Benjamins, gebooren te Bretzenin en woonagtig te Lochem

- Getuijgen - Ruesken Jacops - volgens certificaat der Burgers Representanten der stad Lochem, dat voor haar gecompareerd is Adel Benjamins, weduwe van Moses Zelig , dat zij als moeder volmaakt consenteerd in het huwlijks engagement van haar dogter Rachel Moses enz., was geteekend J.L.

Solner, secret. Lochem, den 25 april 1797

- 1e gebod - 7 maij

- 2e gebod - 14 maij

- 3e gebod - 21 maij

- Solemnisatie - den 3 junij door Simon Horn, Joode kopulier, in Gendringen woonagtig

Quod testor Jan Willem te Welscher, secretaris. Lichtenvoorde - Trouwboek van

huwelijkscommissarissen 1796-1802


 

1798 Mei 11 Lichtenvoorde Fam. Hulshof Kolkman

 

Te Lichtenvoorde trouwen Harmanus Hulshof en Aleida Kolkman

Zij zijn de overgrootouders van Johannes Bernardus Franciscus en Johanna Geertruide ten Bosch (probanten) van moeders kant

 

Compareerde voor Henricus Sterenborg en Arnoldus Balster, commissariën van huwlijks saaken 11.05.1798 - 11 maij

- Bruijdegom - HARMEN (Harmanus) HULSHOF, jongman, oud 34 jaaren, soon van Jan Hulshof en Leide Holkenborg, gebooren en woonagtig onder Ligtenvoorde

- Bruijd - AALTJEN (Aleida) KOLKMAN, oud 24 jaaren, jonge dogter van Derk Kolkman en Tönne Storkhorst, gebooren en woonagtig onder Ligtenvoorde

- Getuijgen - Jan Hulshof - Derk Kolkman

- 1e gebod - 13 maij

- 2e gebod - 20 maij

- 3e gebod - 27 maij

- Solemnisatie - den 1 junij door Willem Gertzen, pastor

Quod testor Jan Willem te Welscher, secretaris.

Lichtenvoorde - Trouwboek van huwelijkscommissarissen 1796-1802 Tijdvak 1796-1798


 

Huissen


 

Huissen 1798 Familie Jorissen Derkzen

 

Petronella Jorissen wordt te Huissen (Koninkrijk Pruisen) geboren

uit het huwelijk van Joannes Jorissen en Elisabeth Derkzen

Grootouders van Stephanus Henricus Iding (probant) vaders kant

 

Huissen Taufen 1660-1900

REC. 5856 - NAAM JORISSEN, Petronella –

GEB.1798 - PLAATS Huissen - OUDERS 5851 en 5852

 

 

Huissen Dominikaner klooster

 

DE GESCHIEDENIS VAN HUISSEN

 

De Vroege Middeleeuwen.


In tegenstelling tot de rest van de Betuwe heeft Huissen doorlopend bewoning gehouden vanaf de Romeinse Tijd. In een oude meander van de Rijn lag een groep boerenhoeven, ter hoogte van het huidige Kempke. In 814 wordt deze nederzetting onder de naam Hosenheim voor het eerst genoemd. In de tiende eeuw werden er twee versterkingen bij gebouwd: de Grote Toren, die eeuwenlang het silhouet van Huissen bepaalde en de Dannenberg, een tufstenen rechthoekige burcht.

 

1242-1368

In 1242 blijkt Huissen in het bezit te zijn van de graven van Kleef. Deze hieven een tol op de Rijn. Bij die tol werd een burcht gebouwd en al spoedig ontstond een handelsnederzetting. Graaf Dirk IX (1310- 1347) heeft die handelsnederzetting rond 1319 tot stad verheven. De stad werd voor een groot deel in de veertiende eeuw aangelegd. De huidige hoofdstraten in de kom van Huissen zijn toen ontstaan.

 

1368-1502

Van 1368-1371 behoorde Huissen korte tijd bij het hertogdom Gelre. In diezelfde tijd leefde er Gravin Mechteld van Kleef, die het als weduwegoed mocht gebruiken. Zij stierf in 1384 op de Huissense burcht. Vanaf dat moment was Huissen weer Kleefs. Het werd in de vijftiende eeuw vooral een militaire voorpost voor de graven (sinds 1417 hertogen) van Kleef in hun vele oorlogen met de hertogen van Gelre. De handel had van die oorlogen zeer te lijden. Belangrijke bron van inkomsten vormde in die dagen de kersenteelt.

