Rome 1996 - Toen ik mijn fiets tegen de toren plaatste.


In de vroege namiddag zijn de schaduwrijke straten van het oude Pisa leeg tot na de siësta. Ik rol in de stilte verder op soepele banden tot ik kom aan een door onkruid en struiken overwoekerde muur. Daar zie ik dat meer en meer mensen stappen naar dezelfde richting, zwermen toeristen van alle soort, ook Japanners gereed om ieder vogeltje dat voorbij vliegt vast te leggen op Kodakpapier. Wat verder zie ik die beroemde scheve toren van Pisa staan. Hij is eigenlijk veel kleiner dan ik altijd had gedacht, maar 55,86 m hoog. Bekeken van op een afstand van 155 m geeft dat geen felle indruk. Ik luister naar een gids die veel vertelt over de toren. Het is me vlug duidelijk dat ik sta voor een uniek geheel dat Campo dei Miracoli wordt genoemd en waar naast de Torre Pendente, ook de Duomo, de doopkapel, en het Camposanto, belangrijk zijn. Ik wil mijn fiets tegen de kerk plaatsen maar, misschien omdat er niet Bianchi-Campagnolo op staat, word ik één minuut later al weggejaagd door een ijverige politieman. Nergens kan ik mijn fiets veilig opbergen of aan iets vastkabelen.Tussen tweeduizend in alle richtingen bewegende mensen, nabij een toren die wie weet wel zou kunnen omvallen, en nabij die hoogkerkelijke muren van Pisa voel ik me niet op mijn gemak en niet erg welkom. Met mijn maag vol slecht geknabbelde zeevruchten verloopt mijn spijsvertering ondertussen ook niet zo vlot. De bezoekers, die voortdurend door touringcars worden aangevoerd, overweldigen me. Ongewild word ik door de massa tussen de winkeltjes geduwd waar ik zie dat op de ansichtkaarten alles van Campo dei Miracoli mooier en indrukwekkender is op foto dan in de werkelijkheid. Ik loop verder en benader zo dicht mogelijk de wereldberoemde toren. Ik plaats mijn fiets tegen stenen die reeds eigenlijk tot de voet van de toren behoren. Achter enkele planken en overschotten van bouwmaterialen doe ik vlug mijn kleine behoefte, maar bij mijn terugkeer aan mijn fiets, zie ik dat twee politiemannen met de armen op de rug in mijn richtig komen. Ik wip op mijn zadel en met klein verzet verlaat ik de toeristische grote mirakelmarkt van Pisa. Vermits die politiemannen het niet op een loopje zetten om me te pakken -want fietsen is daar verboden - moet ik ook niet op groot verzet wegspurten.
Olive Green brengt me naar Piazza dei Cavalieri en Piazzo Dante. Deze zijn leeg en verlaten maar dat zal niet voor lang meer zijn want binnen een week zullen de studenten de buurt bevolken en zal een nieuw schooljaar beginnen. Aan de Ponte Solferino stop ik om wat te bedaren, en omdat daar een karretje staat met ijskreem. Ik fiets even tot aan het gothische kerkje Santa Maria della Spina, waar lang geleden een relikwie van onschatbare waarde werd bewaard, namelijk een stekel uit de doornenkroon van Jezus Christus. Met zijn rustgevende waterstroming vloeit de Arno in die omgeving reeds eeuwig voorbij. Hem .zal ik tijdens het komend uur volgen en dat is een gedachte die mijn moed verbetert.
