Naar de inhoud

VRESELIJKE VERHALEN

JORIS DENOO
akke.beakke.be

Archief

Blonde woede

BLONDE WOEDE

Hij hield van zwart haar. Toch viel hij twee jaar lang op blond: een klassiek blond, halflang bobkapsel. Intens mooi. Genre femme non-fatale. Maar niet wanneer haar kin boekdelen sprak. De momenten waarop ze hem haatte uit de grond van haar hart werd haar kin een lelijk bakkes, waarbij ze zelfs de onderste batterij van haar tanden ontblootte in een soort van grimlach. Bovendien had haar hoofd, ondanks haar uitgesproken schoonheid, zo’n vorm dat hij haar op kwade dagen ‘kokkelkop’ noemde, tot haar tandenknarsende blonde woede. Ze verdacht hem er ook van dat hij het scheldwoord aan anderen verklapt had, want op haar eigen kwade dagen – o.a. de gevreesde bad hair days – meende ze het k-woord her en der in haar omgeving gehoord te hebben. Had hij haar voor de eerste keer met zo’n baalkin en grimmige tandenfalanx ontmoet, dan was hij met een wijde boog om haar heen gelopen. Maar zo gebeurde het niet. Hij liep blindelings in de val, langs lijnen van geleidelijkheid. Zoals je zijde streelt en niet beseft dat je er ook gewurgd kunt door worden.

Haar ouders hadden haar dagboek ontdekt en erin gelezen. Die vondst was het extra resultaat van een interne zoektocht naar wat verdwenen huishoudgeld, maar betekende ook ernstige collateral damage voor haar. Het ging namelijk onder andere over hem. Ze kwamen te weten dat ze verliefd was op hem, een man die twee decennia ouder was dan zij en die haar nota bene lesgaf. Ellen hartje Jens. Rood alarm. Hij werd het ook. Jens hartje Ellen.

Het was niet zo dat ze elkaar ergens ontmoetten, op een bepaald tijdstip bijvoorbeeld dat romantische zielen levenslang onthouden en soms verbinden met ‘our song’. Ze zagen elkaar eerst drie jaar lang bijna dagelijks. Jens was docent Planologie en Cartografie aan het Hoger Instituut voor Ruimtelijke Wetenschappen. Ellen was een van zijn tweeëndertig studenten. Ze had een uitdrukkelijke voorkeur voor de laatste banken en ravotte ondanks haar leeftijd graag met een drietal jongens uit dezelfde groep. Een wildebras in een jeansbroek. Ongevaarlijk handtastelijk met de jonge mannen. Haar schoonheid begon hem pas later te verblinden, halfweg haar derde studiejaar. Aanvankelijk had hij alleen maar die eeuwige blonde staart en die eeuwige lok op haar voorhoofd gezien. Anders dan de vele meiden in de groep leek ze ook haar kleine borsten te camoufleren; ze liep er meestal hoog opgeknoopt bij. Van haar benen gaf ze nooit iets prijs, hoewel ze geregeld ging hardlopen. Waarschijnlijk was ze op haar middelbare school een lastpak geweest. Er waren bijwijlen nog naweeën zichtbaar. Ze deed er niks aan om geliefd te zijn. Nee, dat beweeglijke schepsel in die eeuwige jeans droeg zeker zijn voorkeur niet weg. Toch trof Jens op een ochtend nadat haar groep met twee andere docenten op een driedaagse studiereis naar Nederland was vertrokken een kattebelletje aan in zijn correspondentiebakje in de hall: Ik mis je. E.


Het verrassende snippertje (even later gevolgd door haar relaas over de ontdekking en inhoud van het dagboek, wat zijn ego zalfde) luidde twee jaren van liefde en ellende in. Op de feestelijke diploma-uitreiking – Ellen had inmiddels de vierjarige opleiding volbracht – kogelden haar ouders hem met hun ogen neer. Er deed zich zeer uitdrukkelijk geen enkel contact voor. Dave, haar potige vriend, was wegens zijn eigen finaal feest op een hogeschool voor accountants niet aanwezig. Het verband tussen zijn vriendin en haar docent had hij altijd al interessant gevonden; meer zocht hij er niet achter – ze woonden immers ook in dezelfde streek en spraken wel eens na zijn wekelijkse sessie kickboksen in dezelfde cafés af, best leuk. Na de receptie ging Ellen nog apart met haar groep vieren, in een danszaaltje dat bij een studentencafé hoorde. Jens volgde haar, nadat haar ouders weer naar huis vertrokken waren. Ook daar floten hun de kogels om de oren, van vrijwel alle medestudenten. Ze waren immers toegetreden tot LOL, het Leger van de Ongeoorloofde Liefdes. De meerderheid van de jongelui veroordeelde de relatie; het zat er immers in dat ze extra hoge scores had gekregen voor Planologie en Cartografie. Bevrijd maar treurig reden de geliefden in zijn auto terug naar hun stad in het zuiden van de provincie – ze woonden in dezelfde lage streek. Enig wederzijds gefrunnik onderweg leidde tot moeizame achterbankseks op de parking van een verlaten Chinees restaurant.


Tijdens de eerste maanden van haar werkzoekende bestaan maakte Ellen het uit met Dave, de kerel die al drie jaar haar vriend was. Ze ging ook alleen wonen, op een door haar ouders betaald appartement. Het parkietje Frédérique hield haar gezelschap, meestal in een kooi die niet in verhouding was tot zijn futiel formaat, soms vogelvrij rondfladderend vierhoog. Jens bleef bij zijn postnucleair gezinnetje van 2,3 kinderen en een ‘meewerkende’ vrouw, die hij allerlei leugens op de mouw spelde, zichzelf sussend met de grote voorbeelden Kennedy, Mitterand en Clinton, annex regel 3 van de LOL-grondwet: ‘Liefde kent geen leeftijd’. Zijn kantoortje op het HIRW dertig kilometer verder en zijn opdrachten aldaar gebruikte hij als alibi om bij Ellen te zijn, hoewel ze meer en meer op café belandden – een gewoonte van zowel hem als haar van toen ze nog geen lid van LOL waren.


Alleen op café: oké. Met twee: maal twee. Niet gezond. De bruinebroodsweken waren voorbij. Weldra flambeerden ze het leeuwendeel van hun tijd samen in goedkope whisky – de ‘blended’ merken die cafébazen ondersteboven met zuinig verdeelsnuitje in hun zaak hangen hadden. Ze dronken te veel, rookten zich ademloos en gingen al vaker misnoegd en vloekend ieder huns weegs, boos zwerend dat ‘het’ gedaan was. ‘Het’ werd soms op verschillende wijze geïnterpreteerd, meeschommelend met het peil van hun dronkenschap. Het stappen. Het drinken. Het vrijen. Het niet-meer-vrijen. Jens werd het kotsbeu; Ellen kon er niet genoeg van krijgen. Ze had ondertussen immers een slaapverwekkende job in een administratie waar ze helemaal niet thuishoorde, omgeven door vooral oudere mannen.


Op een stormachtige valavond ging Jens haar onverwacht vierhoog opzoeken. Hij had gehoopt wat quality time samen bij haar thuis door te brengen – enkele gestolen uren vol liefde en begrip. Het moest een aangename verrassing betekenen. Surprise! De lift deed het niet. De videofoonoproep werd evenmin beantwoord. Vreemd. Bij aankomst na de klassieke trappenloop duurde het ook lang na zijn driewerf geklop vooraleer geknars aankondigde dat de deur geslaakt werd. Het verraste hoogrode gelaat van Ellen verscheen. Buiten adem legde ze uit waarom de deur op slot was. Maar waarom stond ook haar lectuurmand tussen de liftdeuren geprangd? Allemaal voorzorgsmaatregelen om te beletten dat iemand onverhoeds en te vlug naar boven en binnen zou komen, zo luidde het verward. Huisbaas… pa… Frédérique, Ellens huisparkietje, bleek namelijk niet terug in zijn kooi te willen. Het beestje kreeg af en toe de vrijheid, en kon gewoonlijk vrij vlot weer naar zijn getraliede bestaan gelokt worden. Niet zo die avond. Misschien zat de gierende wind er voor iets tussen. Ellen wrikte vlug de lectuurmand van tussen de liftdeuren terwijl Jens de appartementsdeur op een kiertje hield. Daarna doken ze ijlings naar binnen.


Noch samenwerkend gesluip noch onverhoedse uithalen noch lokmiddelen hielpen. Het pluim-V’tje Frédérique bleef koppig van uithoek naar uithoek fladderen, tot in de slaapkamer toe, waar wegens een foutieve levering nog geen deur voor voorzien was. Het bakkes van Ellen sprak boekdelen. Ze wou weer dringend gaan stappen, maar die stomme vogel belette dat. Molenwiekend en wapperend met haar handen bewaakte ze de toegang tot haar slaapkamer. Bij een bijna-botsing keek Jens haar doordringend aan en detecteerde een whiskykegel. Ze had alweer gedronken. De overspannen grijns op haar gezicht leek ook op hem betrekking te hebben – er hing gevaarlijke elektriciteit in de lucht. Naarmate de vogel zegevierde, groeide ook de vijandigheid tussen de geliefden.


‘Je wil er duidelijk weer dringend vandoor hé? En ik die dacht… ‘
‘Ik voel me hier soms… gekooid.’
‘Waarom wil je ook zo’n stomme vogel hier hé!?’
‘Dat moet hier godver niet lang meer duren! Jij de living en de keuken, ik de slaapkamer. Ik wil niet dat hij hier... Godver… ’
Wanneer ze de godvers bovenhaalde, daalde ze pijlsnel in zijn achting.
‘Dom pluimvee…’, hijgde hij, stuiterend door de woonruimte.
Eigenlijk was dat voor haar bedoeld.
‘Verdomde vogel… ‘
‘Kom… fwiet fwiet… kom Frédérique!’
Als boksers in de ring dansten ze om elkaar heen, maar dan in een idiote variant. De vogel was een symbolische prooi geworden; wie hem het eerst kon pakken, zou de komende uren heersen.
‘Kunnen we niet rustig afwachten tot… ‘
‘Zeg, ik zit hier al de hele avond hé… ‘
Een ola van blonde woede golfde eensklaps over haar ruggengraat.
‘Ik wil maar helpen hé.’
‘En ik heb dorst.’
‘Zin om weer te gaan stappen, bedoel je.’
Abrupt weer weggaan bood geen oplossing. Dan zou ze er wis en zeker alleen op uit trekken. Hij vermoedde zelfs dat ze wel vaker in haar eentje ging stappen.
‘Drinken we hier eerst iets?’
‘Pak maar.’
Ze hupte omhoog, graaide onhandig in de lucht en struikelde over de lectuurmand, die ze daarnet plompverloren midden in de woonkamer had neergepoot.
‘Au! Godver… ‘
‘Wil jij iets?’
‘Nee, ja, om het even.’
‘Ja, maar… Wat is het nu?‘
‘Help je nog, ja?’
Weer die grijns. Hoe kon iemand die zo mooi was plotseling zo lelijk worden. Hij klemde zijn lippen op elkaar teneinde het woord ‘kokkelkop’ niet te laten ontsnappen over de eindstreep van zijn mond, want dan zouden alle rapen gaar zijn.
‘Rustig! Ik ben er hé! Rustig.’
‘Rustig?? Hoe origineel. Heb je dat uit een film?’
‘Het is maar een vogeltje hé!’
‘Frédérique! Hier! Hier!’
Haar stem sloeg over; er stak een hese krop van woede in. Opstandig liet Jens zich in een kuipstoel zakken.
‘Geef je het op, ja?’
‘Hij vliegt er wel vanzelf weer in, die onnozelaar.’
‘Dan kunnen we zo weg. Eindelijk.’
‘Dus je zou er vanavond toch alleen op uitgetrokken zijn?’
‘Het is een vrij land. We hadden toch niet afgesproken?’
‘Dan had ik hier aan de deur gestaan… ‘
Ze keek hem drie seconden lang doordringend aan, stak tergend langzaam een sigaret op en plofte dan in de andere kuipstoel neer. Spotvogel Frédérique zeilde tussen ze in kwetterend naar de slaapkamer. Ellen sprong op en gooide haar sigaret in de asbak.
‘Ik ga wel! Ik weet waar hij gewoonlijk…’
‘Kijk: die heeft meer geluk dan ik. Hij kent al goed de weg. Is het eigenlijk een mannetje?’
‘Wat bedoel je daar nu mee?’
‘Pff… We kunnen het hier toch ook gezellig maken?’
‘Gezellig?’
‘Wel ja… ‘
Ze verdween hoofdschuddend naar de slaapkamer.


Jens fouilleerde zichzelf op sigaretten, maar vond er geen. Hij grabbelde haar sigaret uit de asbak, inhaleerde tweemaal na elkaar en gooide die terug. Ze gloeide nog eens extra op, want er kwam nu plotseling tocht vanuit de slaapkamer. Ondertussen was Ellen weer verschenen, net op tijd om hem daarbij te betrappen.
‘Ik heb mijn pakje in de auto laten liggen.’
‘Kun je het niet gaan halen?’
Ze maakte geen aanstalten hem er een uit haar eigen pakje aan te bieden. Hij zakte terug in zijn kuipstoel en monsterde haar gezicht. Ze antwoordde weer met een grimlach, die dreigend over haar tanden droop.
‘De vogel is dus gevlogen,’ probeerde hij.
‘Ja,’ zei ze, met die korte heftige klemtoon die hij als een waarschuwing diende op te vatten.
‘Misschien is hij gaan slapen, hè hè. Wat doen we nu? Gaan we nog… ‘
Met een langgerekte zucht blies ze rook uit en deponeerde de sigaret weer netjes in de asbakgleuf. Even dwaalde zijn blik over haar bescheiden welvingen onder haar trui.
‘Misschien een film?’
Ze knikte en knikte niet. Ze zwegen.
‘Ivan van de Botchka geeft een vat vanavond,’ zei ze plotseling, weer levendig. ‘Voor de linksdrinkers. Very happy hour, tot het op is. We moeten ons haasten willen we erbij zijn.’
Ze schoof met een ruk naar het randje van haar stoel op, terwijl Jens gemaakt kreunend dieper in de zijne wegzakte.
‘O nee… ‘
‘And it’s a school night,’ meesmuilde ze spottend. ‘Komt ook uit een film.’
‘Wat moet ik doen om… ‘
‘ … om wat?’
‘… om… het wordt te veel… om… een normaal leven te hebben… cafés… bah... Het is woensdagavond! Kunnen we niet… En ik wou je gewoon eens verrassen…’
‘Wel, verras me dan en vang die vogel. Je bent toch lesgever Planologie en Cartografie?’ zei ze plotseling heftig, knikkend naar de slaapkamer.
Jens negeerde de sneer.
‘Blijven we dan hier vanavond?’
‘Als je Frédérique kunt pakken.’
‘It’s a deal. Alweer uit een film.’
‘Wel dan.’


Ellen peddelde met haar voeten haar stoel richting tv en knipte het vroege journaal aan. Hij bleef haar nog even stout aanstaren, maar ze keek star voor zich uit, blindelings naar haar sigaret in de asbak tastend.


