Het boshavikskruid (Hieracium sabaudum) is een vaste plant, die behoort tot de composietenfamilie (Compositae oftewel Asteraceae).
Het is een plant van vochtige, matig voedselrijke grond, te vinden in houtwallen, lichte loofbossen, in de bermen in de schaduw en aan slootkanten.
Verspreiding : In West-, Midden- en Oost-Europa en bij de Zwarte Zee.
Scandinavië en het Middellandse-Zeegebied vallen voor het grootste deel buiten het verpreidingsgebied.
Ingeburgerd in o.a. Noord-Amerika.
Engels : New England hawkweed, Broad leaved hawkweed Duits : Savoyer Habichtskraut Frans : Epervière de Savoie
De plant wordt 30-120 cm hoog.
Voor de bloei heeft hij onderaan een wortelrozet, dat tijdens de bloei verdwijnt.
In het midden van de stengel zitten de getande bladeren zeer dicht bij elkaar. De voet van het blad is het breedst.
Boshavikskruid heeft een chromosomenaantal van 2n = 18 of 27.
Boshavikskruid bloeit van augustus tot oktober met gele bloemhoofdjes.
De omwindselblaadjes zijn stomp en hebben vaak veel lange klierharen.
Op de bodem van het hoofdje zit om de putjes een rij tanden, waarvan er enkele een haar vormen.
De vrucht is een nootje met vruchtpluis.
Nederland : Vrij zeldzaam in Zuid-Limburg, in het oosten en midden van het land, in Noord-Brabant en in de rest van Limburg. Elders zeer zeldzaam of ontbrekend.
Vlaanderen : Plaatselijk vrij algemeen, maar zeer zeldzaam of ontbrekend in het kustgebied en in het westen van Vlaanderen. Het meest in de Kempen, de Leemstreek en de Maasvallei.
Bosgierstgras (Milium effusum) is een overblijvende plant die behoort tot de grassenfamilie (Poaceae).
De plant komt van nature voor in Europa, Azië en het oosten van Noord-Amerika.
De dichte zoden-vormende plant wordt 0,5-1,8 m hoog, heeft blauwgroene stengels en vormt korte, kruipende wortelstokken.
Het vlakke, 10-30 cm x 5-15 mm grote, min of meer overhangende blad is bij het tot 7 mm lange tongetje behaard.
Het blad heeft ruwe randen.
Engels : American milletgrass, Wood Millet, Tall Millet-Grass Duits : Wald-Flattergras, Weiches Flattergras Frans : Le millet diffus, lillet étalé, millet sauvage, millet étalé
Bosgierstgras bloeit in mei en juni met 10-30 cm lange, zeer losse pluimen, waarvan de takken rechtafstaan, maar later gaan overhangen.
De aarspil is glad. De 3-4 mm lange aartjes bestaan uit één bloempje, zijn lichtgroen en hebben een tot 5 mm lang steeltje.
De kelkkafjes zijn iets langer dan de ongeveer 3 mm lange kroonkafjes en aan de einden iets ruw. De helmhokjes zijn 2,2 mm lang.
De vrucht is een graanvrucht.
De plant komt voor in loofbossen en onder heggen op vochtige, matig voedselrijke grond.
Op stikstofarme plaatsen wordt de plant geelgroen.
vrucht van het bosgierstgras
auteur : Dragiša Savic
Nederland: Vrij algemeen in Zuid-Limburg. Plaatselijk vrij algemeen in Drenthe.
Zeldzaam in het rivierengebied, aan de binnenduinrand tussen Velzen en Voorne, in Twente, in de Achterhoek en in Noord-Brabant.
Elders zeer zeldzaam. Op de Waddeneilanden komt de plant alleen voor op Vlieland.
Niet in Zeeland en niet in het noordelijk zeekleigebied.
België: Vrij algemeen, maar zeldzaam tot zeer zeldzaam in het kustgebied, in Vlaanderen en in de Kempen.
Een cultivar van Bosgierstgras is Milium effusum 'Aureum'.
Deze heeft in het voorjaar heldergele bladeren, die later geelgroen worden.
De bosgeelster (Gagea lutea) is een overblijvende plant die behoort tot de leliefamilie (Liliaceae).
Het is een plant van vochtige, voedselrijke grond in loofbossen en in grasland.
De soort komt van nature voor in delen van West-, Midden- en Oost-Azië (met grote onderbrekingen in Siberië) en in bijna heel Europa. Westelijk tot in Engeland.
De plant wordt 10-30 cm hoog en vormt één ronde, toegespitste bol.
