NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Inhoud blog
  • Kruidje-roer-mij-niet, ijs lilin en Waterlooplein
  • Toen er nog geen rookverbod was!!
  • De toekang bami
  • Zijt gij het die komen zou?.....
  • de TOEKANG BOTOL
  • De nieuwe schoenen van neef Leo
  • Kepitings vangen
  • De Tjiliwoeng
  • Djagoeng bakar,adoeh enak sekali!!..
  • In de kampong
  • Laan Trivelli( anno 2008: Jalan Tanah Abang II)
  • Hoera, de rantang!
  • Als de avond valt..................
  • De kapper knipt en knipt!!.
  • Obat-obat
  • Wajang wong
  • Daar bij de waterkant!!
  • Adoeh, die katapult !!
  • Topeng monjet of tandak bedes
  • De jacht op muskieten en larons
  • De betjak, HET vervoermiddel in het Batavia van na de oorlog
  • Het stond in de kranten geschreven!!
  • Sinterklaas, goed heilig man!
  • Het mooiste meisje van de school
  • Stoomvaart Maatschappij Nederland
  • Henkie, de vliegerjager
  • Cultuursnuiven
  • De sapoe lidi
  • Koeda loemping
  • Het witte doek..... To the movie...
  • Goelali tioep
  • Djadjan
  • Kemajoran I
  • Kemajoran II
  • De Chinese warong
  • Keesie, (Hollandse) voetbalvriend uit mijn jeugd.
  • Ondel-Ondel
  • Theresiakerk( weg)
  • Aanvallen!!!!
  • Menteng
  • 1948 Leve de Koningin!
  • Op de CAS
  • Gang Scott ( Anno 2008: Jalan Budi Kemuliaan)
  • Dick Bos, de held uit mijn jeugd
  • Lopend naar school
  • Fietsend naar school
  • De Haantjeskerk
  • Oedjan deres!!.
  • De straten stonden blank!.
  • Decapark, recreatiepark.
  • Tandjong Priok
  • De eerste A-A-conferntie
  • Pasar Senen
  • De Bersiap-periode
  • Waterlooplein
  • Pasar Baroe
  • De Stadsschouwburg (Batavia)
  • Societeit "De Harmonie"
  • KEMAJORAN, Vliegveldlaan 56
  • Terug naar Batavia
  • In het kamp
  • Cultuuroverdracht
  • Bij opa en oma in Cheribon
  • Naar Cheribon
  • Geboren in Kemajoran
  • Vliegveldlaan 110
  • Waarom deze weblog?
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Mijn favorieten
  • seniorennet.be
  • Mijn genealogische weblog
  • MOESSON, Indisch Maandblad
  • KITLV
  • TEMPO DOELOE (Vroegere tijden)
    Herinneringen aan mijn geboorteland
    Ik werd in 1938 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië, in Batavia. In 1956 ben ik met mijn ouders, broer en zuster naar Nederland gerepatrieerd. De verhalen op deze weblog gaan over herinneringen aan mijn LAND VAN HERKOMST. (Door op de foto's bij de artikelen te klikken worden deze enigszins vergroot)
    14-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Decapark, recreatiepark.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Decapark, recreatiepark.

     

    In de jaren ’50, toen we nog op de Vliegveldlaan 56 (Kemajoran,Batavia; Djakarta) woonden ging ik wel eens met Hendrik Jellema, die toen bij ons inwoonde, naar het Decapark om naar bokswedstrijden te kijken.

    Bekende boskers uit die tijd waren o.a. de gebroeders Bobby en Jacky Njo, Fighting Mick, een zeeman uit Soerabaja, en de Indische bokser Marcel Vodegel.

    Het Decapark was een soort recreatiepark aan de Noordzijde van het Koningsplein. Er bevonden zich in dat park o.a. sportvelden, een bioscoop en een sporthal  Met broer Boengke (Johan) bracht ik wel eens een bezoek aan de bioscoop in het park, bijvoorbeeld toen daar de film werd vertoond  “The  fLying saucers have landed”. Lekker griezelen…..

     

    Voor zover ik me kan herinneren was het Decapark ook de thuishaven van voetbalclub “Hercules”.

     

    Het DEcapark werd in 1915 opgericht door J.F.de Calonne. Hert Decapark ontleende dan ook zijn naam (DECA) aan de naam DE CAlonne.

    J.F. de Calonne werd in Meester Cornelis geboren en heeft vrijwel zijn hele leven in Batavia gewoond. Hij had ook nog grootse plannen voor reen amusementspark in Laan Trivelli, maar daar is door zijn overlijden niets van terecht gekomen. Op 21 september 1930 overleed hij namelijk tengevolge van een auto-ongeluk In “Het Vaderland” van zondag 19 oktober 1930 werd hiervan melding gedaan. Hij was met zijn echtgenote, jongere broer een de heer de Jong met de auto op weg naar Boebang, waar de drie heren zouden uitkomen in het cricketteam van de Bataviasche Sportclub. Het ongeluk gebeurde 8 km. voor Tjikampek. Hij overleed  in het Zendingshospitaal te Poerwakarta

    Met hem ging een heel  bekende Bataviaan heen.

    14-02-2008 om 00:00 geschreven door rene persijn


    12-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Tandjong Priok

    Tandjong Priok

     

    Tandjong Priok  ( Tandjoeng Priok, Tanjung Priok , is het havencomplex en de thuisbasis voor de vissersvloot. Dit havengedeelte werd  in 1877 enkele kilometers ten oosten van het toenmalige Batavia aangelegd.

    Deze haven werd  praktische overwegingen aangelegd, omdat voor die tijd Batavia slechts een kleine haven had (bij Pasar Ikan), waar grotere schepen niet konden komen en vracht moest worden overgeladen  en. passagiers moesten overstappen in kleine schepen om aan wal te kunnen komen. De zee was hier zeer ondiep.  Bovendien werden  de schepen, bijvoorbeeld die van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, maar ook de passagiersschepen steeds groter en volstonden kleine afhaalbootjes niet meer.

    De haven is verbonden met Batavia door een kanaal en een spoorweg. Die havenwerken hadden 17 millioen gekost en waren in eigen beheer zonder tussenkomst van aannemers in vijf jaar voltooid onder de energieke leiding van den hoofdingenieur van den waterstaat J. de Gelder.

    In het havencomplex stonden in de jaren ’50 oa. de kantoorgebouwen van de SMN (Stoomvaartmaatschappij ‘Nederland’, de Rotterdamsche Lloyd en de Droogdokmaatschappij

     

    Er werd in Tandjong Priok ook een jachthaven aangelegd, maar deze was (net als de sociëteit “De Harmonie” in de stad ) voor Indonesiërs verboden.

    Ook Indo’s kwamen daar niet (niet echt welkom)  en gingen voor hun dagje aan zee naar Zandvoort, een strandje in de buurt.

    Ook wij gingen af en toe naar Zandvoort, waarschijnlijk vernoemd naar de Nederlandse plaats Zandvoort (aan Zee)

    Als we gingen, dan gingen we meestal met de jeep, die mijn vader van zijn werkgever, de Gemeentelijke Openbare Werken van de Gemeente Batavia , te leen had gekregen.

    We reden dan van de Vliegveldlaan, via Marinelaan en Goenoeng Sari naar de Priokweg/ Antjolweg richting Zandvoort en zongen dan uit volle borst:

     

     We gaan naar Zandvoort, al aan de zee
    we nemen lempers  en koffie mee
    o, het is zo'n heerlijkheid
    als je zo naar Zandvoort rijdtt
    we gaan naar Zandvoort, aan  de zee





    12-02-2008 om 16:10 geschreven door rene persijn


    10-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De eerste A-A-conferntie

    De eerste A-A-conferntie

     

    Toen de eerste A-A (Aziatisch-Afrikaanse)-conferentie werd gehouden in Bandung  in 1955 zat ik op de CAS (HBS-B) aan de Lapangan Merdeka (vroegere Koningsplein), Batavia..

