Naar de inhoud

VRESELIJKE VERHALEN

JORIS DENOO
akke.beakke.be

Archief

Morgana

MORGANA

01

Ze leken zo hevig op elkaar dat iedereen dacht dat het tweelingbroers waren. ‘Eeneiig’, voegden DNA-kenners en vingerafdrukspecialisten er nog aan toe. Hun vrouwelijke en mannelijke verwekker waren daar gaandeweg een beetje wanhopig over, want was de zin van het kopen van een vers kind als dat toch als die tweede druppel water op zijn voorganger leek? Dan was er toch beter in één moeite een heuse tweeling van gekomen, hupsakee, iedereen gelijk, geen onderscheid, de baarmoeder als fokkerij van spiegelbeelden, vooruit, hier heb je ze, de klonen. Rupert en Evert Van Otterghem hadden niet alleen een gelijkaardig gezicht, maar ze droegen ook op identieke wijze hun haren (een mix van kastanje- en zadelbruin) in een knot boven-achter op hun hoofd, zoals de trendy haarmode het een tijdlang voorschreef, vooral onder succesvolle atleten. Bovendien rijmden hun voornamen eigenlijk een beetje, op een doffe lettergreep afgesloten met een krachtige r gevolgd door een bescheiden doch niet te verwaarlozen t. Dat was natuurlijk de schuld van de ouders. De broers scheelden echter dertien maanden. Van eeneiigheid of tweelingschap was er dus helemaal geen sprake. Evenmin waren ze succesvolle atleten. Tafelvoetbal telde niet. Hun beider dot bruin haar achter op hun kop was er de oorzaak van dat ze bij iedereen uit hun kennissen- en vriendenkring een tijdlang bekend stonden als Rupert.dot.com en Evert.dot.com. Natuurlijk zat hun echte achternaam er ook voor iets tussen. Je heette niet ongestraft Van Otterghem. (Een enkele keer werden ze zelfs door een geïnspireerde grapjas gezamenlijk benoemd als de broers.otmail.com – de voltallige vergadering plooide dubbel van het lachen). Die vlotte knot hielden ze respectievelijk drie en vier jaar vol, tot ze twintigers waren. Daarna gingen hun koppen ieder zijns weegs: Evert slaagde er in de familiale kaalheid wat uit te stellen, kleurde zijn haren helemaal zadelbruin en liet die ook de vrije loop. Bij zijn oudere broer Rupert scheen de maan al vlugger door de bomen en hij roetsjte noodgedwongen alle schedelbeharing onbarmhartig af. Plotseling geleken de beide Van Otterghems minder op elkaar. Hun gezichten divergeerden meer en meer. Toch bleef dat dot.com nog geruime tijd een deel van hun popunaam: vlot gezegd ‘Ruperdotcom’ en ‘Everdotcom’, want die laatste t werd op z’n diefjes niet meer uitgesproken en opgeslorpt door de d.


Zo bleef Morgana Van Otterghem een aantal jaren van haar jonge leven buiten schot – in de schaduw van haar net iets oudere broers. Je kon de dans ontspringen, buiten schot blijven, in de schaduw leven of behandeld worden als een dood voorwerp slash lucht. Geen van alle bekoorde Morgana: het betrof net die jaren waar een jonge meid als zij alle aandacht wou opeisen en wereldberoemd wilde worden. De dot.commers met hun gekke antennes op hun kop vormden hierbij stoorzenders. Als het al eens interessant begon te bliksemen in haar richting, werden de flitsen omgaand afgeleid dot.uncom. Morgana pareerde echter: van zodra ze voldoende zakgeld kreeg en vakantiejobs kon doen, schoolde ze zich om tot garçonne met een charleston make-up en een kort roaring twenties kapsel met magenta en ravenzwarte dotten. De hele wereld keek even ademloos opzij toen ze aldus in het kielzog van haar broers voor het eerst op een feestje verscheen. Want ook de borsten en de benen waren er inmiddels, vlugger dan bol.com ze aan huis kon bestellen.

02

In het drukste verbindingsstraatje tussen de twee grote winkeladers van de stad nam ik in de wintervakantie een terraskoffie bij Cafeo, een mekka van mokka’s, recht tegenover schoenwinkel Her&Him. Het terras reikte tot midden het straatje, zodat amper vier meter overschoot voor de parade van wandelaars en kooplustigen in beide richtingen. In mijn verwarmde hoekje deed ik aan mensenkijken, gecamoufleerd door mijn smartphone, een zakformaat Moleskin opschrijfboekje en een Ikea potloodje waar ik af en toe zogenaamd zoet mee was.

De oogst:

- een vrouw met kind kwam vragen of ze de kaart op mijn tafeltje mocht raadplegen in verband met wafels;
- een oude bekende die ik al vijf jaar niet meer had gezien, vertelde in de tijdspanne van vijfenveertig seconden dat hij acht maanden in een coma gelegen had en dat hij weer volledig had moeten leren schrijven en spreken – het ravijn had uitnodigend gegaapt, maar (‘en dat zul jij wel begrijpen’) hart en hersenen hadden hem aan deze kant van het leven gehouden;
- een met elkaar getrouwd koppel dat ik ooit hielp verhuizen groette me uitbundig – ze liepen ieder onder een gezellige hoed;
- een synchroonzwemster met haar vriend herkende me nog nipt vooraleer ze mijn hoekje om was – ze boog weer even (verrassend soepel en elegant) achterover om een stralende blik op mijn koffie te werpen;
- een meisje nam na lange observatie een foto van een paar schoenen in de etalage van Her&Him;
- driehonderd mensen die ik niet kende (of alleen maar ooit had gezien) stapten of slenterden voorbij;
- drie ervan doken Cafeo binnen – het was koud en we zaten amper met z’n drieën op het terras, dat nochtans verwarmd was;
- het was lang wachten op de eerste hond: een spuuglelijk vuilwit krulharen mormel op kromme poten dat op enkelhoogte van zijn bazin mee dribbelde;
- er passeerde een meisje met een knot boven-achter op haar hoofd – jawel;
- … maar geen Evert, Rupert of Morgana Van Otterghem te zien…


Het alarm van een winkel verderop begon te gillen en wist van geen ophouden. Iedereen stokte even in zijn bezigheden of kwam naar buiten. Winkelhulpjes verschenen in portieken en maakten van de gelegenheid gebruik om een sigaret op te steken. Ook Morgana Van Otterghem. Ik zat godgenageld al meer dan een halfuur op het terras en had niet eens gezien dat ze in Her&Him aan het werk was, als eindejaarshulpje. Het mensenkijken (en dat camoufleren) had me volledig in beslag genomen. Fata morgana? Well hell no, tickle my tits till Friday als het niet waar is, nee: Morgana in the flesh!
Het geluk was aan mijn zijde.
‘Hei, Morgana!’ wenkte ik.
‘O!’ mimede ze verrast, waardoor ze nog meer op een verschijning uit de jaren twintig van de vorige eeuw geleek. Dat schrille gesnerp was inmiddels herleid tot enkele uithalen met intervallen van twintig seconden. Het ding was de geest aan het geven of was op zijn temmer gestoten. De straattaferelen herstelden zich. Morgana keek even om naar Her&Him, haalde haar schouders op, stak vlug een sigaret in de knalrode O onder haar opgeknipte bobkapsel en legde de vier meter die ons scheidde slalommend tussen het koppelkoopjesvolk af. Ze gaf me een nicotinezoen, die ik half uit mijn stoel oprijzend beantwoordde met een cafeïnekus.
‘Geen tijd voor een koffie wellicht?’ vroeg ik, knikkend naar de schoenwinkel.
‘Zelfs niet om je schoenen te poetsen,’ lachte ze.
‘De sirene loeide toen je naar buiten kwam.’
(Hier kreeg ik het gevoel dat ik een ace had geslagen met een kalende tennisbal).
‘Ha ha.’
‘Druk met de dagen?’
‘Meer kijkers dan kopers.’
‘Beetje crisis hé.’
‘Ffffffffffffwwwwwww… Wauw, het is behoorlijk warm hier.’
Met een langgerekte zucht blies Morgana een sliert rook de lucht in.
‘Hoe gaat het met het broederpaar?’
We bevonden ons ergens in het tweede jaar van de broederlijke dotloosheid.
‘Evert loopt stage als brouwingenieur en Rupert volgt momenteel een opleiding als barista op de Syntra-campus. Hij werkt ook in Café-O-Lé.’
‘Wauw, twee vloeibare beroepen. En jij, Morgana?’
Het alarmdinges gaf een laatste gilletje.


03

De mogelijkheden (om.mijn.verhaal.spannend.te.maken).

03.1

‘Ikea?’ wees ze vragend.
Ik knikte en stak even totaal overbodig mijn designpotloodje in de lucht.
‘Er komt er binnenkort één hier in de streek; ik heb gesolliciteerd.’
‘Een Ikea?’
‘Ja.’
‘Dat scheelt weer enkele files. Goed nieuws voor de streek. Lekkere Zweedse balletjes.’
‘Mooie werkplunjes ook. Ik ga volgende maandag op gesprek.’
‘Wat zul je er moeten doen?’
Ondertussen monsterde ik een nanoseconde lang Morgana’s outfit, hopend dat ze dat ene miljardste tijdspartikeltje even beneveld was door de nicotine – ze zag er ook deze winter weer zo appetijtelijk uit (skuus voor het woord, maar de Zweedse balletjes stuiterden nog door mijn hoofd) … Waar was ik gebleven…
‘… ineenzetten van showrooms in de zaak zelf, slaapkamers, keukens, weet je wel…’
‘O… met van die leuke winkelhaakschroevendraaiertjes.’
‘Ja.’
‘En zo’n gereedschapsgordel om je… om je heen.’
‘Je zag me al in het restaurant hé? Of aan de kassa?’
‘Maar nee. Ja. Nee. Waarom?’
‘Nou, de ex-dot.commers zitten in de liquide sector van de horeca; hun zus kiest voor het vast voedsel of de droge voeding.’
‘Ha ha!’
‘Zit je te schrijven misschien? Wat schrijf je met dat onnozel Ikea-potloodje? In dat minuscule boekje?’
‘De aanzet tot een verhaal over Morgana Van Otterghem.’
‘Ja, zal wel. Te veel eer, hoor. En lukt dat een beetje?’
‘Het alarmsignaal hielp me.’
‘Ik snap het. Maar nu rep ik me weer naar binnen. Op mijn stoute schoenen.’
‘Dat schrijf ik op!’
‘Doe dat!’

03.2

‘Oei, ze wenkt me. Ik moet weer naar binnen. Da-ag.’
Morgana knipte haar peuk weg met eenzelfde sierlijke boog als toen ze ooit in haar roze wiegje projectielbraakster was (memories!) en verliet de eilanderige warmte om weer haastig Her&Him in te duiken. Zodoende bleef ik het antwoord schuldig. Of ik kon van de veronderstelling uit gaan dat ze van deze vakantieklus inmiddels haar beroep had gemaakt. Er werden winkelmeiden bij de vleet gevraagd; het betaalde slecht en het waren ‘lange uren’. Schoenen – de halve wereld liep erop of erin. Ik oogde Morgana na en zag haar tussen de rekken en de paskuipjes één worden met de wereld van schoenlepels, hakken, zolen, schoensmeer. Ze boog voorwaar voor een klant en ging even later door de knieën. Op de Lijst Der Buigende Beroepen, aangevoerd door Voetenwasser, stond Schoenenverkoper (verdwenen variant: Schoenpoetser) op de tweede plaats. Pedicure bekleedde de derde plaats. Andere Beroepen Met Een Boogje situeerden zich hoofdzakelijk in Japan (geisha, kogelviskok, bloesemtheeschenker, kamikazepiloot, harakiribeoefenaar, seppukuspecialist). Ik schreef dit allemaal in mijn mollenvelboekje op, want ik was in de waan dat dit materiaal kon betekenen voor een roman (of minstens een verhaal) over Morgana Van Otterghem en haar beide dot.commers. Maar ik mocht niet te breed of te weids gaan. Geen nevenverhalen. Wel de mogelijkheden.


Zie: daar keerde de synchroonzwemster op haar stappen terug. Ik ontcijferde plotseling haar spiegelbeeld tussen de cursief gekalligrafeerde openingsuren op het raam van Cafeo. Zo’n tien minuten geleden was ze – met zichzelf synchroon – doorheen mijn beeld gestapt. Ze liep gearmd met Rupert Van Otterghem. Zag ik nu, me naar de straatwerkelijkheid wendend. Rewind. Fast backward.
‘Derde keer… ‘ begon het in mij op te wellen, maar gelukkig kon ik bijtijds dat idiote cliché aborteren. Dit zou geen ace zijn, maar een simpele out.
‘Rupert’,’ stelde ik in plaats daarvan vast, ‘Rupert’, want ik had hem bij de eerste passage daarnet niet herkend omdat ik me uitsluitend op Birgit – de synchroonzwemster – had gefocust. De aangesproken Rupert wuifde op dat ogenblik net naar zijn zus in Her&Him, en nu weer, zodat hij even niet reageerde op mijn dubbele constatering van zijn naam.
‘Koffie hé,’ wees Birgit meesmuilend, alsof al het andere dat voor mijn neus had kunnen staan uiterst verdachte en gevaarlijke doch sympathieke producten betrof die ik helaas niet meer durfde of kon of mocht nuttigen. Ze had er misschien graag aan toegevoegd: ‘Namiddagwatje’. Of ‘koffienerd’.
‘Hm,’ bracht ik voort. ‘I rest my case.’
In gedachten dompelde ik Birgit diep onder water.
Rupert – dotloos, pijnlijk gemillimeterd, één van de miljoenen klonen die aldus de laatste decennia Europa bevolkten – schonk nu ook zijn aandacht even aan mij, zijn waternimf een halve meter nader tot mijn tafeltje sleurend. Ik was hem echter voor: ‘Je lijkt gegroeid sedert je knotje eh… is afgeknot.’
‘Ah ja?’
Hij was even van zijn melk. De geliefden keken elkaar aan en lasten een kort proestmoment in – iets tussen henzelf.
‘Hoelang is het geleden?’ opperde Rupert.
‘Ik hoor dat je ook in de koffie zit?’ informeerde ik.
Birgit giechelde. Hij knikte niet ontkennend.
‘Morgana zeker…?‘ knikte hij vragend naar de overkant.
Ik knikte ook: ‘Ze kwam daarnet even… Zou ze daar… Werkt ze hier… ‘
‘Rupert!’ klonk het plotseling. ‘Rupert!’
Een kerel als een kathedraal waadde door het mensenzeetje met krachtige armslagen hun richting uit.
‘Danny! Verdomme, Danny!’ stootte Rupert uit.
Het verloofde paar scheidde van mij als een hond van zijn drol, terwijl Birgit zich nog vlug omdraaide en met een spijtmondje haar schouders ophaalde. Mijn verhaal over Morgana Van Otterghem stokte even.

