Rome 1996 - We bereikten Meiringen.

Mijn ontmoeting met SHERLOCK HOLMES.
Precies zoals afgesproken tokkelt zij om 7u30 op mijn deur. Dat is dus de wekdienst in dit Hotel Sonne, in het land van de goede uurwerken. Ik was al lang wakker. Door mijn prostaat, door mijn blaas, of door het slechte weer moest ik meermaals plassen. Tot diep in de nacht had ik op mijn kamer naar de televisie gekeken en nadien had ik nog een schrijfsel gemaakt in briefvorm voor mijn tante Josée. Mijn was is nog niet goed droog en dat is pech want zo kan ik mijn fietszakken nog niet opvullen. Het ontbijt is goed. Gekookte hesp, jambon de York, brood en veel koffie, suiker en melk. De tafel is stijlvol gedekt. Terwijl ik rustig geniet volg ik stiekem het gesprek en de tafelmanieren van twee Engelse dames, ladies uit Kent, Sussex of elders. Tot 9u10. Dan spring ik recht om mijn dagtaak van fietsende zwerver weer aan te vangen.
Waar is de sleutel van mijn fietsslot ? Stress. Ik moet er door zweten omwille van de warme koffie die mijn maag vult. Ik stap naar de garage, waar ik niet alleen de sleutel terugvind maar ook mijn leesbril. Niet goed. Ik zal moeten minder verstrooid zijn, niet alleen op weg naar Rome maar zelfs tijdens de rest van mijn leven. Ik kom net op tijd voor de boot van 9u24. We schepen in tot Buosch aan de andere kant van het water, twee haltes verder. Deze ochtend is het fris en helder weer. Vaarwel Gersau.
Wilfried vaart mee op de Winkelried. Zo heet die boot, naar een vroegere Zwitserse held die sterk was als een beer en die met zijn behaarde borstkas de speren van de Habsburgers trotseerde.
Zo’n boot op het meer van de vier woudsteden is een platte schuit van 58 m lang die slechts 1,60 m in het water zakt. Het duurt niet lang. Weldra ben ik met Olive al op de andere oever. Daar besluit ik van mijn fiets wat te verzorgen omdat hij door de regens van vorige dag erg vuil is. Ik gebruik als vod een paar sokken die ik voor mijn voeten afdank. Vooral de ketting krijgt mijn aandacht. Ik doe er nieuwe olie op. Daarna volg ik dromend de boorden van het meer tot wanneer ik te Küssnacht kom waar Koningin Astrid, de moeder van Koning Albert II van België, was verongelukt. Ik ben geen ramptoerist, noch een grote fan van ons koningshuis, en wil niet weten waar dat precies gebeurde. Ik had zelf ook familieleden die de dood vonden in een verkeersongeval.
Lüzern is nu nog maar op 8 km. Ik maak rechtsomkeer want ik ben wat te ver gereden en ik wil mijn route correct blijven volgen. Het is te koud om te zweten en het is niet warm genoeg om kledij uit te doen. Voor een fietser is dat een moeilijke situatie. Hij heeft geen dorst maar moet toch regelmatig drinken om geen inzinking te krijgen. De kilometerteller doet het weer. Gisteren was hij door de nattigheid stilgevallen. Ik wreef de onderdelen van het tellertje goed droog en draaide er een plastieken zakje rond. Omdat ik te veel belang hechtte aan dit, vergat ik echter een zijweg te nemen en te klimmen tot aan de Kapel van Flüeli, een plaats van grote volksdevotie. Aan het station van Giswil stop ik om even beraad te houden. Er stoppen daar treinen met regelmaat. Dat brengt me op het idee van zelf ook zo’n Zwitserse trein te nemen, zo’n trein die je over de bergen brengt, zelfs Garin en Aucouturier deden dit in de Tour de France van 1904 en dat waren toch wielercracks. Ik moet echter wel nog bijna een uur wachten op de volgende trein in de goede richting .We zullen dus maar doorgaan, zoals de dappersten, want zo zijn Olive Green en ik. Wij rijden bergop, volgen de kronkelende weg naar de Brünig Pass. Onze moed krimpt ineen. Als een brandend papiertje in de open haard kwijnt de gloed van onze wilskracht langzaam weg. Op het ogenblik dat druppels uit de wolken beginnen te vallen valt dan de beslissing. De dag is nog lang. We gaan hier niet te stoer