    Onze geschiedenisleraar, de heer Van den Berg, was toen al een heel jaar met ons bezig met een project, dat hij “History in Making” noemde. Hierbij kregen we de opdracht om dagelijks de kranten te lezen en eventuele belangrijk berichten op politiek en/of cultureel gebied uit te knippen en ( voorzien van ons eigen commentaar) in een plakboek in te plakken. Regelmatig keek hij ons werk na en gaf ons daarvoor een cijfer.

     

    Ik vond het bijzonder interessant en ook leerzaam en had al goede cijfers gekregen toen een bericht in de krant (Java-Bode, Nieuwsgier) verscheen met de aankondiging, dat de eerste Aziatisch-Afrikaanse Conferentie in Indonesia zou worden gehouden, namelijk in Bandung.

    Ik besloot de berichten over deze conferentie elke dag te lezen, eventueel uit te knippen en op te nemen in mijn werkstuk “Histiory in making”. 

    Ik kreeg van de heer Van den Berg na inlevering niet alleen een goed cijfer, maar ook nog een dikke reep (Hollandse!)  chocola!

     

    De deelnemers aan de conferentie, waaronder Abdul Nasser (Egypte), Jahawaral Nehru (India) , Mohamad Ali (Pakistan), Zhou Enlai  ( Chinese Volksrepubliek),  U Nu  (Birma)

    zouden per vliegtuig op Kemajoran aankomen (wij woonden toen aan de Jalan Garuda, voorheen Vliegveldlaan, vlak bij het vliegveld)) , door president Soekarno op het paleis worden ontvangen en per auto doorreizen naar Bandung.

     

    Ik had toen, helaas, nog geen fotocamera (en zeker geen digitale!), maar ik stond wel elke keer langs de weg bij het vliegveld te kijken als er weer zo’n hoogwaardigheidsbekleder in een open auto voorbij kwam rijden, op weg naar het paleis aan de Lapangan Merdeka. Op het vliegveld werden ze vaak verwelkomd door de Indonesische premier Ali Sastroamijojo of door de minister van Buitenlandse Zaken, Ruslan Abdulgani.

     

     De Conferentie, die bekend zou worden als de Bandungconferentie vond plaats van 18 tot 24 april 1955  in Bandung in de voormalige sociëteit “Concordia” aan de Grote Postweg.

    Het gebouw waar de conferentie werd gehouden is een aan deze gebeurtenis gewijd museum geworden en omgedoopt in Gedung Merdeka (Vrijheidsgebouw). De straat daarvoor die Grote Postweg heette, heet sindsdien Jalan Asia-Africa .( Azië-Afrikaweg)

     

     

    Aziatische en Afrikaanse naties die kort ervoor onafhankelijk waren geworden namen aan deze conferentie deel.

     Doelen van de conferentie waren het stimuleren van economische en culturele samenwerking tussen Afrikaanse en Aziatische landen en het tegenstand bieden aan kolonialisme of neo-kolonialisme van de Verenigde Staten, de Sovjet-Unie of andere naties, zoals Nederland..

    Negenentwintig landen, die gezamenlijk meer dan de helft van de wereldbevolking vertegenwoordigden, stuurden afgezanten.







    10-02-2008 om 16:11 geschreven door rene persijn


    07-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pasar Senen
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Pasar Senen

     

    In de Bersiap-priode ( zie het artikel “De Bersiap” op in deze weblog)  na de Japanse bezetting, toen Indonesische vrijheidstrijders het Nederlandse leger bestreden, werd vooral vanuit het Senen-gebied  de Nederlanders, die hun basis aan het Waterlooplein hadden, bestookt.  Het gebied van Senen was een brandhaard van nationalistisch verzet tegen het Nederlandse leger en voor Nederlanders bijzonder onveilig.

    Toen wij in Batavia (Vliegveldlaan 56) woonden reed ik niet alleen (voor nieuwe Dick Bos boekjes)  naar Pasar Baroe.,maar bracht ik ook graag een bezoek aan Pasar Senen, dat toen weer redelijk veilig was, althans als je de ‘tjopets’ (zakkenrollers) niet meerekende. 

    Dan reed ik de Vliegveldlaan  (Jalan Garuda) af richting de marinekazerne, waarbij ik de Defensielijn van den Bos kruiste, reed door de Marinelaan en reed dan linksaf de Goenoeng Sariweg op en dan rechtdoor naar Pasar Senen.

    Pasar Senen was een drukke, gezellige buurt, waar veel kleine kraampjes stonden, zowel met ‘food’ (eettentjes) als met ‘non-food’.

    Een bekend eethuis was in de 50er jaren o.a. het Padangs restauranrt ‘Merapi”, achter Toko Avon.

    De grootste toko op Senen was toen Toko “Babah Gemuk” ( Dikke Chinees).

    Tegenover Toko Avon had de Chinees  Tjio Wie Tay zijn boekhandel “Thay San Kongsi”, en  later  “Gunung Agung” (die eerst op Kwitang had gestaan).

    Op Pasar Senen haalden we ook altijd de ‘kah’ (Chinese houtlijm) voor het maken van glasdraad voor de vechtvliegers, en de  ‘dedek kasar  (grove rijstkafjes) , voer voor onze kippen en eenden.

    En niet te vergeten het garen voor de glasdraad van de vechtvliegers, tjap (merk) GADJAH (Olifant). En niets anders!

     

     

    07-02-2008 om 20:32 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Bersiap-periode
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De Bersiap-periode

     

    De Bersiap-periode (‘Bersiap’ betekent ‘Weest Paraat’) loopt van 15 september 1945 tot 1 december 1946: en is de meest gewelddadige periode in de geboorte van de Indonesische Staat, als onderdeel van hun nationale revolutie.

    De Bersiap-periode is de periode na de Capitulatie van Japan (15 augustus 1945) en na de Onafhankelijkheidsverklaring (17 augustus 1945), waarin de Pemoeda's   een hoofdrol speelden.

    Pemoeda betekent letterlijk jongeren.. De ‘Pemoeda Indonesia’ was een al  in de jaren twintig van de 20ste eeuwdoor de Algemeene Studieclub te Bandoeng gestichte nationalistische jeugdorganisatie in toenmalig Nederlands-Indië.

    Tijdens de Japanse bezetting speelden de Japanners in op de nationalistische gevoelens van de zogenaamde "pemoeda's": Die term werd inmiddels gebruikt als aanduiding voor verschillende jongerengroeperingen op Java.

    Deze groeperingen stelden zich geleidelijk aan steeds radicaler en onafhankelijker op, en toen Japan op 14/15 augustus 1945 capituleerde verzetten de "pemoeda's" zich hevig tegen de terugkeer van de Nederlanders. Kort hierna riep Soekarno op 17 augustus 1945 onder druk van de pemoeda's de onafhankelijkheid van de Republik Indonesia uit.

    De  acties van de pemoeda’s  waren gericht tegen alles wat Nederlands was of sympathiseerde met de Nederlanders. Hierbij werden vaak de Indo’s , die daar geboren waren en de taal van het volk spraken, maar de Nederlandse nationaliteit hadden, als verraders beschouwd.

     

    Ook Batavia kreeg uiteraard met de Bersiap te maken.

    De tegenstanders van de Pemoeda’s waren aanvankelijk strijdgroepen, bestaande uit oudere ex-KNIL-militairen, Indo-jongeren en Nederlandse jongeren.

    Pas na de verschijning van luitenant-admiraal  Conrad Emil Lambert Helfrich,( Semarang 11-10- 1886 – 's-Gravenhage 20-09- 1962),  werd de strijd georganiseerd.

    Helfrich keerde op 1 oktober 1945 terug in Nederlands-Indië, waar hij tot 24 januari 1946 het bevel over de Nederlandse strijdkrachten in Nederlands-Indië voerde.

    Hij kon gebruik maken van vijf ingevlogen en ingevaren KNIL-compagnieën (ca. 1000 man), 100 mariniers van Hr.Ms. Tromp, een groeiend aantal ex-KNIL-krijgsgevangenen en Molukse ex-militairen.