03.3


Morgana Van Otterghem was plotseling weer naar haar werkzaamheden in Her&Him verdwenen. Zodoende had ik geen antwoord op mijn vraag gekregen. Het laatste opstootje van het alarmsignaal had de mensenstroom nog even doen opkijken en stremmen, hun neuzen in de lucht. Ik trommelde wat Led Zeppelin op mijn opschrijfboekje. Gebarend tussen de schuine openingsuren van Cafeo door bestelde ik een tweede koffie – het tearoommeisje bij de kassa had me vrijwel onmiddellijk perfect begrepen, want ze weerspiegelde bevestigend en knikkend mijn act met geheven pink. Heerlijk kind. Een ogenschijnlijk baasloze stadshond kwam voorbij, het voetenwerk van tegenliggers meesterlijk als een Messi dribbelend. Ik opende mijn opschrijfboekje weer en staarde een tijdlang naar een vers blanco bladspiegeltje – even ontwennen van de drukte en de kleuren en de bewegingen van de stroom voorbijgangers die de smalle straat een winterse opstoot van vital flux en reflux gaven. Weer opkijkend kreeg ik een panorama op een zonnebankbruin reepje buik: Pinkje bracht me de biskoffie. Met uitzondering van dat strookje blote hemel was de rest van haar adembenemende lichaam zo ingepakt dat gedachten aan choreografie of op z’n minst dans niet veraf waren. Een barmeid met een missie, misschien. Dit lijf was pijnlijk perfect uitgelijnd, afgetraind, opgeloefd.
‘Voila, alstu.’
‘Dank je.’
Onbereikbaar.
Ons spiegeltoneelstukje van daarnet moest volstaan.

Maar ze verdween niet onmiddellijk weer naar binnen. Ze begon verdorie te wuiven… naar Morgana. Het buikreepje kon blijkbaar best tegen een winterprikje. Hoewel hier onder het baldakijn een subtropisch microklimaat heerste. Ik volgde de pantomimische communicatie als een toeschouwer bij een tennismatch. Vanuit Her&Him leek een ace aan te komen, want Pinkje koos even voor een lichte spreidstand. Nu ging ze op de tippen van haar tenen staan en dirigeerde ze over de voorbij deinende hoofden heen met beide handen haar weerwerk naar de voetenschoenenwinkel toe. Daardoor werd de blote buikstrook nog wat breder. Door de drukte kon ik slechts af en toe een glimp van tegenpartij Morgana opvangen. Ik zag haar nee schudden – haar armen werden even als een marionet opgetild. Weer passeerde een dikke gulp slenteraars. Pinkje hupte nu warempel met een gek sprongetje nog even de lucht in voor een besluitend backhandje, waarna ze haar roze truitje weer over haar navelstrook trok en naar binnen ging. Einde mime, pantomime en choreografie.
Pinkje?
Ik hoopte dat ze minstens Esmeralda heette. Of Geraldine. Toch enkele lettergrepen lang. In verband met mijn verhaal over Morgana Van Otterghem. Die moest haar gelijken kennen. Ik sloeg mijn boekje nog eens open en schreef op: Naam? Onmiddellijk daarna vulde ik Pinkje in. Maar natuurlijk: de pink, het truitje! Nou nog even knorren, Pinkje. Alstu?

Mijn koffie was inmiddels lauw geworden. Het werd drukker in het verbindingsstraatje. Als ieder mens op de wereld inderdaad minstens zes dubbelgangers had, dacht ik, – de mensheid kon niet immer voort nieuwe modellen produceren – dan moest het er toch inzitten dat iemand hier zijn vleselijke gelijke trof? Eeneiige meerlingen uitgesloten? Dubbele waakzaamheid was geboden.

03.4

Vijftien minuten nadat Morgana verdwenen was, doemde Evert voor mij op. Hij schoof de andere stoel aan mijn tafeltje achteruit en plompte er zich onmiddellijk op neer, een klis zadelbruin haar naar achteren zwierend. Gespeeld verbaasd mijn kopje monsterend zei hij: ‘Koffie?’
Ik bekende knikkend.
‘Uitgerekend jij hier, Evert,’ wedervoer ik. ‘Wist je dat je zus… ‘
‘Schoenen,’ onderbrak hij ongeduldig, even naar de overkant wijzend. ‘Ja.’
‘Drink je wat?’ vroeg ik. ‘Gerstenat?’
‘Je kunt het rijmen niet laten hé, dichter.’
Evert klopte even op mijn notitieboekje met een sigaret.
‘Sigaret?’
‘Nee, meestal rook ik niet.’
‘Eh… ook een koffie, waarom niet. Kom je hier vaak? Pff… het is hier… heet.’
‘Bah, het is misschien de derde keer. En wat heet heet hé, ha ha. Ik wenk Pinkje even. Ze is vlug van begrip.’
‘Wie?’
‘Pinkje. Het roze tearoommeisje hier.’
Ik maakte het kopje slash pinkgebaartje.
‘Roze?’
‘Ze draagt een roze truitje. Althans: voor een stuk.’
‘Pinkje?’ herhaalde Evert ernstig. ‘Noem je haar Pinkje? Je meent het!’
‘Ik beeld mijn bestelling uit en zij bootst die perfect na – kijk maar.’
Ik rees half uit mijn stoel en wuifde zolang tot ik andermaal haar aandacht kreeg. Daarna volgden mijn geheven linkerwijsvinger en mijn kopjesgebaar annex gestrekte rechterpink. Ze knikte.
‘Zie je wel: we pinken perfect.’
‘Hoe weet ze dat het koffie moet zijn en geen thee?’
‘Het voorgaande was ook koffie. Slim van haar hé? Voor een barmeid… ’
‘Zeg… Wat zei je daar… Een roze truitje… voor een stuk?‘
‘Laten we zeggen dat Pinkje een roze strookje blootgeeft. Een buikreepje. Altijd aardig voor de klant.’
Evert stak eindelijk die sigaret op.
‘Weet zij dat je haar Pinkje noemt?’
‘Nee.’
‘O, ja: je komt hier niet zo vaak hé. De derde keer hé.’
‘Ongeveer.’
Evert strekte zijn rug en nek in een poging om Morgana te ontwaren. Omdat dit geen resultaat opleverde, gluurde hij, achteroverleunend met stoel en al, binnen in Cafeo.
‘Is het lieve kind al in actie geschoten of staat ze weer te tateren?’ informeerde ik.
Met een harde bons kwam Evert weer op zijn vier poten terecht.
‘Weer aan het schrijven?’ vroeg hij snauwerig, mijn vraag negerend. Hij knikte naar mijn notitieboekje. Ik greep naar mijn boekje en bladerde tot ik vond wat ik zocht.
‘Kijk!’
Ik hield het ding opengevouwen voor zijn neus.
‘Naam? Pinkje,’ articuleerde Evert hardop.
‘Goed zo: kopje – blote buikje – staartje, ha ha.’
Evert graaide met een vlugge klauwbeweging het boekje uit mijn hand, scheurde er het blaadje uit en maakte er een prop van.
‘Héla! Wat… ‘
Toen verscheen Pinkje.
‘Je thee, schatje.’ Ze pootte een glas thee voor hem neer, boog zich naar hem toe en gaf hem een langgerekte zoen die aan duidelijkheid niks te wensen overliet. Haar blonde extensions klaterden hierbij als een waterval tot in zijn kruis. Terwijl zijn gezicht even onzichtbaar voor mij werd, zag ik hoe hij met zijn linkerhand de prop met een fikse knikkerstoot weg katapulteerde tussen de voeten van de voorbijgangers. Een blindganger.


Wat doet men als men geconfronteerd wordt met een filmkus vlak in zijn vizier? Na een korte combinatie van gruwelen, huiveren en kokhalzen kijkt men weg. Ik had extra redenen om dat te doen. Mijn notitieboekje lag omgekeerd open gespreid en verkracht boven de asbak. Er kwam rook van onder uit, want Evert had zich daarnet even van zijn sigaret ontdaan om tot actie over te gaan. Ik redde wat er nog te redden viel. Walgend van mezelf en van hun smakkende liefde wendde ik daarna mijn hoofd naar rechts. Tussen de parade door zag ik ze. Morgana stond onbeweeglijk als een paspop in de etalage van de vrouwenhakken. Toen ze aanstalten maakte om te gaan hurken, belette een lillend peloton van volslank mensenvlees me verder zicht op de zaken, in hun slepende vaart dat Pinkje-propje meesleurend en vertrappend onder hun reusachtige zolen.
‘Ze heet Geraldine,’ zei Evert, nadat hij van haar lichaam bevrijd was en ze weer naar binnen was gegaan. Een dodelijke mededeling.
‘Mooie naam.’
Ik peilde even het gehalte aan boosheid in zijn ogen.
‘Te lang voor dat korte potloodje en dat kleine boekje.’
Hij boog zich voorover, slurpte balorig de oppervlaktespanning van zijn thee weg, stond net zo bruusk op als hij neergeploft was en verdween.

03.5

Een eind verderop, vlak voor de prachtige ouderwetse lederwinkel De Haen, maakte een Eenmansleger des Onheils zich klaar om middels enige versterkende apparatuur en gitaar de winterse vrolijkheid in het straatje te upgraden en gelijk wat inkomen te scoren. De busker was gehuld in een broek met een rode en een zwarte pijp. Tevens torste hij groot haar, dat hij achter op zijn hoofd verzamelde in een gigantische dot. Voorwaar: dit was de dot der dotten. Ik bekleedde toevallig de perfecte zitplaats om hem aan het werk te zien. Het orgelpunt van zijn voorbereidingen betrof een blikken koekendoos die hij open wrikte en op de grond deponeerde. Toen konden de evergreens beginnen. Dylan, The Beatles. Zijn optreden veroorzaakte nu uitstulpingen in de gestage stroom slenteraars. Soms obstructies. De trage vaart der volken stremde wat meer, gelokt door muziek. Het straatje kon deze verse aanslibbing nog net slikken.


Ik greep naar mijn boekje en mijn potloodje en schreef op:

Serenade voor Morgana

Stoute schoenen trok ik aan,
om tot bij Morgana te gaan.

De straatmuzikant gaf ‘m van jetje. Pas wanneer een eerste gulle hand iets in zijn blikken doos gooide, begonnen twee, drie anderen ook hun zakken af te tasten.
Plotseling weerklonk een krakende donderklap.
Het reepje lucht dat nog net boven de paraplu’s en de baldakijnen in het smalle straatje zichtbaar was, zag muisgrijs. Daarnet was dat nog vaag blauw geweest, als wintermelk.
‘Het einde der tijden is nabij,’ mompelde ik. ‘Een straatmuzikant, een donderslag bij heldere hemel in het holst van de winter: aanschouw de tekenen.’
Er ontstonden nu grotere hiaten in de stoet van voorbijgangers. De onverwachte donderklap had bressen geslagen. Daardoor kreeg ik een betere inkijk in Her&Him.
Schoenen gaapten me aan. Schoenen geeuwden uit verveling. Schoenen schaterlachten. Schoenen schreeuwden. Handschoenen ontbraken.
‘Waarom ook geen handschoenen?’ vroeg ik me af. ‘Gaan handschoenen dan liever samen met handtassen?’
Ik was al langer belust op bleekbruine fijne leren handschoenen waarmee ik met een elegant gebaar het stuur van mijn Lamborghini zou bedienen. Niet dus van die groteske ondingen die de kou moesten bestrijden, maar van die dure velletjes die de hitte (nou: palmzweet) beletten en als een tweede huid om je tengels gegoten zaten.

Ik checkte mijn smartphone, nam een laatste slokje koude koffie, betaalde binnen bij Rozemieke mijn rekening en ging dan in de portiek van Her&Him preventief schuilen voor die nakende onweersbui, terwijl ik zijdelings de herenetalage monsterde. Misschien verkochten ze handschoenen een eindje verderop bij lederwaren De Haen. Ik gluurde even die richting uit; de busker had al zijn biezen gepakt. Ik monsterde het zwerk. Er volgde echter geen tweede klap, er klonk alleen vaag gerommel, terwijl wat fletse flitsen zonder veel kabaal vergeefs het muizengrijs probeerden te doorklieven. Loos alarm. Het werk van een zondagsschilder op zaterdag.