Het geelgroene, grondstandige blad is 5-10 mm breed.
Soms zit er een broedbolletje in de oksel van het blad, die kunnen uitgroeien tot een nieuwe plant.
De vrucht is een doosvrucht. Het zaad heeft een mierenbroodje en wordt daarom door mieren verspreid.
Gagea lutea
foto : Erik Molenaar
De bosgeelster is een overblijvende plant die bloeit van maart tot mei met gele, 1,5-2,5 cm grote bloemen.
De twee schutbladen van de bloeiwijze zijn lancetvormig.
De gele bloemen staan schermvormig met 2 tot 10 bij elkaar.
De kroonbladen zijn langwerpig met een stompe punt.
Na de bloei rollen ze terug en verkleuren dofgroen.
Nederland: Zeldzaam in Drenthe en zeer zeldzaam in Groningen, in Twente, in de Achterhoek, in het rivierengebied (o.a. in het Geuldal in Zuid-Limburg) en aan de Hollandse binnenduinrand.
België: Zeer zeldzaam. Het meest in oost-Vlaanderen.
Vrij zeldzaam in het Maasgebied en in Lotharingen (de zuidelijke Ardennen).
De bosgeelster wordt ook wel gerekend tot de stinzenplanten.
De bosboterbloem is een overblijvende plant en kan tot 90 cm hoog worden, heeft een rechtopstaande stengel en vormt geen uitlopers.
De onderste bladeren zijn diep ingesneden, soms bijna samengesteld, meestal 3-delig met vrij brede bladslippen.
De snavel van de vruchtjes is sterk gekromd en naar binnen omgekruld.
De gele bloemen zijn 1½ tot 2 cm groot.
De bloemsteel is gegroefd.
De bloembodem is behaard.
het blad van de Ranunculus nemorosus
auteur : Rutger Barendse
De bosboterbloem groeit op licht beschaduwde tot zonnige plaatsen op vrij droge tot vochtige, vrij voedselarme, kalkhoudende, humeuze, lemige grond.
Meestal in loofbossen en hellingbossen.
De plant is verspreid over Zuid- en Midden-Europa.
De ondersoort staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als zeer zeldzaam en zeer sterk in aantal afgenomen.
Bosbingelkruid (Mercurialis perennis) is een vaste plant uit de wolfsmelkfamilie (Euphorbiaceae).
Het is een rechtopstaande, onvertakte plant met een korte beharing.
De soort wordt circa 40 cm hoog.
Bij kneuzing van de plant wordt een onaangename geur verspeid.
De plant groeit voornamelijk in bossen en op beschaduwde plekken elders.
In Nederland is bosbingelkruid zeldzaam, maar komt wel voor in krijtgebied.
De plant is tweehuizig (er zijn aparte mannelijke en vrouwelijke planten).
In België is de plant vrij algemeen in het Maasgebied en in de zuidelijke Ardennen en vrij zeldzaam tot zeldzaam in Brabant.
Elders zeer zeldzaam.
Engels : Dog's Mercury Duits : Wald-Bingelkraut, Wildhanf Frans : La mercuriale vivace, mercuriale pérenne, chou de chien, cynocrambe, mercuriale des bois
De bladeren hebben een elliptische vorm en een korte steel. Het blad is gezaagd en kortbehaard.
De bloemen zijn groen, eenslachtig en vrij onbeduidend.
De mannelijke bloemen zitten in een onderbroken aar.
De vrouwelijke bloemen vormen een tros.
Bosbingelkruid bloeit van maart tot juni.
De plant draagt behaarde, tweelobbige, 6-8 mm lange vruchten.
Zowel voor vee als voor de mens is de plant giftig.
In de volksgeneeskunde werd Bosbingelkruid gebruikt als laxeermiddel in kleine hoeveelheden.
In de apotheek wordt het sap soms toegevoegd aan zalven voor bepaalde eczemen en schilferende huidaandoeningen.
Een gelijkende soort is eenjarig bingelkruid (Mercurialis annua).
De bosbies (Scirpus sylvaticus) is een overblijvende plant die behoort tot de cypergrassenfamilie (Cyperaceae).
De plant komt van nature voor in Eurazië en werd vroeger als vlechtmateriaal gebruikt.
De plant komt voor op natte, matig voedselrijke grond in grasland, loofbossen, kwelplaatsen, langs rivieren, beken en sloten.
Engels : Wood Club-rush Duits : Wald-Simse Frans : la Scirpe des bois
De plant wordt 25–90 cm hoog en vormt een wortelstok zonder knolvormige verdikkingen, maar wel met ondergrondse uitlopers.
