Inhoud blog
  • Kruidje-roer-mij-niet, ijs lilin en Waterlooplein
  • Toen er nog geen rookverbod was!!
  • De toekang bami
  • Zijt gij het die komen zou?.....
  • de TOEKANG BOTOL
  • De nieuwe schoenen van neef Leo
  • Kepitings vangen
  • De Tjiliwoeng
  • Djagoeng bakar,adoeh enak sekali!!..
  • In de kampong
  • Laan Trivelli( anno 2008: Jalan Tanah Abang II)
  • Hoera, de rantang!
  • Als de avond valt..................
  • De kapper knipt en knipt!!.
  • Obat-obat
  • Wajang wong
  • Daar bij de waterkant!!
  • Adoeh, die katapult !!
  • Topeng monjet of tandak bedes
  • De jacht op muskieten en larons
  • De betjak, HET vervoermiddel in het Batavia van na de oorlog
  • Het stond in de kranten geschreven!!
  • Sinterklaas, goed heilig man!
  • Het mooiste meisje van de school
  • Stoomvaart Maatschappij Nederland
  • Henkie, de vliegerjager
  • Cultuursnuiven
  • De sapoe lidi
  • Koeda loemping
  • Het witte doek..... To the movie...
  • Goelali tioep
  • Djadjan
  • Kemajoran I
  • Kemajoran II
  • De Chinese warong
  • Keesie, (Hollandse) voetbalvriend uit mijn jeugd.
  • Ondel-Ondel
  • Theresiakerk( weg)
  • Aanvallen!!!!
  • Menteng
  • 1948 Leve de Koningin!
  • Op de CAS
  • Gang Scott ( Anno 2008: Jalan Budi Kemuliaan)
  • Dick Bos, de held uit mijn jeugd
  • Lopend naar school
  • Fietsend naar school
  • De Haantjeskerk
  • Oedjan deres!!.
  • De straten stonden blank!.
  • Decapark, recreatiepark.
  • Tandjong Priok
  • De eerste A-A-conferntie
  • Pasar Senen
  • De Bersiap-periode
  • Waterlooplein
  • Pasar Baroe
  • De Stadsschouwburg (Batavia)
  • Societeit "De Harmonie"
  • KEMAJORAN, Vliegveldlaan 56
  • Terug naar Batavia
  • In het kamp
  • Cultuuroverdracht
  • Bij opa en oma in Cheribon
  • Naar Cheribon
  • Geboren in Kemajoran
  • Vliegveldlaan 110
  • Waarom deze weblog?
    Zoeken in blog

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     
    Mijn favorieten
  • seniorennet.be
  • Mijn genealogische weblog
  • MOESSON, Indisch Maandblad
  • KITLV
  • TEMPO DOELOE (Vroegere tijden)
    Herinneringen aan mijn geboorteland
    Ik werd in 1938 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië, in Batavia. In 1956 ben ik met mijn ouders, broer en zuster naar Nederland gerepatrieerd. De verhalen op deze weblog gaan over herinneringen aan mijn LAND VAN HERKOMST. (Door op de foto's bij de artikelen te klikken worden deze enigszins vergroot)
    14-03-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Stoomvaart Maatschappij Nederland
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Stoomvaart Maatschappij Nederland

     

    Toen we nog op de Vliegveldlaan 56 woonden en we nog niet wisten dat we eens met het motorschip “Oranje” van de S.M.N. Stoomvaart Maatschappij Nederland naar Nederland zouden (moeten) vertrekken , had mijn broer Boengke ( Johan Marcus Polydor)  al met de S.M.N. te maken.

    Na zijn lager schooltijd aan de Javaweg 66 (zie ook het artikel “Lopend naar school” op deze weblog) ging hij naar de Christelijke Middelbare School aan  de Sluisbrugstraat ( op nr.11)  De naam van deze school werd later (na de souverniteitsoverdracht) omgedoopt tot S.M.P. (Sekolah Menenengah Pertama) Keristen, terwijl de straat vanaf  die tijd Jalan Pintu Air heette.

    Na zijn schooltijd ging mijn broer werken en wel bij de Stoomvaart Maatschappij Nederland aan  de Medan Merdeka Barat 3 ( voorheen Koningsplein-West).

    De S.M.N. werd opgericht op 13 mei 1870 door onder meer prins Hendrik der Nederlanden.

    Van zijn S.M.N.-salaris kocht hij een nieuwe fiets die er wel héél anders uitzag dan de mijne, die voor een groot deel eigenhandig was samengesteld uit onderdelen van diverse gekregen of gevonden fietswrakken van even zo veel verschillende merken en die zich dan ook vaak gedroeg als een ‘monster van Frankenstein’, namelijk onberekenbaar en levensgevaarlijk!

     

    Broer Johan begon zijn loopbaan bij de S.M.N. op het Passagebureau op de bagageafdeling. De toenmalige chef van het passagebureau was  de heer Koomen en de directe chef van mijn broer was Frans Soeters (Soeters was trouwens een bekende familienaam  in het toenmalige Nederlands-Indië).

    Gedurende het laatste gedeelte van zijn loopbaan bij de S.M.N. (we verlieten Indonesia op 19 maart 1956 met de “Oranje” (vaart nr.56, gezagvoerder J. Lassche) was hij verantwoordelijk voor de aankoop en verzending van drukwerk en kantoorbehoeften voor de S.M.N. en haar agentschappen in Indonesia.

    In die periode was  Raden Sulaeman Kusumahdinata zijn directe chef.

    Het gebouw van de S.M.N. stond  tussen het gebouw van de Radio Republiek Indonesia en dat van het Hoge Commisariaat der Nederlanden, waar we in een later stadium (toen we al wisten dat we zouden repatriëren) voorlichtingsfilms over Nederland zouden bekijken om zo iets meer te weten te komen over ons vaderland, dat we nog nooit hadden gezien.

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

     

    14-03-2008 om 14:59 geschreven door rene persijn


    29-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Henkie, de vliegerjager
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Henkie, de vliegerjager

    In het artikel “Keesie, (Hollandse) voetbalvriend uit mijn jeugd” op deze weblog schreef ik over een Rotterdamse jongen in Kemajoran, mijn voetbalvriend.

    Dit verhaal gaat over een andere vriend van mij uit die Kemajoran-tijd. Een vliegervriend.

     

    Henkie was de zoon van een Hollandse vader en een Hollandse moeder. Beiden waren tijdens de oorlog met Japan overleden en hij werd daarna verzorgd en opgevoed door ‘Oma Henkie’ , die geen echte oma van hem was maar een oude baboe, die bij zijn ouders had gediend en misschien, afgaande op haar leeftijd, die ik schatte op ruim 60, ook al bij zijn grootouders. Ze had een tanig gezicht met heel veel rimpels, die zo mooi en regelmatig over haar gezicht liepen, dat haar vriendelijk gezicht  me vaak deed denken aan  een  patjeh.