 

1502-1609

Maar net bleef Huissen in 1502 voor Kleef behouden. Ruim een maand werd de stad belegerd door de troepen van hertog Karel van Gelre. Een Kleefs ontzettingsleger versloeg de Geldersen op 26 juni 1502. Dit feit wordt nog jaarlijks herdacht! In de zestiende eeuw werd Huissen betrokken in de strijd om de Nederlandse onafhankelijkheid. Nederlandse en Spaanse troepen gebruikten de Betuwe vanaf 1568 regelmatig als gevechtsterrein. De zwakke hertogen van Kleef konden Huissen daarbij niet beschermen.

 

1609-1701

In 1609 stierf de laatste hertog van Kleef. Na een korte periode van onzekerheid kwam het land van Kleef en dus ook Huissen in het bezit van de keurvorst van Brandenburg. Vanaf dat ogenblik zetelden de landsheren van Huissen in Berlijn! Toch probeerde keurvorst Friedrich Wilhelm greep te krijgen op de gang van zaken in de steden. De stad Huissen kreeg een protestant stadsbestuur, terwijl de bevolking merendeels katholiek bleef. Met het St.-Elisabethsconvent (zustersklooster) als centrum werd Huissen belangrijk als vrijplaats voor de katholieken in Gelderland.

 

1701-1795

In 1701 verkreeg de keurvorst van Brandenburg het recht zich koning in Pruisen te noemen. Daarmee hoorde Huissen tot dat koninkrijk. De koningen streefden ernaar om hun land economisch af te schermen. Voor de enclave Huissen was dat een ramp. De plaats verarmde snel. Het enige produkt, dat op grote schaal kon worden verbouwd was tabak. Verder moest de bevolking ook hoge lasten opbrengen voor de vele oorlogen van koning Frederik II de Grote. De stad zelf verviel tot een bedenkelijk niveau.

 

1795-1816

Vanaf 1795 werd gesproken over de overdracht van Huissen aan Nederland.

Dat leidde tot een groot aantal wisselingen van soevereiniteit:

 

    Tot 1806:          Koninkrijk Pruisen

    1806-l808:        Groothertogdom Berg

    1808-1810:       Koninkrijk Holland

    1810-18l3:        Keizerrijk Frankrijk

    1813 (dec):        Vorstendom der Nederlanden

    1813-l816:        Koninkrijk Pruisen

    Vanaf 1816:      Koninkrijk der Nederlanden

 

 

1890-1940

In de eerste decennia van de twintigste eeuw onderscheidde Huissen zich niet echt van andere Nederlandse gemeenten op het platteland. Er werden diverse ambachten uitgeoefend, zoals het mandenmaken. Vooral in de jaren twintig en dertig kwam er een steeds rijker verenigingsleven op. In 1923 was het tuinbouwgebied van Huissen zo sterk gegroeid, dat de aartsbisschop van Utrecht een tweede parochie instelde: die van de H. H. Martelaren van Gorcum in Huissen-Zand. Daardoor ontstond eigenlijk het afzonderlijke kerkdorp Huissen-Zand. Pastoor A.A. van Wijk bevorderde het onderscheid tussen Zand en Stad bijzonder. Zijn neef en tegenspeler in Huissen-Stad, pastoor Th. Van Wijk, deed daar zijn best om het parochieel leven te versterken. Het was voor Huissen echt “Het Rijke Roomsche Leven”!


 

Huissen Processie

 

1799 Mei 29 Familie Hulshof Kolkman

 

Lichtenvoorde Harreveld Zieuwent

Jan Berend Hulshof wordt geboren uit het huwelijk van de lanbouwer Harmanus Hulshof en Aleida Kolkman, overgrootouders van Johannes Bernardus Franciscus en Johanna Geertruide ten Bosch (probanten) van haar moeders kant.

 

R.-K. Statie HARREVELD - ZIEUWENT

Doopboek 1759-1811 (R.B.S. 1051)

29.05.1799 baptizatus est JOANNES BERNARDUS HULSHOFF

cujus parentes Hermanus Hulshof et Aleijda Kolkman

patrini Derk Hulshof et Hermina Kolkman

De naam Hullshoff werd hier met dubbel f geschreven.


 

1800 Januari 14. Fam. Isaäks (Izak) Moses

 

Te Lichtenvoorde wordt Mozes Symon Izak (later ten Bosch zie 24-12-1812) geboren uit het huwelijk van Symon Izak (Isaäks) en Rachel Moses, overgrootouders van Oma Iding en haar broer Johannes Bernardus Franciscus.