Jens stond op en ging naar de slaapkamer, de afwezigheid van een deur vervloekend. Tot zijn stomme verbazing stond het grote raam naast de brandtrap open.
‘Maar waarom heb je… Hoe komt… ‘
Er kwam geen reactie uit de woonkamer.
Hoe was dat nu mogelijk? Verdomde kokkelkop. Het gevederde serpentje zelf zat uitdagend boven op de gordijnrail. Zijn kraaloogjes hielden hem hooghartig in de gaten. Jens stapte omzichtig naderbij, zakte door zijn knieën en pakte blindelings het hoofdkussen van het bed. De vogel keek belangstellend toe, nog niet beseffend dat zijn laatste minuut waarschijnlijk geslagen was.


Ellen keek opzij bij de eerste doffe klap.
‘Dat was het dan,’ dacht ze.


Ze deed een laatste haal aan haar sigaret. Na de tweede klap, vergezeld van een gesmoorde schreeuw, haastte ze zich tandenknarsend naar de slaapkamer. Een verschrikt kwetterende Frédérique scheerde rakelings langs haar hoofd, recht zijn kooi in de woonkamer in.


JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 10:12 Stuur door

Verkleurmannetjie

VERKLEURMANNETJIE

Erika behoorde tot een familie waar ze bang waren voor verandering en zelfs te bedeesd waren om dood te gaan. Ze wilden dat elkaar niet aandoen: het verdriet, de kosten. Dus bleven ze rustig doorgaan met leven, tot ze een stuk in de negentig werden, en plotseling uitflakkerden als een kaars in een onverwachte bries. Dat scheelde. Je had dan immers bijna geen vrienden meer van dezelfde leeftijd. Bovendien was je nageslacht ondertussen ook al zo’n onoverzichtelijke reutemeteut geworden dat het er allemaal niet meer toe deed. Komen te gaan in het zicht van die magische honderd kaarsen en dat glas cava, maar die kaap net niet ronden, was mooi, edel en menselijk, de naam ‘sterveling’ waardig. Perfectie is namelijk saai. En ‘eeuweling’ klinkt als een gerimpelde aardappelsoort. De daaropvolgende omschrijving is ‘mummie’.


Erika bleef dus maar leven, nadat haar tweede wettelijk geregelde man naar een buitenland vertrokken was om er een B & B te beginnen met een groen blaadje. Haar ‘eersteling’ – klinkt ook al als een aardappelsoort – was in de gruwelijke jaren tachtig tot de ontdekking gekomen dat hij eigenlijk voor de herenliefde was. Onbemand is onbemind: Erika ging naadloos over in een volgende vent. Uit dat tweede huwelijk sproot een spruit voort: Jasper. Hij was een jonge schaakbelofte die zijn koning definitief neerlegde na een foute fuif (sangria, punch) aan het einde van zijn puberteit. Door zijn geletterde liefde voor het keuzevak Zuid-Afrikaans aan de universiteit verkaste hij vrijwel onmiddellijk na zijn hogere studies naar Pretoria, waar hij een baantje aan de ambassade versierde, in afwachting van een meer avontuurlijke job in het land van Boeren, Kaffers en Zoeloes. In zijn vrije tijd was hij alvast golfballenraper. Kwestie van netwerken. Na een korte periode van stressballetjes, chocolade en sherry verzoende zijn moeder zich met de situatie. Ze ging vervroegd met pensioen na een driekwart carrière als docente Transfiniete Wiskunde aan de Vrije Hogeschool voor Econometrie omwille van werkdruk, verslagenterreur en vergaderzucht. Erika kon dus rustig en alleen ouder worden, zoals het in de genen van haar familie ingebakken zat. Dat was althans de bedoeling. Misschien kon ze nog een boek schrijven. Afrika bezoeken. Een boomgaard beheersen. Thaïs leren koken.


Wie is Wie?
Uitgeverij DNO
Korte biobiblio’s van openbare figuren uit de wereld van de cultuur, politiek, sport en wetenschap
Met thematische index
Tweejaarlijks geüpdatet
Meer dan 5 000 lemmata


Decadt, Erika. °1963, Mechelen, Vlaamstalig België. Wiskundige – Onderzoekster. Woont in Deinze, provincie Oost-Vlaanderen, België. Docente TW/Transfiniete Wiskunde (VHE Gent). Publicaties: Vallen voor getallen, 1999, Cijfer je weg, 2001. Onderzoek naar verband linkshandigheid en talent voor wiskunde (diverse artikelen in vakbladen). Oud-ondervoorzitster Oost-Vlaamse Jongeren Schaak Club MAT! Propagandiste voor Schaken als Schoolvak (SAS). Beschermvrouwe van de Confrérie voor Numerologie Gent. (Nvdr: geen updates meer sedert 2019).


Erika was ook onbeschrijfelijk, in de letterlijke zin van het woord. Ze had doodgewone korte bruine krullen met wat peper en zout doorheen, zoals miljoenen vrouwen. Ze droeg een bril, zoals miljoenen mensen. Jurk of broek: ze weifelde net als miljoenen vrouwen elke ochtend voor haar kleerkast tussen deze twee simpele westerse mogelijkheden. Ze was niet groot en niet klein, niet dik en niet dun. Haar kleuren liet ze bepalen door de seizoenen, ook al regende het godgenageld haaientanden in de zomer en was het in december godverongelukt veertien graden Celsius. Erika was zo’n vrouw van dertien in een dozijn: onschadelijk aanwezig, een ‘men’ onder de mensheid, een doodgewone ‘zij’ onder de zijachtigen. Niemand zou het haar nageven dat ze twee echtgenoten achter de rug had en af en toe met een golfballenrapende zoon in Zuid-Afrika skypete.


Voor 5 € lidgeld per jaar werd Erika Decadt een bijna wekelijkse klant van de stadsbibliotheek. Aanvankelijk snuisterde ze nog in de afdeling met boeken over haar vroeger vakgebied. Daarna liet ze haar ogen reizen over boekenruggen met titels als Wit vuur, Thuishaven, Het Bernini Mysterie, Dinsdag is voorbij, Verzoeking, Vuurtorenwachter, Bezeten van mij en Het huis met de schaduw. Toen ze na enkele weken whodunit lectuur genoeg had van die bladvulling en ook helemaal niet meer wou weten wie het gedaan had (de butler, de buurman, de stiefzoon), verkende ze andere fictieve werelden. Het Vlaamse literaire compartiment met werk van Flauwekulmans en Flannoeye (zoals haar oud-collega Niels van Communicatie & Taal ze gewoonlijk noemde) en nog enkele andere gehypete tafelspringers sloeg ze over. Idem dito voor het peloton Peter Espe-epigonen (… weer iets van Niels), de zogenaamde ‘misdaadauteurs’ Na die eerste portie had ze er genoeg van. Ook de hobbyboeken negeerde ze ongenadig. Haar keuken en haar tuin waren immers net als hun eigenares onbeschrijfelijk in hun gewoonheid. Geen vrijetijdsdiva zou daar op glanzende bladspiegels verandering in kunnen brengen. Uiteindelijk gaf ze zich over aan de willekeur van het alfabet, systeem volgens hetwelk de lijvige middenbeuk van de bieb geordend was. Op een muisgrijze dinsdagnamiddag met eindeloze motregen greep ze naar Joyce, Rachel in snuistergang nummer 7. Het boek dat ze uit de slagorde plukte, was getiteld ‘De onwaarschijnlijke reis van Harold Fry’. Het woord ‘onwaarschijnlijke’ haalde haar over de streep. Ze las de achterflap en bladerde even – zoals de meerderheid van de mensheid met boeken en magazines doet – van achteren naar voren. Het ging over een oudere man die totaal onvoorbereid en in een vreemde opwelling een eigenaardige voettocht door Engeland onderneemt, waarbij hij de fouten uit zijn voorbije leven overdenkt. Een tweetal superlatieve citaten uit slimme kranten moesten de potentiële lezer overtuigen. Net voor Erika besloot het boek te ontlenen, ontdekte ze tussen de bladzijden 73 en 74 een achtergelaten bladwijzer. Dacht ze. Het was iets meer.
Erika keek verbaasd om zich heen, alsof ze zich er van vergewissen wou dat er haar geen flauwe grappenmaker van tussen de rekken stond gade te slaan. Of zo’n billenkletsende droplul van een of ander candid camera programma. Maar dit kon niet, dacht ze, dit was onmogelijk. Ze schudde onmerkbaar haar hoofd. Niemand ter wereld kon voorzien dat ze nu net dit boek… Ze was zelfs nog niet zo lang geleden lid geworden van de bibliotheek. Weer spiedde ze om zich heen, haar linkerwijsvinger als extra bladwijzer tussen bladzijde 73 en 74 van Rachel Joyce’s boek geklemd. Vijf gebogen ruggen over kranten en magazines in de leeszaal bij de balie. Twee dames achter die balie. Een lerares met zeven schoolkinderen aan de uitleencomputers. Tussen de boekengelederen in de middenbeuk twee mannen en een vrouw met scheve hoofden aan het koppensnellen langsheen de titels. Aan één tafeltje naast de middenbeuk een allochtone jongen die hardop mompelend uit een dun aanvankelijk boekje las. Een vrouw die net door de toiletdeur verdween. Nog een vrouw die een karretje met boeken voor zich uit duwde. Iedereen geconcentreerd met zijn eigen zaken bezig. Niemand in de zithoek met magazines. Motregen op de lichtkoepel tussen boekenboulevard 7 en 8. Nee. Nee dus. Geen verborgen camera; geen gegluur; geen gegrinnik. Alleen de gedempte dofheid van een grijze dinsdagnamiddag.


Even overwoog Erika om met de vreemde buit naar de balie te stappen om opheldering te vragen. Ze annuleerde de gedachte vrijwel onmiddellijk weer. In plaats daarvan onderzocht ze nog enkele aanpalende boeken bij de letter J, af en toe even rondglurend of er misschien toch geen breed glimlachende man of vrouw op haar afstapte, microfoon in de aanslag, gevolgd door een cameraploeg. Malalai Joya, ‘Een vrouw tussen krijgsheren’. Eddie Joyce, ‘Gelukkig als we zijn’. Natuurlijk ook James Joyce, zijn bekende ‘Ulysses’ op drie hemelsblauwe exemplaren. En nog een James Joyce, veel dunner dan zijn meesterwerk. Erika telde ongeveer 320 titels waarvan de achternaam van de auteur met een J begon. Wellicht waren er ook enkele uitgeleend. Na zes steekproeven stopte ze. Het bleef bij dat ene boek, maar ze kwam tot het besluit dat het gelukkige toeval of het lot haar gunstig gezind was. Aan de batterij computers bij de balie scande ze haar boek in, printte het ticket en ging naar huis, 50 000 € rijker.


Het Lotto Winnaars Begeleidingsteam had het goed uitgekiend. Het gehalte aan ‘random’ moest gerespecteerd worden. Lotto was immers puur kans en toeval. Dat moesten ze zien te kopiëren, teneinde het gedrag van winnaars te kunnen bestuderen. De letter J was zo’n bescheiden letter. In het woordenboek vormden de woorden met de beginletter J een klein compartiment. Dat gold ook voor achternamen, zelfs internationaal. Dus werd voor boekenboulevard 7/8 gekozen, toevallig ook nog onder een van de lichtkoepels. Om de kans op ‘winst’ toch ietwat te verhogen, werd bovendien het boek van Rachel Joyce uitverkoren, dat zich onmiddellijk rechts bevond van de drie exemplaren van ‘Ulysses’ (… die wellicht niemand zou ontlenen: de lijvige wereldklassieker was zo bekend om zijn moeilijkheidsgraad dat niemand hem las). ‘De onwaarschijnlijke reis van Harold Fry’ werd in 2012 gepubliceerd; het betrof dus nog een tamelijk recent boek. In de K-rij er vlak tegenover werd een minuscuul cameraatje ingewerkt, gecamoufleerd door een vignet met cijfer- en lettercode op zoals er zoveel op de rekken te zien waren. Tussen de bladzijde 73 en 74 van het bewuste boek (mensen waren geneigd bij een eerste verkenning van achteren naar voren te bladeren) deponeerde men een reeds geschraapt winnend krasbiljet van 50 000 € – alsof een verstrooide lezer (en gelukzak) het biljet daar verstopt had teneinde het zeker niet te verliezen, maar het dan later toch door een of andere omstandigheid vergeten of ‘verloren’ had. Verder het spoor volgen was een fluitje van een cent: de boekenwurmen moesten immers hun identiteitskaart invoeren vooraleer ze de ontleende boeken scanden. Bij onthulling of ontdekking zou het gelukkige ‘slachtoffer’ hoogstwaarschijnlijk geen protest aantekenen in verband met schending van privacy: het krasbedrag was integraal voor het proefkonijn en smoorde verder alle vervelende bedenkingen hieromtrent. Bovendien hielp men bij een onderzoek waardoor het Lotto Winnaars Begeleidingsteam in de toekomst de geluksvogels beter hoopte te begeleiden. Er waren al te veel drama’s gebeurd door plotseling geldgewin.

Erika Decadt werd dus nog verder in de gaten gehouden. Maar dat wist ze niet. Ze had het boek van Rachel Joyce gelezen en gehoopt dat er ergens een verklaring in te vinden zou zijn voor haar ontdekking. Dat was niet echt het geval, hoewel het een prachtig verhaal betrof over iets onwaarschijnlijks. Misschien was het dàt wel. De oud-docente Transfiniete Wiskunde kreeg er herhaalde keren een krop in de keel van. De eerste dagen na haar ontdekking bleef ze wel op haar hoede. Ze verliet haar huis alleen wanneer het strikt noodzakelijk was, want betrouwen deed ze het zaakje nog niet helemaal. Ze wijdde ook gedachten aan de onfortuinlijke mens – de vorige ontlener van Harold Fry’s onwaarschijnlijke reis – die nu 50 000 € misliep. Moest ze die laten opsporen? En dan een vindersloon claimen? Pas na een week ging ze naar een krantenshop om de procedure van uitbetaling op te starten. Vijf dagen later was het bedrag op haar rekening overgeschreven. De zaak was rond. En Erika voelde eigenlijk geen wroeging. Het lot had gunstig toegeslagen.


Een oud-docente Transfiniete Wiskunde, tevens bekend publiciste op haar vakgebied, was echter niet het gedroomde proefkonijn voor de test van het Lotto Winnaars Begeleidingsteam. Alleen de bruine krulletjes met wat peper en zout bestrooid, de bril en de kleren waren doorsnee. Dat klopte. De rest niet. En zie: de vogel ging zelfs vliegen. Letterlijk: na enkele gedane zaken vloog Erika Decadt naar Zuid-Afrika, onderging er een complete make-over, bereidde zich ten huize van haar zoon Jasper en diens vriendin Adenike stilletjes voor op een nog ingrijpender make-over, namelijk een penisloze geslachtsverandering, en verdween definitief van de radar. Ze keerde zelfs niet meer terug naar Deinze.