    Ze had voor het huis waar ze met Henkie woonde een stalletje laten bouwen, waar ze gado-gado verkocht  en zo wat geld verdiende voor zichzelf en haar Henkie.

    Aan alles was te merken, dat Henkie en ‘Oma Henkie’ heel veel om elkaar gaven.

    Henkie en ik gingen elke zondagmiddag naar de zondagschool (bij de Haantjeskerk). Beiden kregen we dan van huis wat kleingeld mee voor de collecte ten behoeve van die arme hongerige negertjes in Afrika. Als ik Henkie van zijn huis afhaalde ( we liepen altijd naar de zondagsschool), dan stopte oma Henkie het collectegeld bij Henkie in de broekzak en zei ze steevast tegen ons dat we goed op elkaar en op het geld moesten passen.

    Op elkaar passen dat deden Henkie en ik altijd wel, maar op de centen…..

    Weet je, de afstand  van huis naar de zondagschool  was nogal groot (heel Vliegveldlaan af, dan nog de Goenoeng Sari en dan nog die lange Pintoe Besi tot aan de Haantjeskerk) en we kwamen onderweg heel veel kraampjes tegen met lekker koude drankjes en  heerlijke hapjes. en soms brandden de centen in onze broekzakken. Dan keken Henkie en ik elkaar aan en zonder er woorden aan vuil te maken begreep de één de ander en werd wat van het collectegeld (niet alles natuurlijk!. De rest was voor die arme negertjes) bij een stalletje omgezet in en koele dronk of een lekkere pittige hap. Ik moet hier eerlijkheidshalve bekennen, dat ik me helemaal niet bezwaard voelde, want ik rekende mezelf ook tot het minder draagkrachtig deel van de wereldbevolking.

    En of de drankjes en hapjes wel hygiënisch waren klaargemaakt, dat heb ik me nooit afgevraagd en Henkie kennelijk ook niet.

     

    Behalve mijn zondagsschoolmaatje was Henkie ook een goede ‘vliegerjager’(boeaja lajangan). In Kemjoran werd veel en vaak gevliegerd. Niet alleen met siervliegers, maar ook met vechtvliegers. Een huisvriend van ons, Hendrik Jellema, was één van de djago’s  (kampioenen) van Kemajoran.

    Bij het vechtvliegeren (adoe lajangan)gaat het er om elkaars touw door te slijten, door te snijden, door je eigen touw schuins op het touw van de ander te plaatsen en vervolgens te vieren(als je draad boven op de draad van je tegenstander lag )of juist in te halen (als jouw draad onderlag). Een mooie, snelle duikvlucht kon heel effectief zijn als je meteen en heel snel je draad kon vieren, zodat de ander geen tijd kreeg om zich te verdedigen.

     

    Om een echte djago te kunnen worden, waren enkele dingen belangrijk:

    Je moest een  vlieger hebben, die zowel onbeweeglijk in de wind kan blijven hangen, als nauwlettend de bewegingen van je hand kan volgen en dus snel kan duiken of stijgen, en naar links of rechts kan uitwijken; De vlieger moet dus goed uitgebalanceerd zijn In het goed uitbalanceren van de vlieger werd veel tijd geïnvesteerd.

    Je touw moet bestaan uit sterk naaigaren aan één stuk, dus niet van aan elkaar geknoopte restjes ( da’s voor vliegerende meiden!) ; bij voorkeur Tjap  Gajah( naaigaren met een olifant als handelsmerk)

    Dat garen werd dan “”gegelast” ( van glasgruis voorzien).

    Het garen wordt hiervoor voorzien van een scherpe coating door het door een mengsel van kah (chinese houtlijm en fijngestampt glas te trekken.

    Hendrik had de allerbeste *gelasan-mix van de stad, in elk geval van heel Kemajoran en dan uiteraard volgens eigen zeggen. Zijn “geheim “ recept  bestond naast de basisingrediënten (kah en tot fijn gruis gestampt glas) nog uit een speciaal ingrediënt, namelijk een flinke eetlepel kippenpoep( tembelek ajam). Dit werd heel zorgvuldig ( er mocht gen zand meekomen) uit het kippenhok geschraapt en heel goed door het glas-kahmengsel geroerd .

    De kah werd tot een vloeibaar papje gekookt en vermengd met glasgruis . Bepalend voor de kwaliteit van je “gelasan” ( zo werd het gecoate draad genoemd)  was de verhouding kah-glasgruis en het soort glas. Hendrik gebruikte doorgaans flessenglas, anderen gaven de voorkeur aan lampenglas

    De draad werd eerst tot een bol opgewonden (verglijkbaar met een kluwen wol) in de gelasan-mix gedoopt en het uiteind van de draad aan de pagger (heg)  vastgemaakt en het bolletje weer afgewonden terwijl je met je vinger de glasmnix weer van de draad veegt en de draad al heen en weer lopend aan  de pagger ophangt .En dan de draad maar  laten drogen in de  zon. Als de draad droog is, wordt die draad opgewonden op een groot blik om tijdens het vliegeren het touw gemakkelijk te kunnen vieren. Meestal werd hiervoor een groot Blue Bandblik gebruikt.

    Henkie was een rasechte en loepzuivere boeaja lajangan, een vliegerpiraat. De boeaja-lajangans zijn de jongens die afwachten tot een vlieger na een gevecht neerdwarrelt om deze  zo mogelijk in te pikken. Wie de vlieger het eerst te pakken had, werd de nieuwe eigenaar van de vlieger en meestal kon je dan de vlieger voor een zacht prijsje(!) weer aan de vorige eigenaar verkopen, vooral als die vlieger een goed uitgebalanceerde en daardoor ook een goed wendbare vechtvlieger was.

    Henkie was als jongen van Hollandse afkomst groter en sterker dan zijn Javaanse leeftijdsgenoten en hij was dan ook dikwijls de eerste die een neerdwarrelende vlieger te pakken kreeg.De boeaja-lajangans hadden bijna allemaal hun glahs (stokken) bij zich. Henkie had een lang bamboestok met aan het einde  een haakje van ijzerdraad om de vlieger bij de driehoekige bedrading te kunnen pakken  nog voordat de vlieger de grond raakte .

    Met Hendrik Jellema had Henkie een deal gesloten, dat als Henkie een vlieger van Hendrik te pakken zou krijgen hij deze aan Hendrik zou teruggeven zonder dat Hendrik hiervoor hoefde te betalen. Ik had zo’ n idee dat voor deze deal Henkie door Hendrik die veel ouder en sterker was onder druk was gezet,.zo in de trant van: “Als jij mij voor mijn eigen vlieger laat betalen, ik poekoel jou, ja, Belanda?” ( … dan sla ik je, hè, Hollander…)  En Henkie was wel groot en niet gauw bang, maar hij was geen vechtersbaas, maar eerder een pacifist pur-sang.