Toen tikte iemand me op de schouder. Ik draaide me om. Het was Morgana Van Otterghem.
‘Wat zat je daarnet te schrijven?’ vroeg ze, met een knik naar de overkant.
‘Shit,’ zei ik, snel mijn zakken aftastend. ‘Mijn boekje ligt nog… ‘
Ik keek naar het tafeltje in de hoek. Daar lag alleen nog de driedubbel gevouwen kaart met de prijslijst, een asbak erbovenop tegen de stadsbries die nu door het straatje woei.
‘Verdorie… ‘
Het begon nu toch harder te waaien. Een stel identieke reclamewimpels op de hoek van het straatje maakte plotseling flappende geluiden.
‘Iets belangrijks? In geheimschrift? Codetaal? Een tekening? Van mij? Een gedicht? Over mij?’
‘Hoe weet je… Dat zou… Eh… ‘
‘Had ik het niet gedacht!’
‘Maar… ‘
‘Ik wist het!’
‘Eh… ‘
‘Ik zag het wel!’
‘Het is niet… ‘
Ze trok me bij mijn arm de schoenwinkel in toen de totaal onverwachte plensbui losbarstte. Hevig gedruis, geroffel en geplets veegden het straatje schoon.


04

En nu de waarheid. En niets anders dan de waarheid.

Als licht onder een hoek op een scheidingsvlak van twee optisch verschillende materialen valt, zal een deel van het licht op het oppervlak weerkaatsen, waarbij de verhoudingen worden gegeven door de Fresnelvergelijkingen. Is de invalshoek (de hoek tussen de normale en de invallende lichtstraal) kleiner dan de grenshoek, dan gaat een deel van het licht door het vlak heen. Hierbij treedt breking op, de hoek van inval θi is niet gelijk aan de hoek van uittreding θu. Deze laatste kan nooit groter zijn dan 90° en daarom is er ook een maximum invalshoek, de grenshoek g, waarin n i en n u de respectieve brekingsindices zijn. Is de invalshoek groter dan treedt er totale reflectie op. De brekingsindex van lucht met temperatuur (°C) en druk (Pa) is duidelijk in een formule, waarin de brekingsindex van lucht van 15 °C en 1013,25 Pa met 0,045 % CO2 is.

Dat kan veel fictie en fantasie verklaren.

Het was zo’n middelgroot formaat Moleskine boekje (Quality Control nummer G00797S) dat Bruce Chatwin en Ernest Hemingway ook hadden gebruikt. Samen met het Ikea potloodje vormde dit mijn shabby chique schrijfset. De eerste twee stukken uit mijn verhaal over Morgana Van Otterghem prijkten op de beginbladen, met veel doorhalingen en gereconstrueerde zinnen. Toen ik van mijn koffie opkeek, zag ik een stuk van een winterse regenboog boven het straatje. Waarschijnlijk dacht iedereen in de stad nu dat die geluk betekende. Ik schudde de rommel uit mijn hoofd, nam een laatste slokje sherry en stak over naar Shoe-Shine in verband met de dringende aankoop van een nieuw paar schoenen.


JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 00:00 Stuur door

Brainwashed

BRAINWASHED

(HOGE CULTUUR)

 

De professoren zijn allemaal onder eenzelfde hoedje te vangen. Eender welke tak van de wetenschap stapt onder een vierkantig hoofddeksel waar nog iets feestelijks aan probeert te bungelen. Even genereert dat een kermisgevoel tijdens dit mooie na-zomertje. De kleuren van de gewaden zijn gevaarlijk: zwart en rood. De wetenschappen zijn dat ook, want kennis is macht. De brillenglazen en trouwringen flikkeren waarschuwend in het indiansummerzonnetje. De stoet der breinen schrijdt van het stadhuis naar de feestzaal, alwaar de geleerden eerst naar de broodjes met krabsla zullen graaien en pas daarna naar de broodjes met ham en kaas.

Er stapt een wonderkind mee op, dat veertien talen kent en in zeven ervan perfect kan zwijgen. Op zestienjarige leeftijd doctoreerde het met een proefschrift betreffende de rol van de huig in de Igrecse Talengroep tijdens de Vroege Middeleeuwen. De wonderboy, die dankzij zijn verbale helderheid nooit een herhaling of een voetnoot nodig heeft, bekleedt thans een leerstoel Proto-Vogel- en Gevorderde Dierentaal aan de Rijksuniversiteit.

Wanneer de professorenstoet bijna het plein heeft bereikt waar de feestzaal zich bevindt, incasseert wonderprof Daan (*) een uitgebreide liquide kakbom van een overvliegende reiger op zijn vierkantige wetenschapsklak-met-bengelstengel.

Ontdaan verlaat hij de stoet.    

Voetnoot

(*) Stom van mij om niet eerder zijn naam te vermelden. Daan.

 

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:29 Stuur door

Art Old Skool

ART OLD SKOOL

 

Anna, het opperbesje van wzc Het Hiervoormaals stampte boos met haar looprekje op de vloer. Er naderde een tegenligger, maar de gang was hier te smal voor twee steunvoertuigjes tegelijk. ‘Erop of eronder,’ mompelde ze strijdlustig. Dat was echter buiten de waard gerekend. Achiel, de naderende krasse knar gaf plotseling vol gas, hevig wringend aan zijn handvatten, brommende geluiden producerend, steeds hoger in de versnelling. ‘Eens zien wie hier de baas is,’ siste hij vlak voor de grote schok. De frontale botsing veroorzaakte een ongeziene kunstzinnige verstrengeling van materialen. Na de teraardebestelling van de beide wegpiraten werd het kunstwerk permanent tentoongesteld op het gazon voor wzc Het Hiervoormaals. Het kreeg de naam Mobiel, maar de bewoners noemden het spottend Achiel Achtwiel, en het gazon Botswanna.


JORIS DENOO 

Geschreven door Joris Denoo om 09:16 Stuur door

God van de kruimels

GOD VAN DE KRUIMELS

 

Ik hou hem al lange tijd in de gaten. Misschien levert hij mij de stof voor een nieuw verhaal. Ik ben daar hard aan toe. Het is een ietwat gebogen maar toch kwiek bewegend mannetje met een grijzende baard, waardoor hij het midden houdt tussen clochard en gepensioneerde professor, ook al omdat hij elke ochtend in het buffet van het station opduikt en er daarna vele uren doorbrengt. ’s Ochtends bestelt hij de goedkoopste mogelijkheden uit het ruime aanbod van broodjes en koffie. Als die vrij is, kiest hij zijn vaste plek in de hoek. Hij spreidt er elke dag zijn schrift met ruitjesbladen open, waarin formules en teksten staan - zelfgeschreven. Daarna, jonglerend met een balpen, begint hij eindeloos te denken, te schrappen, aan te vullen, te schrijven, zonder op te kijken. Hij geeft zichzelf les. Hij gedraagt zich niet raar of vreemd. Hij spreekt niemand aan. Hij valt niet op. Hij mompelt niet hardop. Hij stoort niet. Als je zo’n vaste klant bent, valt het op wanneer je eens niet op je vaste hoekplek zit, maar ergens in het midden. Zijn verschijning getuigt niet van rijkdom, noch van armoede. Maar beide zouden kunnen. Hij kan ergens zowel een huis als een bank in een park als een kartonnen doos als vaste stek hebben. Ik noem hem de God van de Kruimels in deze Panos – het paradijs van de snelle happen en de cafeïne, voorheen een klassiek stationsbuffet met twee soorten pistolets en één mogelijkheid koffie, thans een schakel in een grote voedselketen.

De God van de Kruimels kan vele gedaantes aannemen.

Hij kan een vrek zijn, die op openbare plekken gaat zitten om gas, elektriciteit en water te besparen.

Hij kan een seriemoordenaar zijn, die vindt dat hij als gezochte het best in de anonimiteit van de dagelijkse samenscholingen op kan gaan.

Hij kan een undercoveragent zijn, die in dit station hardnekkig een spoor volgt dat na jarenlang volhouden leidt tot de ontmanteling van iets ergs.

Hij kan een schrijver zijn, voor de zoveelste keer geweigerd door een uitgever.

Hij kan een fantast zijn, die droomt van een Nobelprijs voor natuurwetenschappen. Of literatuur.

Hij kan…

Plotseling wenkt hij me. Ik schrik me een bult. Het is Goede Vrijdag voor de katholieken. Toch een rare dag. Vannamiddag moet het 15 uur worden, ofte 3 uur, zijnde het Bijbelse negende uur. Bloed, spijkers, houtsplinters. Wat een geloof. Ze willen dan de wereld stil doen vallen. Ik voel vervolgens woede in mij opborrelen – mij heb je niet, kereltje, Petrus, Judas, Jezus, of hoe je ook mag heten. De ochtendzon valt op zijn ruitjesschrift met de formules en de letters – zijn apocriefe Bijbel. Er zwerven geen kruimels rond, hoewel ik hem de God van de Kruimels noem. Hij wenkt geen tweede keer en buigt zich weer over zijn dagelijks meesterwerk. Ik blijf even staan met mijn coffee-to-go, op drie meter van zijn tafeltje. Heeft hij nu werkelijk… ? Plotseling kijkt hij weer op. Ik schrik weer. Ja dus: met een duidelijke hoofdknik nodigt hij me uit om naderbij te komen. Ik fabriceer een vragende blik. Nu gebiedt hij me met het gekromde wijsvingergebaar van een oude schoolmeester tot bij hem te komen. Ik stap, ietwat onwillig, tot bij zijn tafeltje. De gebiedende vinger wijst nu op het opengeslagen blad in zijn schrift. Ik buig me wat om een duidelijker beeld te krijgen. De vinger onderstreept langzaam het in hoofdletters geschreven woord STALKER.

Sedert die Goede Vrijdag heb ik nooit meer iets geschreven. Tot nu. Ik ben een kruimeldief. Ik heb God gezien in een van zijn vele gedaantes.


JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 16:43 Stuur door

Waardigheid

DE WAARDIGHEID VAN HET BEROEP

 

Marc Vansteendoorne was een kampioen in liegen en bedriegen. Dus maakte hij daar zijn beroep van, na het dubbele van de normale studeertijd aan de universiteit doorgebracht te hebben, wat hem de bijnaam Bismarck opleverde. Allerlei tuig van de richel, rare snuiters en excentrieke meninghebbers maakten nu hun opwachting bij hem. ‘Verdediging’ was bij Marc – Bismarck geen ijdel woord: hij woog 117 kilogram en sprak elk woord gedragen uit, alsof het een truffel betrof die hij aan het proeven was. Een dergelijke verschansing maakte indruk. Dat recht geschiede!

Op zekere dag meldde Ygerik Dheedene zich bij Marc Vansteendoorne aan. Na de verplichte voorhechtenis in de wachtkamer – eigen aan de waardigheid van het beroep – kon die eindelijk zijn verhaal doen. Nadat dit gebeurd was, bleef Marc hem lange tijd met zijn bolle ogen verbaasd aanstaren. Dan zei hij: ‘Je hebt gelijk, Ygerik. Overschotten van gelijk.’

‘Hebben we een zaak, meester?’
‘We hebben een zaak.’
‘Oef, eindelijk.’
‘Je bent de tolk van duizenden mensen.’
‘Maar wie klagen we aan?’
‘De goeroes van de verpakkingen. De goden van de dispensers. De bazen van de bijsluiters. De profeten van de soepkommen. We vinden ze wel.’
‘De Bonnenman (*) haalt ook vaak zijn slag thuis hé.’
‘Voila. Misschien word jij, Ygerik Dheedene, de Robin Hood van de verpakkingen en aanverwanten. Wij zijn… Jij bent een pionier.’

Waarover ging de zaak-YD?

Je zou kunnen stellen dat het een soort collateral damage of randschade betrof, waarbij de hoofdzaak kans liep mee betrokken te raken. Ygerik Dheedene had vier gevallen beschreven ten kantore van meester Marc Vansteendoorne.

1. De dopjes op de parfumflesjes waren in dusdanige kleuren dat het spuitgaatje met het blote oog vrijwel onzichtbaar bleef. Daardoor spoot men vaak in het wilde weg en verspilde men extra inhoud, waardoor men weer vlugger een nieuw flesje moest aankopen. Een vuile commerciële truc.

2. Vele verpakkingen waren zonder extra werktuigen niet open te krijgen. Sommige omhulsels waren zelfs om het product heen gesmolten. Mensen kregen het zo op de heupen daardoor dat ze soms in een opwelling van woede en onmacht het aangekochte product vernielden. Ergernis.

3. De fameuze soepkommetjes met de leeuwenkopjes als handgrepen wekten al decennialang de ergernis van restaurantbezoekers. Niet alleen waren die ‘oren’ onfunctioneel – je had er geen greep aan en je verbrandde gelijk je vingers –, maar de smallere hals en voet van die dikbuikige soepkommetjes beletten ook vlotte consumptie van de inhoud. De gewenste inhoud van je lepel bereikte nooit je mond. Frustratie.

4. Sommige bijsluiters vormden een heus boek, waarin het bovendien vaak zoeken was naar correcte uitleg in de moedertaal. Vooral bij elektronica en computers hoorden complete romans. Je moest al een dag vrijaf nemen om die ook maar gelezen te krijgen. Balen.

Diezelfde avond daalde twijfel over meester Vansteendoorne neer. Strookte dit wel allemaal met de waardigheid van zijn beroep? Kon uit dit vreemde juridisch gevecht een soort tweede Bonnenman tevoorschijn treden? Met ‘het vrouwtje’ durfde hij daarover niet te overleggen; ze zou – zeker weten – het project voortijdig veroordelen als onnozel en bijzetten in zijn collectie Dwaze Zaken. ‘Het vrouwtje’ Lucrèce was 30 kilogram geleden op latere leeftijd nog met Bismarck getrouwd, die zelf door allerlei vertragende omstandigheden veel later dan de meeste van zijn generatiegenoten aan zijn werkelijke leven was begonnen.

Parfum
Plastic.
Soep.
Bijsluiters.