‘Ze ondernam haar eigen onwaarschijnlijke reis,’ luidde het bij het testteam.
‘Oppassen voor dametjes met krulletjes.’
‘… die de priemgetallen en de integralen beheersen… ‘
‘Misschien moeten we voor onze volgende test een ander boek kiezen.’
‘Een huis-, tuin- en keukenboek.’
‘Of een Aspe.’


Decadt, Walerik. 1963, Mechelen – 2063, Pretoria. Wetenschapper. Woonachtig in Pretoria, Zuid-Afrika. Voorzitter vereniging Anders in jou vel. Oprichter aldaar van het transgender tijdschrift Verkleurmannetjie. Publicatie: Op je tellen passen. Transfinitief transmasculien (2020).


Walerik Decadt stierf een dag voor zijn 100ste verjaardag. De oude man werd in zijn rolstoel door zijn kleinzoon Jaco naar zijn verjaardagsfeest gebracht, maar werd overreden door de bestelwagen die zijn verjaardagstaart kwam afleveren.


JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 11:20 Stuur door

Blinde vink

BLINDE VINK

Hoewel de grote dichter halfstok hing, ratelde hij er lustig op los. Een magere één meter negenennegentig verboog zich werkwoordelijk tot een magere één meter tachtig en werd aldus een koortskromme van speeksel en zweet en woorddiarree, gestut door een groteske staande microfoon. Het hoge slungelgehalte had hem altijd al de sympathie van het poëzieminnende gild opgeleverd. Bovendien rookte hij dapper vooruitstrevend wiet waar hij niet geheimzinnig over deed. Hij had er zelfs al de grens van zestig mee overschreden. Eigenlijk luisterde men niet naar de dichter. Nee: men hoorde hem ratelen. En dat werd gesmaakt. Men aanhoorde hem.


Na hem en het applaus van de begripvolle goegemeente verscheen zo’n grofgebekt gedichtenwicht op het podium, waarvan je er heden ten dage dertien in een dozijn had. Ze droegen bij voorkeur rokken, probeerden retrogewijs net niet en net wel op hun grootmoe te lijken, hanteerden een soortement modieus geacht mottenballentaaltje en stoffeerden hun ‘optreden’ met gebaren en bewegingen die ze gestolen hadden van moderne dansgezelschappen en geschifte performances van has-beens en would-be’s.

Kwinkelend, schuifelend en vedelend spoog de dichteres – een obees kind van ongeveer tweeëntwintig lentes – haar rijmen de zaal in. Het papperige dichtwicht wenste duidelijk de vorige dichtersgeneraties te vermoorden. Dit gebeurde onder het potsierlijke pseudoniem Mimi Lily (‘een ode aan mijn tante en oma’ – dixit de dichteres). Een recensent van een kwaliteitsmagazine had haar ‘belangrijk’, ‘eigenzinnig’ en ‘veelbelovend’ genoemd. Had hij dat varkentje in haar holletje genaaid? Was Mimi Lily zijn verre nichtje? Een vriendinnetje van zijn dochter?


Ze haalde al onmiddellijk uit naar haar voorganger.

'Suskewiet / kierewiet / fwiet / fwiet / fwiet / I need no wiet / zoals die rare kwiet / kierewiet/suskewiet //'

Het verhoopte gelach bleef uit. Omdat plaatsvervangende schaamte in Glenn opwelde, concentreerde hij zich met gebogen hoofd op zijn iPhone. Zo hoopte hij deze pijnlijke sessie vlugger uit te zitten.
Brenda liet op Facebook weten dat ze bij thuiskomst haar tuintafel in drie stukken had aangetroffen. Er was een wervelwindje gepasseerd.
‘Oei. Da’s minder’, opperde een Fb-vriendin.
‘Ah, je weet het’, reageerde hierop nog een vriendin.
‘Tsss… ‘ deed een derde.
Erik struinde momenteel door Praag en publiceerde op Facebook een foto van Praag waarbij hij noteerde: ‘Praag’. Nou, die zat.
Iemand had een clafoutis gebakken, met kersen uit eigen tuin.
‘Waw!’
Ze bedoelde ‘Wauw!’
Iemand had een foto genomen van een naaktslak met een gat erin.
‘Bwèèèè!!!’
‘Ons mokske poetst al zelf haar tanden’, liet een mama weten.
‘Een namiddagje Sluis’ werd geïllustreerd met vier foto’s van het voedsel dat aldaar werd verorberd. Blijde selfiegezichten in blakende zon.
Glenn ging naar Streetview en probeerde het eilandje Gavdos te bezoeken. Dat lukte niet; de mobiele gluurders van Google waren er blijkbaar niet geweest. Aan de andere kant van de wereld belandde hij in een tentenkamp in El Salvador. Geitenhoeders? Gewapende priesters?

‘… en jullie zullen nog van mij horen’, hoorde hij het zelfbewuste ‘spoken word’ dikkerdje op het podium kwetteren. Eindelijk. Het kind had gezegd. Een schraal applausje dreef haar naar de coulissen. Iedereen stond opgelucht op.

Glenn rekte zich uit en stommelde mee de trap op met de dertig aanwezigen. Knipperend tegen het daglicht zette hij zijn zonnebril op. Boven op het dek was een bescheiden bar opgezet. De boot lag in de zeilhaven, met panoramisch zicht op enerzijds het station met het fonteinenplein en anderzijds de drukke winkelstraten met de deinende zee van hoofden en lijven. In de verte zag je een stuk strand, waar momenteel twaalf volleyballers op en neer stuiterden.

Hij merkte dat minstens vijftien mensen van boord gingen. Deel twee van Dichters uit Eigen Werk zou met een bijzonder magere opkomst te maken hebben. Nou, midscheeps zomer op een vroege valavond en in een stad die zoveel te bieden had, hoefde dat niet te verwonderen. Voor zichzelf had hij nog niets besloten. Blijven? De stad in duiken? Er waren nog twee sessies geprogrammeerd. Dat wil zeggen: een eenling die volgens het programmaboekje ‘moeilijke maar overweldigende’ teksten braakte en een jong dichterscollectief waarbij termen als ‘geweld’, ‘regelrecht’ en ‘aanval’ niet geschuwd werden. Glenn bestelde een pint en zeeg op een vouwstoel neer. Onder in de boot zou wel een vipruimte zijn, waar de optredende artiesten elkaar in alle rust konden treffen. Wat zou het obese dichtwicht de magere ouwe lat te vertellen hebben? Of omgekeerd?

‘Dicht is dicht of wat dacht je’, mompelde Glenn tegen zichzelf. Op de parallelle straat – het verlengde van de zeedijk – vlogen twee duiven door de rode lichten ter hoogte van het hoekrestaurant Neptunus. Mensen die zeevruchten prikten uit plastic bakjes struinden achteloos voorbij de poëzieboot. Die zouden nooit ofte nimmer van hun leven een dichter aanhoren, dacht Glenn, of het zou al onder dwang moeten gebeuren. Boetedoening. Een zware straf. Een dienst aan de gemeenschap. Luisteren naar een dichter opdat die niet gek zou worden en op zijn beurt aan het moorden en branden zou slaan. Holy scampi!

Glenn bestelde nog een pint, want het hoofd van een wenkende cultuurmens verscheen boven aan de trap: tijd voor deel twee. Met bedrukte gezichten daalden twaalf luisterslaven weer de trap af, op weg naar hun strafbank, waar ze geboeid moesten aanhoren wat de problemen van de dichters waren en hoe zwaar woorden wel konden wegen. Glenn bleef zitten.
‘De bar is verder gesloten tijdens de optredens’, deelde de tapman mee, terwijl hij hem zijn plastic beker met bier overhandigde.
‘Geen probleem’, zei Glenn. ‘Ik moet nog ergens anders zijn. Nog even wat blijven zitten.’
‘Oké.’
De man drapeerde een zeil over de bar en verdween ook in de ingewanden van de boot, met medeneming van het kistje met de centen.
‘Moedige kerel’, mompelde Glenn. ‘Boekhouder van de poëzie. Elke maand failliet.’

Toen verscheen eensklaps het hoofd van de wietdichter boven aan de trap, gevolgd door zijn lange slangenlijf.
‘Daglicht! Au! Niet doen!’
Hij diepte een rubberen lint uit zijn jaszak op waar een duikbrilletje aan hing met blauwe micaglazen. Hij zette dat ding op, spande het elastiek om zijn grijsblonde hoofd, ademde met geheven hoofd snuivend in en naderde de bar.
‘Hoi schipper.’
‘Dag eh… meneer Ganzenpas.’
‘Zeg maar Simon.’
‘Simon.’
‘En jijzelf?’
‘Glenn.’
‘Glenn. Dag Glenn. Valt hier een fris biertje te scoren?’
‘Eh… ze hebben de bar gesloten.’
‘Nou… en de dichter dan… potjandorie… ‘
Simon Ganzenpas reikte, ongehinderd door eender wat, met zijn ellenlange Hollandse inktvistentakels onder het zeil.
‘Daar gaat-ie… effe wrikken… ja… zo… ’
Wonder boven wonder: aan het uiteinde van de rechtertentakel die weer van onder het zeil tevoorschijn kwam, hing een volle plastic beker bier.
‘Zo,’ pufte de bekende dichter-performer, en hij zeeg ook in een vouwstoel neer. ‘Bottoms up.’
Glenn hief ietwat onbehouwen zijn beker, wachtend op een waterval van woorden van de welbespraakte Hollandse dichter die uit de buik van de boot was verrezen. Simon Ganzenpas ledigde in een hink-stap-slok zijn beker. Geluidloos, vloeiend, vlekkeloos. Dat was een omgekeerde beweging. Slikken, niet spuwen.
‘Dorst?’ articuleerde Glenn.
Simon Ganzenpas negeerde de opmerking, of hij hoorde die niet. Geconcentreerd stak hij een Gauloise op. Daarna pas boerde hij hardop.
‘Met welgemeende excuses.’
‘Geeft niet.’
‘De boeren, daar valt geen land mee te bezeilen.’
‘Ha ha.’
‘Aardige boot, weinig volk.’
‘Ja.’
‘Wie wil nou naar ons, zielenpoten, komen luisteren?’
‘Tja. Ik dus.’
‘Maar je zit nu hier. Kan ik je niet kwalijk nemen. Zie de stad. Voel dat pulserende. De vital flux.’
‘Ik schrijf zelf ook. Meer dan hobby.’
Weer reageerde Ganzenpas niet. Helemaal niet. Het bleef een minuut lang stil. Glenn vond het vervelend dat hij de ogen van Simon Ganzenpas niet kon zien. Dat gekke blauwe duikbrilletje verschafte de dichter misschien wel panoramische luwte, maar omgekeerd ontnam het de toeschouwer elk zicht op de zaken.
‘Ik heb genoten van uw optreden. Indrukwekkend.’
‘Ach.’
De ouwe dichter stond kwiek op en toverde andermaal een pint van onder het zeil.
‘Jij ook?’
‘Graag.’
Het zou deze bekende dichter-performer wel vergeven worden door de poëziepolitie. Wellicht was dit in zijn honorarium inbegrepen.
‘Geen schuld, geen wroeging’, grinnikte Simon, alsof hij Glenns gedachten had gelezen. ‘Feest in de haven.’
‘Ha ha.’

Ze hadden het dek verder voor hen alleen. Van beneden steeg af en toe een poëtische brul omhoog, waar blijkbaar niet op werd gereageerd. Vier pilsjes later verlieten ze de poëzieboot. Glenn zou de Hollandse dichter de Vlaamse zeestad laten zien, door een blauw duikbrilletje. Er liepen op deze zomeravond wel meer rare kwieten rond.

‘Nou, onmiddellijk raak! Bull’s eye!’ riep Simon verheugd.
‘Met voorbedachten rade hé’, lachte Glenn.
Na amper twee minuten stappen waren ze op een pleintje beland waar een jaarlijks vijfdaags feest aan de gang was.
‘De Petrusfeesten’, zei iedereen. Meervoud.
Sommigen noemden het de Lazarusfeesten, omwille van het debiet aan drank dat er vloeide.
‘Petrusfeesten’, las Simon Ganzenpas hardop van een affiche af. ‘Katholiek feestje?’
‘Nee. Helemaal niet. Vernoemd naar de naam van het pleintje hier: Petrusplein. Op zijn beurt vernoemd naar die kerk ginder’, wees Glenn. ‘Ze noemen het ook de Lazarusfeesten. Veel drank.’
‘Dus toch wat kerks. Maar Petrus is ook een bier.’
‘Laten we er eentje proeven aan die kraam ginder. Het Petruscomité tapt er eh… nou: Petrus.’
‘Da’s pure poëzie, man!’

Glenn bestelde twee Petrus. Er was een eerder rustig bossanova muziekgroepje op het podium bezig. Op de terrasjes voor de cafés hingen wat feestgangers te bekomen van de vorige steile nacht. Sommigen zaten te eten. Enkele kinderen speelden joelend voor het podium, waar een eenzame dronkenlap met muggenpootbenen in skinny jeans en een beker pils in elke hand op de muziek probeerde mee te bewegen.
‘Klets die maar tegen je ruggengraat, Simon.’
‘Op gastland België’, toostte de dichter. Hij kiepte zowat de helft achterover en stak vervolgens een voorgefabriceerd pretstickie op.
‘Jij ook, ruimtevaarder Glenn?’
‘Niet-roker, dank je.’
‘Dit is geen roken. Dit is godsdienst.’
‘Eentje dan. Om in de hemel te komen.’
‘Welja.’
Simon Ganzenpas klikte nogmaals een smalle blikken doos open waarin keurig naast elkaar als potloden een pelotonnetje pretpaffertjes lag te wachten.
‘Rode libanon. Blauwe jemen. Purple haze. Roze jaffa. Kies maar.’
‘Eh… ‘
‘Die hier.’
‘Dank je.’
Simon bevuurde het trompetje van Glenn en dronk de tweede helft van zijn Petrus op. Dat lange lijf van hem kon natuurlijk wat hebben.
‘Op deze rots zal ik mijn kerk bouwen. Nog een Petrus. De eerste betrof proeverij.’
Hij gebaarde dat er nog twee Petrus van doen waren. Stilaan vormden zich nu groepjes toeschouwers op het pleintje: er was gitaargeweld in aantocht. De zon was achter de Petruskerk gezonken, maar Simon hield stug zijn duikbrilletje op.
‘Moet je niet terug naar de boot, Simon?’
‘Nee. Alles afgehandeld. En jij? Geen zin meer?’
‘Wat nog volgde, was puberteit. Nee.’
‘Ha ha.’
‘Heb je… Heb je met Mimi Lily gesproken in de coulissen?’
‘Willy Wie?’
‘De volslanke dichteres die vlak na jou kwam. Mimi Lily… Ik krijg het haast niet uit mijn bek.’
‘O, heet die zo. Nou nou. Van zo’n naam kun je doodgaan.’

Meer had de dichter blijkbaar niet te vertellen over het dichtwicht. Glenn vroeg zich af hoe het eraan toeging, in de vooronders van de literatuur, waar de schrijvers-concurrenten op een hoopje zaten te wachten tot het hun beurt was om twintig minuten beroemd te zijn. Communiceerden ze in alexandrijnen met elkaar? Sloegen ze elkaar met boektitels om de oren? Pochten ze met hun vertalingen? Zo’n Simon Ganzenpas zou natuurlijk altijd en overal de hoofdclown van het gezelschap zijn. Die kon makkelijk hele zalen entertainen, waarbij de poëzie zelfs ver heen was.