    De Britten voerden van 27 december 1945 tot 4 januari 1946 'Operatie Pounce' uit in Batavia, waarbij de meeste Pemoeda's werden verdreven of gevangengenomen. Nederlandse troepen dreven daarna Indonesische militairen steeds verder van het centrum weg, ondanks protesten van de Britten.  

    Het gebied van Pasar Senen was een brandhaard van nationalistisch verzet van de Indonesische vrijheidstrijders tegen het  Nederlandse leger, dat als bezettingsleger werd gezien.

    In Batavia werd het  Xe Bataljon gevormd uit Indo-jongeren en Ambonezen.

    Tegen Indonesische jongeren werd buitengewoon wreed opgetreden. Voor elke gedode Nederlander werden drie Indonesiërs doodgeschoten. Het geheel had de karaktertrekken van een verbeten burgeroorlog

    Pas in  de eerste maanden van 1946 werd eindelijk onderhandeld tussen Nederlanders en Republikeinen, onder zware Britse druk. De Indonesiërs begonnen met de evacuatie van Japanners uit hun zelfinterneringskampen, en van de geïnterneerden in de bersiap-kampen( waaronder mijn moeder, broer en ik) . De Japanse evacuatie was in juli 1946 afgehandeld, die van de geïnterneerden zou doorlopen tot mei 1947. Vanaf maart 1946 werden weer Nederlandse troepen toegelaten tot Java. De eigenlijke Bersiap is daarmee wel afgelopen.

     

     

    07-02-2008 om 17:22 geschreven door rene persijn


    06-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Waterlooplein

    Waterlooplein

     

    Toen we na de oorlog met Japan  in Batavia woonden en ik naar de HBS van de CAS aan het Koningsplein (Lapangan Merdeka) ging, fietste ik elke dag van de Vliegveldlaan waar we woonden naar school.

    Hierbij reed ik vaak langs het Waterlooplein ( Lapangan Banteng). Het Waterlooplein werd vernoemd naar de Slag bij Waterloo. Ter ere van de overwinning op Napoleon werd op het plein een zuil gebouwd met daar bovenop een leeuw (inmiddels al lang verdwenen).

    Aan het Waterlooplein lag ook het brede gebouw dat bedoeld was als paleis van gouverneur-generaal  Daendels, ook wel het Witte Huis (Geding Putih) genoemd. De bouw werd voltooid in 1828 en het ontwerp was van luitenant-kolonel J.C. Schultze.

    Momenteel is daarin het Ministerie van  Financiën ondergebracht.

    Aan het waterlooplein stonden nog andere min of meer markante gebouwen, zoals het voormalige Vrijmetselaarsloge ( Loge “Ster van het Oosten”), het hooggerechtshof, het gebouw van de Volksraad.

    Maar indrukwekkend stond aan het Waterlooplein ook de kathedraal ( Kerk  van Onze Lieve Vrouwe ten Hemelopneming)  met zijn gietijzeren torenspitsen uit Nederland en gebouwd naar een ontwerp van architect C.J. Hulswit.De Kathedraal werd op 21 april 1901 ingezegend door Mgr. Edmundus Sybrndus  Luypen SJ, vicaris van Batvaia.

     

    Met de sportvereniging van de Haantjeskerk (Pasar Baroe) hebben we op het Waterlooplein vaak getraind (voetbal, volleybal, kastie).

    Op de fiets naar school stak ik het plein vaak diagonaal over om tijd te winnen. Dan reed je wel door en over een veld van  kruidje-roer-me- nietjes (Mimosa pudica), maar dat verhoogde alleen de pret als je de blaadjes zag dichtklappen.

     

    Op dit plein heeft in de 50-er jaren de Amerikaanse evangelist Billy Graham diverse massameetings gehouden.

     

     





    06-02-2008 om 10:19 geschreven door rene persijn


    05-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pasar Baroe
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Pasar Baroe

     

    Eén van de voor mij markante wijken in het voormalige Batavia was Pasar Baroe  ( Nieuwe Markt, opgericht ca 1820) en dan vooral de drukke winkelstraat die je, komend vanuit de richting van de Stadschouwburg, via de brug bereikte.

    Als ik weer wat geld had, bijvoorbeeld door de verkoop van lege flessen aan de ‘toekang botol’ (opkoper van lege flessen), fietste ik wel eens vanaf de Vliegveldlaan waar we woonden , via de Marinelaan langs de kali (rivier)  richting Postweg en de Schouwburg, naar Pasar Baroe.

     

    Aan het eind van de winkelstraat aan de linkerkant van de weg stond een markthal, waarin heel veel kraampjes stonden. Zo stond er een kraampje waar ze messen en dolken verkochten, maar er stond ook een man, die speelgoed verkocht, gemaakt van afvalmateriaal. Zo had hij van die kleine wajangpoppen gemaakt  van gevlochten alang-alanggras, autootjes gemaakt uit oude conservenblikken, maar ook bewegelijke, gevaarlijk uitziende  slangen van bamboe.

    Maar meestal ging ik naar een kraampje achterin de markthal, aan de linkerkant.

    Daar werden namelijk stripboeken verkocht. De verkoper had een groot assortiment, zoals  Dick Bos (mijn favoriet), De Moker, Bob Crack, Lex Brand, Tom Welsh, maar ook stripboeken met meer tekst zoals Eric de Noorman, De avonturen van kapitein Rob

    De Dick Bosjes kostten in die tijd (ongeveer 1950)  50 cent per stuk.

    In die tijd werd de jeugd  het lezen van stripboeken ontraden, omdat dat  de leesvreugde  niet zou bevorderen, maar omdat ik bij de bibliotheek van de Haantjeskerk (Pniëlkerk) elke week ‘gewone’ boeken leende en las en ook via de schoolbibliotheek regelmatig boeken leende ( zoals “Paddeltje, de scheepsjongen van Bontekoe”, een hele dikke ‘pil’), was ik zo vrij om dit pedagogisch bedoeld advies naast me neer te leggen.

     

    Ik herinner me Pasar Baroe als een gezellige en drukke winkelstraat met stoffenzaken, kleermakers, die steevast de aanduiding ‘Tailor’  in hun naam hadden, schoenenzaken, maar ook terrasjes, waarop je dikwijls Nederlandse KL-militairen zag zitten, die door een rondtrekkend orkestje werden verrast met een Indonesische versie van “Daar bij die molen” of “Waar de orchideeën bloeien”.

    Kortom, ik was daar graag!

     

     

     

     

    05-02-2008 om 16:59 geschreven door rene persijn


    04-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Stadsschouwburg (Batavia)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De Stadsschouwburg (Batavia)

     

    Na het verblijf in een Bersiapkamp in Cheribon (zie het artikel “In het kamp” op deze weblog) werden wij (mijn moeder, broer en ik) op  26 april 1946 per trein onder begeleiding  van leden van de RAPWI (Recovery of Allied Prisoners of War and Internee)  geëvacueerd naar Batavia waar we  werden herenigd met vader Johan, die heelhuids uit de Japanse internering was teruggekeerd.

    We woonden eerst op de Tjemaralaan 25 en verhuisden vandaar naar Vliegveldlaan nr. 56, waar we bleven wonen tot aan onze repatriëring naar Nederland in 1956.


    Batavia, later Djakarta en nog later Jakarta, had veel markante wijken (waaronder Kemajoran waar wij woonden), straten, gebouwen etc. Van wat ik me hiervan nog kan herinneren wil ik graag met u delen.

     

    In Batavia  was er bijvoorbeeld de Stadsschouwburg, vlak bij Pasar Baroe, aan de Postweg. Dit  gebouw passeerde ik dagelijks wanneer ik naar school fietste  ( de HBS van de CAS aan het Koningsplein).

    Deze schouwburg  werd in 1821 geopend.. Tot die tijd had er een bamboeloods gestaan, bestemd voor amateur-voorstellingen. Het beheer van de schouwburg werd aanvankelijk uitgevoerd door de 'Bataviaasche Toneelsociëteit'. In 1911 werd de Stadsschouwburg overgenomen door de gemeente Batavia De indrukwekkende ingang (eenderde van de gehele lengte van het gebouw!)  had een aparte toegang voor de Gouverneur-generaal.