Meester Marc Vansteendoorne begaf zich grommend naar het drankenkabinet in zijn kantoor. Whisky kon hem wat verlichting schenken. De kust was veilig: Lucrèce lag tv te staren in de woonkamer. Hij reikte naar de fles Dalwhinnie en stelde binnensmonds vloekend vast dat de antidiefstaldop op de flessenhals niet verwijderd was. Aan de kassa in het warenhuis werd dat er met een speciaal mechaniekje afgeschroefd. De caissière had er blijkbaar niet op gelet; het vrouwtje had het natuurlijk vergeten te vragen. Godver. Meester Marc ging zitten met de fles whisky tussen zijn billen geklemd. 117 kilogram mensenmassa was echter niet opgewassen tegen zo’n dop. Het ding gaf geen kik en bewoog voor geen millimeter. Dan maar plan B. Marc graaide in zijn lades naar achtereenvolgens een schaar, een notenkraker en een schroevendraaier, waarmee hij afwisselend de dop te lijf ging. Sakkerend en vloekend verwondde hij aldus een wijsvinger, een handpalm en zijn waardige bleekgrijze krijtstreepjesbroek. Een gewaagd plan C kreeg vorm in het rood aangelopen hoofd van de meester. Hij kon het dopprobleem omzeilen door de hals van de fles er gewoon af te slaan. Er zat niets anders op. Een keukenhanddoek of zo kon hem beschermen.

‘Even een glaasje granaatappelsap’, deelde Marc eloquent mee, zonder vervoegd werkwoord, terwijl hij door de gang langsheen de openstaande deuren van de living naar de keuken liep. ‘Iets leuks op tv?’
Per ongeluk wees Lucrèce met het zaptoestel pal naar hem, alsof ze hem af wou slanken of meteen helemaal weg wou beamen:
‘Och, overgewicht, koolhydraten, calorieën, niets belangrijks.’
‘Aha.’
Hij dook in de koelkast en zette het tetra pak granaatappelsap even aan zijn mond. Even later was hij weer op weg naar zijn kantoor, een keukenhanddoek
in zijn broekzak gepropt, de broekzak die voor haar bij hernieuwde passage onzichtbaar aan zijn buitenkant zat. De waardigheid van het beroep kreeg hier een flinke omgekeerde deuk. Bobbel buitenboord. Alle hens aan dek. Gelukkig waren er geen getuigen.
‘Granaat, gezond. Tot zo!’
‘Mm.’

In het waardige vacuüm van zijn kantoor trof meester Marc de nodige voorzieningen teneinde de koppige fles whisky te onthoofden. Hij improviseerde een soort schavot boven op zijn bureaumeubel. De handdoek wikkelde hij als een verzachtende omstandigheid om hoofd en hals van de fles. Het edele vocht werd vervolgens in zijn omhulsel neergelegd over de rand, kopje vooruit, voor zijn laatste reis, systeem guillotine.  Een laatste beslissing drong zich nu op: wring ik het ding gewoon de nek om of laat ik een zwaar voorwerp hamergewijs neerdalen? Meester Vansteendoorne scande even zijn kantoor, op zoek naar een voorwerp dat een hamer benaderde. Advocaten hadden gewoonlijk geen hamers binnen hun handbereik, tenzij ze voor de maffia werkten. Er kwam werkelijk niks in aanmerking. Dan maar de Encyclopaedia Britannica, deel 1. Een knoert van een boekdeel. Lang geleden dat hij daar nog in gebladerd had.

Meester Bismarck steunde met één hand plus de helft van zijn lichaamsgewicht op de buik van het gouden zuiltje geluk. In zijn ‘goeie’ hand rees en daalde A tot C van de wereldbekende Encyclopaedia Britannica.

KRAK!!

WHOEAAHH!!

Brullend wipte meester Vansteendoorne achterover, zijn handen voor zijn gezicht slaand. Een hagelslag van glasscherfjes boorde zich in zijn gezicht en zijn ogen. De onthoofde fles kukelde nog verder splinterend op de grond, de encyclopedie en de afgekraakte flessenhals-met-dop achterna. In een walm van whisky zakte Marc kreunend door zijn knieën. In de living rees het vrouwtje verschrikt uit haar sofa.

(*) Bonnenman

Norbert Verswijver(°1948), bijnaam Bonnenman, is een Belgische persoon die onder veel publieke belangstelling tracht bepaalde marketingtechnieken aan te klagen. Hij zoekt hiervoor fouten of misleidingen in de reclame en promoties. Hij schenkt de hierdoor verkregen goederen aan goede doelen en noemt zichzelf de Robin Hood van de food en de non-food.

JORIS DENOO/SJORS DNO

Geschreven door Joris Denoo om 10:40 Stuur door

De avonden

DE AVONDEN

(Een winterverhaal)

Ik schreef dit extra slothoofdstuk in opdracht van het Vlaamse tijdschrift Dietsche Warande & Belfort en het Nederlandse tijdschrift Parmentier anno 06. Ook in die periode overleed de auteur Gerard Reve. Enkele andere auteurs bezorgden enkele andere klassiekers uit de Nederlandstalige literatuur eveneens zo’n extra hoofdstuk. In ‘Deleted Scenes’ van DW&B en Parmentier kunt u die vinden.

Er was al wat licht – eigenlijk eerder een nukkig onvolledig duister – toen in de late morgen van woensdag de eerste januari 1947 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, wederom ontwaakte. Het tergende getik van een tak van een beukenboom tegen zijn raam was de oorzaak.
‘Juicht. Zingt. We beginnen waar we geëindigd zijn,’ mompelde hij. ‘Looft de Heer. Het woeden van de wereld neemt andermaal een aanvang. Hoor ik daar het vrolijke gebeier van klokken? Deel in de vreugd’.

Spoedig raakte hij weer in een sluimering, ondanks dat takkengedoe.
Een man in een mariablauwe priesterjurk trad hoog op een kansel en verschafte de nodige uitleg. ‘Men vouwe de staart van het gewaad dusdanig,’ sprak hij, ‘dat men als het ware kwispelend zingt, zonder zelf gekwispeld te worden.’ Door de hoogte van het spreekgestoelte leek hij bespottelijk klein. Hij had een marmottenkopje. Frits zag scherp toe op de spreker. Waar had deze voorganger het over?
‘… want voorwaar dient de hond slimmer te zijn dan zijn staart, anders zou de staart inderdaad met de hond kwispelen en zoiets kan … ‘

Met een rukje schoot Frits wakker. Weer dat ellendige getik. Hij tuurde naar zijn lichtgevende horloge aan de spijker: halftien.
‘Voorwaar, er zijn nog zekerheden in dit leven. Een welbestede dag – dit wordt geen bedorven nieuwjaarsdag, ook al beleven we een woensdag. Niet langer dan een halfuur blijven liggen,’ dacht hij. Hij bewoog het lichaam schokkend, sloeg zijn knieën tegen elkaar, maar belandde in een volgende sluimering. Geen tweede droom bezocht hem, zo leek het. Alleen vroeg hij zich af of men al slapende kon autorijden, met een man aan het stuur die een marmottenkopje had – aan diens rechterkant signaleerde een diepe inham vergevorderde haaruitval. Had hij maar voor zich moeten blijven kijken, in verband met snelheid en veiligheid.
‘Opgelet, het vreugdevuurwerk mag dit jaar een hoogte van tien meter niet overschrijden,’ deelde de man mee.
Plotseling zat Frits zelf aan het stuur. Hoe kon men…

Pas om veertien over tien ontwaakte hij, toen zijn moeder de deur opende en zei: ‘Ik ga de eieren koken, muis. Zou je niet opstaan? Frits?’
‘Ik laat haar driemaal mijn naam zeggen, de lieve goede’ dacht Frits.
Hij bewoog geen vin.
‘Frits?’
Nog eenmaal.
‘Frits?!’
‘Moeder?’
‘Heb je goed geslapen?’
‘Ik weet het niet, moeder, want ik heb geslapen. Hoe kan ik daar nou op antwoorden?’
‘Zou je niet opstaan?’
‘Ja, lieve goede,’ mompelde Frits.
Hoe kwam het dat hij weer zo slecht geslapen had?
‘Ik weet dat niet,’ dacht hij. ‘Want misschien heb ik geslapen. Hoe kan ik dat nou weten? Toch hield die verdomde boomtak me… ‘
Woede tegen de benedenburen steeg in hem op. Het was hun tuin en hun boom.
‘Er was eens een neger,’ sprak Frits tegen zichzelf, zich half oprichtend, ‘die des ochtends ontwaakte. Toen hij merkte dat het nog donker was, ging hij maar weer liggen. Eieren. Haar goedheid is groot’.

In de woonkamer zat reeds de mannelijke ouder. ‘Er is een Josje in Apeldoorn en er is een Josje in Alkmaar…‘ zeurde een stem op de radio, ‘… en laten die twee nou net vandaag jarig zijn en…‘
‘Dag vader,’ groette Frits zijn verwekker. Het voelde aan alsof hij vanuit de dieptes van zijn luchtpijp door middel van een hijskraan een rochel opriep – deze begroeting, matineus van aard, bereikte de linkeroorschelp van de man, reeds geschoren en gereinigd.
‘Een zalige deelneming aan het kerstgebeuren wenste ik u al, ik wens u heden andermaal, in dit scherpe daglicht, een voorlopig Nieuwjaar,’ zei Frits harder, terwijl hij even op de linkervoorarm van zijn vader tikte.
‘Dag jongen. Een voorspoedig Nieuwjaar.’
De voorarm bewoog zich even, op weg naar een handdruk, die nimmer plaatsvond, want door de schuifdeuren verscheen zijn moeder.
‘Moeder!’ riep Frits uit. ‘Een goed jaar, moeder!’
‘Dag muis, een voorspoedig jaar,’ zei moeder, ze nam zijn hoofd in beide handen en raakte het even met beide lippen aan.
‘Ik heb de afstand tussen schuifdeuren, tafel en linkerarm des vaders verkeerd ingeschat,’ dacht Frits. ‘Men beweegt zich op deze eerste dag van het nieuwe jaar terdege aangesproken. Weldra heerst werkloosheid in de rangen van het Leger des Onheils.’
‘Hardgekookt, is dat goed?’ sprak zijn moeder. Ze nam een ei uit de schaal op tafel en legde dat op het bord van Frits.
‘De kansen op het welslagen van deze dag worden geringer,’ dacht Frits. ‘Sta ons bij.’
‘Goed geslapen, jongen?’ informeerde zijn vader.
‘Nu scherp toezien,’ dacht Frits. ‘Ik deel hem het volgende mede.’
‘Het is maar,’ antwoordde hij, ‘dat men dat niet kan weten. Ik bedoel: stel dat men goed heeft geslapen, hoe kan men dan des ochtends weten of men inderdaad goed heeft geslapen? Men heeft immers geslapen. Kan men getuige zijn van zijn eigen slaap? Anderzijds is er ook: de boom. Ik wil het met u, geachte toehoorders, over de boom hebben. Luistert allen aandachtig.’
Zijn vader peuterde met een potlood in zijn linkeroor.
‘Deze mededeling dringt niet door,’ dacht Frits, ‘ook niet op deze allereerste verse dag van een nieuw jaar. Noch in het linkeroor, noch in het rechteroor, noch in beide samen, ook nog genoemd: het gehoor. Het is een talent. Komt er alsnog uitsluitsel?’
‘Een goede nachtrust is belangrijk, het wordt een drukke dag,’ zei zijn vader. ‘We zoeken vanmiddag de familie Geitenkooi op. Hou zolang de kachel aan de praat, Frits.’
Hij sloeg hetzelfde boek als gisteravond tijdens de jaarwende op, trok een stoel bij, legde het boek op de stoel en ging op de divan liggen.
‘Waarom in godsnaam niet eerst de divan en daarna de stoel?’ vroeg Frits zich af. ‘De volgorde is volstrekt verkeerd.’ Woede steeg in hem op. Hij tikte boos op zijn ei en zei: ‘Betreffende mijn slaapgedrag, vader … ‘
‘Eh?’
‘Moeder, hoe hard ook: dit ei is voortreffelijk. Dit terzij. Dat rijmt. Die uitbundige vertakking van de boom in de tuin van de benedenburen houdt me wakker. Kan hier ingegrepen worden? Ook al zijn die lui een beetje christelijk? Vader, ik heb het momenteel tegen u.’
‘Ja,’ zei zijn vader.
‘De familie Visser belet me mijn nachtrust.’
‘Nachtrust is goed, jongen.’
Frits wendde zich tot zijn moeder: ‘Weet jij waarom een haas banger wegvlucht voor een witte hond dan voor een zwarte hond, moeder?’
‘Smaakt je ei?’ vroeg zijn moeder. ‘Neem maar nog een kadetje.’
‘Hij – of is het zij? Het kan ook een zij zijn – denkt namelijk dat het een zwarte hond is die zijn broek heeft uitgetrokken om nog harder te kunnen lopen. Of, nog moeilijker, moeder, maar geheel ter zake: zie dit ei. Wat kan een zwarte kip wel wat een witte kip niet kan?’
‘Huup,’ deed ze.
‘Mijn vrolijkheid kent geen grenzen,’ dacht Frits. ‘Ik vermaak de beide ouders hartelijk op deze eerste dag van het nieuwe jaar. Schakelt u volgende woensdag weer in voor het vervolg van deze uitzending.’
‘Vader heeft zijn ei al op,’ zei moeder. ‘We eten vanmiddag de rest van de kadetjes op. Bij de familie Geitenkooi krijgen we een stoofpotje. Ga je Louis opzoeken intussen? Je blijft toch niet te laat weg? Vanavond warm ik nog wat van gisteren voor je op. Er is om zeven uur dertig Opnieuw Hervormde zang op Hilversum.’
‘Dat komt,’ zei Frits, ‘omdat een zwarte kip wel een wit, maar een witte kip geen zwart ei kan leggen. Kalm aan met de jus vanmiddag, vader, maak er geen sloot van bij de Geitenkooiers.’
‘Er wordt geen sneeuw voorspeld,’ zei zijn vader, opkijkend uit het boek. ‘Waar heb ik mijn pijp gelaten?’
‘Louis Spanjaards?’ opperde zijn moeder. ‘Of ga je met wensen bij Bep langs?’
‘Hoort, hoort, hier eindigt de spot,’ dacht Frits. ‘Het genoegen was geheel aan mijn kant. Hoei, boei.’
‘Louis,’ zei hij. ‘Misschien valt er wel iets te drinken. Een vers jaar is immers ingetreden. Geen sneeuw. Geen inkeer.’
Hij pulkte een kadetje open en sneed het afgekoelde ei in de holte.
‘Hardgekookt biedt meer mogelijkheden, moeder,’ zei hij. ‘Tire tire tire boemsekee.’
‘Huup,’ deed zijn moeder weer.