     

    Als de vliegertijd begon en de vechtvliegers weer door de blauwe lucht kliefden dan was Henkie heel alert.Hij tuurde dan naar de vliegers die allerlei capriolen maakten en als de strijd tussen twee ( of soms meer tegelijk)vliegers begon, dan kwam Henkie in een soort trance . Hij volgde met kennersblik het titanengevecht in de lucht en wist vooraf meestal al aan te geven welke vlieger straks het onderspit zou delven. Dan verstevigde hij zijn greep om de bamboestok. Als de vlieger inderdaad naar beneden dwarrelde, dan kon Henkie uiteraard stiekem naar de plek hollen waarvan hij dacht dat het de ladingsplaats van de vlieger zou worden maar Henkie hield zich aan de erecode onder de vliegerjagers. Je waarschuwde namelijk de anderen dat er een vlieger naar beneden aan het zeilen is en dus bulderde deze jongen van Hollands bloed, maar een echte “anak Kemajoran” (kind van Kemajoran) : ‘Lajangan pedot!’ ( een vlieger is los van zijn draaad!) en dan zette hij het op een lopen, op weg naar de buit!

    En in de meest gevallen won Henkie de strijd om de vlieger en was er voor hem weer geld te verdienen

    ( Behalve bij Hendrik dan……)

     

    Toen ik in 1979 voor het eerst uit Nederland (waarheen we in 1956 repatrieerden) naar Indonesia terugging en ook een bezoek bracht aan de Vliegveldlaan in Kemajoran, waarschuwden de toenmalige bewoners van nr. 56 Henkie die nog steeds in hetzelfde huis woonde waar hij vroeger met “oma Henkie” verbleef, dat ik er was. Hij kwam, wij begroetten elkaar en hij vertelde me dat hij enkele dagen daarvoor had gedroomd, dat ik weer in de Vliegveldlaan (toen Jalan garuda) zou terugkomen en ziedaar, zijn droom kwam uit!. Hij was inmiddels getrouwd, had een paar kinderen en was Moslim geworden. Op dat moment zat hij ook midden in de Puasa (Islamitisch vastentijd)

    Deze uit Hollandse ouders geboren ‘anak Kemjoran’ was dus in Kemajoran gebleven en is één van hen geworden.Saluut, mijn vriend

     

     

    29-02-2008 om 17:11 geschreven door rene persijn


    28-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Cultuursnuiven

    Cultuursnuiven.

     

    Toen we in Kemajoran woonden gingen we onder leiding van vader Johan Persijn ook wel eens “cultuursnuiven”.

    Dat deden we bijvoorbeeld in het Nationaal Museum, Koningsplein-West.

    Het gebouw was ook bekend als “Gedung Gadjah” ( het gebouw van de olifant) omdat in de voortuin een groot beeld van een olifant stond, een geschenk van Koning Chulalongkorn van Siam (Thailand), die het beeld in 1871 schonk.

     

    Op 24 april 1778 werd in Batavia het Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen opgericht door o.a. Jacob Cornelis Matthieu Radermacher (geb.1741 in Den haag, overleden 1783 aan boord van aan schip op weg van Batavia naar Holland, op de Indische Oceaan)  als ‘dochter’ van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem.

    Het doel was niet de bevordering van kunsten en wetenschappen omwille van de kunst en wetenschap, maar om ze in dienst te stellen van het algemeen nut.

    Vanaf 1868 werd het gebouw aan het Koningsplein betrokken en officieel geopend. In 1923 kreeg het genootschap het predikaat “Koninklijk”.

    In 1928 werd door het Koninklijk Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen ter gelegenheid van zijn 150-jarig bestaan nog een feestbundel uitgegeven (in twee delen) bij Uitgeverij G. Kolff, Weltevreden, Batavia (bij  Batavianen een bekende naam, evenals uitgeverij Van Dorp).

     

    In het museum probeerden broer Boengke (Johan) en ik dan de beelden die er stonden (bijvoorbeeld van Ganesha, de Hindoestaanse godheid met het olifantenhoofd, de god van kennis en wijsheid of van Garoeda, een mythisch wezen, half mens half adelaar, uit de Hindoeïstische mythologie) na te tekenen in een tekenblok, die we van vader hadden gekregen. Ik gebruikte de schetsen die ik maakte ook op school (H.B.S., CAS) voor de tekenles. Daar werkte ik ze dan uit in houtskool of Oost-Indisch inkt.

     

    We gingen op de fiets naar het museum of we huurden een betjak (fietstaxi). Je kon met drie personen wel in één betjak, want moeder was niet zo’n cultuursnuiver.

    We reden dan van de Vliegveldlaan en Marinelaan, langs het kanaal (Schoolweg-Noord) en de Postweg, voorbij het Wilhelminapark linksaf de Citadelweg op, dan rechtsaf Koningsplein-Noord op (langs het Decapark)  en zo naar Koningsplein-West. 

     

    Het museum bezat onder meer een groot aantal beelden van diverse periodes uit de rijke historie van het Indisch archipel.

     

    Door een kleine expositie die ik bij één van de bezoeken aan het museum  zag over het leven en werk van Raden Adjeng Kartini (1879- 1904), Javaanse aristocrate en voorvechtster van de rechten van de vrouw, raakte ik zo geïnteresseerd in haar dat ik  boeken van en over haar las en op school in het kader van de geschiedenislessen ook een werkstuk aan haar had gewijd.

    In 1900, vier jaar voor haar dood, sprak Kartini nog de volgende woorden:

     

    “En al zal ik dan zo gelukkig niet zijn het einddoel te bereiken, al zal ik halverwege reeds bezwijken, ik zal gelukkig sterven, want de ban is dan toch gebroken en ik heb meegeholpen aan het leggen van de  weg, die leidt naar de vrijheid en zelfstandigheid der Inlandse vrouw”.







    28-02-2008 om 17:38 geschreven door rene persijn


    27-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De sapoe lidi
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    De sapoe lidi

     

    De ‘sapoe lidi’, een bezem gemaakt van de nerven van palmbladeren, was een vast attribuut in de Indische slaapkamer. Nadat de insecten (vooral muggen) met de flitspuit waren gedood, werden de dode beestjes met de sapoe lidi van het bed geveegd. 

    Maar dezelfde sapoe lidi was ook een geducht wapen in de hand van een boze Indische moeder.

    Ze kon er zo ‘fijn’ mee zwiepen op je billen of op je blote benen. En mijn moeder kon er deskundig mee overweg, dat had ik vaak genoeg ondervonden.

    Dus toen ze op die bewuste dag weer met een krampachtige trek op haar gezicht naar de sapoe lidi greep ( ik weet niet eens meer wat ik had uitgespookt!) wachtte ik de aanval niet af, maar rende het huis uit, door de poort en toen de straat op…

    Snel keek ik nog achterom om te zien of mijn moeder in de tuin was blijven staan, maar neen, ze stond  al op straat en zette grimmig de achtervolging in. Dus….. blik op oneindig en doorrennen maar….

    Omdat mijn moeder me naschreeuwde: “Ik krijg je wel!”, kwamen nieuwsgierigen naar buiten en bleven anderen, die op straat liepen of fietsten, staan om niets van het schouwspel te missen.