 

 

De eeuwwisseling

 


 

Boerderij bij Vorden


 

J.G.B. Tenkink, het prototype scholteboer kijkt toe hoe Tolkamp een borrel inschenkt

 

Rond de eeuwwisseling zal de macht van de adel   grotendeels verdwenen zijn.

 

Er zullen andere afhankelijkheden voor in de plaats komen.

 

Van textielfabrikanten en andere baronnen en van de scholteboeren, de nieuwe grondbezitters die vooral in het gebied rond Winterswijk het talrijkst zijn en door hun bezittingen een voorname rol in het dagelijks leven van de buurtschappen spelen.

 

Een scholtedochter trouwt met een scholtezoon op straffe van onterving, want grond hoort bij grond en geld bij geld.

 

Gelderland

De pachter heeft verplichte “helpedage” waarop hij gehouden is boven de normale pachtgelden, de scholteboer te helpen in drukke tijden zoals bij de oogst. Als de bel op het dak van de scholteboerderij wordt geluid heeft de pachter maar te komen en moet zijn eigen oogst in de steek laten.

 

 Als de weinig gemotiveerde pachters streken uithalen bij de oogst op het land van de scholteboer moeten zij leven met de angst dat de man met de “hoge hoed” (de deurwaarder) komt om de pacht los te zeggen en de boerderij per  volgend jaar met St. Peter ontruimt moet worden.

 

Bij een bezoek van de scholteboer wordt de suikerpot (een luxeartikel) snel van tafel gehaald om te voorkomen dat er iets bij de pacht zal worden opgezet. Goede verhoudingen zijn er ook. Veel scholteboeren leven en laten leven en houden hun boerderijen in goede staat.

 

1 reactie Reageer op dit bericht Stuur door

Familie historie en cultuur 6

 

 

 

 

1810

 

In 1810 volgt de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk. Keizer Napoleon Bonaparte geeft opdracht tot invoering van de burgerlijke stand en het kadaster. Deze zijn na het vertrek van de Fransen - met kleine aanpassingen - blijven bestaan.

 

Strafrecht

 

Het Burgerlijk Wetboek voor het Koninkrijk Holland is slechts korte tijd van kracht geweest want in 1810 moet koning Lodewijk Napoleon op last van zijn keizerlijke broer het veld ruimen en wordt het land ingelijfd bij het Franse rijk.

 

Hierdoor wordt automatisch het Franse rechtssysteem van kracht zoals dat ligt vervat in de Code Civil (burgerlijk wetboek) en de Code Pénal (wetboek van strafrecht).

 

De Code Pénal  is veel strenger dan het Burgerlijk Wetboek. Het aantal misdrijven waarop de doodstraf staat, is groter.

Het Franse systeem kent straffen als levenslange vrijheidsberoving in de vorm van deportatie en dwangarbeid.

 

Na het vertrek van de Fransen blijft de Code Pénal nog een tijdlang van kracht. Eerst in 1886 zal het Franse wetboek vervangen worden door een Wetboek van Strafrecht van eigen bodem.

 

1810

 

Levij Windmuller was 30 jaar voorzitter van de van de kille Hengelo, namelijk van 1810-1840.

Hij was geboren te Frankenberg aan de Eder (RAG, RBS, DTB Hengelo) , een klein stadje  in het Keurvorstendom Hessen. In 1808 was hij getrouwd met de Harlingse Betje liefmans.

 

Levij ondertekende in 1813 een lijst met familie’s die tot de kille behoorden

1 Sander Philips (geb. 26 juni 1760) en zijn vrouw Lena Samuels (38 jr.) en hun kinderen Philip 10, Jacob 2 en Sara 12 jaar.


2 Jude Jacobs (geb. 31 maart 1776) en zijn vrouw Dina Levy Heilbron (29 jr.) met hun kinderen Simon 3, Joseph 1, en Judith 5jaar.


3 Levij Windmuller (geb. geb. 7 september 1777), zijn vrouw Betjen Liefmans en hun kinderen Joseph 3 en Judith 5 jaar.


4 Salomon Levi Marchant (geb. 15 januari 1779), zijn vrouw Betje Harz (24 jr.) en hun kinderen Samuel 2 jaar en Meijer 10 weken.


5 Victor Hanau (geb. 28 mei 1761), zijn vrouw Hanna (44 jr.) en hun kinderen Eddele 14, Abraham 12, Joseph 7, Eva 5 en Judith 4 jaar.


