Amon
  
Belangrijkste cultuscentra waren :Thebe, Hermopolis Magna ( Khnoem in het Egyptisch, het moderne el Asjmoenein), Meroë in Ethiopië en de oase van Siwa in Libië
Zijn naam werd geschreven :

Zijn naam betekende "de Verborgene" en een van zijn grafschriften was "mysterieus van gedaante . De naam zou verband houden met het werkwoord "imni" dat verstoppen betekent. Maar het is ook mogelijk dat zijn naam verband houdt met een oud Lybisch woord "aman" dat water betekent. De onmogelijkheid om een naam (nomen) voor deze complexe godheid te vinden werd opgelost door hem "asja renou" i.e "rijk aan namen" te noemen.
Voorstelling: Ondanks het geheim van zijn gedaante, als schepper en bron van alle leven waarin hij onzichtbaar was, werd Amon voorgesteld als een man met een hoofdtooi met twee pluimen, maar ook als een man met een ramskop (sjeft) of als een ram ( Ovis platyra) met naar binnen gebogen horens dicht bij de kop en dus duidelijk verschillend van het ram met horizontale horens ( Ovis logipes palaeoegypticus) dat karakteristiek was voor de godheid Chnoem. Een blauwe huidskleur ( lucht ?) was karakteristiek voor de afbeelding van Amon.

Bekend zijn ook de criosphinxen: leeuwenbeelden met ramskoppen die tussen hun poten een beeld van de farao houden en waarmee de dreven die de tempels van Loeksor en Karnak met elkaar verbonden, afgeboord waren. Ook de "Oeserhat", de magnifieke processieboot van Amon, de Heer van de Twee Horens, was aan de boeg en achtersteven met ramskoppen versierd.

De ram werd reeds in de prehistorie in de Sahara vereerd en drong van daar door naar de Nijvallei waar hij het onderwerp werd van verschillende religieuse syncretismen ( versmeltingen); zoals deze van de Nubische ram, vereerd te Kerma en de rest van Nubië en de Egyptische Amon.
Criosfinxen langs de processieweg van Karnak
Soms werd hij ook afgebeeld als een "smn"-gans ( Alopochen aegyptiaca). In een hymne op de papyrus "Leiden 1350" wordt hij beschreven als " de grote schreeuwer " , een oergans. Ook de slang, waarin hij zich reïncarneerde was als heilig dier aan hem gewijd.
Soms werd hij verbonden met de vruchtbaarheidsgod Min tot Amon-Min of Amon-Kamoetef ( stier van zijn moeder). In dat geval werd hij ithyiphallisch (met een stijve penis) afgebeeld . Mogelijks werd Min, de god van het naburige Coptos, te Thebe vereerd voor Amon. Beide voeren ze in hun afbeeldingen de karakteristiek pluimen op hun kroon, wat op verwantschap zou kunnen wijzen.
Als Amon-Ra werd hij ook verbonden met de zonnegod Ra, een van de dominerende goden uit het Oude Rijk. Het zou onder de Vijfde Dynastie zijn dat de vereniging met Ra tot stand kwam . In die hoedanigheid draagt hij een zonneschijf naast de pluimen op zijn kroon (zie afbeelding 3 hierboven: Amon met het ramshoofd waarbij de zonneschijf duidelijk te zien is voor de pluimen). Deze verbintenis met de populaire godheid Ra was een van de oorzaken van zij algemene opgang later.
Amon, de heer die in alle dingen verblijft , werd ook geacht de ziel (ba) van alle dingen te zijn.
Amon was oorspronkelijk samen met zijn gemalin Amaunet één van de 4 koppels van oergoden van de ogdoade (Grieks voor een groep van acht) uit de scheppingsmythe van Hermopolis Magna. Hij personifieerde de wind of de verborgen kracht van de lucht. Hij was een scheppingsgod die zichzelf kon opwekken door de vorm aan te nemen van een slang die zijn huid afwerpt. In die functie was hij bekend als Amon Kametef (hij die zijn tijd vervuld).
Zijn voornaamste cultuscentrum was de tempel van Karnak te Thebe waar hij samen met zijn echtgenote , de gier-moedergodin, Moet en hun kind de maangod Chonsoe als goddelijke triade werd vereerd.
Hij wordt voor het eerst vernoemd in de pyramide teksten uit de vijfde dynastie (ca 2350 - ca 2345) waar zijn gemalin Amonet of Amaunet is. ( = Amon + vrouwelijke eind "t")
Men weet niet precies wanneer men begon met Amon te Thebe te vereren maar als lucht en windgod veronderstelt men dat Amon misschien een god van de plaatselijke schippers was. Zeker is dat helemaal niet. Wel zeker is dat tijdens de "Eerste Tussenperiode" een tempel aan hem gewijd bestond te Thebe.
Met de opgang van de dynasten van Thebe werd Amon steeds belangrijker zodat hij tenslotte de oppergod van het staatspantheon van de Egyptenaren werd. Later vereenzelfdigden de Grieken onder de Ptolemeeën hem met Zeus en de Romeinen met Jupiter. Zijn opkomst dankte hij vooral aan deze van de plaatselijke Thebaanse heersers, die sinds Mentoehotep II progressief het land wisten te herenigen na een periode van oproer en onenigheid onder de gouwvorsten (Eerste Tussenperiode). Een inscriptie van Senoesret I (ca 1965- ca 1920 v.Chr.) , uit de vroege twaalfde dynastie, in de jubileumkapel te Karnak beschrijft Amon als "de koning der goden". Senoesret was bovendien de eerste vorst die te Karnak een heiligdom oprichtte.
Het was Amon-Ra, de Thebaanse manifestatie van de zonnegod, die de expansie van het Egyptische koninkrijk over Nubië en de Levant voorzat. Hij werd geassocieerd met de heersende farao maar het was de Thebaanse priesterklasse die gebruik maakte van het prestige van de cultus van Amon-Re om tegen het eind van het Nieuwe Rijk hun rivaliteit met de farao te legitimiseren.
De opkomst van de farao's van de vijfentwintigste dynastie afkomstig uit Koesj leidde tot een renaissance van de cultus van Amon, daar de Nubiërs geloofden dat de werkelijke thuisbasis van Amon de Djebel Barkal in Noord-Soedan was. Koningen als Piy, Sjabaka en Taharqa associeerden zich met de cultus van Amon en trachten de cultus en de heilige plaatsen nieuw leven in te blazen. De tempel van Darius te Hibis in de oasis van Kharga en het orakel van Amon in de oasis van Siwa bleven prestige uitstralen tot aan de tijd van Alexander de Grote.
Bronnen: -J.Zandee: De hymnen aan Amon van papyrus Leiden 1350, Leiden, 1948 -Lucia Gahlin; Egypte goden, mythen en religie,Utrecht 2001 -K.Sethe: Amun und die acht Urgцtter, Leipzig, 1929 -Hans Bonnet:Lexikon der Äyptischen religionsgeschichte; 1952 -Champollion J.F. Panthйon Egyptien,1823 -Wallis Budge E.A. The Gods of the Egyptians,1904 -M.Damiano-Appia. Dictionair encyclopédique de l'Ancienne Egypte,1999 -I.Shaw & P.Nicholson, The Dictionary of Ancient Egypt,1995
|