Omstreeks het derde uur in de middag kamde Frits zijn haar, poetste zijn tanden en daalde de trap af. Het hondje van de benedenburen Visser kefte opstandig. De ouders waren inmiddels al vertrokken naar huize Geitenkooi, na het opheffen van de hand. Ook in de benedenvertrekken heerste stilte.

(‘De kachel, muis, voor je naar Louis vertrekt.’
‘Het hoofdwerkwoord ontbreekt,’ dacht Frits. ‘Verdomde kachel, maar toegegeven: men heeft het graag warm.’
‘Dag moeder, dag vader, laat mijn wensen voor de familie Geitenkooi u beiden vergezellen,’ zei hij. Op krek hetzelfde ogenblik vertrokken ook de benedenburen Visser-met-de-halve-gordijntjes op nieuwjaarstocht, met achterlating van het hondje. De begroeting in de kleine duistere traphalle verliep beiderzijds deels christelijk, doch vrij hartelijk. Het pand liep leeg, terwijl een hevige koudejaarswind even door het halletje walmde.)

‘Het dier is er nog,’ mompelde Frits. ‘Niet dat keffertje, maar een boomtak is mij bij nachte onwelgevallig’.
Hij hield halt halverwege de trap.
‘Louis kan even wachten. Of wordt het Maurits? Zal ik beiden met een bezoek verheugen? Heb ik mijn shagdoos bij me? Dit noemen we nu: een opwelling. Zie barmhartig toe, Here, hoe ik eerst een wonder uwer natuur een behandeling geef. Zegge en schrijve: een amputatie. Er zijn geen getuigen. Het blijft vooralsnog onopgemerkt. Het zal niet gezien zijn.’
Frits schopte tegen de trapleuning. Weer sloeg het keffertje aan.
‘Mij kun je niks maken, ongedierte. Andere deuren zijn in dit pand voorzien. Looft de heerscharen der schrijnwerkers.’
Frits besteeg opnieuw de trap en ging in het keukentje het grondsop uit de bessen-appelfles opdrinken, het laatste restje van de viering der jaarwisseling.
‘Meer is in ons. Op het welslagen van onze onderneming.’ Hij boerde luid.
Beneden aan de trap gaf hij een harde schop tegen de deur die toegang verschafte tot de vertrekken der Vissers.
‘Van Egters, Frits, de Heer zij met u,’ fluisterde hij hees. ‘U geeft niet thuis? Ook goed.’
Hij schopte nog eens onzacht tegen de deur en bonsde er tezelfdertijd met zijn rechtervuist op. Het hondje kermde driemaal hartverscheurend en zweeg dan stil in gespitste verwondering.
‘Heb erbarmen met dit hondenleven. Maak het kort.’

De achtertuin van het pand Schilderskade 66 was voor alle bewoners betreedbaar, maar behoorde wel degelijk tot de onroerende goederen van het gelijkvloers woonachtig zijnde gezin Visser. Via enkele deuren verschafte Frits zich toegang tot de tuin. Het woei stevig.
‘Hoort dit hondenweer wel op een eerste januari?’
Vooraleer hij zijn aandacht kon toespitsen op die klereboom, de enige boom die er stond, want meer ruimte bood de tuin niet, trapte hij in een hondendrol.
‘Ho-Ho-Ho! De tragiek van hondenpoep! Nu wordt de Kerstman waarlijk boos!’
Hij schraapte zijn rechterzool over het harde wintergras.
‘Halleluja, u dacht de hoofddrol in dit drama te zijn? Niks van aan. Hier is niets. Vredigheid heerst alom. Laat hier alles een aanvang nemen. Mijn nachtrust is niet goed, hij is heilig.’
Belendend waren er ook stadstuintjes, gescheiden door manshoge muurtjes. In de tuin was zich een te grote beuk aan het ontwikkelen. Een tak ervan reikte tot aan zijn raam. Bij winderig weer tikte die tak in een tergende, onvaste percussie telkens weer tegen dat raam.
‘Wat is de zin van een boom? De kruin herhaalt immers de wortel, de wortel herhaalt immers de kruin, de kruin herhaalt immers de wortel, de wortel herhaalt immers de kruin, de … ‘

Verscheidene keren al was Frits woedend uit zijn bed gesprongen, aanstalten makend om …
… maar ofwel was het in het holst van de nacht …
… en sliepen de benedenburen natuurlijk ook de onschuldige slaap der kerkgangers …
… ofwel stokte hij weer in zijn driftbui omdat hij besefte dat
a. hij nooit zou durven aan te kloppen beneden;
b. dat strontmormel zeker zou aanslaan;
c. er onchristelijke woorden over zijn lippen zouden komen;
d. en erger: zijn beide verwekkers zich bij nacht en ontij in hun nachtgewaden neerwaarts zouden spoeden;
e. … zodat de Boom der Kwaadheid welig tierde tot in der eeuwigheid …

Ingrepen vanuit zijn bovenkamer zelf waren onmogelijk: de tak was inmiddels te stevig ontwikkeld, en die danste ook telkens weer ongrijpbaar weg in het donkere zwerk. Een tantaluskwelling.
‘Aldus worden mijn territoriale luchten bij herhaling geschonden. Een der vele Scheppingsfouten. Zie ook de trefwoorden: Hiroshima, Dresden,’ mompelde Frits.
Die verdomde beukentak vormde de falanx van stormen en onverwacht opstekende onweersbuien. Ooit was het jongensboekachtige ruitentikkerij geweest; gaandeweg werden het regelrechte aanslagen, naarmate de tak dikker werd en uitdijde. Frits vreesde zelfs voor het voortbestaan van zijn raam, dat spiedluik dat uitgaf op de diepten van ellende in een stille drollenwereld aan de achterkant van de woningen. Naarmate de donkerste avonden en nachten elkaar opvolgden, en december zich als een winderige rukmaand manifesteerde, was het bij Frits ook meer en meer begonnen te kolken.

‘Nu is de maat vol.’
Frits monsterde de boom en zijn raam. Hij piepte ook even aan het achterraam benedendeks.
‘De Vissers geven inderdaad niet thuis. Juicht,’ mompelde hij.
Oudtestamentische duisternis had hun woonhol ingepalmd.
‘En de Eerste Dag rustte Hij niet. Uit de chaos schiep Hij orde.’
Hij haastte zich naar hun minuscule tuinhokje. Daar griste hij een getande handzaag van een spijker in de muur. Terug in de tuin bedreef hij meetkunde met zijn ogen, gehandicapt door de heen-en-weerzwiepende variabelen der takken. Kon hij rechtstaande op dat scheidingsmuurtje de pesttak in diens achillespees bereiken met zijn zaag en tegelijkertijd zijn evenwicht behouden? Waar hield hij zich dan aan vast? Zou hij misschien de boom zelf in moeten klauteren om zekere hoogte te bereiken? Dan moest hij…

Frits knikte en deponeerde resoluut de zaag op het muurtje. Daarna hees hij er zichzelf op, via een gek opsprongetje. Hij zocht zijn evenwicht en bleef even roerloos staan om op adem te komen en aan zijn nieuwe positie te wennen. Dat lukte. Bij de gedachte aan een eventuele plotse thuiskomst van zijn buren diende hij ijlings zijn sluitspier te commanderen; een halve minuut lang kromp hij in een volstrekt idiote houding ineen. Toen kon-ie wel weer.
Hij reikte naar zijn zaag en ontdekte dat hij met zijn ene voet op het blad stond.
‘Getverderrie, stom handwerktuig.’
Daarna bedreef hij weer wat meetkunde, vanuit het nieuwe perspectief. Hij kreeg nu ook af en toe het buitengeluid te horen van die verdomde tak tegen zijn raam.
‘Voorwaar: wie zich ooit ginds boven te slapen legde, moet een groot geduld geoefend hebben. Looft deze man, voor wie duizend jaren als de dag van gisteren zijn.’

Via een faseplan beklom Frits vervolgens de beukenboom. Hij mikte telkens de zaag ergens tussen handig gevorkte takken boven zijn hoofd, en volgde dan zelf. Dat had af en toe wat voeten in, nou: boven de aarde, ondanks ontstentenis van gebladerte. Vooral zijn hoofd kreeg het hard te verduren. Tot zijn eigen verbazing bevond hij zich toch plotseling al enkele meters boven de begane grond, richting kleretak. Het blad van de zaag, dat af en toe opglansde in het namiddaglicht, wees hem de weg. Even nog hield hij halt, opnieuw in verband met zijn sluitspier.
‘Verdomme, had ik me toch maar beter vooraf ontlast. Of kak ik van op mijn tak maar hun tuin in? De keffer doet het ook.’
De laatste fase betrof het betreden van de veroordeelde tak. Die was dik en stevig genoeg, en bood onderweg diverse steunpunten en houvasten.
‘Ook oude bomen worden niet van nieuwe kankers gespaard. Boompje groot, oompje dood, straks beiden dood.’

Frits werd door de stevige wind heen en weer gewiegd toen hij het takkeding betrad. Even droop er een grimlach over zijn tanden. Dan koos hij een veilige dikke zijvertakking als basis, zette zich schrap, mikte de tanden van de zaag op wat hij dacht de zwakste schakel in de tak te zijn en begon te zagen. Het blad plooide eerst enkele keren onwillig, maar plotseling kon het feest beginnen. Het lawaai van het gerasp werd overstemd door het gesuizel en gedreun van de boomkruin in de aanzwellende stormwind. Het was een taai karwei. Na ettelijke minuten had hij nog maar een luttele inkeping veroorzaakt. Die zaag had waarschijnlijk al jaren ongebruikt aan de muur in het berghok gehangen.

Een fellere windstoot stak onverwacht op. Fijn zaagsel woei plotseling in zijn gezicht en in zijn mond.
‘Getver!’
Frits staakte zijn arbeid, spuugde, greep naar zijn ogen, zijn mond, kwam enkele handen te kort en verloor toen compleet het evenwicht. Via een vreselijk faseplan, waarbij de zaag hem jammer genoeg alweer telkens voorafging, kukelde hij als een marionet waarvan de speler dronken is naar beneden. Zijn hoge piepstem werd overstemd door gekraak alom.
‘Ik leef niet langer!’ gilde het in hem. ‘Help! Ik haal de eerste avond niet! Alles is voorbij. Het hoeft niet langer. Ik leef niet meer. Ik adem niet meer. Ik beweeg niet meer. Deze verschrikking… deze gruwel… Het doet verdomde pijn… Is het gezien? Zal het niet onopgemerkt blijven?’

Hij plofte niet met een loodzware smak ter aarde neer, nee, die rotklap kwam er niet, hij bleef ergens onderaan haperen met zijn hoofd in de dodelijke houdgreep van een gevorkte tak en werd aldus tezelfdertijd geknakt, verstikt en opgehangen, terwijl de zaag onderweg al haar tanden had gezet in het weekste vlees ter hoogte van zijn lendenen. Als een totaal verhakkelde ledenpop hing Van Egters, Frits gevangen in de grilligheid van een röntgenfoto die de wind heftig heen en weer wiegde. Even later plofte nog een schoen met wat stront aan de zool op het wintergras neer. Boven hem tikte de tak tergend op zijn raam. Het was vooralsnog niet gezien, gehoord. Het was op deze voorlopige dag onopgemerkt gebleven. Het was niet volbracht. Nog niet.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 14:40 Stuur door

Spa

SPA

 

Tarzan Vandezande, tuinboekenauteur, had net een theezakjesbruine hommel in een vingerhoed begraven toen Lazarus Thienpondt, kweker van zoute zeeaardappelen, eraan kwam via het achterpoortje. Even ruiste als een waarschuwing een windvlaag door de boomkruinen.

Lazarus was gewapend. De afgelopen uren had hij helaas ook met voorbedachten rade een flinke bres geslagen thuis in zijn wijnkeldertje. Zout geeft dorst.

Het zag er niet goed uit voor Tarzan, die hem nog nooit eens, zelfs niet in een voetnoot, in een van zijn boeken had vermeld. Tijd voor vergelding.

Lazarus Thienpondt glimlachte niet toen Tarzan Vandezande hem begroette. Daar moest die eerst nog les in krijgen, maar daarvoor was het al rijkelijk te laat. Tarzan zette een stap achteruit toen hij de wijnkegel uit Lazarus’ stinkbek gewaarwerd.

‘Een lijk aan het putten, Tarzan?’
‘Het is weer hommeles, Lazarus.’
‘Hopelijk staat het niet weer uit de doden op.’
‘Dat gebeurt alleen in boeken en slechte tv-feuilletons.’
‘Een natuurlijk overlijden, neem ik aan? Een worm? Een slak?’
‘Onverdacht. Een hommel die doodgewoon dood op het tuinpad lag.’
‘Frisse bries hé?’
‘Beter dan graflucht. Heb je gedronken, maat?’
Tarzan wapperde even veelbetekenend met zijn rechterhand voor zijn mond. Hij zette nog een extra stap opzij, uit de wind.
‘Dat is het bouquet dat je ruikt, mààt.’
‘Geef mij maar een spa.’
‘Je houdt er één in je hand, tuinier.’
‘Ja… eh… wat drinken?’
‘Een spa.’
‘Meen je dat?’
‘Geef dat ding hier!’