‘Wat dreef je naar de poëzieboot?’
De dichter had een vraag afgevuurd.
‘Eh… Ik eh… Ik schrijf wel es wat’.
‘O.’
Hoeveel keer zou Simon Ganzenpas dit al niet gehoord hebben.
‘Maar ik heb de boot gemist. Ik bedoel… ‘
‘Ja ja, ik snap het al.’
‘Jij daarentegen… ‘
‘Daarentegen… Mooi woord… Kan ik het lenen?’

Aan het Petruskraampje werden twee dichters dronken. Een bekende en een onbekende. Niet dat de bekende werd herkend. Nee: het was eerder de onbekende die af en toe werd aangesproken of gegroet.

‘Wat is het meest Vlaamse dat er bestaat?’ vroeg Simon plotseling.
‘Een vinkenzetting’, antwoordde Glenn fluks.

Hij probeerde zijn tijdelijke drink- en rookbroeder uit te leggen wat dat inhield, boven het lawaai van de gitaren uit, die inmiddels het podium hadden ingepalmd. Simon Ganzenpas luisterde met getuite lippen en vaag knikkend, zijn lange lijf gekromd boven een zoveelste Petrus, die hij als een heilige kelk in zijn rechterhand hield, terwijl van tussen de vingers van zijn linkerhand de wierook omhoog kringelde.

‘En, als ik vragen mag: wat is het meest Hollandse op deze wereld?’ vroeg Glenn op zijn beurt overmoedig, terwijl hij Simon Ganzenpas recht in de blauwe duikbrilogen keek. ‘Bitterballen in Volendam? Een mager Heineken op een woonboot? Boerenkool en erwtensoep in een krappe keuken zonder gordijnen aan de vensters?’

‘Blinde vink!’ riep de dichter, eensklaps boos. ‘Suskewiet / kierewiet / fwiet / fwiet / fwiet/ I need no wiet / zoals die rare kwiet/ kierewiet / suskewiet!’

Hij patste zijn glas op de toog, schoot zijn peuk weg, haalde van ver uit en knalde met zijn rechtertentakel pardoes midscheeps op de snuit van Glenn, Hij Die Wel Es Wat Schreef. Niemand keek speciaal op toen een lange halfblinde slungel met vreemd gewapper en gefladder van handen en armen zijn drinkmaat een optater gaf en daarna driftig op zijn hoge stelten weg beende, terwijl de aangeslagene de kasseien van het Petrusplein kuste en besprenkelde met wat bloed. Dit waren immers de Lazarusfeesten. Ze waren hier wel wat gewend.


Joris Denoo/Sjors DNO

Geschreven door Joris Denoo om 10:52 Stuur door

Het eeuwige leven

HET EEUWIGE LEVEN

Ik zag mijn vader als Romeins soldaat opdraven in de Credostoet in Torhout ergens beginjaren ’60 van de vorige bloederige eeuw. Wat geschied is: geschiedenis. Maar Jezus was er ook bij. Dus: gewijde geschiedenis. Vroeger een vak apart op sommige scholen, toen we nog niet eens olijven aten.


Romeinen – inwoners uit de latere ‘Eeuwige Stad’ – waren half-textiele half-metalen half-lederen half-blote types die riolen en slaven hadden. Sommige aten gebraden relmuizen en duiventongetjes. Andere waren ondervoede eters van graanpap en magere slurpers van wijn-met-water. Soms zelfs zeewater. Vaak werd lood gebruikt voor bekers en stopsels. Wat ook geschiedde: loodvergiftiging.


De ergste katholieken uit mijn stadje waren de eerste kandidaten om de rol van Romeins soldaat te spelen in de Credostoet. Je moest er wel een lichaamslengte voor hebben van minstens 1 meter 80. De bloedende Koning der Joden werd vertolkt door Toon, de meest fundamentalistische en kerkse rooms-katholiek uit het stadje. Hij bereikte niet de vereiste 1 meter 80, maar dat was niet nodig: hij strompelde permanent gebukt onder zijn dwarshout. Zijn lichaamsgewicht betekende dan weer een voordeel. De rol van jonge Jezus (met een neplammetje om zijn nekje gedrapeerd) ging naar het zoontje van de schooldokter. Zowel het schaapje als het zoontje beschikten over krulletjes. De uitverkoren kindertjes die in zuiderse gewaden gehuld (meestal betrof het hier hun eigen slaaptextiel) rond de jonge doktersjezus mochten huppelen, zoontjes van die ergste katholieken met dunne geschminkte bruinverbrande benen, stierven later al vlug door drugs, drankmisbruik en verkeersgeweld. De meeste van die Romeinen uit de jaren ‘60 gooiden mettertijd hun lans in de arena en gingen dood door overdadige inname van fout vet en nicotine.

Het leven kan loodzwaar zijn.

Het leven kan in rook opgaan.

De vetpotten uit de jaren ‘60 waren net zo goed gifbekers.

Niemand heeft het eeuwige leven.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 17:12 Stuur door

Kop-en-schotel

KOP-EN-SCHOTEL

De docente Ethiek en Deontologie verlegde graag eens haar grenzen. Zo beklauterde ze vrijwel naakt Zwitserse pieken, raasde ze in Polen op vreemde scooters van hellingen af en hupte ze geblinddoekt van bruggen in Hongarije. Toen ze zowat alles al had gehad, vertrouwde ze haar collega Eric eens toe:
‘Ik zou graag eens water likken uit een schotel of een kom op de grond, zoals een hond dat doet. Ik wil weten of dat gaat, en hoe dat voelt.’
Eric knikte begrijpend, zich gelijk afvragend waar het verband lag met een van haar vakken op de hogeschool. Dat ze wel graag eens lot en lijf tartte, wist hij wel. Maar een schoteltje water?
‘Moet er geen cola in?’ opperde hij guitig. ‘Of bier?’
‘Het gaat ‘m om én de schotel én het water,’ repliceerde Eva streng, te streng in verhouding tot het onderwerp.
‘En om het gevoel daarbij?’
‘Ja. Een stukje hondenleven ervaren.’
‘Allez … ‘
Meer kwam er niet uit bij Eric. Men ging dan maar zijns weegs, zich kwijtende van de dagtaken.

Maar het plaatje bleef Eric de hele week achtervolgen. Het kopieerde zichzelf voortdurend in de lichtbak van zijn hoofd.

< Eva op handen en knieën – haar staartloze kont rees de hoogte in bij het oplikken – haar tong krullend om het ongrijpbare – kon ze wel slikken in deze hou- ding? – halsband?? >

Tiens, ze had bij haar verzuchting niet gerept over kleren. Hield ze die dan aan of speelde ze echt voor hond? Zou een natuurvachtje volstaan? Een simpel velletje van het evakostuum? Dat wou hij haar bij gelegenheid wel eens vragen. Hij had altijd al een meesteres in haar vermoed – geen slavin. Misschien wou ze de keerzijde van de medaille eens meemaken. Deed iemand haar muilkorf af, de lijn voortdurend strak aantrekkend? Snoerde de halsband haar daarbij net niet de adem af? Diende er ook geblaft te worden? Kwispelstaartte ze? Hield ze van brokjes?

Stilaan werd het plaatje een volwaardig stripverhaal.

Toen Eric op een keer de ad-valvas mededelingen stond te lezen in de vitrines van de hogeschoolhal zag hij haar naam staan. Hij realiseerde zich dat ze voluit Eva Dhondt heette. Nou nog mooier. Dat dit pas nu tot hem doordrong. Knullig. Hij kende haar al jaren als collega in het instituut.
Diezelfde middag zag hij haar in het schoolrestaurant goulash uit haar bord scheppen en naar haar mond brengen. Ze gebruikte alleen een lepel. Hij zat te ver van haar verwijderd om hardop gedachten aan hondenvoer te ontwikkelen. Jammer, een gemiste kans.

Het duurde andermaal geruime tijd vooraleer Eric nog maar eens door een opwindende? vreemde? gedachte werd bezocht – dom van hem om daar niet eerder bezeten door te zijn. Het ging ‘m hierom: waarom had Eva haar verzuchting niet doodgewoon stiekem thuis waargemaakt en er verder met niemand over gepraat? (… en waarom uitgerekend wel met hem?) Solliciteerde ze misschien naar wat publiek? Een (mannelijke) toeschouwer? Hoopte ze een en ander in scène te zetten – met hem? Of wachtte ze gewoon tot haar volgende dronkenschap, waarbij ze zich ongeremd kon overgeven aan… ?
Stilaan verzamelde Eric materie voor een heel colloquium – thema: Eva.
Een van de hamvragen was ook: had ze nog anderen van haar wens op de hoogte gebracht? Dat viel moeilijk te enquêteren. De ondervrager liep kans vlugger gek verklaard te worden dan het onderwerp van zijn vragenronde.

‘Bent u de laatste tijd aangesproken door een bloedmooie, grensverleggende vrouwelijke collega die de wens uitte om op z’n hondjes water uit een schotel te likken?’

Wanhoop begon Eric in te palmen. Eva bestond het verder te bestaan zoals ze altijd al had bestaan. Telkens als zich een mogelijkheid aanbood nog eens naar De Grote Verzuchting te polsen, gaven andere factoren die mogelijkheid een schop: een derde collega daagde onverhoeds op, of Eva was net bezig met ernstige hogeschoolvosserij, of een bel begon oorverdovend te rinkelen, of een student klampte hem of haar plotseling aan, of zo’n ellendige smartphone trilde, of … of … Het lukte simpelweg niet, hoe diep Eric ook ademhaalde.

Eric werd een beetje gek. Vaker dan vroeger werd hij door nachtelijke dromen bezocht. Hij werd ook meermaals betrapt op dagdromen en absences. Witte merries draafden door die dromen. Geschreeuw van een valk. Yakboterthee: hij diende godbetert yakboterthee uit een nap te proeven – het was ijzig koud, tentzeilen flapten, hij bleek poedelnaakt te zijn.

Poedelnaakt!
Het woord bestormde hem. Overal waar hij om zich heen keek, las, luisterde, deden zich hondenwoorden voor.

Joe Cocker.
Twee honden, been.
Eurodogshow.
Geen weer om een hond.

Beschikte Eva thuis over een hond? Dat ware misschien een perfecte blikopener voor vers voer. Kon hij haar dat vragen?

Voer, shit.
Daar had je het weer.
Hondenvoer.
‘Drollig’, zei iemand, en hij bedoelde: ‘Grappig’.
Het was hondgeklaagd.

Eric raakte er niet meer uit. Straks zou hij nog gaan blaffen in plaats van te doceren. Zou in middeleeuwse tijden een vrouw die als een hond uit een schoteltje likte tot de brandstapel veroordeeld worden? Ook al een goeie vraag om Eva eventueel weer op het spoor te zetten.

2005/6. De Spelling-95 onderging een facelift, na tien jaar. Eric sloeg een boekje open daarover. Lap, daar had je het weer: kop-en-schotel. Het allereerste woord dat hij las, verbijsterd. Nieuwe spelling.

Eva maakte intussen weer grensverleggende plannen voor een nakende vakantieperiode. Ze zou, alleen gewapend met 100 dollar, de eindeloze USA doorkruisen coast-to-coast.
Greyhound!
Waarom trok ze godgenageld niet naar Afghanistan!? Kon ze zich door Afghaanse windhonden laten … CUT! Eric zapte zijn verknipte film weg.

Tijd voor een griepje. Eric bleef drie dagen van school weg. Netjes de tijd om wat uit te zieken. Hij verschanste zich in bed met boeken en grogs, hem aangereikt door zijn vrouw. Er viel wat koorts te meten. De verhoging kon je aan zijn ogen aflezen: die stonden treurig in zijn hoofd, een hondenblik, als van een hond die een koekje is beloofd, maar dat niet krijgt. Omdat hij niet …
Opzitten en pootjes geven!
Die gedachte deed hem zweten als een das. Dat was wat Eva van hem verwachtte! En dan, als beloning, zou zij …

‘Ziek geweest, Eric?’ informeerde Eva retorisch. Het had op de monitor in de hal gestaan. Daar werden de afwezige/zieke docenten openbaar opgelijst. Kennisgeving.
‘Bah ja, een natte neus hé.’
Het was eruit voor hij het goed en wel besefte. Eva glimlachte en spoedde zich heen.
‘Maar da’s gezond!’ riep ze nog, zich even half omdraaiend.
‘… maar niet in je blote kont,’ voegde Eric ze nog stilletjes toe. Een voorbij stappende studente keek hem verbaasd aan.

Vlak voor het 100-dollarexperiment van Eva doorheen ettelijke levensgevaarlijke Amerikaanse staten trok Eric eindelijk zijn stoute schoenen aan. Hij achtervolgde haar net zo lang tot hij haar afgezonderd had. Er was geen ontkomen meer aan. Dan vuurde hij zijn vraag af, achteloos formulerend, maar toch met bibber in zijn stem:
‘Heb je dat nu al gedaan, Eva?’
Dat ‘Eva’ zou het ‘m misschien doen.
‘Eh? Wat?’
‘Wel… wat je een paar maanden geleden vertelde… van die hond. Ik bedoel… ‘
‘He?’
‘Dat je eens graag als een hond uit een schoteltje zou drinken, weet je ’t nog?’
‘ - - - ‘
‘Nee? Ja?’
Eva keek Eric staalhard in de ogen. Hij vond haar plotseling een vreselijk lelijke vrouw. Ze zweeg enkele eeuwige seconden oorverdovend onhoudbaar.
‘Wat zeg jij nu toch!’ zei ze, riep ze dan, daarbij vluchtig om haar heen kijkend.
‘Vind je dat niet wat geschift!?’
En weg was ze.

Eric was te verbijsterd om verbaasd te zijn. Hij keek naar buiten, naar het hogeschoolplein, naar de ramen van de aula, waar o.a. Ethiek en Deontologie gedoceerd werden. Het was geen weer om een hond door te jagen. Takken ranselden die ramen. Er stond geen volle maan in het duistere zwerk om naar te janken en te huilen.

JORIS DENOO/SJORS DNO

Geschreven door Joris Denoo om 10:05 Stuur door

Om ter mooist

OM TER MOOIST SCHRIJVEN ‽

‘In een carrousel van dansende en deinende woorden en zinnen en gewapend met een herhalingsrecept voor goede wijn vul ik de ledigheid van lucht in met tekens en klanken die middelpuntvliedend de kern van een zaak omschrijven voor fijne luiden die zelf voor deze leesattractie hebben gekozen.’


De Wereldraad voor Literatuur koos deze zin uit duizenden andere inzendingen om in alle erkende talen die op aarde werden gesproken en geschreven te vertalen. Hij was oorspronkelijk in het Hongaars geschreven door Kossuth Zsófia, een studente in de Letteren. Vervolgens werd in elk land een auteur aangesteld die een roman mocht schrijven met deze bekroonde zin als aanhef. De schrijfster of schrijver kreeg daar twee jaar de tijd voor. Per nationaal erkende taal was een ruime toelage hiervoor voorzien, met dank aan de gulhartige Finse pulpindustrie. De Wereldraad voor Literatuur hoopte aldus binnenkort over een kleine tweehonderd diverse romans te beschikken in alle talen ter wereld – met eenzelfde opmaat en tekentitel.