De stengel is stomp driekantig.
De geelgroene tot bruine bladschijf is 0,6-1,6 cm breed met een v-vormig verdiepte middenstrook en een driekantige top.
De rand van de bladschijf en de middennerf zijn ruw.
De bosbies bloeit van mei tot augustus.
De veelvoudig samengestelde, tot 20 cm lange, pluimvormige bloeiwijze is meestal langer dan de twee tegenoverelkaarstaande schutbladen.
De grijze of groenachtige aartjes zijn 2,5–4 mm lang en zitten met drie tot vijf aartjes bij elkaar.
De stompe kafjes zijn elliptisch en hebben aan de top een stekelpuntje.
Het bloempje heeft een stijl met drie stempels.
De vrucht is een ongeveer 1 mm lang, strokleurig, elliptisch nootje met een korte spits.
De bosanemoon (Anemone nemorosa) is een lage vaste plant uit de ranonkelfamilie (Ranunculaceae).
De plant heeft drie bladeren en witte bloemen.
De plant kan 10-25 cm hoog worden.
Er zijn zes bloemdekbladen, die ook wat paars-rood aangelopen kunnen zijn.
De bloemdekbladen zijn behaard. De bloemdekbladen zijn gekleurde kelkbladen, de kroonbladen ontbreken.
De bloemen staan alleen. De plant bloeit van maart tot en met mei. De bloemstengel is behaard.
Onder de bloem zitten drie bladeren. Elke vrucht bevat maar één zaadje.
De bladeren zijn handvormig samengesteld.
De wortelstok loopt dicht onder het oppervlak en horizontaal en heeft witte knoppen.
Engels : Wood anemone, windflower, thimbleweed, smell fox Duits : Buschwindröschen, Hexenblume, Geissenblümchen, Geisseblüemli Frans : L'anémone sylvie, anémone des bois
De belangrijkste methode voor de bosanemoon om zich voort te planten is door middel van wortelstokken.
De plant vormt ook zaden met een mierenbroodje (een aanhangsel aan zaden of vruchten van sommige plantensoorten, dat als voedsel kan dienen voor mieren), waardoor ze door mieren verspreid worden.
De bosanemoon is in eerst instantie een bosplant uit loofbossen.
Maar daarnaast komt hij ook in graslanden en slootkanten voor.
Mogelijk waren deze groeiplaatsen buiten het bos eerst bebost en handhaaft de plant zich na het rooien.
Voor België wordt de soort voor boven de 300 m in graslanden opgegeven.
De plant wordt vaak als sierplant toegepast, waar bij er verschillende cultivars zijn.
De planten met gevulde bloemen zijn daar een voorbeeld van.
blauwbloem Anemone nemorosa in de Cheekwood Botanical Gardens in Nashville, Tennessee
auteur : Kaldari vrije foto
De bosanemoon bloeit van maart tot mei.
Bosanemoon bloeit zo vroeg in het jaar omdat de bomen dan nog kaal zijn.
Wanneer het bladerdek van de bomen de bodem van het bos gaat beschaduwen is de plant bijna aan het einde van zijn groeicyclus.
De plant wordt vaak als sierplant toegepast, waar bij er verschillende cultivars zijn. De planten met gevulde bloemen zijn daar een voorbeeld van.
In Nederland komt de plant in streken met landgoederen voor als stinsenplant.
Vaak zijn er dan planten met gevulde bloemen te vinden.
In Nederland en België kan de soort plaatselijk algemeen zijn, al zijn er ook streken waar hij ronduit zeldzaam is.
De bosandoorn (Stachys sylvatica) is een plant uit de lipbloemenfamilie (Labiatae oftewel Lamiaceae).
Groeit in Centraal-Azië, de Kaukasus en Europa, behalve in enige noordelijke en zuidelijke randgebieden.
Ingeburgerd in Noord-Amerika en Nieuw Zeeland.
Engels : Hedge Woundwort Duits : Wald-Ziest Frans : L'épiaire des bois, ortie puante
De taaie stengels zijn ruwbehaard en vierkantig.
De bosandoorn wordt 50 - 120cm hoog.
De bosandoorn groeit op beschaduwde plaatsen in met name bossen en heggen.
Bij kneuzing van de plant scheidt deze een onaangename geur af.
De bladeren zijn langgesteeld, eivormig en gekarteld en gezaagd.
Stachys sylvatica
auteur : De eigenwijze tuin
De tweelippige bloem is purperachtig bruin met witte vlekjes en heeft een doorsnede van 1-1,5 cm.