Lazarus was gewapend. Met de spade van Tarzan. Tijd voor vergelding. Weer hommeles. 

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:08 Stuur door

Bakkes

BAKKES


Ik hou van maandagen. Dat is altijd zo geweest. Dan voel ik extra energie. Elke week opnieuw komt dat terug, met de regelmaat van een boeddha. Hiermee sta ik waarschijnlijk haaks op zowat iedereen. Net zoals ik echt wel van ‘slecht weer’ hou: regen, wind, storm, boze buien.

Het was zo’n maandagavond met gezellig herfstweer. Het woei zichtbaar en hoorbaar. Fijn zo. Ik had drie dagen in Friesland en Nederland achter de rug, in het kader van een project met dichters en beeldend kunstenaars. Leeuwarden, Harlingen en Rotterdam waren meegevallen. Weidsheid van landschappen; grenzeloosheid van hotelkamers; wind toe.

Als het hier in Harlingen stormt, liggen de toeristen te schudden in hun pensionbedden.

Dat werd dus weer even ontwennen. Gelukkig was het een maandag. En avond. Er was wat te doen.

Mijn glas wijn smaakt beter als ik het in mijn rechterhand hou.

Waarom ben ik in hemelsnaam ooit beginnen drinken?
Om te vieren? Om te treuren?

‘Dit is mijn laatste dochter,’ zei Karel.
Even werden we door iets treurigs overmand, want we hadden samen iets gelijkaardigs gestudeerd, vele jaren geleden in de stad met de aloude universiteit. We waren alumni.
Zou zijn saus naar bloem smaken nu hij niet meer kookte?

We schuifelden weer naar binnen om de resultaten van de spellingwedstrijd te aanhoren. 

Het aulaperspectief. Hoe hoger je zit, hoe minder je blokt, hoe dieper je kijkt. Neerkijken op de ruggen van de uitslovers op de eerste rijen. De docerende prof een profje als een popje: als Mick Jagger op een te ver en te groot podium.

Ouwe studiereus K. en nazate Hinde kon ik nergens in mijn vizier ontwaren. Ik had halfweg de aulahelling plaatsgenomen, zoals ooit, altijd, vroeger, nu.

Correct opschrijven is niet zo’n kunst als schrijven.

Zelfs spreken. Neem nou de uitspraak: ‘Dit is mijn laatste dochter.’ Of betrof dat een verspreking? Mislukte humor?

Ik eindigde in de eerste vijf (klinkt beter dan ‘de vierde’), met een last van zes spelfouten. Bij de prijsuitreiking vooraan ontwaarde ik Karel helemaal bovenaan in de aula. Hij was rechtop blijven staan. Zijn Hinde zat glimlachend op de derde rij vooraan.

De oude competitiegedachte. Ik stam uit tijden waar testen nog ‘ombesten’ werden genoemd, of ‘proefwerken’. Heerlijke vreselijke woorden.

De laureaat stak ongevraagd een euforische speech af, waarbij zijn stem voortdurend oversloeg. Een kind zo blij als een kwetterende vogel op een tak.
Mijn prijs bestond uit een belachelijk kleine radio en een lelijk boek. De laatste dochter en haar vader waren inmiddels spoorloos. Jammer, want er was weer wijn. En nog meer van dat sterk fraais, toegeleverd door de organiserende provinciale televisiezender. En ik had ietwat geëxcelleerd. Een vierde plaats was erg, onbeduidend en gedoemd om vergeten te worden, maar ook egostrelend, hartverwarmend en onverdacht. Tel uit je winst.

Toen pas viel het me in dat Karel niet zo lang geleden weduwnaar was geworden.

Sommige versprekingen zijn dus geen versprekingen. Hoe vreemd ze ook klinken.

Zeg nooit nooit.

Ik heb het zelf druk gehad de laatste decennia: oorlogen, overstromingen, revoluties. Maar Karels vrouw is dood.

Tijdens de tweede receptie slaagde ik er in de radio en het boek ergens onbeheerd achter te laten, zodat ik die niet mee naar huis hoefde te nemen. Het was mijn offer aan Hinde, de moederloze. Zij zou die lelijke prullaria echter niet aantreffen en meenemen: ze was ondertussen immers al afwezig.

Aflijvigheid en afwezigheid.

Is correct spellen belangrijk?

Hoogtepunten kunnen dieptepunten betekenen. Een cliché als een kathedraal met duivenstront op: waar zijn we mee bezig?

Bloedrood was de vlag van de Russische revolutie. De felbevochten vrijheid bleek net zo vreselijk te zijn als de vorige onvrijheid.

We bleven met enkele prijswinnaars en verslagenen op de receptie hangen, die georganiseerd was door het provinciale televisiestation. Zoals vaak gebeurt, gedroegen de verslagenen zich als winnaars. Woorden kregen accenten; zinnen uitroeptekens. Interpunctie was tijdens het wedstrijddictee nochtans onbelangrijk geweest.

Oog om oog, tand om tand: blinde, tandeloze wereld.

Wat waren we hier eigenlijk godgenageld aan het vieren?

(hippopotomonstrosesquippedaliofobie? tourettesyndroom? ideeëloos? przewalskipaard? Boerenkoolstronkeradeel? ditjes-en-datjes? Belgenmop?) 

Waarom stonden we hier alcoholhoudende dranken tegen onze ruggengraat te kletsen?

Sommigen hadden wekenlang voorbereid, gestudeerd, lijsten aangelegd. Anderen geen seconde. De winnaars kwamen uit de categorie van de secondelozen. We vierden dus aanleg en talent, niet arbeid en ijver.

‘Het is nog maar mijn eerste keer.’ (Lode)
‘Een drukke job hé; belet een en ander. En dan dat kind nog.’ (Claude)
‘Maar twee dagen gestudeerd. Nou: een weekend, pakweg. En dan nog.’ (Lode)
‘Ik heb het nochtans altijd anders geleerd.’ (Claude)
‘Wanneer is dat nu weer veranderd!?’ (Lode)
‘Dat klopt toch niet?!’ (Claude)
‘Het Groene Boekje zegt het anders.’ (Lode)
‘Het Witte… ‘ (Claude)
‘De Dikke… ‘ (Lode)

Ik was een top 5’er en kon dus onbeschroomd van groep naar groep fladderen. Zo ontdekte ik dat de laureaat van de provinciale spellingwedstrijd godgenageld godverdomme aan het tourettesyndroom leed.

Perfectie is saai. Steven Hawking heeft 24 uur per dag lijfelijke verzorging nodig. Esopus had een bochel en werd de vader van het fabeldicht. Homerus was blind en schiep een formidabele wereld. Erasmus leed aan jicht en hield de kamer om zijn Lof der Zotheid te kunnen schrijven. Ronsard was doof en werd de recordhouder van de welluidendheid in de Franse bellettrie. Andersen was lelijk, wou de toneelbühne op, maar schreef uiteindelijk sprookjes. ‘Zo is de mens gebouwd, dat zijn ellendigste gebreken vaak de voorwaarden worden tot zijn schitterendste heerlijkheid.’

Dat laatste citaat is van Anton van Duinkerken, uit ‘De menschen hebben hun gebreken’. Who the fuck is Anton van D.? Dat essay, of een flard eruit, prijkte in een van onze leerboeken van het laatste jaar middelbare school, ook wel ‘de retorica’ genoemd. Dergelijke ouwelullenkoek werd toen nog door de strot van zeventienjarigen geramd, in de jaren dat de verbeelding aan de macht gekomen was. De timing zat verkeerd. Thans ben ik vergevingsgezind… geworden.

Tourette dus, en hij dronk gvd nog whisky ook. De regionale zender had zelfs voor sterkedrank gezorgd vanavond. Waren ze er misschien op de hoogte van dat de spellingkampioen – die niet aan zijn proefstuk toe was wat ereplaatsen betrof – ook een notoir whiskyslurper was? Hadden ze sterke vermoedens gehad dat hij hier het hoogste schavot zou halen? Ik zag dat Lode en Claude ook de wijn ingeruild hadden voor een gouden godendrankje.

‘QUICK – OP JE BAKKES!’

Alles stokte even, een fractie van een seconde maar. Ik merkte dat de meesten op de hoogte waren van het schone gebrek van de spellingkampioen. Die stond nog immer glunderend en naglimmend met een stevige Jameson in de hand, die hij ten hemel hief als een gewijde kaars. Ik keek naar zijn bakkes – dat verdomde kingewas ontsierde het gelaat van vele intellectuelen, nog altijd, jaren na Castro, Che, Cat Stevens en andere pedagogen.

‘Mijn eerstgeborene is ook een prima speller,’ zei ik, terwijl ik ook een whisky van het aangereikte blad plukte. Ik breide er onmiddellijk een vraag aan, richting Jean-Luc, de laureaat:
‘Heb je stevig voorbereid? Gestudeerd?’
‘Is deze eerstgeborene hier aanwezig?’ informeerde Jean-Luc. Hij richtte zich in zijn volle lengte op.

Die boer saai. God maai. Maar waar skuil die papegaai?

‘POTEN EN KLOTEN!’

Enkelen draaiden hun gezicht weg om het even kort uit te kunnen proesten of op z’n minst onbevangen te glimlachen.
‘Nee,’ schudde ik met opeengeklemde kaken.
‘Ware het niet van dat domme streepje in New York, ik had maar twee fouten.’
‘Een streep door je rekening, Jean-Luc, haha.’
‘God zit in het detail, hé.’
‘Als Hij in het detail zit, dan mag je vitten.’
‘Een stom streepje te veel, gvd.’
Ik had wat moeite om er na de wijnvloed ook de Jameson doorheen te sluizen. Mijn lijf protesteerde tegen deze vurige aanval. De whisky zocht zich weerspannig een weg naar mijn maag. Ik huiverde.
‘Drie dagen,’ zei Jean-Luc, terwijl hij te dicht met zijn gezicht het mijne naderde.
‘Maar voorheen allicht jaren?’ veronderstelde ik.
De spelkampioen glimlachte bevestigend. Hoeveel keer was hij niet tweede en derde geworden? Hoe vaak niet had hij het onderspit moeten delven tegen de grijze meneer Dhaenens, die ook op nationaal vlak excelleerde en diverse keren het ereschavot mocht beklimmen?

Eindelijk bereikten de deugddoende nevelen van de whisky mijn brein, waar zich ook al wijnaroma’s hadden genesteld.

Erasmus schreef aan het eind van zijn Lof der Zotheid enkele zinnen die gingen over tijdens het drinken iets zeggen en gelukkig zijn dat je dat later weer vergeten kunt, of zoiets, zijn exacte woorden ontsnappen me momenteel, althans in de goede volgorde. Ik ben ze vergeten. Ik ben gelukkig.

Jean-Luc maakte plotseling slagzij, struikelend over een van de fauteuils die in de hal stonden. Als een dronken ledenpop kantelde hij weg uit ons vizier. Lode en Claude zeulden zijn grote lichaam weer rechtop. Zijn glas diende bijgevuld te worden; de inhoud (zo die er al was geweest) bleek ofwel verdampt ofwel verspild. Ook ik verleende enige houterige medewerking, ondertussen zelf een gulp whisky op zijn jas morsend, want ik had mijn glas in mijn hand.

Hebben ze in Amerika dan iets tegen liggende streepjes?
New Orleans. San Francisko. Saint Louis.

Er heerste weldra geen onderscheid meer tussen winnaars en overwonnenen. We vormden één gezellige spellingbende, min de afwezigen die ongelijk gehad hadden naar huis te gaan. Die wijn, die whisky: die hadden we verdiend, verdomme. Jean-Luc bewaakte angstvallig zijn hoofdprijs, die op de fauteuil lag waaroverheen hij daarnet gekukeld was: de dikke Van Dale. Hij week niet van diens zijde en wenkte zelf de hostess om verse scheuten heildronk. Hij verzette geen voet meer na zijn val. Drie fotografen hadden zijn gelaat vereeuwigd. Ook de tweede en de derde prijs mochten op diverse foto’s. Mijn vierde plaats volstond niet voor de eeuwigheid. Ik was nochtans in de eerste vijf. Er kon wel even een groepsfoto af, die ze achter onze rug toch zouden deleten.

Buiten klemde de duisternis het gebouw in. Wind gierde en loeide over landerijen en door steden. Het alfabet sluimerde in bibliotheken, scholen, huizen en dorpen. Hier was het alsnog springlevend.

 

Bestaat er zoiets als een dronken alfabet? Scheve letters? Kan het fonetisch schrift nevelen en vredig-vlezige articulatie weergeven? Een teveel aan welbevinden en roesmiddelen? Lijzigheid, slordigheid, overhaasting? Gestruikel en gestamel?

‘BAKKES!’

Johan Hendrik van Dale was een schriel mannetje dat elke ochtend vroeg opstond. Vooraleer hij aan zijn beroemde Dikke begon, was er al veel werk verricht. En na zijn dood gingen de werkzaamheden onverdroten verder, door zijn leerling Jan Manhave. De magere Johan Hendrik werd de naamgever van de bekende Dikke.

‘Ben je al eens in Sluis geweest, Jean-Luc?’
‘Eh… ja.’
‘Voor een eerbetoon aan de Dikke, hé.’
‘De Groene is heel wat dunner hé, haha.’
‘Ik zou… ‘
Met een onverwachte houterige tolbeweging draaide Jean-Luc Versingel om zijn eigen as (we dachten even dat hij andermaal wou vallen) en laveerde tussen de diehards door naar de toiletten, hier en daar mensen aanstotend, als een balletje in een flipperkast. Hij had zijn glas meegenomen. Zijn Dikke Woordenboek bleef nu onbeheerd achter.
‘Wauw: die laat er geen gras over groeien, zeg!’
‘Nee, alleen schaamhaar.’
‘Hi hi hi.’