De moeilijke kwestie van de titel werd opgelost door de keuze voor een verstrengelde combinatie van het vraag- en het uitroepteken, de zogenaamde interrobang aka interabang. Die was sinds 1962 al bekend, en ondertussen was het teken ook beschikbaar via de toetsenborden van computers. Inhoudelijk was het vrij in te vullen; vormelijk was het bijvoorbeeld ook ondersteboven bruikbaar, pakweg in het Spaans.


In elk erkend land ging dus een gegadigde aan de slag. Die was uitverkoren, naargelang van het regime of staatsbestel, via audities, wedstrijden, examens, corruptie, vriendjespolitiek of willekeur. Wereldwijd waren de vrouwelijke auteurs redelijk goed vertegenwoordigd, vooral in de Afrikaanse landen. Dat was niet zo verwonderlijk, want het baren van een boek was geen sinecure. Je moest tegen een stootje kunnen en geduld hebben. Veel mannen konden en hadden dat niet.


Slechts twee landen wilden niet langer aan de competitie deelnemen, omdat ze hun ingezonden aanhef niet bekroond en zelfs afgekeurd zagen door de jury van de Wereldraad voor Literatuur, die bestond uit een Europeaan, een Aziaat, een Afrikaanse, een Noord-Amerikaanse, een Zuid-Amerikaan en een Australisch-Oceanische. Die koppige landen waren Zwitserland en Jemen.


De beginzin van Zwitserland, ingediend in het Frans, Duits, Italiaans en Reto-Romaans, luidde: ‘’Mijn koninkrijk voor een reep neutraliteit!’ riep Wilhelm van de Zwitserse Wacht uit.’
De jury maakte bezwaar tegen zowel het religieuze gehalte als de dialoogvorm.


De aanhef van Jemen luidde: ‘Het schroot van de Russische tanks in ons zand bijt als roest door de bodem van ons land.’
Hier speelde in de beoordeling politieke vrees een hoofdrol.


Ook de inzending van Nederland maakte niet echt een grote kans. Ze hadden daar in Kikkerland na een hevige salonruzie tussen hun grootste schrijvers en nadat bekend werd dat de Nobelprijs voor Literatuur aan de zanger Bob Dylan werd toegekend dan maar gemakshalve gekozen voor enkele regels uit een oudbakken liedje van Gerard Cox:
‘Gezichten op ’t behang. Maar niet echt van binnen bang. Toen was geluk heel gewoon.’
Overigens merkte het Aziatische jurylid nog terecht op dat het hier om drie zinnen ging, grenzend aan het haikugenre, bijna poëzie, waarvan er twee zelfs geen vervoegd werkwoord hadden. Gevraagd was immers een aanhef die uit één zin bestond.

In alle door de Verenigde Naties erkende landen (pakweg 193, Noord-Korea liet overigens niets van zich horen, en Zwitserland en Jemen gaven dus verstek) werd de Hongaarse aanvangszin vertaald in de nationaal erkende taal of talen. Daarmee ging dan de uitverkoren schrijfster of schrijver aan het werk. In Hongarije was dat uiteraard de studente in de Letteren die de zin had bedacht. Vele bekende auteurs keken er op hun neus.

De Wereldraad voor Literatuur – die afwisselend op elk continent vergaderde – koos voor landen en eiste uitdrukkelijk dat de aanhef plus het corpus van de roman in alle erkende talen van het betreffende land geschreven moesten zijn, met strikte uitsluiting van streektalen, regiolecten, dialecten of hoe de varianten ook mochten heten. Dat had natuurlijk her en der taalkundig gekibbel tot gevolg.

Japan koos zoals verwacht voor de variant van Japans zoals die in Tokio werd geschreven en gesproken. Iedereen begreep die ook het best. België ging bijvoorbeeld lopen met het drievoud van de toelage, hoe klein het ook was. Een Vlaamse, een Waalse en een Duitstalige auteur moesten immers de klus klaren. Het was nu eenmaal zo in dat druilerige koninkrijkje omheen Brussel. Zwitserland had zichzelf dus al buitenspel gezet voor de literaire competitie. Daar werden niet minder dan vier talen gesproken en geschreven. In vergelijking met bijvoorbeeld grote Engelstalige landen vormde dat lappendekentje eigenlijk een weeffout in het grote letterkundige plan van de Wereldraad, polyglotte jodelende alpenweide of niet.

Er zouden uiteraard in de grootste wereldtalen zoals Mandarijn, Spaans, Engels, Hindi, Arabisch, Portugees, et cetera diverse inzendingen zijn. Het betrof hier natuurlijk landen zonder een authentieke eigen taal, met vaak een eigen versie van zo’n wereldtaal. Neem nou Liechtenstein, een speldenkopje in Europa. Of Monaco, het bubbelbadje van de beau monde.

De talen met de duizenden tekens en wisselende klemtonen vormden specifieke uitdagingen. Enkele Aziatische auteurs namen deze kwestie voor hun rekening. Het reliëfalfabet van het Unified International Braille werd evenmin vergeten. India stelde zich hiervoor kandidaat. Elk land zou ook een luisterboek, een vereenvoudigde grootletterversie en een e-readerversie van de roman produceren. Zelfs de kunstmatige talen Esperanto, Ido en Volapük en de hulptaal Interlingua kregen het aanbod van de Wereldraad voor Literatuur. Men deed hiervoor een beroep op Duitsland, Luxemburg, Estland en Polen, waar telkens een extra auteur werd uitverkoren.

Het Vaticaan werd ietwat ongerust over dat internationale literaire initiatief. Het interrobangboek maakte de opperclerus bang, zowel wat de oplages per taal als de nog onbekende inhoud betrof. Hun Bijbel was tot nu toe het bestverkochte boek ter wereld geweest, samen met hun concurrent, de Heilige Qor’aan. Ze hadden in de loop van de tijden al het hoofd moeten bieden aan de schrijfselen van Marx en Mao, een apocrief boek van oud-popzanger Dan Brown en zelfs aan de mirakel- en tovenaarsboeken met Harry Potter als nieuwe Messias, dan nog eens door een vrouw geschreven. Ook dat gedoe met de inzending waarin die Wilhelm van de Zwitserse Wacht figureerde, was hun een doorn in het oog. Daar werd niet mee gelachen. De letterbekken van de islam lieten zich niet echt horen; zij hielden vanzelf al niet van Koranvertalingen en toonden stilzwijgende minachting ten aanzien van het interrobangboek. In de landen waar ook het islamisme regeerde, zou het waarschijnlijk toch niet scoren. De verstrengeling van religie en politiek zou daar wel voor zorgen.

Hoe zat het met de royalty’s, druk, verspreiding en verkoop van ‽

Er werd voor elke auteur bovenop de aanvangstoelage een honorarium voorzien van 10 percent per verkocht boek. Bij eventuele vertalingen bedroeg dat 11 percent. Voor het land dat de schrijfster of schrijver vertegenwoordigde, moest de eer volstaan. De allermooiste roman kon moeilijk verkozen worden, gezien het grote gamma aan talen en het overwicht van enkele wereldtalen. Daarom zouden per werelddeel drie romanbijdragen extra gehonoreerd worden met elk een som van 20 000 dollar, opnieuw met dank aan de Finse pulp.
Alle versies van ‽ zouden onder toezicht van de Wereldraad voor Literatuur gedrukt worden in de best biedende drukkerij per land. Daarna zouden de verspreiding en de verkoop ter harte worden genomen door de uitgeverij en distributiefirma die evenzeer de beste voorwaarden konden bieden. De voorkeur ging hierbij uit naar een combinatie drukkerij-uitgeverij. In elk land had de Wereldraad hiervoor een deskundige afgevaardigde aangesteld. De logo’s van de Wereldraad en de uitgeverij kwamen op de boekenrug.

Alle landen kregen een uitnodiging. In hun eigen taal en in de gangbare wereldtaal van hun continent.

Alle schrijvers hoopten op een nominatie van hun land om het interrobangboek te schrijven.

Het initiatief werd ondertussen al ‘de Kleine Nobel’ genoemd.

Kort daarna werd Kossuth Zsófia, de Hongaarse studente Letterkunde en schrijfster van de bekroonde aanvangszin, levenloos aangetroffen in de universiteitsbibliotheek van Szeged, ter hoogte van de letter W, afdeling non-fictie, essay, recensie en polemiek. Er stak een prop papier in haar mond.

‘In een mallemolen van duwende en trekkende vingers en handen en gesterkt door de kracht van vurig water knijp ik de lucht uit de keel die aldus verder zonder klank of zucht volledig luchtledig en monddood is gemaakt zonder dat iemand van de lettervreters dit kon beletten. Getekend: Wilhelm.’

Toen de prop glad werd gestreken, lazen de rechercheurs in niet minder dan vijf talen de sinistere tekst, in een Helvetica Now lettertype onder elkaar geprint: in het Hongaars, Duits, Engels, Frans en Esperanto.

Het mondiale letterkundige plan van de Wereldraad voor Literatuur werd terstond afgebroken.

Op de gedenkplaat voor Kossuth Zsófia werden het ‽-teken en haar bekroonde romanzin aangebracht.

Nadat drie Hongaarse schrijvers, waaronder een haikudichter, onterecht in beeld kwamen als verdachten, en daarbij zelfs een tijdlang in de gevangenis doorbrachten, werd een Finse huurmoordenaar als dader ontmaskerd. Vooraleer men die echter bij de lurven kon vatten, eindigde hij zelf in een grote houthakselaar in het Land van de Duizend Meren. De opdrachtgevers werden nooit ontdekt. Een stroom aan Scandinavische thrillers kwam hierdoor op gang. De Wereldraad voor Literatuur keek met lede ogen en gemengde gevoelens toe.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:45 Stuur door

Ezelsoren

BOEKHOUDERS & EZELSOREN

Op een dag besloot ik me van al mijn boeken te ontdoen. De gedachte werkte zuiverend. Ik ontwikkelde die terwijl buiten een dooiwind woedde die medio februari de laatste sneeuwresten opat. Vele jaren had ik besteed aan de opbouw van mijn bibliotheken. Mijn collectie boeken bedroeg om en bij de achtduizend exemplaren. Het was alles of niets. Ik had er veel van gehouden, tot in het absurde. Eén uitlening die te lang aansleepte, had me meer pijn gedaan dan de beslissing afstand te doen van de hele mikmak. Zelfs van mijn eigen boeken. Ik bedoel: die ik zelf had geschreven. Alle geschriften waren nu immers wereldwijd digitaal bereikbaar. Waarom zou ik nog papier stapelen en sentimenteel doen over drukwerk? De bijsluiter bij boeken zag er niet goed uit. Er waren te veel nevenverschijnselen: vergeling, gemorste koffie, scheuren, duimen, ezelsoren, vocht, vieze bladwijzers van ontleners, plaatsgebrek… Houdbaarheid, kortom. Het edele boek wankelde op zijn voetstuk.

Jarenlang nam ik afscheid van elk boek apart. Ik liet er een in de trein liggen. Ik zond er een op naar Hongarije. Ik dropte er een in een postbus. Ik liet er een achter op een toilet. Ik legde er een op een wachtstoel in een station. Ik deponeerde er een in een fietstas. Ik vergat er een bij de tandarts. Ik gaf er een onderdak in de rekken van een warenhuis. Ik verzond er een naar Curaçao. Er belandden er in een luchtballon, in een diepvriezer, onder een bed in Parijs, in een taxi… Al deze acties herhaalde ik tientallen keren, dag na dag. Soms meerdere keren per dag. Nooit werd een exemplaar op een of andere manier terugbezorgd. Zelfs al was het gesigneerd. Zelfs al was het door mezelf geschreven.

Gestaag gaven de boekenplanken en de achterwanden zich bloot. De akoestiek in mijn huis veranderde. De aanblik natuurlijk ook. Ik verzachtte de pijn door het afscheid in schuifjes te laten verlopen, zoals de zon langs lijnen van geleidelijkheid wegzakt achter een huis en het niet langer verwarmt.

Soms rezen er wat problemen. Een lijvig woordenboek loste je niet zoals een drol. Het verzameld werk van pakweg Cyriel Buysse in één band kreeg je niet zomaar in een brievenbus gedropt. Een luxueus fotoboek over Harley Davidsonmotoren liet zich niet onopvallend transporteren. Het was soms zelfs uitkijken geblazen voor een omgekeerde wereld, waarin je door je ongewone handelingen ervan verdacht werd een boek ontvreemd te hebben. Raar maar waar, ik zweer het op de Willibrordvertaling (geheel herziene uitgave 1995) van de Bijbel, hoewel ik in de ogen van zogenaamde gelovigen een heiden ben. Ik wou evenmin makkelijke oplossingen, zoals bibliotheken of boekhandels. Mijn boeken mochten niet belanden tussen zovele andere. Ze hadden recht op een uniek eenmalig treffen met een eventueel verraste vinder. Wat er daarna mee gebeurde, interesseerde me niet meer. Het moment van de vondst en het daarmee gepaard gaand gevoel volstonden, ook al was ik er dan zelf niet meer bij. Een adoptie à la Pontius Pilatus.

Elf jaar deed ik over de verdwijntruc van mijn toch wel omvangrijk boekenbestand. Het bleef zuiverend werken. Eindelijk heerste er bladstilte in mijn vertrekken. Ik had ze namelijk allemaal gelezen, sommige meerdere keren. Nu waren ze zowel opgeslagen in mijn hersenen als gewist uit mijn huis. Ik bleef over ze heersen omdat ik ze had verdeeld. De bladeren waren gevallen waar ik ze hebben wou: overal. Mijn systeem was duidelijk: prettige willekeur. Ik genoot telkenmale van de ontlastingen.

Wanneer ik in de loop van deze wegwerkzaamheden (hebbes??) mijn vriend de journalist Everhart B. vertelde over de stand van zaken, kromp hij telkens een beetje ineen. Hij was namelijk niet alleen een hevig liefhebber van boeken omwille van de boeken, maar vooral omwille van hun speciale inhoud. Dat vergt een speciale verklaring. Ter ontmoediging van eventuele inbrekers en uit boosheid op de banken sinds de grote zwendel van 2008 bewaarde Everhart al zijn bankbiljetten thuis, verstopt tussen de bladzijden van vele van zijn boeken. Inhoud dus, zoals ik zei. (Hebbes bis??). En hij had er wat! Het betrof ook een getal van vier cijfers. Ik kon hem zelfs geen plezier doen met boeken van mij. Hij wou alleen maar eigen gekochte nieuwe, waarin hij via speciale getallencodes bankbiljetten verborg. Bladeren bij hem kon je rijk maken. Hij was namelijk een succesvol en goedbetaald cultuurjournalist.