doen. Snel terug naar dat station ! Om dit nieuwe plan vast te houden koop ik zonder talmen tickets tot Meiringen. Het is niet duur. Waarom zwoegen als een beest op de Brünig als het via de rails toch zo gemakkelijk gaat ! De tijd die me zal brengen tot aan het vertrek van de trein wil ik vullen met het eten van apenootjes uit een automaat. Dit snoep steekt in een plastieken zak waaraan ik zo fel moet trekken om die open te krijgen dat wanneer dit uiteindelijk gebeurt plots ¼ van de inhoud wegvliegt op het perron. Wat een pech. Na nietsdoen en zitten op een houten stationsbank, komt er een boemeltreintje aangereden. Mijn zwaar bepakte fiets moet ik zelf eerst oplichten om hem in de speciale treinwagon voor tweewielers te krijgen. Eens in die wagon moet ik hem hoog aan een haak ophangen. Deze inspanning is wat te zwaar en het lukt me niet, maar een jonge kerel helpt me. Het is de eerste keer in mijn leven dat iemand mij als een sukkelaar beschouwt die even moet geholpen worden. De trein hotst en krabbelt over de bergkam tussen rotsen en bomen. Plots een rood signaal en een hele tijd blijven wij op dezelfde plaats. Na een uurtje ben ik te Meiringen. Nabij het station vind ik een cafetaria in een supermarkt die Mi Gros is genoemd. Daar is een mooi uitgebreid salade buffet. De hongerige consumenten scheppen er zelf hun borden vol. Aan de kassa wordt het volle bord gewogen, alles aan dezelfde prijs, tegen 2,00 Fse de 100 gr. Wanneer mijn bord leeg is en dat duurde niet lang, heb ik ondertussen reeds gezien hoe populair de vermicelli ijs daar wel is. Dat wordt dan uiteraard mijn dessert.
Het stadje Meiringen heeft geen heilige om de commercie te verbeteren. SHERLOCK HOLMES is er de grote vedette. Het is wel een ontdekking te vernemen dat diep in Zwitserland deze wereldberoemde Engelsman zo aanwezig is. Er is daar een eenvoudige reden voor. Sir Conan Doyle de grote schrijver van misdaadverhalen en geschiedenisboeken kwam te Meiringen op vakantie waar hij tijdens zomerse wandelingen in de bergen of winterse sportactiviteiten bedacht wat in zijn boeken zou komen. Het is dus een must te Meiringen het museum van Sherlock Holmes te bezoeken, hetgeen ik dan ook doe. Daarna fiets ik tot aan de Aareschluss. Met mijn lichte fietsschoenen is een lange wandeling daar nogal pijnlijk voor mijn voeten. De rivier Aare wringt zich hier sedert een miljoen jaren tussen de rotsen door. Wat een natuurwonder ! Daarna rijd ik verder tot Reichenach om de waterval te bewonderen. Als laatste bezoeker van de dag kom ik aan, een kwartiertje voor sluitingstijd. De entreeprijs is te hoog om maar eventjes te kijken en in een oude lift te stappen die misschien nog onderweg blokkeert. Ik neem nu de richting Jeugdherberg van Meiringen. Overnachting met ontbijt kost daar 21,60 Fse. Voor avondeten moet op voorhand ingeschreven worden en dat deed ik niet. Maar als er wat over blijft van wat anderen bestelden, kan ik misschien toch nog mijn buikje vullen wordt mij in het oor gefluisterd. Terwijl een flinke groep jongeren eet, trek ik me terug op de bovenverdieping waar douches en toiletten op dat ogenblik voor mij alleen zijn. Wat later bezoek ik weer de eetzaal maar mijn tweede poging om eten te krijgen mislukt want de jongeren hebben werkelijk alles opgegeten, een teken dat wandelen in de bergen de eetlust sterk bevordert.
Ik wandel door Meiringen, verneem nog meer over Sherlock Holmes, vind een bank die me uit haar muur biljetten geeft, en dan stap ik binnen in het Cristal American Café. Formidabele bediening. Snel. Goed. Mooie dienster. Ik drink twee grote pinten en eet een mooi stuk vlees. Het lijkt daar niet moeilijk te zijn om na de laatste hap stiekem te vertrekken, zonder de rekening te vereffenen. De manager van deze brasserie is echter een heel knappe vrouw en daarom laat ik er graag 27,60 Fse achter.