    Onder het rennen hoorde ik enkele mensen lachen en het duurde niet lang of iedereen scheen de slappe lach te hebben. Kennelijk was het een koddig gezicht om een boze vrouw  met een bezem in de hand  achter een vluchtend bruin jongetje te zien rennen.

    Ik stopte even en keek snel achterom. Mijn moeder was zo’n 5 meter achter me blijven staan en had ook de slappe lach gekregen. Haar armen hingen langs haar lichaam en tranen biggelden over haar wangen van het lachen. Blijkbaar had ze nu ook door dat de hele situatie iets had van een slapstick. Haar gelach en die van de omstanders werkte aanstekelijk op me, want al snel gierde ik het ook uit van het lachen. Het was inderdaad een rare situatie, dacht ik.

    Al lachend liep ik terug naar mijn moeder, die nog steeds niet was bijgekomen van het lachen.

    Ze keek me aan, draaide zich zwijgend om en liep weer naar huis en ik achter haar aan. Sommige omstanders klapten, kennelijk blij dat de situatie in mijn voordeel was veranderd. Ik zwaaide en boog breed glimlachend naar hen om hen te  bedanken voor hun support.

    Mijn moeder zwaaide de tuinpoort open en ik liep voor haar langs de tuin in. Toen zwiepte ze de poort met een zwaai dicht en siste me toe: “Je dacht zeker, dat ik niet meer boos meer ben, hè? Heb je verkeerd gedacht”. En de sapoe lidi striemde met kracht  op mijn blote benen. Ik schreeuwde. Niet zo zeer van pijn, maar van kwaadheid. Ik was kwaad op mezelf. Ik was argeloos in de val getrapt. Kennelijk had ik toen niet voldoende inzicht in de diepe zieleroerselen van een boze Indische moeder. Of misschien zijn die ook wel nooit te doorgronden……Adoeh soedah, laat maar….

    27-02-2008 om 00:00 geschreven door rene persijn


    26-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Koeda loemping

    Koeda loemping

     

     

    Tot de merkwaardigste dingen die ik in  mijn jeugd in Batavia ooit heb gezien, behoort zonder twijfel een uitvoering van de zogenaamde koeda loemping of  Koeda Lemping ( wat letterlijk ‘plat paard’betekent). Javaans: “Jaran kepang” of “Jaranan”

    Niet ver van ons huis vandaan, tegenover een Chinese warong, vond regelmatig zo’n voorstelling plaats. Ik vond het altijd interessant om zo show te zien al begreep ik er niet veel van.

    Bij zo’n voorstelling treden dansers op, die een van bamboe gevlochten paard berijden.

    De nogal wilde dans van de ruiters ( soms met een masker op)  wordt begeleid door eentonig  tromgeroffel. Na een tijdje raken de dansers (door de dans en het tromgeroffel ) in een trance.Als ze zo ver zijn lopen de ruiters op blote voeten door smeulend vuur, dat daar van te voren is aangestoken. Er worden flessen stukgemaakt en het glas aan de ruiters gevoerd, die het inslikken. Soms nemen de ruiters een oude lamp in hun mond om daar al krakend op te kauwen en door te slikken. Het eten van glas wordt afgewisseld met een maaltijd van hooi.

    Ik stond er meestal verbijsterd naar te kijken. Ik nam toch maar liever iets anders in mijn mond, zoals een heerlijke ijslolly van doerian. Maar ieder zijn voorkeur…

     

    De dans zelf verbeeldt de strijd tussen goed en kwaad al kon ik die lijn  niet altijd ontdekken. De voorstelling werd meestal gegeven door 4 of 8 paarddansers.

     

    Aan het eind van de dansvoorstelling werden de ruiters door een begeleider weer uit hun trance gehaald en ging men rond met een centenbakje.

    Alleen van glas en gras kun je niet leven, ja toch?

     

    Deze dans komt voort uit heel oude riten en gebruiken.

    In Cheribon (waar ik tijdens de oorlog met moeder en broer bij opa en oma inwoonde) werden in de kampong ook vaak van dit soort voorstellingen gegeven. Ook daar werd het ‘koeda loemping’ genoemd in tegenstelling tot in  Bandoeng waar het ‘Koeda kepang’ werd genoemd. In Cheribon bestond de muzikale begeleiding meestal uit een klein gamelan-orkest, in Bandoeng uit een angkloeng-orkest ( bamboe instrumenten).

     

     

     

     

     

     

     







    26-02-2008 om 16:00 geschreven door rene persijn


    25-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Het witte doek..... To the movie...

    Het witte doek

     

    Toen we op Vliegveldlaan 56 kwamen wonen was er zo vlak na de oorlog een nijpend woningtekort in Batavia. Je moest daarom vaak een woning delen met andere gezinnen.

    Behalve de Javaanse familie Salimin woonde er op Vliegveldlaan 56  ook nog de heer van Oorschot, een uit Dordrecht afkomstige ordonnans van de Koninklijke landmacht en zijn Siamese (Thaise ) vrouw.

    Met meneer van Oorschot mocht ik vaak achterop zijn motorfiets, een zware HD (Harley-Davidson)  een ritje maken.

    Zijn vrouw nam me vaak mee naar de film. Ze ging graag naar de film en omdat meneer vaak weg was voor zijn werk en ze niet graag alleen naar de bioscoop ging, nam ze me mee. Mijn moeder vond dat prima, want dan was Adeetje ( zo noemde ze me altijd) in elk geval ‘onder de pannen’.

    Mevrouw van Oorschot had een voorkeur voor wat romantische films, dus heb ik met haar diverse films gezien met de legendarische  Dorothy Lamour in de hoofdrol.

    Ook schitterde Dorothy, samen met Bob Hope en Bing Crosby in de “Road to…”-films, zoals “Road to Morocco” en “Road to Bali”, die mevrouw van Oorschot en ik ook beide hebben gezien. Deze min of meer komische films, waarin veel werd gezongen, waren in die tijd overal en ook in Batavia enorm populair.

     

     

    Met broer Boengke ( officieel heet hij: Johan Marcus Polydor, maar dat is te ingewikkeld) heb ik o.a. de film gezien “The day the earth stood still”, een film uit 1951 met Michael Rennie en Patricia Neal, een zwart-wit science-fictionfilm.  Voor deze film was zoveel belangstelling, dat Boengke en ik al heel vroeg ( bijna 2 uur voor aanvang van de voorstelling)  voor de bioscoop in de rij moesten staan om een kaartje te bemachtigen. Als je later kwam, dan was je aangewezen op een duurder kaartje van de “tukang tjatoet’ ( de zwarthandelaar). Toen de loketten werden geopend werd er plotseling geduwd, gedrongen, geschreeuwd en gescholden.

    Een man riep: “Orang Indonesia kambing!”( Indonesiërs zijn geiten). Het werd een complete chaos. Boengke en ik moesten ons echt schrap zetten om niet onder druk van de massa te bezwijken. Gelukkig stond er een TNI-soldaat achter me, die beschermend zijn arm om me heen sloeg, anders was ik gevallen en onder de voet gelopen.