Met nog zo’n negenhonderd boeken te gaan, zat ik op een avond bij Everhart thuis. We dronken bourbon en boomden over boeken, natuurlijk.
‘En ik die ervan droom mijn beste schrijfselen ooit eens in een boek te bundelen,’ verzuchtte Everhart. ‘Mijn journalistenhart bloedt bij elke wegwerpactie van jou, Eric.’
‘Maar ik heb ze alle hier gebundeld.’
Ik tikte even tegen mijn schedel.
‘Dat lijkt verdacht veel op een ander niet mis te verstaan gebaar.’
‘Ha ha. Nee, echt: al mijn boeken zijn hier gerangschikt, in mijn hersenbib.’
‘Dat moet een grote kwab zijn. Wat voor ordeningsprincipe hanteer je dan? Het alfabet? Het formaat? Chronologie? Per schrijver? Per taal?’
‘De wind, Everhart.’
‘De wind?’
‘De willekeur van de wind. Liever de wind die bladeren bijeen bloemleest en weer uiteen waaiert dan een stijve hark die bladeren in een verdomhoekje dwingt.’
‘Mooi gezegd, schrijver. Een hersenstorm dus?’
Ik knikte en nipte van mijn bourbon.
‘En jouw kapitalistische collectie? Wat voor rangschikking kies jij? Winst? Flapjes van twintig op bladzijde twintig en die van vijftig op vijftig? Of omgekeerd, om de dieven te misleiden?’
‘Ha ha.’
‘Heeft elk boek hier zo’n… inhoud?’
‘Alleen de schrijvers wier achternaam met een Y, E, N, O of M beginnen. Jij en Veerle zijn vrijwel de enigen die dat weten.’
‘Maar Y komt bijna nooit… Ach, ik snap het.’
Mijn blikken struinden over de ruim voorziene bibliotheek van Everhart.
‘Munro,’ mompelde ik. ‘Yourcenar. Eliot. Orsenna. Némirovsky. 2500 euro.’
‘Ha ha.’
‘Veerle niet thuis?’
‘Ze is naar de leesclub.’
‘Hou je me nu voor de gek, Everhart?’
‘Nee, echt: de leesclub. En ze noemen zichzelf Met Voorbedachten Rade.’
‘Rare naam. Wat hebben ze gelezen? Iemand die met een X begint?’
‘Ze lezen thematisch. Er is eigenlijk maar één thema.’
‘O. En dat is?’
‘Moordenaressen.’
‘Vandaar de naam dus. Wauw. Goed voor duizenden euro’s.’
‘Ze bespreken zowel fictie als non-fictie. Als het maar gaat over vrouwen die andere vrouwen om zeep helpen.’
‘Maar soms weet de lezer vooraf niet wie de dader is hé. Dader… Daderes… ‘
‘Dat pluizen ze wel eerst uit. Anders is het plezier eraf.’
‘Bekende moordenaressen?’
‘Dat speelt geen rol, zegt Veerle. Sommige kunnen bekend worden doordat de schrijver of schrijfster ze spectaculair of vernuftig ten tonele voert. Fictieve daderessen dus. Er zijn allicht ook wel biografieën over echte huurmoordenaressen bijvoorbeeld. De Columbiaanse literatuur zal in dat compartiment wel hoog scoren.’
‘Zijn er mannen in die leesclub?’
‘Nee. Geen teelballentorsers.’
‘Zit je hele kapitaal werkelijk verborgen tussen al die bladzijden hier?’
‘Ja. En ik heb nog een bibliotheek boven, zoals je weet. Mijn vakbibliotheek. En nog eentje daarboven, op zolder. De bejaarde boeken. Echte beleggingen.’
‘Zijn er veel auteurs met een achternaam die met een moneyletter begint?’
‘Er zijn er genoeg. Het gaat ook over de dikte van een boek hé. Soms deponeer ik meerdere grote flappen in een kanjer. En een auteur die met pakweg een Y begint, kan tientallen boeken uitgegeven hebben. Plaats genoeg, hoor. Ik ben ook niet schatrijk. Lekker poeh aan de banken. Mij lichten ze niet meer op.’
‘Kun je die biljetten allemaal terugvinden dan?’
‘Ik heb een numerologisch systeem ontwikkeld. Een beetje zoals een code in tijden van oorlog. Die hang ik niet aan je neus.’
‘O… even raden. Op de bladzijden die een priemgetal zijn min vier plus zeven gedeeld door twee maal vijf? Of heb je de grote fout begaan simpelweg je geboortedatum te gebruiken?’
Everhart lachte en schonk ons nog eens in.
‘Je leest te veel boeken, mijn beste.’
‘Maar ik ben ze net allemaal aan het wegdoen.’

Rond elf uur kwam Veerle binnen, terug van de leesclub.

‘Ah, Bourbon Street,’ wees ze.
‘Drink er eentje mee,’ zei Everhart.
‘Dat sla ik niet af: drinken met twee schrijvers.’
‘Hoe was het Met Voorbedachten Rade?’ informeerde ik olijk.
‘Myriam, een bibliothecaresse, weidde uit over wat ze in haar bib allemaal aantreffen nadat een geleend boek teruggebracht wordt. Ze gaan er een tentoonstelling van maken. Niet echt appetijtelijk.’
‘Ja?’
‘Nee?’
‘Geef mij maar een flink gedeukt ezelsoor in plaats van kauwgom, vingernagels, haren, papieren zakdoeken met bloedvlekken, lottobiljetten, kattebelletjes, opgedroogd snot, treintickets, bijsluiters van pijnstillers, paperclips, naaigaren, tandenstokers, theebuiltjes, koffiefilters, boodschappenlijstjes… ‘
‘… bankbiljetten die al door honderd handen zijn gegaan… ‘ vulde ik aan.
Ze knikte en keek haar vriend Everhart medeplichtig aan.
‘Ook daar zitten bacteriën op. En het is momenteel nog ons meest gebruikte ruilmiddel.’
‘Lezen is dus gevaarlijk.’
‘Ja, dat moet absoluut afgeraden worden.’
‘Laten we onszelf bij die slotgedachte reinigen met bourbon.’
‘Bottoms up!’
‘Books down!’
We klonken, Veerle inmiddels inbegrepen.
‘Blijft het probleem met ons boekbeleg,’ zei ze dan, haar glas weer neerpotend op de salontafel. ‘We beleggen boeken met papiergeld dat al gecontamineerd is door zovele voorgaande handelingen die het heeft ondergaan. Wat doen we eraan, Everhart?’
‘Moeten we daar iets aan doen dan?’ deed de aangesprokene quasi-verbaasd. ‘Tot nu toe was het toch… ‘
‘De leesclub heeft me de ogen geopend. En Eric hier… Jij ook, Eric. Die gooit zelfs de hele santenboetiek weg.’
‘Ja, maar…’
‘Het is een uit de hand gelopen hobby,’ vervolgde Veerle ongenadig. ‘Vroeger droogde je bladeren van struiken en bomen tussen boeken. Nu… geld.’
‘Het reinigt zichzelf door die quarantaine,’ wedervoer Everhart. ‘Papieren mond-smoeltjes in tijden van epidemie zijn ook de meest aangewezen eh… ‘

Ik voelde een huiselijke rel aankomen in Bourbon Street. Was Veerle zelf besmet geraakt door lectuur van boeken over moordenaressen? Zou ze in staat zijn gif te mengen in de fles bourbon waar ze nu ijverig van meedronk? Lagen we hier straks beiden te zieltogen terwijl zij de numerologische code op de moneyboeken toepaste?
Ik stuurde het gesprek even een andere kant op.
‘Everhart, je collectie doet me eigenlijk ook denken aan The Guernsey Literary Circle et cetera. Ken je die film?’
‘O ja. De aardappelschillentaart… de zelfgestookte gin…de Duitsers… Maar hier is het bourbon hé. Onze vertrouwde geestbedwelmer.’
‘De boeken speelden eigenlijk een bijrol, vind je niet?’
‘Eh… ja. De oorlog… De bezetting… ‘
‘Zoals bij jou.’
‘Eh?’
‘Lees jij je boeken wel? Waar dienen ze voor?’
‘Ja hoor. Hé Veerle? Ik lees heel… Ik las ze allemaal.’
‘Dus je gebruikt ze niet alleen om te ‘beleggen’? Of om je kast mee op te vullen, zoals bij Ikea?’
‘Zeg, Eric: de inhoud is van het grootste belang hé!’
Ik keek hem scherp aan, voor zover dit na de bourbon nog mogelijk was.
‘Tegelijk met die goed bewaarde biljetten tussen de boeken worden ook de bacteriën eh… goed bewaard,’ stelde Veerle, eerder meesmuilend.
‘Die leesclub heeft je echt wel op slechte gedachten gebracht,’ constateerde Everhart.
‘Ik wil zelfs geen boeken uit de bib meer, bàh!’ zei ze. Ze deed alsof ze rilde en nam een fikse slok van haar bourbon, waardoor ze echt ging huiveren.
‘Hebben we daar geen naam voor? Smetvrees?’ opperde Everhart guitig.
‘Ik vrees van wel,’ knikte ik.
Ik gluurde naar Veerle, die ons met de koude blik van een seriemoordenares taxeerde.
‘Wat hebben jullie eigenlijk besproken in de leesclub vanavond, Vé? Het Grote Schoonmaakboek?’
‘Ha ha!’
‘De Sluipmoordenares,’ articuleerde Veerle, ze had moeite met het vijflettergrepig woord. Everhart en ikzelf papegaaiden allebei op hetzelfde ogenblik de titel net zo gebrekkig na, in vragende vorm.
‘De auteur publiceert alleen maar titels die met een S beginnen. Slangenmens, Schorpioen… ‘
‘Schoonmaakboek… ‘
‘Ha ha!’
‘Maar De Sluipmoordenares begint met een D!’ riep ik.
‘Lidwoord!’ pareerde de genaamde Vé scherp. ‘Telt niet mee.’
‘Dat boek ken ik niet,’ zei ik. ‘Van wie… ‘
‘Lara Nescio.’
‘Ah, nooit van gehoord. Jij, Everhart?’
‘Eh… nee… ja… Mijn genre niet, eigenlijk. Ik ken het wel… een beetje. Veerle kocht het met een boekenbon voor haar verjaardag. Je kunt niet alle boeken van de hele wereld kennen hé.’
‘Met een N: kassa!’ riep ik Everhart vrolijk toe. ‘Een kandidaat!’
‘Hm,’ deed hij. ‘Denk je?’
‘Heb je het nu bij je?’ vroeg ik.
Veerle diepte De Sluipmoordenares van Lara Nescio uit haar tas op, die ze bij het binnenkomen bruusk naast de salontafel had neergepoot. Blijkbaar besprenkelde leesclub Met Voorbedachten Rade de gedachtegangen met enig nat. Ze had toen duidelijk al wat op. Net als wij.
‘Voila: ziehier de moordenares.’

Ze plofte de kanjer op het tafeltje. (De meeste whodunits zijn kanjers, want ze barsten van de overbodige bladvulling om de lezers een rad voor de ogen te draaien.) De glazen schrokken; de bourbon wilde eruit. Geen bibliotheekgegevens ontsierden de cover of het achterplat; het was inderdaad haar eigen exemplaar. Ik greep naar de weldoorvoede whodunit en bladerde even willekeurig, eigenlijk totaal zinloos, alsof ik het boek ‘in één ruk’ wou uitlezen. Plotseling begon ik veel gerichter te bladeren: om de vijf bladzijden stuitte ik tot mijn verbazing op ettelijke gekraste loterijbiljetten. De meeste vertoonden geen winnend bedrag. Enkele wel, bescheiden. Het waren biljetten van diverse aard. Was Vé gokverslaafd? Verborg ze grote voorraden biljetten op de wijze van haar man? Wist vriend Everhart… Nescio… de N…

‘Ook een leuke collectie hé,’ zei Veerle. Ze liet haar hoofd achter op de leuning van de sofa rusten en sloot haar ogen. We konden niet met zekerheid constateren of ze aanstalten maakte om in slaap te vallen of als de bourbon haar plotseling geveld had.
Ik legde het boek weer op tafel en peilde de blik van Everhart. Hij was zat; er viel weinig te peilen. Misschien was een slotgesprek nog mogelijk. Ook in mij welde de bourbon vrij hevig.
‘Hé… Everhart: ben je er nog?’
‘Slaapt ze? Zo plotseling?’
‘Het is de bourbon. Eerst de leesclub, nu de whiskey. Literatuur vraagt om drank hé.’
‘Ze moet haar klep houden over mijn beleggingssysteem, verdomme.’
‘Everhart… kijk.’
Ik hield hem haar boek voor en bladerde er uitdrukkelijk in, vlak voor zijn neus. Na enkele hoofdstukken had hij het door. Halfdronken las hij de bloemlezing voor: Presto, Astro, Subito, King of Cash, Fortune, 21, Lucky Star, Magic Numbers, Bingo Hollywood, Money Tree.’
‘Wel?’
‘Wat wel?’
‘Dat ze het zelf doet, verdorie! Dinges verstoppen tussen… ‘
‘Rustig, Eric, rustig… ‘ zei Everhart, terwijl zijn r’en al futlozer klonken en ongedisciplineerd over zijn tong rolden. ‘Dat… Dat is ook deels mijn collectie. Ik eh… Wij… Nou, ik koop elke week zo’n twintig verschillende biljetten. Soms heb ik een bescheiden collectie winnaars. Die bewaar ik ook op dezelfde manier als mijn centen, tot de tijd rijp is om ze te verzilveren in de verkooppunten. Vaker is mijn collectie niet-winnaars groter natuurlijk. Ik verzamel alles in boeken. De ideale bewaarplaats. Maar niet… ’
‘Dus je kent dat boek toch? Daarnet zei je van niet.’
‘Ik bedoelde dat ik alleen de inhoud ken. Ik heb het boek niet gelezen. Niet mijn genre, zoals ik al zei.’
‘Maar Veerle … ‘
‘Ze duldt mijn systeem. Ze meent het niet echt. Ze was teut. Ze is teut, kijk maar.’
‘Vallen je gokbiljetten dan ook onder het money-systeem?’
‘Hier telt de L van Lara,’ zei Everhart. ‘Voornamen.’
‘Eh?’
‘Money is voor cash geld; Las Vegas is voor de loterijbiljetten. Noem ze niet gokbiljetten; dat is oneerbiedig en klinkt ziekelijk.’
‘Las Vegas?’
‘Schrijvers uit onze bibliotheek wier voornaam met een letter uit Las Vegas begint… ‘
‘Ja ja, ik snap het al,’ onderbrak ik, ongewild bot. Ik had het gevoel dat ik plotseling met een paar ezelsoren bezijden mijn kop zat. Onze eigen letters kregen het door de bourbon inmiddels harder te verduren. We belandden in een schemerige mompelfase.

Ietwat bij de neus genomen, zelfs gekrenkt vertrok ik, met achterlating van twee benevelde lijven. Ik probeerde op te staan en het pand te verlaten en in rechte lijn naar mijn thuishaven te varen. Ik denk dat ik al die handelingen heb verricht, maar op welke wijze was me een raadsel, want ik bevond me uiteindelijk in mijn eigen woning met nog ongeveer negenhonderd boeken. Ik bladerde in enkele exemplaren maar in geen enkel hoofdstuk rinkelde de kassa.