    Het gebouw, dat in 1987 geheel werd gerenoveerd, heet nu  'Gedung Kesinian' (  Jalanl. Gedung Kesenian No. 1, Pasar Baru, Jakarta).

    In de Schouwburg heb ik in 1955 in schoolverband, in het kader van de lessen Nederlands, onder meer geluisterd naar de Nederlandse voordrachtskunstenaar Albert Vogel jr., een broer van de in Nederland bekende actrice Ellen Vogel.

    Ook het Radio Philharmonisch.Orkest met  dirigent Yvon Baarspul trad daar regelmatig op alsmede het Cosmopolitain orkest onder leiding van  Jos Cléber met een wat lichter genre muziek.

    Het was ook in deze schouwburg, dat de in het voormalige Nederlands-Indië bekende pianist-bandleider Charlie Overbeek Bloem (1912-2004) als zesjarige jongen zijn eerste stap naar roem deed door  het “menuet in G” van Paderewski te spelen

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    04-02-2008 om 15:48 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Societeit "De Harmonie"
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Societeit “De Harmonie

     

    Een ander markant gebouw in Batavia was dat van de sociëteit “ De Harmonie” aan de Rijkswijkstraat, nu Jalan Veteran.

    In 1985 werd het gebouw afgebroken

    De  sociëteit te Batavia was een ontmoetingsplaats voor Europeanen. Overal waar in de kolonie Europeanen woonden, stonden sociëteiten, plekken waar (veelal blanke) Europeanen elkaar ontmoetten. Om er te drinken, te roken, te kletsen en te kaarten. Later, toen er ook Europese vrouwen naar Indië emigreerden, werd er ook gedanst.

    De bouw van Sociëteit “De Harmonie”startte in de tijd van Daendels.

    Het gebouw had een deftig, bijna aristocratisch interieur

    De Duitse schei-en natuurkundige en bioloog  Heinrich Burger (1804-1858) was van 1850 tot 1853 bestuurslid van Sociëteit "De Harmonie" te Batavia

    04-02-2008 om 00:00 geschreven door rene persijn


    03-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.KEMAJORAN, Vliegveldlaan 56
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Kemajoran, Vliegveldlaan 56


    Zo vlak na de oorlog was er in Batvia/ Djakarta/ Jakarta, mede door de grote toestroom van evacué’s, een enorm tekort aan woonruimte.

    Toen we dan ook een definitieve woning kregen toegewezen en zo verder gevrijwaard  werden  van het gepest van de hondenpoepman  op de Tjemaralaan 25 ( zie het artikel “Terug naar Batavia” op deze weblog) , kwamen we in een huis waar ook al andere families in woonden: een Javananase KNIL-militair, namelijk de soldaat Salimin met zijn vrouw en zijn schoonzuster Aminah,een knappe Javaanse met een westers aandoende sensuele uitstraling, een KL militair van de Aan- en Afvoertroepen ( de heer van Oorschot), die uit Dordrecht kwam  met zijn Siamese vrouw en een werknemer van de KLM  met vrouw en kind. Dit laatste gezinnetje had een andere woonruimte elders in de stad gekregen en wij konden die vrijgekomen ruimte bewonen. We kregen de voorgalerij, een slaapkamer aan die galerij, de eetkamer en een slaapkamer, uitkomend op die eetkamer.

    In de loop der jaren wisselde het huis vaak van bewoners.

    Het huis lag aan de Vliegveldlaan , nr. 56, in de wijk Kemajoran, de wijk waar ik bijna 8 jaar daarvoor was geboren.

     

    Toen ik op de dag van verhuizing bij mijn vader achterop de fiets bij de woning arriveerde (mijn moeder en broer reden mee met de verhuiswagen) en ik tegen mijn vader zei dat ik even in de buurt wilde rondlopen om die te verkennen, knikte hij .Begreep hij mijn beter dan ik mezelf begreep? Want ik voelde me op dit moment wel echt senang (blij, goed in mijn vel) , maar kon daar rationeel toch geen verklaring voor vinden. Eerst later begreep ik dat het gevoel iets te maken moest hebben met ‘thuiskomen’, met afronding van een fase in je leven. Maar toen ik daar de omgeving van ons nieuwe huis verkende hield ik me niet bezig met dit soort filosofisch overpeinzingen, maar vond ik het gewoon prettig dat we hier gingen wonen.

    Ik wilde de geuren gulzig opsnuiven van de oude huizen, de stoffige straten, de bomen en struiken, de paggers (heggen) , de sloten, waarin het water de geur van rottende bladeren, van zeep en urine verspreidde. Ik liet alle indrukken ongecensureerd en onbewerkt naar binnen komen. Ik genoot intens zoals alleen een kind van zijn omgeving kan genieten.

    Speelde onbewust toch een gevoel van ‘eindelijk thuis’ mee?

     

     

    Heel veel later heb ik over mijn ‘thuiskomst’ in Kemajoran nagedacht nadat ik iets meer te weten ben gekomen over deze bijzondere wijk van Batavia.

     

    03-02-2008 om 10:55 geschreven door rene persijn


    02-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Terug naar Batavia
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Terug naar Batavia

     

    Na het verblijf in het Bersiapkamp in Cheribon (zie het artikel “in het kamp” op deze weblog) werden wij (mijn moeder, broer en ik) op  26 april 1946 per trein onder begeleiding  van leden van de RAPWI (Recovery of Allied Prisoners of War and Internee)  geëvacueerd naar Batavia waar we aankwamen op het station Manggarai.

    In Batavia werd ons gezinnetje door bemiddeling van het Rode Kruis weer herenigd met vader Johan, die heelhuids uit de Japanse internering was teruggekeerd.

    Bij aankomst in Batavia kregen we wit brood met aardbeienjam. Naar ik later vernam was dit brood gebakken van inferieure ‘oorlogsmeel’, maar in mijn beleving was dit, na al die tijd in het kamp waterplanten en stijfsel te hebben gegeten, het lekkerste brood dat ik in heel mijn leven heb gegeten.

     

    We kregen tijdelijke woonruimte aan de Tjemaralaan, op nr. 25, waar al een gezin woonde, een echtpaar en een zoon, Wim. Een oudere zoon, David studeerde in Delft De heer des huizes vond het kennelijk maar niets dat er nog een gezin in het huis werd ondergebracht. Hij probeerde ons weg te pesten door elke dag een emmer water, waarin hij hondenpoep had geroerd onder de deur door naar ons woongedeelte te gooien, dit tot groot ongenoegen van zijn vrouw, die mijn ouders elke keer weer haar verontschuldiging aanbood, waarna ze iedere keer weer door haar man werd uitgescholden.

     

     

    Mijn broer en ik gingen toen in die tijd naar de  Lagere school op de  Javaweg 66. Ik kwam in een zogenaamde normaal-klas en mijn broer in een herstel-klas (vanwege de achterstand die hij toch nog had opgelopen door de kampperiode ).

    Op uitnodiging van de toen in  Batavia heel bekende Hans Oosterhof ( Suhandi) werd er vanuit deze school ook wel eens klassikaal een bezoek gebracht aan het radiostation van de Wereldomroep aan het Koningsplein (later Lapangan Merdeka) waar ten behoeve ven het (Nederlandse ) thuisfront onder begeleiding van een piano Vaderlands liederen werden gezongen, zoals ‘Neerland vlag, je bent mijn glorie’, ‘Waar de blanke top der duinen’’ en ‘Wier Neerlands bloed door de aderen vloeit, van vreemde smetten vrij-ij-ij… (gezongen door kinderen waarvan méér dan 80% gemengd bloed had!)

     

    Op deze school deed ik ook aan het eind van de 6de klas het schriftelijk en mondeling eindexamen, ook in de taalvakken Engels en Frans. Ik werd toegelaten tot de HBS (Hogere Burgerschool), die een A- en een B-kant kende . Ik koos de B-kant. De HBS volgde ik op de CAS  ( Carpentier Alting Stichting) aan het Koningsplein.