    Uiteindelijk konden we toch een kaartje kopen en de zaal binnengaan, onze haren (thuis nog netjes gekamd nadat er pomade door heen was gehaald) door elkaar gewoeld en onze kleren gekreukeld, maar verder gelukkig onbeschadigd. Door deproblemen bij het kopen van de kaartjes genoten we des te meer van de spannende film over een ruimtewezen die de aarde kwam waarschuwen om geen oorlog meer te voeren ( de film werd gemaakt vlak na de Tweede Wereldoorlog  en aan het begin van de Koude Oorlog).

     

    Boengke en ik gingen ook wel naar de Tarzanfilms kijken. Voor mij persoonlijk was Johnny Weissmuller de beste Tarzanvertolker ooit. Ik heb na de films met Johnny Weismuller nog films gezien met Lex Barker in de rol  van Tarzan, maar die Tarzan was voor mij toch niet écht!

     

    Ook met mijn vader ging ik wel eens naar de film. Zo gingen we eens naar  de film “Guadalcanal Diary “ van regisseur Lewis Seiler uit 1943,

    In de film spelden o.a. Anthony Quinn en William Bendix mee.

    De film ging over een groep mariniers van diverse pluimage, gevolgd vanaf hun rekrutering tot aan de hel van Guadalcanal. De Slag om Guadalcanal leidde tijdens de Tweede Wereldoorlog tot de verovering door Amrikaanse strijdkrachten van het door Japanner bezette eiland Guadalcana in de Stille Oceaan.

    In die tijd hanteerde men in Indië (Indonesië) bij de fimlkeuring 3 leeftijdscategorieëen: alle leeftijden, 13 jaar en ouder en 21 jaar en ouder.

    Er waren in Batavia veel bioscopen in de hele stad verspreid, zoals in Glodok (Chinese wijk), regio Pasar Baroe, regio Pasar Senen, Goenoeng Sari ( Cathay-bioscoop), Decapark, Pintu Besi enz. met voor Batavianen bekende namen als:

    Rex, Metropole, Capitol, Centraal, Globe (Pasar Baroe), Decapark, Menteng Bioscoop (in de wijk Menteng), Grand (op Kramat)

     

     

     







    25-02-2008 om 12:37 geschreven door rene persijn


    24-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Goelali tioep
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Goelali tioep

     

    Hoe het eigenlijk officieel  heet weet ik niet, ik noemde die lekkernij gewoon  ‘goelali tioep’ (= geblazen suikerwerk).

    Stel je  een man voor met een kraampje. Hij smelt suiker in een pannetje en net als een glazenblazer blaast hij figuurtjes uit de gesmolten suiker. Hiervoor gebruikt hij vormpjes.

    Hij legt een bolletje van de vloeibare zoetigheid in de door de koper (dus door mij)  gekozen vorm en blaast het bolletje op totdat de suiker het vormpje aan de binnenkant geheel bedekt.

    Dan prikt hij een stokje in het figuurtje en blaast er even over om het af te koelen. Daarna krijg je het figuurtje- op- een- stokje tegen betaling van een paar centen.

     

    Wel, ik had een paar centen, verdiend met de verkoop van lege flessen aan de ‘toekang  botol’, de opkoper van lege flessen. Dus liep in door de kampong achter ons huis naar de pasar waar de man met de goelali tioep zijn kraampje had.

    Ik bestelde een goelali-tioep  in de vorm van een haan en de man ging aan de slag. Hij roerde in het pannetje met gesmolten suiker en met een houten spatelletje haalde hij er een bolletje uit en stopte dat in de vorm. Hij blies het bolletje op en prikte tenslotte een stokje door de lekkernij en blies er daarna wat overheen om het af te koelen. Ik betaalde hem en nam de goelali in ontvangst.

    Iets verdrop stond een laag betonnen paaltje. Ik ging daarop zitten om wat naar de drukte op de markt te kijken, ondertussen genietend van mijn goelali.

    De goelali-man had na mijn aankoop even geen klanten en liep naar een boom. Daar aangekomen haalde hij zijn ‘geval’ uit zijn broek en deed een flinke plas. Ik hoorde van de plaats waar ik zat de urine tegen de boom en op de grond kletteren. De man moest kennelijk hoog nodig en tja, wat moet dat moet, nietwaar? Er was daar en toen nog geen verbod op wildplassen.

    Ik keek aandachtig toe. Toen de man klaar was, schudde hij met een verheerlijkt gezicht nog even na en borg alles toen weer netjes op. Inmiddels waren er twee meisjes bij de goelali-kraam komen staan die kennelijk ook een zo’n lekkernij wilden bestellen.

    De man hoorde aandachtig hun bestelling aan en ging aan het werk. Zonder zijn handen te hebben gewassen, constateerde ik. Toen hij het suikerbolletje begon op te blazen, dacht ik even nog: “Wat voor soort adem heeft die man? “

    Ik dacht ook nog even aan  wat zijn handen  daarnet deden toen hij bij de boom stond, maar het waren slecht vluchtige gedachten.

    Ik stond traag op, keek nog eens aandachtig naar mijn goelali-op-en-stokje en liep al likkend aan de lekkernij langzaam weer naar huis. Een bekend gezegde luidt:”Wat niet weet, wat niet deert”, maar voor mijn  goelali gold: Ook al weet je het en zie je het,

    het deert toch niet. Ja toch ?

     

     

     

     

     

     

     

    24-02-2008 om 10:46 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Djadjan

    Djadjan, een Indische (on)hebbelijkheid.

     

    Djadjan…(snoepen van de straat)  Welke Indo in Indië heeft zich er nooit aan ‘bezondigd’?

    Natuurlijk vroeg menige Indo  zich wel eens af:”Waarom snoep  ik toch van de straat? “ Maar op deze vraag kreeg je geen antwoord……of wilde je geen antwoord horen.

    Je kon het niet laten, ook al  kookte je eigen moeder of de kokkie minstens net zo lekker en zeker hygiënischer .

    Je deed het gewoon, gedreven door een innerlijke, niet de te definiëren drang….….

     En het begon vaak al vroeg in de morgen, als de dagelijkse stroom van verkopers en verkoopsters op gang kwam en door je straat kwam. Of je bracht ( zoals ik vaak deed) zelf een bezoek aan die ene verkoper iets verderop in  de straat, die van de heerlijke “kuwe soetil” maakt, die heerlijke gele kokospoffertjes, die je dampend op een pisangblad krijgt geserveerd, bestrooid met wat geraspte kokos. En je bestelde daarbij dan meteen een ‘kopi toebroek’, lekker zoet.

    Of je wachtte op die vrouw met die tampah (een soort mand met een lage rand, gevlochten van bamboe) op haar hoofd, de gado-gado-verkoopster, die de maaltijd voor je snufferd klaarmaakte en op jou verzoek er ook nog dideh (bloedkoek)  bij sneed.