In deze poel van ellende werd ik plotseling overmand door een grenzeloos gevoel. Ik verlangde eensklaps grondig naar een herontmoeting met Liesbeth van G. uit Rotterdam en Gea K. uit Leeuwarden, beiden beeldend kunstenares.
Waren het de Friese landschappen van Gea?
Waren het de Rott’damse hotelkamers van Liesbeth?
Was het de oneindige droefenis van Vlaanderen op een maandagavond die reeds te ver gevorderd was?

Ik tolde op mijn beurt ook om mijn eigen as en verdween zonder boe, bah, dubbelpunt of uitroepteken in de avond. Boomkruinen ziedden; struikgewas schuimde. Ik plaste in het wilde weg en kroop juichend achter het stuur van mijn Saab.

Van de klakkeloze letteren en de woede der leestekens, verlos mij, o Heer.
Een beeld zegt meer dan… blablabla…

Ik moest mezelf dwingen het station links te laten liggen en de neus van mijn auto richting thuis te volgen, waar ik terstond mijn e-mailverkeer activeerde. Rotjeknor en Leeuwarden ontvingen avondpost.

‘De vierde plaats,’ deelde ik mijn vrouw mee. ‘In de eerste vijf.’
‘Dat ruik ik,’ zei ze.

Regen tokkelde met een vast percussiepatroon op het dak. Het was acht uur. De telefoon zoemde. De net-nietwinnaar van de spellingwedstrijd gisteravond belde.
‘Heb je het al gehoord?’
‘Wat zou ik al gehoord moeten hebben? Het is pas… ‘
‘Jean-Luc is dood.’
‘He?’
‘Jean-Luc heeft zich in zijn eigen tuin opgeknoopt.’
‘Dat meen je… ‘
‘Ja ja: vanochtend vroeg. Ik werd opgebeld door de politie. Zijn vrouw… De politie… ‘
‘Maar potverdorie toch… Hoe kan dat nu?’
‘Aan een boomtak.’
‘Ik bedoel… ‘
‘De tak van een boom.’
‘Ja ja.’
‘Ze zullen jou ook nog bellen.’
‘Wie?’
‘Ewel: de politie.’
‘Mij??’
‘Jij was toch vierde?’
‘Ja… maar…‘
‘Wij waren toch de laatste getuigen van zijn leven op aarde?’
‘Maar hoe is dat nu zo plots… ‘
‘Ja ja… ‘
‘De tak van een boom?’
‘Een boomtak.’

Zoals bleek, enkele uren en gesprekken later: spellinglaureaat Jean-Luc Versingel had zich met behulp van een stoel, een touw en een boomtak ’s ochtends vroeg het leven benomen, in zijn eigen tuin.

Zoals bleek, enkele dagen en vele gesprekken later: hij was die ochtend vroeg opgestaan, nadat hij de avond ervoor laat thuisgekomen was. Zijn vrouw dacht dat hij eruit moest om te plassen. Dat bleef duren. Na een halfuur was hij nog niet terug. Toen ging ze naar beneden en keek ze door het venster.

De regionale zender had er een kluif aan. Zij hadden immers het wedstrijddictee georganiseerd.

Uit ‘goede bron’: hij leek in bidhouding tegen de boom te leunen.
Uit ‘goede bron’: het touw lag al geruime tijd gereed.
Uit ‘goede bron’: hij zou ooit gezegd hebben: er zal veel volk zijn op mijn vijftigste verjaardag.

Jean-Luc Versingel werd op zijn vijftigste gecremeerd, na een begrafenis waar vooral onbegrip heerste. Zijn doodsprentje werd verdorie nog ontsierd door een spellingfout, maar alleen de specialisten zagen dat. Er ontbrak een liggend streepje in zijn voornaam.

‘Jean-Luc, met streepje,’ dacht ik, terwijl ik zijn gedachtenisprentje vooraan ging ophalen, een muntstuk in de schaal legde, in het voorbijgaan even zijn kist aanraakte en me dan met poten en kloten weer de Aloysiuskerk uit spoedde.

Ik had mijn blikken niet over de stoelenrijen laten zwenken op zoek naar spellingspecialisten.
Ik had zijn vrouw niet gezocht of gevolgd, ook niet toen zij naar voren werd geleid.
Ik had met mijn bakkes afwisselend naar een oneindige verte en naar de grond gestaard.

In de latere namiddag hoorde ik het PING! van binnenkomende mails.

Liesbeth had wellicht uren aan haar laptop doorgebracht. Ze zond me een overzicht van haar leven de laatste vijf jaar. Daarin speelde een mythomane man/minnaar de hoofdrol. Momenteel lag hij stervende in een Belgisch ziekenhuis, als slachtoffer van een criminele overval of afrekening, maar dat was niet eens zeker. Er waren zoveel leugens in zijn leven als er haren op zijn kop stonden. Haar verhaal was een nachtmerrie bij klaarlichte dag.

Gea bleek onlangs door een galerijhouder in Amsterdam financieel geplunderd te zijn. Ook de lokale kunststichting waar ze tot dan toe mee samenwerkte, had haar via kleine lettertjes en door slechte afspraken een som geld afhandig gemaakt. Ze wou als troost een week lang door de stad zwerven, allerlei slechte oude gewoontes weer oppikkend. En of ik zin had om daarbij te zijn.

Sommigen moesten eens goed op hun bakkes krijgen, van iemand met stevige poten en kloten aan zijn lijf.

Meer heb ik niet te zeggen: de tirette van mijn mond is dicht. Het is de eindstreep van alle woorden.

(IM 2019 Liesbeth van Ginneken, beeldend kunstenares, Rotterdam)

 

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:02 Stuur door

Peperkoekenhuis

HET PEPERKOEKENHUIS

Het welbevinden straalde van het lijk af. Eindelijk levenloos! Je merkte zo dat het zich beregoed voelde in zijn strakke, glanzende vel. Deze huid, waarmee in levenden lijve vaker gehuiverd dan geliefkoosd werd, die zelden gestreeld werd, zou binnenkort overbodig worden. Er hoefde dan namelijk niks meer middels deze accolade nog krampachtig samengehouden te worden. Het had geen zin meer, naar mensenmaat beschouwd.


Je zag het corpus gelijk denken, met het laatste restje geest dat nog niet op reis naar het hiernamaals was vertrokken: ‘Bof, ik ken ze wel, de achterblijvers, de alsnog op de middag- en avonduren rechtop zittende korpsen, in de horecabedrijven, de belegen korpsen, in vreemde bedden, de alleenstaande torso’s, op vernissages, de gestelde lichamen, bij toespraken, de staande lijven, zich lavend, voedend en weer lozend als vampiers, de ondoden, de omhulsels van het corps diplomatique, het hart gevangen in een kooi van ribben, zij die gingen sterven, zij die sedert hun geboorte de rottingsgeur in hun neusgaten opsnoven.’

Er was een minuscuul gaatje in de huid voor het hart. Het was bijna volledig weg gebalsemd.

Een lijf kon dood zijn.
Een lijk kon leven.

Pogingen tot lijfsbehoud: gezondheid, vitamines, legio. Die belaagden de dood. Gevolg: body.
Corpora delicti: vet, alcohol, nicotine, asbest, dioxine, verkeer, legio.

Pogingen tot lijkbehoud: balsem, vrieskoude, legio. Die omarmden de dood. Gevolg: mummie.
Corpora delicti: bijl, pistool, mes, stormnagel, diepgevroren schapenbout, knots, vergif, legio.

Tussen Lijf en Lijk doolden nog de Zielen in Nood, riekend naar angst. Want voor een Ziel was het Lijf te veeg en het Lijk te koud. Angstkrampen bepaalden hun bestaan op aarde, deze blauwe plek in het heelal waar ze op gestoten waren na een allereerste angstschreeuw, in een langgerekte rigor mortis. Hun leven was het voorwerp van een sluipmoord, een slow motion van pijn, de prijs van een wreed spel. Deze constante zielenpijn zat geprangd tussen geboorteschreeuw en doodsreutel. Als de ziel dan eindelijk uit hun lijf was gelopen … en dat lijf plat van de pijn horizontaal ging …

Het lijk was van een vrouw geweest. Ze had zichzelf buiten het bestaan op de aarde gezet. In mensentaal, zeg maar gazettenpraat: ‘Ze had zich van het leven beroofd’. En hier begint mijn verhaal.

De regering gaf de kans om buitenlands zwart geld weer wit te wassen in het binnenland, mits 3, 6 of 9 percent smartengeld op dat kapitaal afgedokt werd wegens jarenlange derving van deze inkomsten door de Staat. Tegen 1 januari 20XX, nog 13 maanden te gaan, moest dat compartiment van de schatkist weer gevuld zijn. Men verwachtte een fikse, gezonde financiële injectie in ’s lands belang door dit zeer liberale, tijdelijke gedoogbeleid. Wee de vermetele die daarna nog frequent durfde te bellen, faxen of mailen naar pakweg Vietnam, Maleisië, Kaapverdië of andere Kaaimaneilanden. Omdat de regering bij haar aantreden ook 200 000 nieuwe jobs had beloofd, kon ze nu werk maken van tien kersverse functies: een waslijstje van financiële detectives die het witwassen begeleidden en gelijk de vuile was opspoorden.

Barbara Blixen was een van de tien. De voormalige docente Wiskunde was na een beklijvende sollicitatie aangeworven. Ze kreeg, net als de andere negen, een hoge graad in de ambtenarij, een ruim kantoor in haar provinciehoofdplaats, een wedde om wauw! tegen te zeggen en volledige vrijheid van handelen. Barbara Blixen, 32, single, als toekomstige erfgename van het peperkoekenfamiliebedrijf SWEPA ook ‘het Gouden Kind’ genoemd, engageerde zich van meet af aan stevig voor haar ‘wasserij’, zoals ze zelf haar functie en haar kantoor omschreef. Het duurde dan ook niet lang of het door haar geviseerde en opgejaagde wild noemde haar Barabbas Bliksem.

Barbara infiltreerde vaak via de beproefde incognito- of aliasmethode in de poelen, cenakels en kringen waar gehengeld diende te worden. Afhankelijk van wat voor soort vlees ze in de kuip had, wendde ze alle bruikbare en beschikbare middelen aan: geest, lijf, oogverblinding, woordendamp, etc … Vooral het mannelijke wild, pook in overdrive, pik in de aanslag en het gewei van de weelde breed op de kop vertakt, tuinde erin. Het eindigde al vaker en vaker op 9 percent, minder en minder op 3 of 6. De regeringscommissaris van de TCFG, de Tijdelijke Cel Financieel Gedoogbeleid, feliciteerde haar herhaaldelijk. Na enkele maanden stevig veld-, spit- en ploegwerk ontving Barbara Blixen/Barabbas Bliksem ook anonieme knipselbrieven (‘ToLleNaAr !!!’), en soms zweterige telefoontjes waarin via wegwerpbare gsm’etjes een gesmoorde zakdoekstem gewag maakte van ‘langzaam levend villen’, ‘in alle gaten tegelijk pakken door een voltallige rugbyploeg’, ‘grondig doorkarnen van de wasserij’, ‘Jezus of Barabbas: Jezus!’ en ‘totaal en ruw afstropen van intieme lingerie annex pek- en verenbehandeling’.
Na een drietal van zulke mededelingen deponeerde Barbara zowel thuis, in haar auto als in de wasserij binnen handbereik een zware Engelse sleutel. Gedachten aan een klein handvuurwapen hield ze levendig. Peperspray stond ook op haar boodschappenlijstje.

Over lijstjes gesproken.

1. Gewilligen a priori (01- 01- XX)

ARMATUUR (Pensioenfonds Vakbond Arbeiders & Bedienden Wapensector)
BelGnoom (Firma in Tuinbeelden)
De postPost (Geprivatiseerd ex-overheidsbedrijf)
Sp.a – Spirit (Politieke partij)
ArDi (Firma Artificiële Diamantproductie)
Vriendenkring Costa Brava Costabravoure ( … )
Seniorie De Groote Boom (Afdeling Repatriëring/Insurance)
Transport De Munck (Elke dag België – Polen)
Captavision (Audiovisuele sector opnamestudio’s)
Brouwerij Mede & Nec
ProFi (Provinciaal Fietsenplan ‘featuring’ Antilope Bicycles Cie & Sons)
De hr. Marnix de Betsbrugge Geelhand-Outerluigne
Oegema & Brauwer – AmBru (Reclamebureau)
Kusburcas (Vereniging Kustburgemeesters met Casino)
( … )


2. Onwilligen a fortiori (02- 01- XX)

BCC (Belgische Christelijke Centrale, vakbond)
FARMETERN (Bedrijf met monopoliepositie betreff. dierlijke taxidermie en menselijke mummificatie)
Groep T-DRUK (Drukkerijgigant, tevens uitgevers diverse kijkblaadjes)
ILLIS (Postorderbedrijf Software)
Apobel (Farmaceutisch bedrijf geriatrische middelen)
P & P (Verenigde Praliniers- en Patissiersbond)
HEI! (Vereniging voor de erkenning van hooikoorts als sociale ziekte)
Alladin (Alliantie van Adinkerke, tabakverkopers)
( … )

Achteloos spelend met de inmiddels aangekochte peperspray viel het B.B. plotseling na elf werkzame maanden in: het grote peperkoekenhuis van de familie Blixen zelf… ? De SWEPA? Waar bevonden zich de centen van pa en zijn broers? Ongerust pleegde ze in de late avond nog een serie telefoontjes. Twee dagen later werd het grote gouden Blixen-peperkoekenhuis (Est. Anno 1921) door een geheimzinnige snode zwartepiet aan de schandpaal gebracht. Bleek dat driekwart van het kapitaal van het zoete Blixen-imperiumpje gezond en wel in het buitenland sliep. Dat prijkte nochtans op geen van de lijsten van Barbara, het gedoodverfde ‘Gouden Kind’. Het was nooit bij haar opgekomen dat de bloedeigen Blixens ook op een van beide lijsten thuishoorden. Alle rapen waren gaar. In de TCFG werd spoedvergaderd, vooral nadat alle landelijke kranten de onvermijdelijke boswachter-stroper scenario’s hadden gepubliceerd. De SWEPA probeerde nog te redden wat te redden viel.