De kelk heeft vijf smalle tanden en beschikt over klierhaartjes.
Er worden schijnkransen gevormd van zes bloemen samen, die zich openen van juni tot augustus.
De vrucht bestaat uit vier nootjes.
Bosandoorn werd vroeger wel gekweekt om zijn wondhelende eigenschappen.
Dit is nog af te leiden aan de Engelse naam Woundwort.
De bosaardbei (Fragaria vesca), is de wilde tegenhanger van de cultuuraardbei.
Maar waar de cultuuraardbei een kruising is tussen soorten, is de bosaardbei een botanische soort.
De bosaardbei wordt ook wel kleine bosaardbei genoemd, ter onderscheid van de grote bosaardbei (Fragaria moschata).
Engels : wild strawberries, woodland strawberry, Alpine Strawberry Duits : Wald-Erdbeere, Monatserdbeere Frans : Le fraisier des bois
De bosaardbei groeit in bijna heel België en Nederland, vooral in bosgebieden en meestal op een ietwat vochtige zandgrond in gefilterd zonlicht.
De plant heeft kleine witte bloemen.
De samengestelde, drievoudige bladeren zijn glanzend en hebben een gezaagde rand.
De vruchten, eigenlijk zijn het schijnvruchten, verspreiden een zoetige geur.
Ze zijn eetbaar, maar zijn kleiner dan die van de cultuuraardbei.
De oogsttijd van bosaardbeien is juni-juli.
De kleine vruchtjes dragen een hoog gehalte aan vitaminen en mineralen bij zich, vooral vitamine C.
bloemen van de Fragaria vesca
auteur : Kurt Stüber CC 3.0
De bosaardbei kan makkelijk verward worden met de schijnaardbei.
Deze komt veel voor in parken, en is herkenbaar aan zijn gele bloemen.
De kleine vruchten hebben een frisse smaak die ze geschikt maakt voor vruchtensalades en -dranken, siroop en jam.
De bladeren zijn geschikt voor toevoeging aan kruidenthee of salade.
Gezichtswater van versgeperst aardbeiensap kalmeert de huid, bijvoorbeeld na een lang zonnebad.
U kunt in zo’n geval ook schijfjes aardbei op de huid leggen.
Een zacht maskertje van geprakte aardbei, wat slagroom en honing maakt een droge huid heerlijk glad.
Er mag dan geen sprake zijn van allergie voor de vruchten.
Gevoelige personen kunnen na gebruik - zowel in- als uitwendig — van aardbeien allergisch reageren met jeukende huiduitslag.
De borstelkrans (Clinopodium vulgare, synoniem: Satureja vulgaris) is een vaste plant, die behoort tot de lipbloemenfamilie (Lamiaceae).
De botanische naam Clinopodium is Oudgrieks voor voetenbankje en verwijst naar de harige schutbladen, die een bankje voor de bloemen vormen.
De plant komt van nature voor in Eurazië en ruikt iets naar tijm.
De plant is als keukenkruid in de vergeethoek geraakt.
De plant combineert met tomaten, paddenstoelen, vet vlees en allerlei stoofpotjes met bonen.
Het is echter alleen vers goed bruikbaar, want het verliest heel snel zijn smaak en aroma als het gedroogd wordt.
Engels : Wild Basil, Field Basil Duits : Wirbeldost, Borstige Bergminze Frans : Grand basilic, Clinopode
borstelkrans
auteur : Prof. Paul Busselen
De borstelkrans bloeit van juli tot september met donkerroze, zelden witte, ongeveer 6 mm lange bloemen, die in dichte, rijkbloemige schijnkransen zitten.
De kelkbuis heeft geen zakachtige knobbel.
De bloemen zijn omgeven door vele priemvormige, lang behaarde schutbladen.
De bloemen produceren veel nectar en worden dan ook bezocht door bijen, vlinders en andere insecten.
De plant wordt 30-60 cm hoog. De dunne bladeren zijn eirond tot langwerpig en iets gekarteld.
De vrucht is een vierdelige splitvrucht.
De plant komt voor op droge, kalkrijke grond tussen het gras, struikgewas en op kapvlakten.
Vrij zeldzaam in Zuid-Limburg, zeldzaam in de duinen tussen Zandvoort en Noordwijk en zeer zeldzaam in het midden van het land, in het rivierengebied, in Zeeland en in Flevoland.
Vrij algemeen in het Maasgebied en in de zuidelijke Ardennen (ten zuiden van de lijn Samber en Maas). Zeldzaam in Brabant.