    Soms had je meer trek in nasi goerih (nasi oedoek), ook in de straat in die ene warong onder die waroeboom (Hibiscus tiliaceus)  te bestellen. Die heerlijk gekruide en in santen (kokosmelk) gestoomde rijst, die in een pisangblad werd geserveerd  met sambel van groen rawits (pepertjes) met azijn, gebakken uitjes, reepjes dadar (omelet). Als je het bestelde, dan liep het water je al in de mond…….Een zalig ontbijt voordat je naar school moest om rijen Franse woorden uit je hoofd te leren of bij wiskunde moest bewijzen ‘wat te bewijzen was’  !

    En de hele dag door werd je aan die heerlijke verleidingen blootgesteld: Es Shanghai (geraspte ijs met vruchtjes en siroop), tjendol, es kelapa kopjor (ijs met siroop en jonge kokos), es lilin (waterijsjes).

    Tegen de avond kwamen nog andere heerlijkheden letterlijk aan je neus voorbij: Bami goreng, martabak, roedjak toemboek, taugé  goreng,,,  te veel om op te noemen.

    En het gekke was, naast je gewone maaltijden thuis, ontbijt, middageten, avondeten, kon er altijd nog wel wat bij. Je stopte alleen als je geld op was, ja toch?

    Toen dacht je nog niet aan zaken als natrium- en vetgehalte, cholesterol en er was (voor zover ik weet althans) nog geen controle door de keuringsdienst van waren.

    Je bestelde, je smulde en je genoot nog na… that was it! Het leven was zo simpel….

     

     

     

     

     

     

      

     

     

     







    24-02-2008 om 00:00 geschreven door rene persijn


    23-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kemajoran I
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Kemajoran ( I)

     “East is East and West is West and in Kemajoran the twain shall meet”

    ( vrij naar : Rudyard Kipling (1865–1936)

     

    Ik hoorde pas veel later, dat Kemajoran door Jan Pietersz. Coen speciaal was opgericht voor de gemengd-Europees-Inheemse mensen aangezien in zijn tijd het aantal gemengdbloedige kinderen uitgroeide tot een heuse bevolkingsgroep.

    In feite heeft de Indisch Nederlandse cultuur  ruim 3 eeuwen geleden zijn licht gezien in Kemajoran, de grote wijk van Batavia, die de gemengdbloedigen kregen toegewezen met aan het hoofd van deze speciale wijk een uit hun midden gekozen burgemeester "De MAJOR (burgemeester) der Mixtiezen". Vandaar ook de naam ke-MAJOR-an ( gebied van de burgemeester)
    Kemajoran was dus van het begin af  aan een buurt waar ‘halfbloeds’ woonden en had heel lang een slechte reputatie., niet in het minst vanwege de vele vechtpartijen die daar plaatsvonden.

    In Kemajoran ontstond de melancholieke krontjongmuziek, maar hier ontstond  ook de poekoelan Kemajoran, een vechtkunst tot op de dag van vandaag, ontstaan in de 17de eeuw in het VOC-tijdperk van Jan Pieterszoon Coen. Immers toen al werden de Indo’s door hun gemengd bloed anders behandeld door enerzijds de Europeanen en anderzijds de inheemse bevolking. In die woeste tijd werden conflicten beslecht door daadwerkelijke gevechten en werden de Indo's vaak gedwongen om zich te verdedigen.

    Van regeringszijde werd oogluikend de verkoop van “mixtiezenkinderen” toegestaan.
    In het jaar 1676 kwamen er uit Holland orders waarin uitdrukkelijk stond vermeld dat “Indische kinderen” of “mixtiezen” onder geen beding gelijke rechten mochten hebben als de “outlanders” (uit Europa geïmporteerde Hollanders,Totokkers).


    Kemajoran werd allengs de wijk van de outcast, de mensen in wie het Hollands bloed stroomde , maar door Holland niet voor vol werden aangezien.

    Kemajoran ,de wijk van de Indo”s, van hen die qua afstamming behoorden tot twee werelden, de wijk waar ik was geboren en waar ik thuis hoorde en me ook thuis voelde of zoals de Indo placht te zeggen: “Senang”, omdat ook ik een kind was van twee werelden, afstammeling van een Amsterdams geslacht weliswaar, maar in wie ook het oosters ( Javaans, Madoerees, Chinees) bloed stroomt.

     

     

    Toen we in de Vliegveldlaan kwamen wonen bleek  ook die straat zoals zovel straten in Kemajoran de oorlog niet ongeschonden te zijn doorgekomen.Diverse huizen, die voor de oorlog nog in al hun Indische pracht stonden te pronken in deze buurt,  waren afgebroken, platgeschoten of platgebrand  En de opengevallen plekken  waren  inmiddels  op een snelle en agressieve manier ingenomen  door alang-alang,  en wild struikgewas.

    En ook de zuivelfabriek van DENUO, die tegenover ons huis (Vliegveldlaan nr. 110) stond was er niet meer. Waar voorheen de machines stonden te draaien, stond nu   zo’n 80 cm. hoog de alang-alang.

     

    Maar er werd in de straat ook weer en nieuwe fabriek gebouwd, de de ASPRO-fabriek. Kortom, de wijk zag er anders uit dan vóór de oorlog, maar de sfeer en het karakter waren dezelfde gebleven. Het was niet alleen mijn geboortegrond, maar ook mijn dierbare thuisgrond .

     

    Tegenover onze nieuwe woning op nr. 56 lag nu ook  een  alang-alangveld, al waren daar ook een paar warongs gebouwd van bilik (vlechtwerk van gespleten bamboe) met atap-daken ( palmbladeren).

    Deze warongs waren niet die ik regelmatig bezocht als ik geld had .Hun assortiment was beperkt tot djadjanan (snoeperijen), die mijn smaakpapillen niet bijzonder konden strelen.

    Neen, dan ging ik liever naar de verkopers   die voor de Chinese warong stonden zo’n 300 meter van ons huis vandaan  als ik de poort uitkomend linksaf ging of de verkopers die hun stalletje hadden  voor de Chinese warong rechts van ons huis (ongeveer 30 meter).

    Eerst maar een bezoek aan de locatie rechts van ons  huis. Deze Chinese warong was, net zoals die links van ons huis en net zoals de meeste Chinese warongs , een winkeltje waar je de alledaagse boodschappen kon doen zoals rijst, olie,zout, boter, ketjap, etc.

    Wat mij meer aansprak waren de stalletjes die vóór deze warong stonden. Zo stond er altijd een stalletje  waar koewé soetil werd verkocht een  soort gele poffertjes, waarvan het deeg in plaats van met melk met kokosmelk was gemaakt. Deze koewé soetil heb ik vaak voor ontbijt gehaald.Lekkerder dan brood!

    En dan en kopje koffie toebroek erbij.