    Mijn broer zat toen al op de S.M.P.( Sekolah Menengah Pertama), vergelijkbaar met de toenmalige MULO  (Middelbaar Uitgebreid Lager Onderwijs), waar het B.I. ( Bahasa Indonsia) de voertaal was. Op de CAS was de voertaal het Nederlands. Het Bahasa Indonesia was daar één van de verplichte taalvakken.

     

    Op 11 april 1947 (toen we nog op Tjemaralaan 25 woonden) werd zusje Yvonne Louise geboren. Ik was toen 8 en broer Johan ( voor mij: Boengke= broer)  10 jaar.

     

     

     

    02-02-2008 om 17:26 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.In het kamp
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    In het kamp

     

    In dat kinderdroomland op Tengah Tani (zie o.a. her artikel “Bij opa en oma” op deze weblog)  merkte ik nagenoeg niets van de oorlog die in de grote mensenwereld aan de gang was, behalve dan dat opa een schuilkelder had laten graven in de achtertuin, die broer Boengke (Johan)  en ik als een ideaal speelplek beschouwden en ook moesten regelmatig de ramen worden geblindeerd als bommenwerpers overvlogen. Ook moest djarak (Ricinus communis)  verplicht worden geteeld. Uit de zaden werd olie  geperst voor de olielampen en voor de Japanse vliegtuigen..

    Een andere gelegenheid waarbij wij werden geconfronteerd met de oorlog was toen Japanse militairen onder leiding van een officier de woning binnenkwamen op zoek naar wapens. Opa leefde toen nog en omdat hij waarschijnlijk wilde voorkomen dat ze  hele woning zouden doorzoeken en daarbij de Timorezen zouden vinden, die  zich in de bijgebouwen schuilhielden (ondergedoken voor  het  Japanse bezettingsleger, die o.a. Timorezen, Molukkers en  Menadonezen als slaven gebruikten)  zei hij dat er geen wapens waren  (wat ook zo was) en dat ze hem mochten doodschieten als hij loog. Toen ze hem raar aankeken, pakt hij de loop van één van de geweren die ze bij zich hadden en plaatste  de punt daarvan op zijn borst en sprak:”Toe maar, schiet dan, Ik lieg niet”.  De officier keek hem aan en zei toen””OK, ik geloof u”. Toen zag de officier ( hij bleek een arts te zijn) Boengke en mij angstig bij oma staan, vol blaasjes op de huid.We hadden toen beiden namelijk de waterpokken. Hij vroeg of we gezouten vis in huis hadden. Toen mijn oma zei dat we wel “gereh”(gezouten en  gedroogde vis) in de voorraadkamer hadden, zei de officier-arts: “Geef de kinderen de komende dagen maar veel gezouten vis te eten”, gaf een order aan zijn manschappen, groette beleefd en vertrok met zijn groep. De volgende dagen kregen Boengke en ik gereh te eten wat ik helemaal niet erg vond want ik vond en vind gebakken gereh heerlijk en na twee dagen droogden de blaasjes op en konden we de droge schilfers zo van ons lichaam afvegen.

     

    Na de de capitulatie van Japan ( 15 auguatus 1945) brak de zogenaamde Bersiap-tijd aan (Bersiap = “Weest paraat”). Deze periode loopt ongeveer van 15 september 1945 tot 1 december 1946: en is de meest gewelddadige periode in de geboorte van de Indonesische Staat, als onderdeel van hun nationale revolutie.

    De tol van de Bersiap aan doden is nog steeds niet bekend. Naar schatting waren er 3600 (Indische) Nederlanders gedood en daarna geïdentificeerd, maar er werden  er meer dan 20.000 ontvoerd, en niet meer teruggekomen. Aan de kant van de Indonesiërs zijn er tienduizenden doden gevallen, voor het merendeel heel jonge levens.

    Het was een roerige en voor veel (Indische) Nederlanders vaak dreigende tijd..

    In deze tijd van hevige beroering gingen de Indonesische autoriteiten over tot internering van de buitenlanders, dus ook de (Indische) Nederlanders. Hierbij werden ook de Japanse soldaten ingeschakeld voor de bewaking.

    Mijn moeder, broer en ik werden op een dag opgehaald door een gewapende Japanse militair op een motor met zijspan. Mijn moeder moest (o, ironie!) het geweer van de soldaat vasthouden. Wij werden gebracht naar een zgn.  Bersiap-kamp,de Boei Lama (oude gevangenis) in Cheribon waar we werden geïnterneerd met nog meer moeders met kinderen en een paar oudere mannen, die niet naar Japan waren getransporteerd, omdat ze volgens de Japanners kennelijk te oud waren om daar te werken .

    Boei Lama (letterlijk: oude gevangenis) werd ook wel de Pasisir-gevangenis genoemd en dateerde uit ca 1800. Het gebouw lag in het centrum van de stad, vlak bij de haven.

    Het gebouw was al sinds enige tijd afgekeurd voor het gebruik al gevangenis en had kleine muffe cellen.

    Op het dagelijks menu stond wat gekookte rijst met gendjer (gekookte waterplanten). Heel soms werd de rijst met gendjer afgewisseld door een kommetje gekookte kandji (stijfsel), waar geen enkele smaak aan zat en dat zo plakte in je mond. Hield je in elk geval een tijdje je mond dicht.

    Dit  was een grote omschakeling na de heerlijke gerechten ( dendengs, sajoers, sambal gorengs etc )  die oma Katie altijd klaar maakte met hulp van de kokkie en die het eten altijd maakten tot een echt feest van diverse kleuren, smaken en geuren. In het kamp was het eten verworden tot een ‘struggle for life’

     

    In het kamp gaf  moeder ons lessen  in lezen en rekenen om, als we weer  naar school zouden gaan niet al te veel achter te lopen op de stof die je op school voorgezet zou krijgen.

     

    We sliepen op stenen bedden, eigenlijk betonnen verhogingen. In de regentijd, als het water soms bijna 1 meter hoog stond, liepen de WC’s ( niet meer dan gaten in de grond) over en dreven de drollen in een traag en plagerig tempo langs je betonnen bed en bad je in stilte dat het water niet verder zou stijgen. Om eten te halen ( de onvermijdelijke rijst met gendjer of het kommetje gekookte stijfsel…..) moest je, terwijl je je etensnap hoog boven je hoofd hield,door dit water waden, waarbij je probeerde om de drollen te ontwijken, wat niet altijd lukte….

    De kleinere kinderen speelden overdag dikwijls in de brandgang, die tussen de achterzijde van de barakken en de buitenmuur liep. Die buitenmuur was bovenop voorzien van dreigend prikkeldraad. Bovendien waren bovenop de muur in de rand grote glasscherven gemetseld. In die brandgang speelden sommigen oorlogje ( hoe verzinnen ze het?) en anderen tikkertje of blindemannetje.

    Toen we een tijd in Boei Lama hadden gezeten en het kamp overvol raakte werd een gedeelte van de geïnterneerden (310 van de 650 personen), waaronder mijn moeder en haar twee zonen, overgeplaatst naar een ander kamp (Tjangkol-kamp), een voormalig hotel ( hotel Cheribon).

    In dit kamp waren de omstandigheden iets beter dan in Boei Lama. Er was zelfs een polikliniekje (o.l.v. zuster Devos), maar er waren geen medicijnen en verbandmiddelen. Zuster Devos heeft dus heel wat moeten improviseren!

     

     

    02-02-2008 om 15:02 geschreven door rene persijn


    01-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Cultuuroverdracht
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Cultuuroverdracht

     

    In opa’s huis in Tengah Tani (Cheribon) ( zie ook her artikel “Bij opa en oma in Cheribon” in deze weblog)   was het ook dat ik door oma Katie, maar ook door baboe Siti, de kindermeid, die beiden elke avond om de beurt voor het slapen gaan een verhaal (dongengan) vertelden, werd ingewijd in de veelkeurige wereld van de Javaanse sagen en legenden en in die wonderbaarlijke wereld van de talrijke Javaanse goden en halfgoden.