In de XIde en XIIde eeuw werden te Pisa de beste zeilboten gebouwd. Met deze boten konden de kooplui veel vervoeren maar zeker ook sneller varen dan de Moorse zeerovers die aan het loeren waren om een slag te slaan, zoals koopwaren stelen, en vrouwen en kinderen ontvoeren voor losgeld of voor de slavenmarkten. Gedurende tweehonderd jaren waren de Pisani grote vakmannen. Uit hun scheepswerven kwamen de Ferrari's en de Alfa Romeo's van de zeilboten, terwijl elders boerenkarren en Lada's werden gemaakt. De zeevaarders van Pisa waren de meesters van de zee. Zij werden weinig gestoord door de Viking's die andere jachtvelden hadden. Van hun zeereizen brachten zij rijkdom, kennis en kunst mee. Die gingen zij halen in gebieden waar de Islam bloeide. Pisa was een machtige stad eeuwen later dan Rome en Ravenna, maar wel vroeger dan Venetië, Florence, Genua, Milaan, Bologna. Zo hebben vele Italiaanse steden een verwarde en ingewikkelde geschiedenis, met hoogten en laagten, met grootheid en rijkdom gevolgd door verval en stilte.
De regio Toscane heeft drie belangrijke troeven om iedereen te lokken en aangenaam bezig te houden. Ten eerste is er de kunst en de sfeer in de oude steden, ten tweede zijn er de heuvels, bergen, bossen, wijngaarden, rijke natuur, en ten derde zijn er de kusten en de zee.
Toen ik mijn fiets tegen de toren plaatste is hij nog niet omgevallen. Veel later dan op die zondagnamiddag zou ik te weten komen dat de toren van Pisa 44 cm terug rechter werd getrokken door een tegengewicht van 870 ton lood. Deze openbare werken tot renovatie hadden de som van 28.000.000 euros gekost. De toren van Pisa werd op die manier een beetje minder scheef, wat zijn kansen voor de toekomst verbetert. Maar, het is ondertussen ook wel waar geworden dat de toren van de Sint Walfridiskerk van Bentum in Friesland nu zes centimeters schever is dan die van Pisa. Vermits ik Wilfried heet kan ik daar mee leven. Want al bij al was het met droeve blik dat ik het te drukke Centro Storico verliet. Mijn neus begint wijd open te gaan in de zeelucht die me tegemoet komt en me gelukkig stemt. Na een tiental km fietsen, sta ik weldra voor de wijdse horizon van de Tyrreense Zee. Ik reed Tirreno-Adriatico niet, maar wel Adriatico-Tirreno. Ik feliciteer mezelf want ik reed tussen de zeeën bijna zo goed als Roger Devlaeminck.
Met zicht op " la grande bleue" en met mijn voeten op proper zand geniet ik intens van de prachtige ogenblikken die me zijn gegund. Ik vraag me af welke zin het heeft om na Marina di Pisa terug naar het binnenland te trekken, zoals mijn programmablad was opgesteld, om mezelf terug af te peigeren op mijn zware fiets. San Gimignano, Siena, Perugia, Assisi, Spoleto, Rieti, zijn allemaal mooie plaatsen, maar om er te geraken zal ik moeten zweten. De oude Italiaanse steden zijn prachtig, maar zou ik toch maar niet de zeeweg volgen om meer te genieten en om op een ontspannen manier gemakkelijker Rome te bereiken. Ik wil niet rekenen, maar ik weet dat ik zeker vijf dagen langer heb gereden dan verwacht. Maar dat mag me niet duwen tot overdreven sportieve inspanningen om nu per dag méér kilometers af te leggen hetgeen zou mogelijk zijn door mijn fel verbeterde lichaamsconditie. Als vroegtijdig gepensioneerde evenwel moet ik leren genieten en plezier hebben zonder enige prestatiedrang, en zonder nog te willen bewijzen dat ik misschien niet meer kan rijden zoals een campionissimo maar toch nog als een gregario. Sint Franciscus en de Heilige Clara zullen mij vergeven als ik niet bij hen op bezoek ga. Flexibiliteit is van deze tijd. Als ik wil, kan en mag ik mijn route wijzigen. Ik ben zelfstandig en mijn eigen meester, alléén op weg zonder tochtgenoten.