     

    Verder stond er voor de warong ook altijd een mannetje, die gado-gado verkocht. Ik was een grote fan van hem en wanneer ik een portie gado-gado bij hem bestelde, mocht ik zelf in de bak met rawits (kleine hete pepertjs) graaien en het aantal bepalen (voor mij goed heet!).Als ik aan de beurt was dan gooide ik de door mij uitgezochte en van hun steeltjes ontdane rawits in de platte tjobek (vijzel) . De verkoper maakte de rawits fijn met de oelek (stamper) nadat hij er wat trassi (garnalenpasta) en wat zout had bijgedaan, dan deed hij er twee eetlepels dikke pindapasta bij en verdunde het sausje met wat water, niet te dun, de saus moet lekker stevig zijn. Dan deed hij er wat ketjap (sojasaus) bij en wat citroensap, Hiervoor gebruikte hij djeroek nipis ( kleine lemoen).Als de saus klaar was begon hij met het snijden van de overige ingrediënten   Wat gebakken tahoe (tofu) en tempé (sojabonenkoek)  ging in de saus, gekookte kangkong (waterspinazie), geblancheerde taugé en (wat ik zelf heel lekker vindt) gekookte paré ( bittere komkommer) en komkommerschijfjes. Daarna werd alles door elkaar gehutseld en in een pakje van bananenblad gewikkeld, waarna het pakje werd dichtgemaakt met een biting (stukje nerf van en palmblad waaraan een scherp puntje is gesneden) en kreeg ik het pakje mee. Thuis in de voortuin heerlijk smikkelen.

     

    Let op: U heeft hierboven zo maar ( voor niks!) een recept gekregen., leuk toch?

     

    Voor de Chinese warong links van ons in de straat stonden veel meer stalletjes. En allemaal het bezoeken waard!

    Zo stond er een man met een draagbaar stalletje die taugé goreng verkocht (met ontjom!), een roedjak-verkoper, een stalletje waar men frisdrank en ijs verkocht, kortom er was daar genoeg keuze, afhankelijk van mijn budget op dat moment.

    De ijsverkoper verkocht o.a. “ijs Shanghai’, en soort sorbet van stukjes fruit en schraapijs, overgoten met wat limonadesiroop ( ik koos meestal de groene,  palasiroop, met de smaak  van nootmuskaat)en gecondenseerde zoete melk.

    Ook zat er ’s avonds regelmatig een saté-verkoper en ( alleen overdag) een man die  jamboe aer ( de kleine roze soort) verkoopt, waarbij je bij aankoop ook zout, gemengd met gemalen rawit krijgt, waarin je de jamboe’s kunt ‘dopen’, voordat je ze opeet.

     

    (voor het vervolg zie het artikel “Kemajoran II” op deze weblog)

     

    23-02-2008 om 10:34 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Kemajoran II
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Kemajoran ( II) (vervolg van Kemajoran I)

     

    Tussen de alang-alang op de plekken waar vroeger huizen stonden vond je resten puin, glasscherven, roestige blikken en vuilnis. Het was dan ook riskant om op die velden  op je blote voeten te lopen, wat ik dan ook beslist niet deed, ook al had ik een gruwelijke hekel aan schoenen aan mijn voeten, of het nu lakschoenen waren van een schoenenstalletje op Pasar Baroe  of gympies van de Bata-winkel op Senen.

     

    Gelukkig waren er in de alang-alangvelden in de loop der tijd wat paadjes uitgesleten door bewoners  van de kampongs die achter de huizen lagen  en die  zo, lopend op hun  sandalen of klompen, een kortere weg hadden gecreëerd vanaf de geasfalteerde straten zoals de Vliegveldlaaan  naar de kampongs die daarachter lagen .

    De Vliegveldlaan  was een lange weg, die in en wijde boog langs het vliegveld loopt . Wanneer je voorbij het vliegveld doorloopt  kruis je de brede Goenoeng Sa(ha)riweg. aan de andere kant loopt de Vliegveldlaan uit  op de Marinelaan die verderop weer de Goenoeng SA(ha)riweg kruist.  Op de hoek Marinelaan-Goenoeng Sari ligt het Marinecomplex waaromheen een hoge muur is aangelegd. De Goenoeng Sariweg was de brede weg, die richting Antjol en Tandjong Priok leidde.

     

    Ik liep graag langs de paadjes in de alang-alangvelden  naar de kampong, waar de mensen je op den duur  herkenden en ook leerde kennen en je altijd weer met een vrolijk ’allo sinjo’ begroeten. Ik voelde me op mijn gemak tussen de mensen in de kampong en sprak ook hun taal. Zo gebruikte ik bijvoorbeeld veelvuldig het stopwoordje ‘dong’, dat typisch voor die streek was. “djangan, dong….”, ‘Nanti, dong…. “ 

    Op deze paadjes door de alang-alangvelden naar de kampong heb ik ook op de fiets van mijn moeder het fietsen geleerd, meestal met vrolijk gelach en stimulerend gejuich begeleid  door de bewoners van de kampong, die zo mijn vorderingen  bij het  temmen van de stalen ros van dichtbij (eerste rang! ) hebben meegemaakt, dit in tegenstelling tot mijn moeder, die niet meemaakte en zelfs hier niets van wist, omdat ze dan haar middagdutje deed. Immers alleen als ze sliep kon ik haar fiets ‘lenen’……

     

    Toen we op nr. 110 woonden (vóór de oorlog) hadden we een paar bedienden ( een baboe een kokkie, een djongos) maar na da oorlog, was alles veel duurder geworden en dus ook het personeel. We hadden op de Vliegveldlaan 56 dan ook maar één bediende, een baboe, die Tjemiel heette. Als kind noemden we haar wel eens Schlemiel  , omdat ze “latah” was.
    Latah is een psychische aandoening, waarbij men de zelfbeheersing verliest en dwangmatig woorden of zinnen van een gsprekspartner herhaalt of acties van anderen imiteert. Opvallend is ook dat lijders willoos opdrachten van anderen opvolgen. 
    En hier maakten we als kind gebruik van of, achteraf bezien, MISBRUIK door Tjemiel opdracht te geven  om de borden die zij in haar handen had te laten vallen of haar op te dragen bepaalde woorden te zeggen, die wij zelf niet in onze mond mochten nemen op straffe van een lel met de sapoe lidi (bezem van de nerven van palmbladeren) of de bakiak (houten klomp) . Wat kunnen kinderen soms wreed zijn.

     

     

    Zoals ik al opmerkte voelde ik me senang in deze wijk. Onder mijn vrienden uit Kemjoran waren behalve Indo’s ook totoks en Javaanse jongens. Kennelijk leefde ik in overeenstemming met het karakter van Kemajoran in twee werelden, die ik onbewust in mezelf verenigde. Hebben mijn ouders daarvan  misschien iets voorvoeld toen ze me behalve ‘René’ ook nog als tweede naam de naam  ‘Louis’ meegaven. Louis, de Franse vorm van het Hebreeuwse Levi, dat de betekenis heeft  ’de twee tot één maken’.’de twee verenigen’.