De maanden na mijn bezoek aan Everhart B. waren de dodelijkste voor de rest van mijn boeken. Ik bereikte vlugger dan verwacht en gepland totale boekloosheid en bladstilte. Ongeveer een week na deze eindstreep bezocht ik Everhart weer. Hij had breaking news te melden. Het was een pijnlijke opsomming.
‘Veerle is met de noorderzon vertrokken, met medeneming van ofwel aparte boeken ofwel het gehele oeuvre van Harry Mulisch, Alice Munro, Geert Mak, Marga Minco, Margriet de Moor, Doeschka en Geerten Meijsing, Yukio Mishima, Anja Meulenbelt, Marcel Möring, Multatuli, Erik Orsenna, Iris Origo, George Orwell, Michael Ondaatje, Irène Némirovsky, Lara Nescio, Cees Nooteboom, Anna Enquist, Frederik van Eeden, Vince Flynn, T.S. Eliot, Marguerite Yourcenar…
‘Vince Flynn?’ onderbrak ik. ‘Die hoorde toch niet in jouw eh… moneylijst?’
‘Jammer genoeg heb je gelijk,’ zei Everhart. ‘Vince Flynn werd in één klap mijn dierbaarste auteur. Met name de thriller ‘American Assassin.’
‘O: de V van Las Vegas hé… ‘
‘Precies.’
‘En? Waarom nam ze die ook mee? Die… Assassin?’
‘Wat denk je?’
‘Omwille van de inhoud?’ opperde ik.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 20:25 Stuur door

Charon

CHARON


De Engelsen, de lelijkste eilandbewoners ter wereld, hadden het wreedste leger ooit. Restanten daarvan merken we nu nog in oude (en soms verse) tv-feuilletons of films: de extreme barsheid in het Engelse leger is het verlengstuk van de lijfstraffen op de vreselijke kostscholen, waar de wreedheid al een onderdeel van de opvoedkunde vormde. Het waren overigens de Engelsen en de Nederlanders die de indianen het scalperen leerden. In de 18de eeuw betaalden de Engelsen geld voor de hoofden van Fransen, en allebei betaalden ze geld voor de hoofden van indianen.

Addison Kingsley was een kleine pion op het grote rumoerige schaakberd van de Krim, waar medio 19de eeuw vier, vijf partijen bij betrokken waren. De Krimoorlog (of de 7de Russisch-Turkse Oorlog) was een oorlogsconflict tussen Rusland en het Osmaanse Rijk, waarin Engeland en Frankrijk tussenbeide kwamen ten gunste van de Turken (1853/54 – 1856). De Engelse vloot speelde een bepalende rol in dit religieus-politiek conflict tussen sultan en tsaar. In de Krimoorlog verschijnt ook de figuur van Florence Nightingale ten tonele.

Addison Kingsley was een aartslelijke omhooggevallen lafaard in het toenmalige Engelse leger. Deze slijmjurk combineerde pluimstrijkerij met wreedheid. Die bedenkelijke talenten bleven niet onopgemerkt voor de lagere legerleiding in de Krim. Men wou namelijk eens dringend werk maken van het probleem van het groeiende aantal deserteurs en bevelweigeraars. Koude, tyfus en cholera maaiden immers duchtig in alle gelederen.
Een Engelse oplossing drong zich op: ‘Missing in action’. Iemand moest zowel deze lastpakken als hun dossier definitief doen verdwijnen.
Addison Kingsley kwam in aanmerking voor de job. In het achterbakse elimineren was hij sterk, en daardoor had men er evenmin een probleem mee hem te gelegener tijd zelf te elimineren. Opgeruimd stond netjes. Men zou na gedane zaken eerst hemzelf en daarna zijn dossier de mist der tijden insturen. Modder, water, zand, bergen, doodsgereutel en kanongebulder boden een interessante biotoop om iemand als ‘Missing in action’ op te geven.

Addison Kingsley kreeg van een onderofficier een opleiding in het spoorloze doden, met vooruitzicht op bevordering. Zijn voorkeur ging hierbij uit naar de lange nagels die de timmerlui op de Engelse schepen gebruikten. Die hadden geen echte kop, zoals de klassieke spijkers. Dat bood een voordeel: zo’n scheepsnagel bleef onzichtbaar nadat hij in de haardos ter hoogte van de fontanel (of toch de weekste plek) in het hoofd van de ongelukkige was geklopt – zelfs bij kaalkoppen bleef alleen dat ‘moedervlekje’ zichtbaar.

Het besluipen en overmeesteren of verdoven van de prooi vormde meestal het moeilijkste onderdeel van de operatie, want Addison stond er alleen voor, en alles moest geheim blijven. Het makkelijkste nog was de prooi in zijn slaap verrassen en met een welgemikte klop van de hamer onmiddellijk zo’n lange scheepsnagel door zijn schedel drijven. De meeste soldaten sliepen echter niet alleen; vaak moesten er listen bedacht worden om de prooi af te zonderen.
Na gedane zaken deden zich nog twee mogelijkheden aan: ofwel werd de dood toegeschreven aan kou, tyfus of cholera (de kampdokter stelde deze diagnoses op aandringen van zijn superieuren zeer vlot: een groot deel van de 180 000 geallieerde slachtoffers in de Krimoorlog sneuvelde immers niet door oorlogsgeweld, maar door ziekte), ofwel werd de gedode vooraleer ook maar iemand hem had gezien naar een afgelegen plek gebracht, waar hij al vlug opnieuw het slachtoffer werd van hongerige bergroofdieren. In beide gevallen, hetzij na de teraardebestelling-in-ijltempo, hetzij na de verdwijning, werd de dode dan als ‘Missing in action’ geboekstaafd: een synopsis in drie woorden van zijn voormalig dossier, dat samen met zijn kleren verbrand werd. Zo werd ook een overdaad aan doden door kou of ziekte belet, want dat zou de legergeneeskunst in vraag gesteld hebben. Op het thuisfront bekt ‘gesneuveld op het slagveld’ nu eenmaal beter dan ‘overleden in bed’. Tevens werd ervoor gezorgd dat die Florence Nightingale telkens op een ‘veilige’ afstand gehouden werd.

Nadat de opleiding in het geluidloze en spoorloze doden voltooid was, kreeg Addison Kingsley zijn bevordering en zijn eerste geheime opdracht: hij moest zijn instructeur doden en spoorloos doen verdwijnen. Die instructeur had in levenden lijve zelf nooit geweten waarom die Kingsley of all persons zo’n opleiding diende te ondergaan. Er werd iets over ‘verkenner’, ‘vijand’ en ‘voorpost’ gemompeld bij het formuleren van de doelstellingen. Zeer vaag, very British. De onderofficier had nooit verdere vragen gesteld, maar zich trouw van zijn taak gekweten en van Addison Kingsley een snelle, laffe doder gemaakt op zes weken tijd. A job well done: binnen de 24 uren was de onderofficier zelf definitief niet meer van deze woelige wereld. Men had geopteerd voor de tweede mogelijkheid: hij verdween spoorloos, om de confrontatie met de kampdokter te omzeilen.

(Die kampdokter, een verwarde geest, tastte eigenlijk in het halfduister omtrent een en ander; een op peil gehouden voorraadje whisky van hogerhand hield hem tot nader order gaande. Er werd regelmatig toegeleverd. Te gelegener tijd zou hij ook wel missing in action wezen).

Een van de bergroofdieren werd nog razender toen het bij het verscheuren van ’s mans hoofd zijn muil verwondde aan een ellenlange scheepsnagel. Bij het zien en ruiken van zijn eigen bloed ging het nog wilder te keer. Zodoende bleef er van de instructeur geen spoor meer over, terwijl enkele kilometers verder in een legerkamp in de vlakte Florence Nightingale zich liefdevol over de gewonden boog. Een druppel op een gloeiende plaat.

Nieuwbakken sergeant Kingsley kreeg zijn eigen, aparte tent. Hij werd vrijgesteld van actie en kreeg zowat het statuut van Sous-Chef Interne Zaken. Hij kon onder auspiciën van de plaatselijke legeroversten ongehinderd maar stiekem potentiële deserteurs en bevelweigeraars opsporen. Officieel was hij bevorderd tot verslaggever voor de militaire archieven en de geschiedschrijving. Papier en inkt werden hem toegeleverd. Alsmede een geheim voorraadje extra large scheepsnagels.
Kampdokter Windermere kwam hem bijna elke dag opzoeken: hij had in Kingsley niet alleen een drinkbroeder ontdekt, maar constateerde ook in ogenblikken van luciditeit dat bij elk onverklaarbaar sterfgeval (of bij elke nieuwe verdwijning) die Addison Kingsley ergens in de onmiddellijke omgeving te signaleren viel. Een dokter, weze het een dronkenlap, moest ook zijn observatietalent blijven onderhouden.

Aanvankelijk rook Kingsley geen argwaan, alleen whisky. Midden het polyglotte tumult, de damp van kruit, de geur van bloed en verschroeid vlees en het geknal en gebulder maakten de beide strijdbroeders menige fles soldaat.

Addison Kingsley begon te praten en weer te zwijgen.
Evander Windermere begon te praten en weer te zwijgen.

Bleek dat ze beiden van elkaar wel vermoedden waarmee ze bezig waren. Uiteindelijk zwegen ze allebei en was het alleen nog the booze talking. De brothers-in-arms en brothers-in-death vonden elkaar onder de flappende tentzeilen in de Krim. Ze noemden zichzelf de ‘Kriminelen’. Terwijl Florence Nightingale de lampen ’s nachts nog lang liet branden, gingen Addison en Evander die her en der doven. De Engel des Levens en de Engelen des Doods moeten elkaar diverse keren bij nacht en ontij ontmoet hebben.

Addison en Evander overleefden beiden de Krimoorlog. Kingsley had 17 Engelse dissidenten naar de andere wereld geholpen; Windermere had 146 flessen whisky soldaat gemaakt. Door enig gesneuvel in de rangen van de legerleiding ter plaatse annex administratieve anarchie ontsnapten de spitsbroeders aan het label ‘Missing in action’: puur geluk, de een zijn dood is de ander zijn brood. Ze beseften zelf dat geluk niet en voeren weer heelhuids naar Engeland terug. Ze waren intussen zo goed met elkaar bevriend geraakt dat ze in Aylesbury gezamenlijk een handel opzetten in gerechtelijke geneeskunst, lijkschouwerij, aanvankelijke forensische snijkunde en taxidermie: de firma VICTIMORY. Addison ging bij Evander in de leer en werd zijn assistent. Hij specialiseerde zich zelfs in het zetten van tatoeages en in het amputeren.

1888. Londen is in de ban van Jack the Ripper. Deze seriemoordenaar verminkt zijn slachtoffers (meestal prostituees), wurgt ze, snijdt ze de keel over, en vaak ontbreken organen. Hij wordt nooit gevat; zijn identiteit blijft een mysterie.

Op een gure winderige avond in de late herfst van 1888 wordt er geklopt op de deur van VICTIMORY in Aylesbury. Een volwassen roodkapje in het zwart meldt zich bij de huisbediende als koerierster van het Foreign Office, het ministerie van Buitenlandse Zaken. Addison en Evander ruiken business, wrijven zich in de handen en noden de onverwachte gaste in hun salon.

Twee uur later treft de ongerust geworden huisbediende zijn beide bazen dood aan. De gekapmantelde koerierster is intussen al lang foetsie. 
Onderzoek wijst uit dat Kingsley en Windermere eerst een verdovende spuit toegediend kregen alvorens hen een lange scheepsnagel dwars door het hart geklopt werd.

Meteen komt er een einde aan de serie gruwelijke Ripper-moorden in Londen.

JORIS DENOO 

Geschreven door Joris Denoo om 08:51 Stuur door

Het Boek J

HET BOEK J 


(EEN KERSTVERHAAL)

Misschien bestond het uit alle woorden die ooit in alle kruiswoordraadsels waren opgedoken. Misschien bestond het uit alle woorden die ooit door vele andere schrijvers waren gebruikt. Zeker was dat de volgorde van de woorden Het Boek J een speciale plaats gaf in de stroom van literatuur van gelezen en vooral ongelezen boeken. Dat was het enige waardoor het zich onderscheidde van alle andere boeken. De eerste zin was al uniek, en nooit op die manier door een of andere schrijver opgeschreven. Al de zinnen die volgden, vertoonden hetzelfde kenmerk. Het was alleen maar jammer dat Het Boek J door zovelen ongelezen bleef. Dat gebeurde wel vaker met meesterwerken. Het stak even de kop op bij zijn verschijnen in de leeuwenkuil van de letterkunde, om daarna aan een verre einder te verdwijnen in de gapende muil van de vergetelheid.


Dat het door zovelen niet gelezen werd, was even erg als schuldig verzuim. Harde woorden waren hier op hun plaats geweest, in een welbepaalde slagorde. Het Boek J bevatte namelijk alle ingrediënten om geestelijk te overleven, terwijl het ook alle andere boeken overbodig maakte. Bovendien werd het bevolkt door personages die je in het non-fictieve leven zo tegen het lijf kon lopen, wat voor stevige letterkundige verrassingen kon zorgen, zelfs schokken, want dan deed zich de keuze of het dilemma voor: personage of persoon? Wie van de twee gun ik het voordeel van de twijfel? Mogen ze beiden rekenen op mijn mededogen?


Waarom J?


Omdat het letterkunde betrof. Letterkunde met een hoofdletter. J was de mooiste letter van het alhier bekende alfabet. Het was ook de tiende in de rij. Waar vijf het volmaakte getal was in de wiskunde, daar was vijf-tot-tweemaal-toe een perfectie in de letterkunde. Noot: je had overigens ook letters nodig om cijfers en getallen voluit te schrijven en uit te spreken. Zeg dat J het gezegd en geschreven heeft. J, van beroep: schrijver.


Ter zake nu.


De beeldcultuur woedde in volle hevigheid. In het zog daarvan deed zich het populisme voor. Een lage zwart-witcultuur greep besmettelijk om zich heen. Domheid (die uiteraard zichzelf niet als domheid herkende, hét kenmerk van domheid) werd het evangelie en de norm. Vreselijke hufters en verschrikkelijke gabbers ontsierden het straatbeeld, dat wemelde van de pictogrammen. Culturele huizen, bibliotheken en musea hadden daar gelukkig geen last van. Het populisme tierde welig op televisie, in de zogenaamde ‘media’ (wat dat meervoud ook mocht betekenen, te veel eer voor die rotzooi) en in megagrote feestzalen. Bekende mensen die bekend waren omdat ze bekend waren, vormden het nieuwe evangelie. Ze ventileerden stompzinnige meningen, promootten derderangs producten en doken op in bedenkelijke kijkveeprogramma’s. Geblaat en dijengeklets alom.


In die context was Het Boek J een doodgezwegen, onopgemerkt ‘product’. Niet eens een parel voor de zwijnen. Niets.


