|
Woensdag. Het heeft opnieuw gesneeuwd deze morgen. De voorbijgaande dagen kon ik nog kleine wandelingen maken door de sneeuw met onze César, soms zelfs in de zon.
Deze morgen het huis niet uitgeraakt. Niet uit luiheid maar uit wijsheid.
Buiten staat er een flinke wind en de witte wereld ziet er grijs, guur en ongezellig uit. Er ligt een dik, bijna ondoordringbaar pak sneeuw dat alles stillegt, behalve mijn gedachten.
César draait rondjes om mij heen, mij aankijkend met die vragende blik van: “Nu? Wandelen?” Ik doe de keukendeur open en hij vliegt de tuin in als een hond met een missie. Hij begint te graven, luid blaffend, alsof hij een dier heeft geroken of de ingang van een hol. Zijn terriërinstinct komt regelmatig even boven. Een bord op mijn huis zou niet misstaan: “César voor al uw graaf-en snoeiwerkzaamheden.” Hij helpt mij namelijk regelmatig in de tuin, graaft gaten wanneer ik iets wil planten en snoeit op een manier die ik zelf niet zou durven. Al moet ik na het planten wel opletten dat hij het hele project niet opnieuw opgraaft.
Ik laat hem een tijdje zijn gang gaan. Kwestie van energie kwijtraken, zodat wij straks samen onder een plaid een filmpje kunnen kijken op tv.
Na een tijdje vind ik het genoeg. Ik waad door het dikke pak sneeuw de witte tuin in en zie het spoor van een ondergesneeuwde gele tennisbal. Het kronkelt door het wit als het pad van een schuw sneeuwwezen dat zich stilletjes een weg heeft gebaand, voortgeduwd door de neus van César.
Door de sneeuw krijgt hij waarschijnlijk geen grip op de bal. Ik zie hem worstelen, koppig, niet willen opgeven. En net wanneer ik wil ingrijpen, lukt het hem toch.
Hij draait zich om, bal in de bek, en zonder mij één blik waardig te gunnen rent hij het warme huis in. Daar legt hij de bal even later op de grond voor mijn voeten. Met zijn ogen glanzend van trots kijkt hij mij aan: ”Gaan we spelen?”
|