    Zo vertelde oma me prachtige  verhalen over Nyai Loro Kidul , ook wel Ratu Kidul genoemd, de Koningin van het Zuiden, Godin van de Zuidzee (Indische Oceaan).

    Baboe Siti vertelde me onder meer de legende van de Zandzee, waarin de beeldschone dochter (Djoerangga)  van de god van de Smeroe, een belangrijke rol speelde naast Raksasa, de bewaker van de tempel van Brahma.

    Maar beide vrouwen vertelden me  ook verhalen over het ontstaan van namen als Banjoewangi, Tangkoeban Prahoe, Tobameer. Of over het ontstaan van meren, bergen, plaatsen.En ook verhalen over de spannende avonturen van Kantjil, het slimme dwerghert.

     

    Als baboe Siti aan de beurt was om een verhaal te vertellen, dan kreeg ik er een attractie bij. Zij kauwde dan namelijk op een sirihpruim ( een genotsmiddel voor vele Indonesische vrouwen) . De sirihpruim bestaat uit een blad van de sirihplant( betelplant), gemengd met een fijne kalksoort, een schijfje gambir en een stukje pinangnoot.

    Het sirihsap heeft een bloedrode kleur, en bij regelmatig gebruik worden de tanden donker van kleur. Baboe Siti spuugde het rode sap regelmatig uit in een bakje (een halve kokosnoot). Het was altijd spannend om te zien of ze het voor elkaar kreeg om de rode straal precies in het bakje te mikken.

    Soms speelde ik, liggend op mijn rug in bed, met mijn handen en voeten  met behulp van het licht van de lampoe teplek (olielamp)  de verhalen na in een soort schaduwspel op de witgekalkte muur van de slaapkamer.Totdat de slaap het spel overnam en transformeerde tot een droom.

     

    Nog steeds ben ik heel dankbaar en blij dat oma Katie en baboe Siti me doorgaven van wat zij aan kennis bezaten over de Javaanse cultuur. Ze hebben mij mede gevormd en er toe bijgedragen, dat voor mij de wereld niet louter beperkt bleef tot die der zichtbare dingen.

     

    Opa George overleed op 30 september 1942 en werd begraven op het kerkhof Tjigendeng ( Cigendeng) te Cheribon aan de (huidige)  Jalan Cipto Mangunkusumo.

    Met hem verloor ik niet alleen een opa, maar ook een goede vriend en kameraad, die me nooit aan mijn moeder zou verraden als ik iets had uitgespookt.

    De kist waarin hij werd begraven stond al meer dan 3 jaar in de garage (mijn broer Boengke alias Johan  en ik hebben er ook wel eens in gelegen en voor lijk gespeeld). Die had hij zelf ontworpen en in de stad bij een houtbewerker laten maken .

    Hij overleed, zoals menigeen het zou wensen: zonder ziekbed, maar aan de ontbijttafel achter zijn ochtendkrant, aan een hartstilstand. En met oma in zijn buurt.

    Opa had een oude hond, Pimmie, die steeds achter hem aan liep overal waar hij maar heen ging. Twee dagen na het overlijden van opa ging ook de hond dood. Ook op opa’s laatste ‘wandeling’ volgde de hond hem trouw…

     

     

    01-02-2008 om 14:32 geschreven door rene persijn


    30-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Bij opa en oma in Cheribon
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Bij opa en oma in Cheribon

    Mijn moeder, broer Boengke ( Johan) en ik woonden tijdens de oorlog met Japan bij opa en oma, de ouders van mijn moeder. Mijn vader was toen in Japan geïnterneerd.

    Zoals ik al aangaf in het artikel “Naar Cheribon” op deze weblog  bezaten  mijn opa en oma even buiten Cheribon een huis met een grote tuin met heel veel fruitbomen

     

    De grote boomrijke tuin was voor mij een echte lust- en een doolhof tegelijk. De vele fruitbomen ( o.a. mangga, sawoh, djamboe, ramboetan, nangka, durian, klapper enz.), nodigden je uit voor een klimpartij, waarbij je vooral in de mangga- en djamboekloetoekbomen, niet zelden werd belaagd door ngrangrangs, (Oecophylla smaragdina) de venijnig, steeds over elkaar heen krioelende grote  rode mieren die ook nog de onhebbelijke gewoonte hadden om in de pijpen van je (korte) broek of tjelana monjet (“apenbroek” met vooraan en grote zak) te kruipen, waarbij jij, je ondertussen stevig vasthoudend aan een tak, allerlei acrobatische toeren moest verrichten om ze weer uit je broek te krijgen en tegelijkertijd te zorgen niet uit de boom te donderen omdat je dan behalve een flinke smak op de grond ook nog een dito pak slaag van je moeder kon riskeren. En meppen kon ma en ze deed dat goed en doeltreffend!. Soms met de hand maar veel vaker met de vaak  gebruikte sapoe lidi (bezem van palmbladnerven) of de bakiak (houten klomp met rubberen wreefband) waarna de rode striemen op je billen je enkele dagen het zitten beletten.

    Broer Boengke (Johan)  hield niet van klauteren en  klimmen. Die las liever een boek of was druk bezig met zijn verzameling wikkels van conservenblikken ( gecondenseerde melk, vruchten op sap e.d.). Hij heeft dan ook nooit last gehad van rode hand-, bakiak- of sapoe lidiafdrukken op zijn billen of benen. Bofkont!

    Als ik toch ergens op betrapt moest worden, dan had ik liever dat het door opa gebeurde, want die strafte nooit, maar zei alleen: “Niet meer doen, hoor!”. Hij probeerde dan heel streng te kijken, maar ik zag met mijn scherpe kinderblik toch altijd weer een glimlach achter zijn martiale snor en als mijn moeder later aan hem vroeg of hij mij had gestraft, zei hij steevast zonder maar even te blozen”: “Ja, hoor”. Die lieve opa….Ik zie hem nog steeds lopen in de tuin in zijn pyjama, de huisdracht in Indië.

    Som liep hij in zijn pyjama zelfs het dorp in en kwam dan terug met zijn handen op zijn rug. Dan vroeg hij elke keer weer  aan Boengke en aan mij; “Wat heeft opa in zijn hand? Als jullie het raden, dan is wat ik in mijn handen heb voor jullie”

    We deden dan of we heel diep nadachten, maar we wisten het al, want opa had  elke keer als hij van zijn wandeling in het dorp terugkwam  dezelfde ‘verrassing”. “Een ei, opa”, zeiden we dan in koor en dan kwamen inderdaad de eieren te voorschijn, voor ieder van ons een telor asin, een gezouten eendenei, die hij in het dorp had gekocht. Ze waren al gekookt, dus konden Boengke en ik onze eieren tegen elkaar tikken totdat er barsten kwamen in de schaal en we de eieren konden pellen. Daarna smulden we beiden van deze lekkernij.

     

    Over ’lekkernijen”  gesproken, ik maakte in de tuin ook wel eens mijn eigen lekkernijen, dit zeker niet tot vreugde van mijn moeder.  Zo ving ik in de tuin wel eens een sprinkhaan (die sprongen er genoeg rond). Ik maakte dan een vuurtje met wat droge bladeren en takken ( lagen daar ook voor het oprapen), reeg de sprinkhaan aan een biting ( nerf van een palmblad) en roosterde de sprinkhaan ( besprenkeld met sap uit een jeroek nipis, lemoen) en at de ‘snack’ lekker op. Als mijn moeder me dan betrapte, kreeg ik weer een lel, terwijl ze riep “Krijg je niet genoeg te eten, hè? “

    Moeders begrijpen niet dat het totaal niets te maken had met honger of trek, maar gewoon een kwestie is van je grenzen verleggen, op onderzoek uitgaan. Maar tja, die moeders…. Mijn vader zou hebben gevraagd: “Heb je ook eentje voor mij? “ Maar ja, die zat in Japan als krijgsgevangene en of hij op dat moment wat te eten had…..