6 Joseph Meijer (geb. 19 januari 1761) en zijn vrouw Siela (54 jr.)


7 Aron Philip (geb. 6 mei 1779)


8 Elias Philip, 22 jaar.

 

De Synagoge

 

In Hengelo was al omstreeks 1790 een gedeelte van een huis door de joden gehuurd om gebruikt te worden als sjoel. In 1810 betaalde men daarvoor F 14 per jaar.

 

Die huur werd voor de helft opgebracht door joden uit Zelhem. Als chazzan was Naphtali Herz in dienst voor F 7 per jaar. Na de huiskamersjoel kwamen de joden vanaf 1822 bij elkaar in een klein schuurtje.

 

Kerkmeester was de 50 jarige Levij Windmuller, die twaalf jaar later subsidie kreeg van Rijksinstandties. In 1837 werd de kleine schuursynagoge in de Hofstraat geheel vernieuwd. De oude slager Levij Windmuller trok in 1844  met zijn vrouw en dochter Esther naar Vorden en begon op 67 jarige leeftijd nog een slagerij.

 

In 1875 werd een regelement door het kille bestuur opgesteld, ondertekend door Joseph Windmuller. De naam van de kille luidde toen officieel “Nederlands Israëlietische Bijkerk Hengelo in Gelderland”. zolang de kille minder dan 50 contribuerende leden had, zouden de drie bestuurders de bijkerk leiden.

 

Met Pesach verstrekte het bestuur paasbroden aan armen, zieke militairen en gevangenen. Zitplaatsen werden zoals overal gebruikelijk was, voor één jaar verhuurd. Armlastigen konden gratis onder in de sjoel trouwen.

 

1811 November 18

 

Volgens een decreet van Napoleon dat op 18 november 1811 in werking trad, moest iedereen een familie of achternaam laten registreren. In Doetinchem geschiedde dat op 30 oktober 1812

 

1812 December 24 Lichtenvoorde.

 

Op het Lichtenvoortse gemeentehuis leggen twee joodse familiehoofden en een vrijgezel verklaringen af omtrent het aannemen of  behouden van hun familie en (of) voornamen. Koopman Symon Izak, grootvader van Oma Iding en haar broer Johannes Bernardus Franciscus ten Bosch, neemt bij deze gelegenheid de achternaam Ten Bosch aan, die ook overgaat op zijn twaalfjarige zoon Mozes Symon.

 

(RAG,BFA, inv.nr. 4696;1181-1184)

 

Koninkrijk 1814-1914

 

1815 Mei 5 Lichtenvoorde. Fam. Wieggers Spekschoor.


Antonij Wieggers landbouwer 40 jaar en geboren te Lichtenvoorde trouwt met Aaltjen Spekschoor 23 jaar, eveneens geboren te Lichtenvoorde.

Zij zijn de overgrootouders van Oma Iding en haar broer Johannes Bernardus Franciscus ten Bosch moeders kant.

De ouders van de bruidegom zijn Jan Hendrik Wieggers en Johanna Klein Tiller

Die van de bruid, Derk Jan Spekschoor en Hendrina Storkhost.

 

Genlias

Huwelijk Antonij Wieggers Aaltjen Spekschoor

Bron Burgerlijke stand - Huwelijk

Archieflocatie Gelders Archief

Algemeen Toegangnr: 0207

Inventarisnr: 3836

Gemeente: Lichtenvoorde

Soort akte: Huwelijksakte

Aktenummer: 12

Datum: 05-05-1815

Bruidegom Antonij Wieggers

Leeftijd: 40

Geboorteplaats: (Lichtenvoorde)

Bruid Aaltjen Spekschoor

Leeftijd: 23

Geboorteplaats: (Lichtenvoorde)

Vader bruidegom Jan Hendrik Wieggers

Moeder bruidegom Johanna Klein Tiller

Vader bruid Derk Jan Spekschoor

Moeder bruid Hendrina Storkhost

Nadere informatie beroep bg.: landbouwer


 

1816 Juni 1 Huissen. Huissen wordt Nederlands gebied.


1820 Een pluk hondenhaar.

 

In 1820  speelden twee rechtszaken waarbij de de joden Samuel Hertz  de Winter en Levie Joseph Stern waren betrokken.

 

Koopman de Winter was namelijk op 30 augustus 1820 in zijn been gebeten door een “geelachtige’’ hond van Boer Frederik Groot Nibbelink, die in de buurt van Varsseveld woonde (zie kaart verderop).