Wanneer ik terug op het adres van mijn logement kom is daar nog een volle autobus kinderen bijgekomen. Veel lawaai. Gelukkig gaan zij allemaal vroeg naar bed en blijven er slechts nog enkele mannen over aan een grote tafel, allemaal fietstoeristen, die hun plannen voor de volgende dag bespreken zich buigend over een landkaart van midden Zwitserland. Ik voeg me bij hen. Het zijn twee Duitsers, hoogstudenten Mathematik uit Wurzburg. Zij rijden met hun duo korte afstanden. Een derde kleine gespierde man rijdt solo en heeft een ongelooflijk lange sportieve tocht op zijn komend dagmenu. Hij is belastingsadviseur en komt uit de streek van Freiburg in het Zwarte Woud. Hij beweert te wonen in het dorp in Duitsland met gemiddeld jaarlijks de meeste uren zonneschijn. Wij slapen allemaal samen op een soort zolder in een grote beddenbak met acht individuele matrassen terwijl onze lichamen steken in een linnen slaapzak die de jeugdherberg ons verplicht te gebruiken. De geur van het onfris ondergoed van de anderen stoort mijn nachtrust. Ik open het venster. Een mooie sterrenhemel overkoepelt Meiringen waar iedereen vreedzaam slaapt tijdens de rusttijd der gelukkigen. Stille nacht.
Misschien is de grote slechterik professor Moriarty op dat moment toch nog bezig met een nieuwe deugnieterij. De Napoléon van de misdaad dreef Sherlock Holmes en zijn assistent Dr Watson zo vaak tot het uiterste. Hier te Meiringen hebben zij finaal met mekaar afgerekend, de geniale speurder die door zijn minutieuze observaties de ongewone zaken oploste en de baron van het duistere en het kwade waren aartsvijanden. In een verhaal dat het laatste zou moeten geweest vochten zij het definitief met mekaar uit. In hun sterke koppen wilde het verstand het niet opgeven, noch bij de een noch bij de andere, en zij vochten het uit als straathonden met hun lichaam. Worstelend kwamen zij in het kolkend water van de kloof van de waterval van Reichenbach terecht. Zij verdronken in het wilde water. De lijken van beide opponenten werden door de stroming meegesleurd en verdwenen spoorloos. Met dit scenario eindigde de schrijver zijn reeks waarin zijn grote detective de hoofdrol speelt. Arthur Conan Doyle schreef eigenlijk liever ernstiger werk , zoals zijn monumentale versie van de Geschiedenis van de Grote Oorlog 14/18 en verder nog 32 andere boeken. De kritiek van de hogere kringen kon hij nog moeilijk slikken. Het succes van zijn excentrieke held groeide hem tot boven de kop. Zijn boekjes verkochten als broodjes, hadden hem rijk gemaakt, maar hij kreeg als intellectueel en vrijmetselaar niet de erkenning die hij verlangde. Hij liet Holmes en Moriarty dus maar verdrinken te Meiringen. Zo hoopte hij van hen af te geraken. Maar de ontelbare lezers reageerden en pruttelden geweldig tegen. Sherlock Holmes was hun onsterfelijke held geworden, even groot als Willem Tell, Robin Hood, Don Quichotte, en anderen. Het huis van 221b Baker Street te Londen waar de fictieve intelligente speurneus zijn kantoor had, werd door velen belegerd. De druk werd zo groot dat zoals Lazarus en Jezus Christus ook Sherlock Holmes uit de dood terugkwam om voor altijd iedere boekenkast te bevolken en te blijven in boeken, kortverhalen, films, feuilletons, tot zelfs in een animatiereeks waar hij al in de 22ste eeuw misdaden van een nog vandaag niet gekende aard kan oplossen. De lezers wonnen dit pleit tegen de schrijver die tegen zijn goesting nog nieuwe verhalen moest brengen. Sir Conan Doyle was een dokter. Hij was ook een sportman die cricket speelde, ook de nobele art van het boksen lief had, in tennis en pingpong vrij behoorlijk de concurrentie kon bekampen. Hij reisde vele malen naar Noorwegen en naar Zwitserland voor de goede lucht en de ski. (Papoum) .