Boeken? Dingen uit een stoffig verleden. Vreemde voorwerpen in onwennige handen. Oubollige overblijfsels van oude tijden. Boekensteunen aan weerskanten van die ene collectie holle encyclopediehoezen. Weg ermee. De laatste bekende boekententoonstelling in het land betrof alleen maar achtergelaten zaken die tussen de bladzijden van ontleende boeken werden aangetroffen: teennagels, snot, papieren zakdoeken, servetten, kattebelletjes, rekeningnota’s, haren, platgedrukte vliegen, muggen en mieren, verknipte bankkaarten, pleisters, foto’s, eurobiljetten, krantenknipsels, oude lidmaatschapskaarten, vijf soorten ezeloren, krasloten, postzegels, boodschappenlijstjes… Er kwamen zevenenzeventig bezoekers op af.


De Boekenjagers-site op het internet probeerde zich over het nobele boek te ontfermen. V, een Vrouw met Visie, was er de patrones van. In een notendop: je kon zwerfboeken droppen, vinden en ruilen. Op een openbare zelfgekozen plek liet je een boek achter, transparant en weerbestendig verpakt. Je bijsluiter verwoordde dat de vinder bij ontdekking de vondst en de vindplaats kon signaleren op de Facebookpagina van De Boekenjagers. Je nam het boek mee om te lezen en ruilde het desgewenst in voor een eigen zwerfboek, met alweer zo’n bijsluiter. Bij het droppen, vinden of ruilen hoorde natuurlijk een foto van de cover met vermelding van de vindplek. Zo verscheen het boek dan visueel op de Facebookpagina van De Boekenjagers.


Op een druilerige dinsdag ontdekte J het bestaan van die site. Wanhopig betreffende het lot van Het Boek J, kocht hij vijf auteursexemplaren van zijn uitgever. Een ervan dropte hij in een doorzichtig plastic hoesje met verklarende bijsluiter op een openbare plek in de stad, aan de voet van een standbeeld – Jan Palfijn, de chirurgijn-pestmeester die ooit de betere versie van de verlostang uitvond. J hoopte dat dit verlies winst zou betekenen. En dat het niet zou gaan sneeuwen. Net zo goed kukelde het boek van zijn voetstukje en werd het vertrappeld of in een verdomhoekje geschopt. Of, godlof, er passeerde een internationaal bekende recensent/vertaler die er zich over ontfermde.


Toen ging de bal aan het rollen. Het Boek J van de schrijver J leek verlost te zijn uit zijn netelige vergeten positie. Het werd voorwaar een wedergeboorte, negen maanden nadat het verschenen was. De doem werd een droom. Ja: een kerstverhaal.


JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 08:39 Stuur door

Lotto

LOTTO


01

Op het ogenblik dat de U.S. of A. 300 miljoen inwoners telde, werd op het huisnummer 79/2B in de drukke Donkerstraat van de provinciehoofdplaats Kerel
Gheeraerdijn wakker uit een middags hazenslaapje, waarin hij het bezoek had gekregen van met tomahawks zwaaiende indianen die zijn vlees en bloed en huid en haar wilden.
‘Ugh ugh, net echt,’ mompelde hij. ‘Hoe is dat mogelijk en waar komt dat godverongelukt vandaan?’

Op de radio, die Kerel dag en nacht liet spelen, deelde de nieuwslezer mee dat in die U.S. of A. om de 11 seconden een nieuwe mens werd geboren. Ook behoorde 1/3 van de vele inwoners tot een minderheid, waarvan de hispanics met 13 % de grootste groep vormden. Rekening houdend met sterftecijfer, emigratie, immigratie en geboortecijfer was dus het ronde getal van 300 000 000 bereikt. Veel nullen.
‘Van harte gelukgewenst, U.S. of A.’ zei Kerel. Hij knipperde de slaap uit zijn ogen, joeg de indianen weg uit zijn hoofd en keek op zijn horloge.
‘Intussen alweer 2,8 kinderen erbij,’ dacht hij. ‘Ik zit er voor niks tussen. Aan deze explosie van kinderen heb ik geen schuld. Althans: niet op dat continent.’

Kerel Gheeraerdijn, 32, was een tijd geleden ontslagen als begeleider van Nationale Loterij-winnaars. Dit was zijn eerste echt werkloze week, in zijn nieuwe maar goedkopere appartement. Eerder een onderduikadres. Hij ging postvatten aan het venster, geeuwde, duwde een gordijn opzij en staarde naar de Donkerstraat in de diepte. Druilregen veroorzaakte haast bij de mensen. Kerel huiverde in hun plaats.
Toen viel zijn blik op…

02

… Birde probeerde door de braadpan-truc te onthouden wat ze allemaal mee moest brengen: een rozijnenbrood, een bosje radijzen, een zak aardappelen, een blikje ansjovis, een tros druiven, een pak paneermeel, een kilogram andijvie en een halve kilogram walnoten. Het zou misschien net allemaal in haar eigen winkeltas kunnen. Anders zou ze een plastic warenhuiszak extra kopen.
Ze sloeg de Donkerstraat in. Af en toe diende ze een paraplu te ontwijken. Die ondingen konden je de ogen uit prikken. Vooral voor gewapende kleine mensen was het uitkijken. Hun paraplu bevond zich op ooghoogte van de grotere medemensen, en sommige van die onderdeurse parapludragertjes stapten blindelings door, zich nietsontziend een weg banend door onbeschermd reuzenvlees.
‘Afschaffen die parapluhandel,’ mompelde Birde boos. ‘Koop in de plaats condooms om te beletten dat jullie jezelf gaan voortplanten. Betere voorbehoeding tegen het mensdom! Leve de regen!’
Een grote regendruppel pletste pardoes op haar voorhoofd en zocht zich via haar rechterneusvleugel snel een weg tot in haar hals.
‘Bwèèh.’ Ze keek naar boven, van waar die waterkogel vandaan kon komen.
Toen viel haar blik op…

03

… Kerel trok zich ijlings terug. In één ruk werd hij weer geconfronteerd met zijn ontslag. Had ze hem gezien? Natuurlijk had ze hem gezien. Signalement: mannenhoofd aan appartementvenster om 14:35 op een dinsdagmiddag. Appartemens gesignaleerd! Dat kon niet onopgemerkt blijven. Het was gezien. In zijn hoofd ontrolde zich razendsnel de film van de afgelopen maanden. Geratel van de balletjes in de loterijcarrousel. De lucky numbers. Contact met winnares B. Huisbezoek. Euforie, natuurlijk: hemelsbrede euforie. Kerel was dat gewend. Hij kon daar mee om. Hij was getraind. Opeenvolgende huisbezoeken, geheimhouding. En dan gebeurde het. Schending van een der belangrijkste geboden, zo niet het allerbelangrijkste: Gij zult u op generlei wijze binden aan of verbinden met een hoofdwinnaar/-ares, ook niet in de toekomst.

B. had zich aan K. gegeven, tot driemaal toe. K. had B. genomen, tot driemaal toe. En K., krap bij kas zijnde, had bovendien gretig een aanvankelijke gulle gift aanvaard. Euforie alom, double blinded by love & money.
Het had welgeteld 11 dagen geduurd vooraleer de Huisgeheime Dienst van Interne Loterijzaken ingreep – in de figuur van een tot dan toe ‘beste’ vriend en collega van Kerel. Alles was gezien; niets bleef onopgemerkt. Het leven was een lotto. Die werd gewonnen en verloren door…

04

… Birde was niet alleen bezwangerd met centen. Er zat een kind aan te komen. Een puur gelukskind. Een Kerelskind. Na de val van Kerel Gheeraerdijn hadden ze elkaar nog tweemaal gezien, met een tussenpoos van een maand. Het was telkenmale op een dronken ruzie uitgedraaid. Wie was begonnen? Wiens schuld was het? Wat met dat kind? Het liefdesgeld dat Birde aanvankelijk aan Kerel had willen schenken – een aardige som, het kon ervan af – bleef ergens vlotten tussen twee, drie rekeningnummers, noodgedwongen: een extra ingreep van de loterijdetectives. Het kind, daarentegen, groeide. Birde werd ochtendmisselijk; Kerel werd constant misselijk. Hoe kon hij zo stom geweest zijn. Ze ontmoetten elkaar niet langer. Een breuk.

Die hatelijke kop tweehoog had Birde in een flits herkend. Zeker weten dat hij het was. De snelheid waarmee hij zich teruggetrokken had… Aha, daar hokte hij dus. Ze stak de straat over, liep honderd meter door, keerde op haar stappen terug en controleerde de namen onder de parlofoon- en belknoppen van het appartement 79. Onder 2B stond: FRIEDLAND. Alle andere waren gewone mensennamen. Birde wist dat FRIEDLAND een merknaam van deurbellen was. Hier verborg hij zich dus echt, die Kerel. Ze belde eenmaal hard aan en haastte zich dan weer de straat op, richting warenhuis. Hopelijk zou die hufter van een…

05

… Kerel schrok zich rot. Die bel snerpte door zijn hoofd, zijn hart, zijn ruggenmerg. Hij bleef stokstijf staan en hield – tweehoog – zelfs de adem in, alsof dat zou helpen, maar waartegen, godverdomme? Hij hield zijn hoofd nu schuin, gereed om een tweede vreselijk schelgeluid te incasseren. Dat kwam niet. Naar het raam durfde hij niet terug. Hij week er nog enkele stappen verder vandaan. Misschien stond ze aan de overkant van de straat, met dodelijke ogen te wachten tot hij weer… Hij hoorde stappen op de trappen, maar die stierven benedenwaarts uit. De schrik sloeg hem om het hart bij de gedachte dat ze ook elk moment aan kon kloppen. Want ze had hem hoogstwaarschijnlijk herkend. Hij sloop naar het muziekmeubel en schakelde de radio uit. Het bleef verder akelig stil in het appartementsgebouw, terwijl buiten het woeden van de wereld zijn gang ging. Het boze keffertje van taverne ’t Paleisje hapte naar de kuiten van voorbijgangers en werd uiteindelijk door de waardin druipnat naar binnen gedraineerd, druilauto’s passeerden in een trage karavaan op druilbanden door de druilstraat, en op de trottoirs weerklonk gedempt gevloek, en in de auto’s weerklonk bevrijdend gevloek, en iemand kreeg de balein van een paraplu onzacht tegen zijn voorhoofd, en iemand kreeg een gulp hemelwater tegen zich gesproeid doordat zo’n druilauto te dicht tegen de trottoirband reed, en terwijl Kerel minutenlang als een wassen beeld met gespitste oren bleef staan luisteren naar niets en alles en terwijl de wereld alsmaar door woedde en terwijl…


06

… Birde dook het warenhuis C&P in. Braadpan. Braadpan. Braadpan. Hoewel ze een miljoenenwinnares van de Nationale Loterij was, zou ze zoals voorheen de eurogetalletjes en de percentjes in C&P scherp in de gaten houden. Het ‘grote geld’ was voor een vuurtoren in Frankrijk, een diamant in elke tand en natuurlijk een weeshuis in India. Met het restitutiegeld dat ze nog van de loterij te goed had, de som namelijk die die hufter van een Kerel Gheeraerdijn haar in den beginne afgetroggeld had, zou ze uiteraard om de wereld reizen, in pakweg 80 dagen. Birde glimlachte en boog zich over de vrieskasten met de voorverpakte lekkernijen. Intussen werd ze bezocht door diverse visioenen. Ze bleef glimlachen.

Visioen 1. Elke letter van braadpan stond voor een ingrediënt waarvan de totale mix een bom opleverde die Kerel Gheeraerdijn in vele mootjes naar de andere wereld zou helpen. Alle ingrediënten waren hier in C&P te koop.
Visioen 2. Elke letter van braadpan voegde toe aan een heerlijk gerecht, dat ze hedenavond met liefde voor Kerel Gheeraerdijn toebereiden zou, en dat ze dan samen in een groot verzoeningsritueel zouden nuttigen. Bah.
Visioen 3. Ik sla hem de schedel in met die braadpan.
Visioen 4. In die braadpan ontdooide Birde voor haarzelf en het kind de diepgevroren schapenbout uit C&P waarmee ze Kerel Gheeraerdijn deze week de kop had ingeslagen.
Visioen 5. Monologue intérieure. Baalkop. Rukker. Aasvreter. Azijnpisser. Droplul. Patjakker. Addergebroed. Nageboorte.

Cut visioenen. Terug naar de werkelijkheid.

Even later liep Birde het warenhuis door, alsmaar het woord Vegas mompelend. Achtereenvolgens plukte ze vanillestokjes, eieren, gelei van rode bessen, geitenmelk, arrowroot en suiker uit de rekken. Thuis prikte ze het kasticket op haar keukenbord. Diezelfde avond ging ze stiekem een hoeveelheid korte bladeren afknippen van de geometrisch gesnoeide Taxus baccata haag op de begraafplaats Spes Nostra. Het leven was een lotto; de wereld een Vegas.

07

… Kerel wreef zich letterlijk de ogen uit toen hij Birdes invitatie las. Droomde hij? Het adres klopte volledig. Ze moest hem dus wel degelijk gezien hebben, die regennamiddag aan het venster. En die bel moest van haar gekomen zijn. Het was een teken geweest. Of misschien wou ze toen echt wel bij hem aanlopen! Waarom was hij toen in ’s hemelsnaam niet onmiddellijk naar beneden gestormd!? Het zweet brak Kerel uit, terwijl gelijk zijn hart van blijdschap harder begon te kloppen. Nu had ze hem geschreven. Etentje. En of dat bij hem kon; haar moeder zou bij haar maar wijsneuzig en storend in de weg zitten. Zij zou zelf koken, hier bij hem op het appartement. Lekker gezellig samen. Ook wel even praten hoor. For old times’ sake. Kerel Gheeraerdijn graaide haastig naar zijn mobieltje.

08

… Birde bracht ½ l geitenmelk met 1 vanillestokje en 100 gram suiker aan de kook. Ze klopte 4 hele eieren los met de arrowroot en nog eens 100 gram suiker. De losgeklopte eieren voegde ze roerend bij de kokende melk. Ze liet het goedje 2 minuten koken, immer roerend, en voegde er onmiddellijk ook haar geheime ingrediënt aan toe. Daarna goot ze het in enkele vormpjes over, niet helemaal tot aan de bovenrand. Het geheime ingrediënt viste ze er voorzichtig weer uit, pas nadat de pudding was afgekoeld en opgesteven. Ze smolt vervolgens de rodebessengelei, goot die op de pudding en liet alles opstijven in de koelkast.

09

… Kerel Gheeraerdijn slikte op het ogenblik dat de U.S. of A. 300 078 932 inwoners telde zijn vierde berenhap pudding-van-geitenmelk-met-gelei-van-rode-bessen door. Birde keek geboeid toe op deze lekkerbekkenij. Toen haar gastheer stilaan buiten westen verzeilde, prikte ze het kasticket uit C&P op zijn memory-bord boven de kitchenette. Vervolgens deed ze de vaat voor één persoon. Rustig maakte ze zich daarna uit de voeten. Niemand had haar zien toekomen of weggaan.

JORIS DENOO

Geschreven door Joris Denoo om 09:00 Stuur door

Meer van VRESELIJKE VERHALEN

↑ Terug naar de berichten