 

De zonen van de boer hadden Samuel een lapje en een pluk hondenhaar gegeven om op de wond te leggen.

 

Dat nam niet weg dat Samuel zich moest laten behandelen door chirurgijn Johannes Welbrink te Ulft.

 

Vrederechter Constant Sigismund Willem Jacob van Nagell veroordeelde boer Groot Nibbelink tot een boete van f 2,37 omdat hij zijn hofhond had laten loslopen.

 

Bovendien moest de boer Samuel nog eens f 25,- smartengeld betalen en

f 20,44 voor ongemak en gemaakte onkosten betalen.

 

1614  Blad uit: Boecxken, genaemt Sinnepoppen van Roemer Visscher.


 

Lof Meulenaers acker / by Heeren poppegoedt*

 

Men mach den Diamant prysen om datse van de Heeren panlickers

(tafelschuimer bij Yorsten en voorname personen.) hoogh gheacht

wordt, als een dingh dat raer is, soo zy quaecken, 'twelck na haer oude

gewoonte onwaerachtigh is: want daer gheschiedt qualijck een

houwelijck, of de Bruyt moet een Diamant ontfanghen van haren

Bruydegom, tot een teecken van bestandighe trouwe, die met ghifte in

de plaetse van liefde gheknoopt wordt: soo datter meer Diamanten in

't landt zijn, dan Meulensteenen: Sulcx* dat men sustineren mach, dat

een Meulensteen (boven den dienste die de Ghemeente daer af

gheschiedt) veel raerder is, als een Diamant. Ende: Gheen dingh en is

prijselijck / dan dat nut is.

 

* (Lof zij de akker (d.i. de molensteen) van de rnolenaar vergeleken bij de edele gesteenten van de heeren.)

* (in die mate, zozeer dat.)


"Ik zal wal is zeen"

 

“Ik zal wal is zeen”, “dat zal ik wal is ne kaere doon”, “Menaer kon wal is geliek hebben”. De achterhoeker heeft een bepaalde opvatting van beleefdheid. Het is niet beleefd en verstandig om iemand tegen te spreken.

 

Zeker niet als het mensen zijn, die je niet kent. Dat doe je gewoon niet, zegt de boerenvoorzichtigheid.

 

Een voorzichtigheid die voortvloeit uit het heilig respect voor de “heren” die het voor het zeggen hebben.

 “Jao jao” kan gewoon “nae”betekenen. Met “wi-j zölt wal zeen” worden zaken op de lange baan geschoven.

 

En “dat kon wal is waor wezzen” klinkt ook niet erg overtuigend. Maar is het werkelijk ja, dan komt het ook voor elkaar.

Men houdt de vuile was het liefst binnenshuis en heeft een afwerende houding ten opzichte van wat als vreemd wordt beschouwd.

 

Zo ook in de buurtschappen dezelfde houding tegenover alles wat van over de IJssel komt. “Dee bunt zo rap met de mond” of “Hee kump neet van hier”. Bij getrouwden loopt vaak de man drie passen vooruit en is aan de vrouw de tweede partij toegedacht, “waor boksen (broeken) bunt, geldt gin rökke” luidt het spreekwoord.

 

Er zijn veel gedwongen huwlijken, wat niet wordt toegejuigd maar die zonder al te veel woorden worden afgedaan als een menselijk gebeuren.

 

Behalve verstandshuwelijken die gesloten worden op het principe geld hoort bij geld en grond bij grond, geldt de ongeschreven wet dat je een meisje in verwachting niet laat zitten.

 

Dat zal de omgeving niet zo gemakkelijk accepteren.  De betreffende jongeman kan het dan erg moeilijk krijgen in zijn buurt.

Komt het kind binnen korte tijd na het huwelijk dan heet het een “veurgekienden” zoals voorgekiemde aardappelen ook eerder opkomen.

 

Niettemin zijn veel huwlijken standvastig in een kalme tevredenheid met elkaar.

 

Zo gaat er het verhaal van de vrouw die boter karnde terwijl haar man op sterven lag. Toen ze de boter “groot” had, ging ze er mee naar haar man en vroeg: “Jan, wat ducht ow, he’w zo genog veur de grove?”. (begrafenis)

 


 

1 reactie Reageer op dit bericht Stuur door

Meer van FAMILIE IDING TEN BOSCH

↑ Terug naar de berichten