Vooral onder impuls en leiding van enkele schaduwboksers uit het fel geviseerde bedrijf FARMETERN werd stevig gelobbyd in de richting van een regelrecht ontslag van Blixen. Dat kwam er dan ook vlug, want Barbara hield de eer aan zichzelf. FARMETERN bleef echter, samen met de anderen op de zwarte lijst, een doelwit voor de opvolger van Blixen. Die werd twee dagen later al aangesteld.

In de donkerste dagen van de winter likte Barbara Blixen/Barabbas Bliksem thuis haar wonden. Haar sanctuary was haar piepkleine keuken. De huiskamer was te gevaarlijk: de televisie, dat verdomde ‘venster op de wereld’, toonde twee lange dagen lang in het journaal van diverse zenders tot driemaal toe en daarna tientallen keren bij de herhaalde nachtuitzendingen immer hetzelfde beeld van haar, vinnig een vragend uitgestoken microfoon opzij duwend, haastig naar haar auto stappend, de panden van haar lange bruine jas uiteenwiekend, haar haren dansend op haar schouders. Noch de peperkoeken, noch de wiskunde konden haar soelaas bieden. Ze bedankte feestelijk voor eender welk aanbod vanuit die hoeken. Urenlang zat ze naar de kleine collectie zware Engelse sleutels te staren, grimmig mijmerend over de voorbije elf maanden. Soms nam ze er een in de hand en streelde ze het kille staal.


‘DE pUtTeN zIJn nU gevULD, MaAR GIJ KALF! MOEt nU nOG VERZUIPEn!!!’

Cryptisch was dit laatste verknipte bericht niet. Het liet aan duidelijkheid niet veel te wensen over. Het werd bij nacht en ontij na kort, agressief belgerinkel in haar bus gedropt. Een slaapdronken Barbara was op slag weer klaarwakker voor nog een etmaal tobben. Politie bellen en aangifte doen? Een detective engageren? Wat een ouderwetse gedachte. Weer zat ze urenlang besluiteloos te roken. Waren knip-en-plakkers zelf verknipt? Het was tot nu toe bij bedreigingen gebleven: anonieme brieven en gesmoorde telefoons. Was dit hier ze nu menens? Wie waren ‘ze’? Barbara legde de lijsten voor zich: de bereidwilligen, de koppigen. Ernaast dat dreigbericht. Plotseling werd het helemaal kil in haar. Dat had niets met die lijsten te maken. Wel met de dansende krantenletters op dat blad. Het drong tot haar door: hij is hier aan de deur geweest.

Hij: m/v?
Hij: meervoud? Zij dus?

Barbara stak haar twaalfde sigaret op en ging op een andere stoel zitten, met haar rug niet langer naar de keukendeur toe.

Twee nachten later warrelde er nog een dreigbericht binnen. De letters waren uit het transparante gele peperkoekenpapier van de SWEPA geknipt:

CUT!

Omdat er dit keer geen begeleidend belgerinkel mee gemoeid was, ontdekte Barbara het bericht pas ’s middags. Rond twintig uur die avond werd er wel kort aangebeld.

De kogel was dwars door haar hart gegaan. Het handvuurwapen lag los in haar rechterhand. Op de keukentafel trof men een peperspray en drie grote Engelse sleutels aan. Ze was naakt. Niemand ontdekte de twee minimale inkepingen van het cuttermes, daar waar een minuut of zo later de kogel zijn dodelijke baan in het vlees was begonnen af te leggen.

FARMETERN bood zich aan om het lichaam van Barbara Blixen te balsemen volgens de regels van de kunst. Pa Blixen stemde toe, ietwat verbaasd.
‘Lotgenoten,’ verklaarden die van FARMETERN zich nader. ‘In de nood kent men zijn vrienden, en zijn vijanden.’

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:06 Stuur door

Zoute-Watergem

HERFST IN ZOUTE-WATERGEM

Bussen volgestouwd met dagtoeristen op weg naar de Vlaamse Ardennen of een stuk Mooi Wallonië stopten hier soms. ‘Pitstop’, hijgde de reisleider dan door de microfoon. Mensen met volle blazen stapten uit. Plassen maar. Een bosschage onttrok de nabijgelegen heuvel aan het zicht. Hier was niets te zien, niets te koop. Dit was nergens. Wildplassen vormde hier het opperste genot, begeleid door de permanente dreun van de autostrade. Halte Zoute-Watergem: zijn niets, zijn plaspauzes, geen bronnen, geen grotten, geen heiligen.

En toch.

Ooit was Zoute-Watergem van strategisch belang. Getuige daarvan waren de vele gewapende bezoeken van vreemde stammen en mogendheden in de loop der eeuwen. Zoute-Watergem vlijde zich namelijk op de flanken neer van de enige molshoop in deze waterrijke lage streek. Deze heuvel vormde het voorportaal op een Mooier Vlaanderen, dat al vaker in toeristische brochures verscheen. Het stadje was vooral bekend voor zijn waterlopen omheen dit bergje en voor tweemaal twee verdwenen watermolens. Een gepensioneerde lector Aardrijkskunde aan een hogeschool, die in de nadagen van zijn carrière zelfs even Geografie doceerde aan de universiteit, ijverde voor de heropbouw van minstens één waterrad, maar dat was vechten tegen de bierkaai, met name allerlei instanties die ook ijverden voor industrieel en cultureel erfgoed en elkaar voortdurend in de weg liepen. De enige die ooit concreet toehapte en stappen ondernam, was de zaakvoerder van een lokaal middelgroot houtbedrijf aan de andere kant van de heuvel, maar in de naweeën van de economische crisis ging het bedrijf door een teveel aan wanbetalers overstag. De plannen van oud-lector Luc V. vielen hierbij definitief in het water. Hij behielp zich dan maar met het schrijven van een boek over het Verdwenen Zoute-Watergem, waarin de watermolens een centrale plaats kregen. Dat zette toch ietwat de kroon op het werk. Het was echter moeilijker dan verwacht. Bij bekende uitgeverijen ‘paste het niet in het fonds’, tenzij het om een drukopdracht zou gaan. Nee dus. Ze groeiden niet op zijn rug. En toch zou zijn levenswerk er komen. Luc V. ging uiteindelijk voor een publicatie in eigen beheer, met een VZW-voorintekenlijst, verwijzend naar de titel van het boek: Verdwenen Zoute-Watergem. De auteur bleef niet bij de pakken zitten en voerde een intense pr-campagne op en rond de heuvel. Het werd een succes: 734 exx.! Het boek kon opgehaald en betaald worden in drukkerij Debaere. Je kon er ook voor kiezen naar de officiële voorstelling te komen en het daar te kopen. Meteen gesigneerd, desgewenst.

Bij een grondige leesbeurt, waarbij men het ding helemaal open spreidde, hoorde je wat licht gekraak ter hoogte van de rug. Even later lieten enkele bladen los. Zes van de 734 kopers protesteerden daar even tegen. Ze ontvingen prompt een vers exemplaar van Luc V., waar al net zo prompt enkele bladen uit zeilden wanneer ze het boek proefondervindelijk openvouwden en omgekeerd even dooreenschudden. Meer kon Luc V. niet doen; de voorraad strekte maar tot 750 exemplaren en de bibliotheek had beloofd er nog tien aan te schaffen. Vreemd toeval: telkens betrof het de bladen waarin het over de verdwenen watermolens ging. De hoofdstukken over het strategisch belang van het stadje en de vele gewapende bezoeken bleven intact.

Bij de voorstelling van Verdwenen Zoute-Watergem in OC De Waterheuvel eind van de milde meimaand las Anemoon Iemant voor uit het boek. De lerares Woord & Voordracht (die eigenlijk Leen Depelser heette, Anemoon Iemant was haar pseudoniem) had gekozen voor een fragment over de oude muziekschool, waar in de Eerste Wereldoorlog een Duits lazaret was ondergebracht. De passage over gewonde soldaten die geplette luizen als schoensmeer gebruikten, maakte indruk. Na een muzikaal intermezzo door dwarsfluitiste Veerle S. las Anemoon enkele zelfgeschreven gedichten voor over de watermolens die er niet meer waren. Bij het eerste glasgerinkel begonnen de kopers aan te schuiven voor een handtekening van de auteur. Een leuke file ontstond, bijzonder deugddoend voor de auteur, die zijn chique Cross-vulpen in het bovenzakje van zijn feesthemd klaar zitten had. Hierbij zag je af en toe bladen op de grond dwarrelen, alsof het herfst was. De oranje hostessen die met de dienbladen rondgingen, stapten er eerbiedig over. De getroffen koper bukte zich daarna om het verloren hoofdstukje weer op te rapen en te adopteren.

‘Bij een digitale publicatie heb je dit niet, ha ha!’ (Een voorloper)
‘Bij een serieuze uitgeverij ook niet.’ (Een kwade tong)
‘Bij deze VZW dus wel.’ (Een droge humorist)
‘Naaien, binden, niet lijmen!’ (Een vakman)
‘Boekhouderslijm is sterk.’ (Een betweter)
‘Moet het niet zijn: boekbinderslijm?’ (Een kenner)
‘Bladhouderslijm ware beter!’ (Een grapjas)
‘Slijm! Nog beter!’ (Een kloothommel)
‘Die watermolens willen er echt weer uit hé.’ (De bibliothecaresse)
‘De bladluizen hebben eraan gezeten!’ (Een woordspeler)
‘Die bladeren zijn nog niet droog!’ (De broer van de woordspeler)

Het grapje van de bladluizen, mede aangewakkerd door de voorleesbeurt van Anemoon Iemant, verspreidde zich als een lopend vuurtje. Nog erger: in de drukte van de receptie die volgde (witte en rode wijn, bier, fruitsap), werden een tiental losgekomen bladen nu helemaal niet meer opgeraapt en ongenadig vertrapt of met de schoenpunt achteloos opzijgeschoven. Op sommige exemplaren zag je de stempel van een schoenzool. Hakken hielden ook huis onder de gesneuvelde bladen. De auteur keek verbijsterd toe. Mensen die daarnet om een handtekening hadden gevraagd (‘Voor Mireille, veel leesplezier’, ‘Marcel: van harte’), stonden nu onachtzaam op de gevallen bladen te trappelen, sommigen alsof ze met hun voeten druiven aan het pletten en het persen waren. Wanhopig wendde de schrijver een paar keer zijn blikken uitdrukkelijk en dwingend naar de grond, maar ze snapten het niet.  

Op tafeltjeshoogte deden zich ook drama’s voor. Om de handen vrij te hebben, deponeerden diverse mensen hun boek tussen de vettige knabbelschalen, gebruikte servettenproppen en morsige glazen. Verscheidene exemplaren van VZW waren zo al gedoopt met alcohol, chipsschilfers en olijvensap. Her en der zag je ook de losgekomen watermolenbladen uit de buik van de publicatie piepen, evenzeer gereed om de geest te geven. Waar was het respect voor het boek? De eerbied voor drukwerk? Hoe meer de feestelijke avond vorderde, hoe meer repen er van de ziel van oud-lector Luc V. werden gescheurd. Woedend en ontgoocheld verdween hij in de avond, met medeneming van enkele onachtzaam achtergelaten exemplaren van zijn boek.

Begin juni manoeuvreerde een bus vol dansmariekes plus begeleiders zich de kleine stopplaats Zoute-Watergem op. ‘Tijd om te wateren,’ grapte de chauffeur, knikkend naar de naam op het bord. Terwijl het plasgebouwtje bestormd werd, dook hij zelf ook even het bosschage erachter in. In een overvolle vuilnisbak naast een picknickbank torende een heus boek boven alles uit: ‘Verdwenen Zoute-Waregem’. Op het gras ernaast krulden enkele bladen op. Wellicht uit dat boek. Verbaasd plukte hij het ding er even uit en bladerde wat. Het ging inderdaad ook over de naam op dat bord. De ontbrekende bladzijden lagen blijkbaar op de grond. De chauffeur haalde zijn schouders op, propte het boek terug in de vuilnisbak en wreef zijn handen grondig schoon aan zijn broek.  

Toen de dansmariekes weer bij de bank verzamelden, wees er eentje: ‘Hé! Zulke bladen lagen er ook in de toiletten. Ik heb er mijn billen mee afgeveegd, want er was niks anders.’ ‘Hé: ik ook!’ ‘OMG: Ik ook! Ik herken die foto!’

Toen de chauffeur voor de tweede keer zijn handen schoon had geveegd en zich omwendde om weer uit de struiken te verschijnen, verstijfde hij even. Dertig meter links van hem stond een man in bidhouding met zijn hoofd tegen een boom geleund, zo leek het, half naar het parkeerterrein gekeerd. Of stond hij ook te plassen? Maar… met zijn armen naast zich hangend? Misschien glurend naar de dansmariekes bij de picknickbank? Het zonlicht van juni ketste even af  op iets dat uit zijn bovenzak stak.     

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:20 Stuur door

Meer van VRESELIJKE VERHALEN

↑ Terug naar de berichten