     

     

    30-01-2008 om 18:38 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Naar Cheribon
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Naar Cheribon

    De invasie van Japan in Nederlands-Indië. begon ruim een maand nadat Nederland op 8 december 1941 de oorlog aan Japan had verklaard. Nederland had dit gedaan naar aanleiding van de Japanse aanval op Pearl Harbor. Velen die in Indië de jappentijd hebben meegemaakt waren en zijn er niet van op de hoogte, dat Nederland aan Japan de oorlog had verklaard en dat eerst daarna Japanse strijdkrachten Noord-Celebes en Noord-Borneo binnenvielen en Nederlands-Indië zo in de oorlog werd meegesleept.

    De gouverneur-generaal van Nederlands-Indië maakte de oorlogsverklaring aan Japan om 06.30 via de radio aan de bevolking bekend. De algemene mobilisatie werd aangekondigd en mijn vader werd opgroepen om zich te melden om in dienst te gaan als landstormer bij het KNIL.

    Ik zie nog hoe mijn vader hij zijn groene puttee’s (beenwindsels) om zijn benen wond, waarbij ik hem mocht helpen. De puttee’s moesten zorgvuldig over de onderkant van de broekspijpen en de bovenkant van de schoenen worden gewikkeld.

    Landstormers (reserve soldaten bij het KNIL) werden, indien nodig, ingezet voor bewaking en dergelijk. Het burgerberoep kon daarnaast meestal gewoon worden uitgeoefend.

    Op 9 maart 942 volgde de totale overgave van het KNIL aan het Japanse invasieleger Mijn vader was toen ongeveer 2 maanden in dienst. Hij werd door de Japanners geïnterneerd en met andere krijgsgevangenen naar Japan getransporteerd om daar te werken.

    (Bij de overgave aan Japan telde het KNIL circa 40.000 beroepsmilitairen en ongeveer 20.000 miliciens en landstormers).

     

    Omdat er na de wegvoering van vader naar Japan geen volwassen man meer in huis was verhuisde mijn moeder al gauw met haar twee zoontjes vanuit Batavia  naar Cheribon,een vissersplaats aan de noordoostkust van West-Java ( bekend om de garnalen, die ook in het wapen van de stad zijn opgenomen  ). Daar we gingen inwonen bij  ouders van moeder , namelijk opa George van den Broek en oma Katie

    Oma Katie  was een Madoerese, geboren in Soemenep op het eiland Madoera .
     

    Opa George, geboren op 17 Augustus 1880 te Bengkalis ( Sumatra), begon  in 1903 als jongman van 23 jaar  als onderopzichter bij de Stoomtram Atjeh op Sumatra. Na het overlijden van zijn vader verhuisde hij met zijn moeder,  Louisa Engelina  Caroline Van den Broek-Lans, naar Java waar hij onder meer gewerkt heeft  bij de Madoerra-Sitoebondo Stoomtram Maatschappij en bij de  Semarang-Joanna Stoomtram Maatschappij in Poerwodadi in het Oosten van Midden-Java.

    In de tijd dat wij bij hem  kwamen inwonen was hij (vervroegd ) gepensioneerd als hoofdopzichter bij de Semarang-Cheribon Stoomtram Maatschappij te Cheribon.

    Hij had even buiten Cheribon een huis gekocht met een grote tuin met heel veel fruitbomen. De tuin was een proeftuin geweest van de Landbouwuniversiteit (in Buitenzorg) en er stond van elke soort fruitboom die in Indië voorkwam op z’n minst één  exemplaar in de tuin. Het perceel stond in het gebied Tengah Tani (letterlijk: ‘tussen de boeren”) in het district Dawoean.

     

    Vanuit  de achtertuin had je een prachtig zicht op de berg Tjermai.

    Het was een groot huis met een hoofdgebouw met een grote voorgalerij, een gigantische eetkamer, waar ik op mijn fietsje met steunwieltjes vaak rond de tafel fietste en (gelukkig) nooit ben opgebotst tegen de kast waar het Chinees porselein te pronken stond en drie immens  grote slaapkamers en twee vleugels waarin onder meer,de  WC, de keuken en bijkeuken, de bediendenkamers, de goedang (voorraadkamer) en uiteraard  de badkamer met een grote mandibak waren ondergebracht.

    Naast de voorgalerij, waar het heerlijk toeven was als de ‘koperen ploert’  hoog aan de hemel stond en waar altijd ook een  “koersie malles” (luie stoel) stond, was de badkamer in Indië heel belangrijk. In Indië ging men immers twee keer per dag baden vanwege stof en hitte. In de ochtend voordat men naar school of werk ging en bij thuiskomst. Baden noemde men in Indië toen  'mandiën'. De badkamer werd 'kamar mandi' genoemd en het bassin met water de 'mandibak'. Het was niet bedoeling dat je in de bak zelf ging zitten om je te wassen. Je bleef naast de mandibak staan en met een emmertje of pannetje, de 'gajong', plensde je koud water uit de mandibak over je heen. Na het inzepen nog een paar keer om je af te spoelen. Maar als kind ( daar waren we kinderen voor, toch?)  klom je nadat je je had afgespoeld meestal toch nog zelf de mandibak in om daarin te “zwemmen”,  maar dit WAS ZEKER NIET DE BEDOELING! Vóór je het deed  zorgde je er dan ook voor dat de deur van de badkamer van binnen op de knip zat en dat je niet teveel lawaai maakte, want als je betrapt werd dan zwaaide er wat!

    En bij onze moeder was het meestal de sapoe lidi  of de bakiak sie zwaaide. De sapoe lidi was een soort bezem, die een vast attribuut in de slaapkamer vormde en gebruikt werd om de beddensprei schoon en glad te ‘vegen’. De sapoe lidi was gemaakt van de nerven van de bladeren van de kokospalm. De harde, maar buigzame nerven konden de moeders (het waren vooral vooral de moeders!) zo “lekker” op je billen en/ of benen laten striemen.

    De “bakiak” is een Javaanse klepper/ sandaal, bestaande uit een houten zool en een dwarsband over de voorvoet, meestal gesneden uit een oude auto- of fietsband.

     

    30-01-2008 om 10:08 geschreven door rene persijn


    29-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Geboren in Kemajoran
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Geboren in de wijk KEMAJORAN in het toenmalige Batavia.
     
    Als verre nakomeling van Claas Persijn, die in 1761 in Amsterdam werd geboren, op 22 juli 1777 per VOC-schip “’t Huys te Spijk” vanaf Texel naar de Oost vertrok, op  2 maart 1178 in Batavia arriveerde en daarna  in Rembang heeft gewoond, gewerkt en daar ook is getrouwd, gestorven en begraven,  werd ik in 1938  geboren in Batavia, in de bijzondere wijk Kemajoran.

     

    Mijn  vader, Johan Eduard (John)  Persijn en mijn moeder, Georgine Louise (Sien)van den Broek hadden toen  al een zoon van 2 jaar,Johan Marcus Polidor, die ik later in overeenstemming met oud-Indisch gebruik Boengke (van ‘Boeng’= ‘broer’) zou noemen, ook omdat ik al direct na mijn geboorte voor hem zijn  ‘‘Adik”( Broertje) was.Met deze naamgeving werd immers tevens de rangorde bepaald.: Boeng, de GROTE BROER en Adik, het JONGER BROERTJE, het KLEINTJE.

    Mijn ouders woonden in die tijd vlak bij het vliegveld van Kemajoran op Vliegveldlaan nr. 110 . In de wijk Kemajoran stonden stenen huizen, typisch ‘Indische’huizen met een koele voorgalerij, een dito achtergalerij met bijgebouwen,  maar ook eenvoudiger huizen van deels steen en deels hout, en ook huizen die geheel uit bilik (gespleten bamboe, samengevlochten tot matten en gespijkerd op latten van hout of bamboe) waren opgetrokken., sommige met atapdaken (atap=palmbladeren).