17.00 u. Laat op zondagnamiddag aan de Toscaanse kust. Einde van september. Plots begint er een windstorm, de golven worden talrijker en wilder. Weldra volgen donder en bliksem. Vele strandtoeristen en ikzelf vluchten in alle haast naar een milkbar. Alle hemelsluizen gaan open en de regen als een waterval spuit over Marina di Pisa. Ik heb maar een kleine tafel bemachtigd , maar ik zit toch droog en ik kan mijn fiets in het oog blijven houden. Die steekt goed bedekt onder de tent die ik te Fiesole kreeg. Om te mogen blijven schuilen in de milkbar, die ondertussen zo vol is als een fles Martini, bestel ik een bananasplit en nadien ook nog een tas koffie.
Golven op zee. Alléén aan de natte kust. Mentale verzwakking. Plots valt mijn beslissing. Ik fiets niet naar Assisi, maar ik zal langs de kust proberen Rome te bereiken. Zo kom ik dan opnieuw op de route van André en Simone, die ik had gevolgd langs Maas en Moezel. Die weg is belangrijk en bekend als de VIA AURELIA ANTIQUA. Het is de heirbaan die sedert Romulus zo druk werd gebruikt door de legioensoldaten, handelslui, reizigers, huurlingen, artiesten , troubadours, girorenners, zigeuners, bruine paters, maffiosi, straatmadelieven, te voet, te paard of op wielen. Deze belangrijke oude verkeersader loopt van Marseille naar Rome.
Na dit onweder rijd ik op natte wegen naar Livorno. Ik wil nog vele kilometers afleggen. Rond Livorno is weinig te zien, maar er is daar mogelijkheid om naar Sardinië te varen. Dat bekoort me. Een jaar eerder was ik zo van Roscoff in Bretagne overgestoken naar Cork in Ierland. Toen veranderde een fietstocht die saai werd in een onvergetelijk avontuur. Maar dat zal nu niet gebeuren want mijn weg naar Rome is nu duidelijk afgelijnd en heet Via Aurelia Antiqua. Beter kan niet. Aan de Cassa di Risparmio di Livorno probeer ik te bancontacten, maar dat automaat staat op het einde van de weekend droog. In de volgende woonwijk van Livorno krijg ik van de Banco di Roma wel goede lires. Ik meen dat Banco di Roma me een teken geeft dat ik moet naar Roma fietsen en niet naar Sardegna varen. Met stevig tempo ga ik vooruit, maar ik krijg weer regen op mijn lijf. Ik wil niet schuilen. Het is bijna donker door de zwarte regenwolken. De wagens zijn gevaarlijk. Het is nog maar 19.15 u maar ik moet met mijn lichten rijden voor meer veiligheid en door wettelijke verplichtig. Ik sukkel nog verder door de nattigheid.
Ik begin te verzwakken, maar gelukkig kom ik aan te Antignano, een kleine badstad. Door de regen is er geen mens op straat. Weldra ontdek ik een pension waar nog plaats is. Op de kamer duik ik onder de warme douche. Met droge kleren aan zit ik een uurtje later aan tafel. Het moment is gekomen om het goede einde van mijn vijfde week op weg naar Rome te vieren, en met klasse af te sluiten. Het wordt een goed avondmaal. De vrouw des huizes mag voor mij beslissen wat ik zal eten. Er komen zes schotels op tafel, niet in één keer , maar in de gepaste volgorde. Gemengde zeevruchten, lasagne, entrecôte, frieten, kaas, brood. Schitterend einde van deze natte zondag. Op mijn tafel staat een fles Rosso di Montalcino 1988 genummerd 530499. Zou die niet te duur zijn ?
De dienster weet het ook niet. Zij neemt de fles en gaat aan de bazin vragen voor hoeveel ik die mag ledigen. Het zal 15.000 lires kosten. Normaal kost zo'n fles toch meer. Maar ik meen te begrijpen dat de bazin medelijden met mij had toen zij me in haar pension zag binnenkomen als een oude natte hond. Zij gunt me een premie voor schone strijdlust en bruine gespierde benen. In het aantrekkelijk restaurant hef ik mijn glas op als dank voor de mooie dagen die voorbij zijn en voor nog betere dagen die hopelijk zullen komen.






