    In de kampongs,die vaak aan de (hoofd)straten met stenen huizen grensden, waren de woningen meestal van hout en /of bamboe Daar woonden  Indonesische gezinnen. Vaak kwamen de bedienden, die bij een gezin in een stenen huis werkten, uit een kampong in de buurt.

    Wij woonden in een stenen huis met links en rechts (Indische) buren ( o.a. de families Mees, Haasse, Scheermeier, Van Delft) en hadden een paar bedienden, waaronder een djongos (huisjongen).

    Mijn vader had verschillende hobby’s, waaronder het maken en oplaten van grote siervliegers.Hij had ook een klepekan  of  koepoe-koepoe  gemaakt, een vlindervormige constructie, die bij het vliegeren langs het vliegertouw omhoog kruipt, boven aangekomen tegen een knoop in het touw aankomt en daardoor stopt en dan vliegertjes, die hij naar boven in een knijpmechanisme heeft meegenomen, uitstrooit. Mijn vader zorgde er als het even kan voor dat het droppen van die vliegertjes  precies  boven een  kampong gebeurde , dit dan  tot groot enthousiasme van de kampongkinderen die al lachend en joelend zo’n vliegertje probeerden te bemachtigen

    Mijn vader had ook een menshoge vlieger gemaakt die een Javaanse vrouw met sarong (wikkelrok)  en kabaja (blouse)  voorstelde . Toen wij naar het naburige vliegerveldje gingen om die vlieger voor de eerste keer op te laten, droeg de djongos de vlieger achter ons aan. Zijn collega-djongossen uit de buurt lachten hem uit en vroegen of die mooie vrouw zijn ‘toenangan’ (verkering, verloofde) was. De djongos voelde zich opgelaten en mijn vader heeft hem dan ook daarna deze vlieger niet meer laten dragen .

     

     

    29-01-2008 om 16:34 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vliegveldlaan 110
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Vliegveldlaan 110, Batavia

     

    Vóór de oorlog met Japan  woonden mijn ouders, broer Boengke (officieel: Johan) en ik aan de Vliegveldlaan op nr. 110 in de wijk Kemajoran in Batavia .

    Naast het maken van grote vliegers (zie artikel “Geboren in de wijk KEMAJORAN in het toenmalige Batavia”) was een  andere hobby van mijn vader  het figuurzagen. Hij figuurzaagde van alles en nog wat: hanglampen met Indische taferelen (donkere houten silhouetten, beplakt met perkament waar het licht zo mooi doorheen scheen), een medicijnkastje versierd met Chinese draken, een rookstelletje voor op de salontafel, maar ook een complete en fraai bewerkte poppenkast met verschillende decors. Een zoon van de familie Van Delft die een paar huizen verder woonde, Karel, die toen ongeveer 14 jaar was, hielp mijn vader met het wisselen van de decors, wanneer hij een poppenkastvoorstelling gaf. Meestal waren het bekende sprookjes die hij opvoerde, zoals de ook in Indië bekende en vaak aan Indische omstandigheden aangepaste sprookjes Roodkapje, Sneeuwwitje en Doornroosje. Behalve Boengke en ik behoorden ook andere kinderen uit de buurt tot het enthousiaste publiek. En ook de kinderen van onze bedienden en van die van de buren. Die Indonesische kinderen begrepen weliswaar niets van de in het Nederlands vertelde verhalen maar genoten intens van de vaak overdreven acties van de houten poppen en de geluiden die zowel door mijn vader als zijn assistent Karel werden gemaakt. Vooral in het gillen en  nabootsen van geluiden  was Karel een expert, bijvoorbeeld als Grietje door de boze heks wordt gepakt en dan angstig schreeuwt: Adoeh bioeng,tolong,  tolong!!! (Help!Help!) Of wanneer hij het geluid van het geweer nabootst als in  het verhaal van Roodkapje de  jager  de wolf met een gericht schot neerlegt: Gedjedoer!!! Dit op z’n Indisch uitgesproken  ( met een dikke ‘d’) ‘gedjedoer’ galmde dan door het hele huis.

    Maar Karel bleek ook in andere dingen zijn mannetje te staan. Ik had in die tijd vaak een matrozenpakje aan met nogal wijde broekspijpen, zoals vóór de oorlog door veel Indische jongetjes werd gedragen . Als ik in mijn broek een ‘grote boodschap’ had gedaan, dan draaide Karel heel snel en behendig mijn broekspijpen dicht, dit om te voorkomen dat de drol zich uit mijn broek zou bevrijden en leverde me zo als een ‘feestpakketje’ bij mijn moeder in.

     

    Toen we in dit huis woonden gebeurde vlak bij ons huis een vliegtuigongeluk. Hoewel het in oktober 1941 gebeurde en ik dus nog net geen 3 jaar oud was, heeft deze gebeurtenis kennelijk op mij als kind een zodanige diepe indruk gemaakt dat als ik er aan terugdenk er in mijn geest nog beeldflarden tevoorschijn komen, beelden die daar kennelijk op één of andere manier in gebrand zijn, beelden van vlammen en angstig en in paniek schreeuwende mensen.

     

    Ik doel hier op het vliegtuigongeluk, waarbij de commandant van het  het Koninklijk-Indisch leger, de Indische luitenant-generaal Gerardus Johannes Berenschot die, na een bespreking met de Britse maarschalk Robert Brooke-Popham in Batavia en  op zijn vlucht terug naar het hoofdkwartier in Bandoeng, zo’n 5 minuten na het opstijgen van het vliegveld te Kemajoran  met zijn Lockheedvliegtuig( Lodestar in de buurt van  ons huis neerstortte op kampongwoningen nadat  het vliegtuig eerst nog een klapperboom had geraakt . Hierbij kwamen alle inzittenden om het leven en ook 6 personen, die zich in de brandende huizen bevonden. Gerardus Johannes Berenschot was in Nederlands-Indië de enige commandant van Indische afkomst (Indo) geweest

    29-01-2008 om 00:00 geschreven door rene persijn


    28-01-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Waarom deze weblog?
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Waarom deze weblog?

     

    Nadat ik met pensioen ben gegaan (dec. 2003) , ben ik begonnen met stamboomonderzoek. In 2006 ben ik begonnen met een weblog
    http://blog.seniorennet.be/renepersijn2006/  , waarin ik het één en ander uit de resultaten van mijn onderzoek vermeld.

    Tot nog toe kreeg ik vele reacties, primair  met verzoeken om meer genealogische informatie, maar opvallend ook veel mailtjes van jonge Indische mensen ( 12-25 jaar), die aangaven, dat ze meer en meer belangstelling krijgen voor de Indische achtergrond van hun ouders en voorouders en daarom ook mijn weblog lazen, waarin niet alleen namen en data staan, maar ook wat achtergrondinformatie.

     

    In de zomer van 2007  kreeg ik een beroerte. Bij onderzoek bleek dat ik ook nog een hartinfarct moet hebben gehad, die ik niet had gevoeld.
    Ik ben sindsdien weer herstellende, maar vooral in de periode  vlak na de
    beroerte kwamen vaak flitsen naar boven van dingen die ik meemaakte in mijn  jeugd in Indië. Niet alleen de minder prettige ervaringen, zoals het verblijf in een Bersiapkamp in Cheribon, maar ook leuke ervaringen, bijvoorbeeld in de wijk Kemajoran   in het toenmalige Batavia/ Djakarta ( nu Jakarta) waar wij woonden tot aan de repatriëring in 1956.

    Ik besloot deze ervaringen op te schrijven, omdat ze misschien wel leuk of interessant  zijn voor de jongere Indo's om te lezen, zoals bijvoorbeeld  de jongeren die op mijn weblog reageerden/reageren.

     

    Het zijn deze herinneringen/ervaringen die ik  op deze  weblog  plaats.

     

    Met vriendelijke groet,

     

    René L. Persijn

     

    28-01-2008 om 00:00 geschreven door rene persijn




    Foto

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Archief per maand
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008

    Blog als favoriet !

    Startpagina !



    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!