    Enkele van mijn Hollandse en Javaanse vrienden wil ik  graag in aparte artikelen  aan u voorstellen, namelijk de Hollandse Jongens Keesie en Henkie en de Javaanse jongens, Soegito, Soemarmin en Soetedjo.

     

    23-02-2008 om 10:25 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De Chinese warong

    De Chinese warong

     

    In het artikel “Kemajoran I” op deze weblog had ik al vermeld dat zowel links als rechts van ons huis Vliegveldlaan 56 in Kemajoran een Chinese warong (warung) stond.

    Onze groenten en fruit kochten we meestal op de pasar (markt) in de kampong achter ons huis. Maar voor levensmiddelen als rijst, olie, boter, zout e.d. gingen we naar één van die Chinese warongs. Als ik de boodschappen moest doen ging ik liever naar de warong links van ons in de straat, want die was ruimer van opzet en had een groter assortiment, waaronder diverse soorten snoep (!).

    Ook verkocht deze warong ijsblokken. De grote ijsblokken, geleverd door de plaatselijke ijsfabriek werden bewaard in een cementen bak, bekleed met lood (ook de binnenkant van het deksel) en in jutezakken en zaagsel gelegd, dit om het smelten in de tropische hitte zoveel mogelijk tegen te gaan. Als je het ijs kocht ( voor in je dranken, want we hadden geen koelkast) werd een stuk ijs afgezaagd, er werd een touwtje aan gebonden en je kon het zo, aan een lusje in het touw dragend, meenemen.

    De eigenaar verkocht ook heerlijke manisans ( geconfituurd fruit) en asinans (fruit in azijn, meestal met sambal vermengd), maar ook sigaretten, die je per stuk kon kopen (dan wordt een doosje geopend en het aantal sigaretten dat je kocht eruit gehaald). Als je niet zoveel geld had te spenderen was dat wel zo gemakkelijk!

    Hij verkocht diverse merken sigaretten , zoals Zipper, Barking Dog, Players, Miss Blanche en natuurlijk de kreteksigaretten ( met kruidnagel) en de toen zeer populaire Escort.

    Over Escort werd  het grapje gemaakt,  dat de naam een afkorting was van: “Een Sof Cigaret Onder Regerings Toezicht” en van achteren naar voren: “Toch Rookt Onze  Commandant Spoor Escort”. (Generaal Simon Hendrik Spoor was in die tijd opperbevelhebber van de Nederlandse strijdkrachten in Indië)

    Als je de warong binnenkwam dan rook het altijd zo lekker naar gereh (gedroogde, gezouten vis).

    Rijst kocht je bij de Chinees per liter. Hij had dan een maatbeker van 1 liter ( of een halve liter voor kleine eters). Hij schepte dan met de maatbeker rijst uit een bak en de rijst die te veel was voor de maatbeker werd er met een stokje afgeschoven.

    Oom Coen, een oudere broer van mijn vader, logeerde eens een tijdje bij ons (hij zat toen bij de NEFIS ( Netherlands Forces Intelligence Service), de inlichtingendienst van het leger) en ging met mij mee om boodschappen te doen bij de Chinees. Mijn oom had toen net in 3 maanden tijd Chinees geleerd en begon met de eigenaar van de warong in het Chinees te koeterwalen (ik verstond er niets van!). Toen hij daarna naar sigaretten vroeg en door een zoon van de eigenaar werd geholpen, kwam de eigenaar bij me staan en fluisterde me toe: “Je oom spreekt heel goed Chinees….’”. Ik glom van trots….

     

     

     

     

     

     

     





    23-02-2008 om 00:00 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Keesie, (Hollandse) voetbalvriend uit mijn jeugd.
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Keesie, (Hollandse) voetbalvriend uit mijn jeugd.

     

    Eén van mijn Kemajoran-vrienden, die ik hier aan u wil voorstellen, was Keesie

     

    Hij heette eigenlijk Kees, maar omdat hij nogal klein van stuk was voor een Hollandse jongen ( geboren in Rotterdam) noemde ik hem Keesie. Hij had een stevige, gedrongen gestalte en een open vrolijk gezicht met stroblonde krullen en lichtblauwe ogen.Mijn Javaanse vrienden noemden hem si Boeleh ( de witte)  of gewoon Anak Londo (Kind van Holland) . Keesie sprak maar enkel woorden Maleis “Tidak” (Neen)  en “Djangan” (Niet doen), maar dat vond hij kennelijk voldoende om naar al te opdringerige Javanen toe zijn territorium af te bakenen

    Ik leerde Keesie kennen via de sportvereniging van de kerk. Mijn vader was namelijk jeugdouderling geworden van de Protestantse Haantjeskerk (Pniëlkerk) op Pasar Baroe ( zie ook het artikel “De Haantjeskerk” op deze weblog)  en voortvarend als hij was begon hij meteen met het organiseren van sportactiviteiten voor de jeugd, zoals volleybal, voetbal, kastie, korfbal. Daar leerde ik Keesie kennen en het klikte meteen tussen ons. Toen we de eerste keer van het voetballen naar huis reden, kwamen we tot de ontdekking dat we beiden in dezelfde straat woonden, alleen woonde hij aan het begin van de Vliegveldlaan, dicht bij de spoorwegovergang. Waarom zijn familie als Hollands gezin in Kemajoran is komen wonen is mij nooit duidelijk geworden.

    Als we naar sport gingen dan haalde hij me altijd af, ook al moesten we op weg naar het sportveld  weer langs zijn huis, zodat hij de afstand van zijn naar mijn huis twee keer moest afleggen.

    Keesie reed op  een degelijke Hollandse fiets, een stevige stoere bruinrode Gazelle, compleet met verlichting, standaard en fietspomp, die zijn ouders voor hem uit Holland hadden meegenomen, terwijl mijn fiets eigenhandig was samengesteld uit onderdelen van diverse gevonden of gekregen fietswrakken van even zo veel verschillende merken. Een soort ‘monster van Frankenstein’. En zo gedroeg mijn fiets zich af en toe dan ook: onberekenbaar en soms levensgevaarlijk.Toch vroeg Keesie  me heel vaak van fiets te wisselen als we naar sport gingen, want de mijne was een ‘doortrapper’ en  zo’n fiets  is pas  echt  stoer immers!

    We trainden met de kerkclub op het veld bij de Haantjeskerk of op het Waterlooplein (zie ook het artikel “Waterlooplein” op deze weblog) , vlak bij de grote kathedraal, bij de meeste Batavianen wel bekend. Dit was ook het plein waar later de Amerikaanse opwekkingsevangelist Billy Graham duizenden mensen zou trekken met zijn vlammende preken, ook nonnetjes en pastoors.

     

    Met de voetbalclub deden we onder de naam “De Haantjes”ook mee aan een jeugdcompetitie die door de voetbalclub BVC, de Bataviaasch(e) Voetbal Club, was uitgeschreven( zie ook het artikel “Aanvallen……!!”op deze weblog) .

    BVC, de club die door de in Batavia alom bekende en gerespecteerde Paatje Versteegh werd opgericht.

     

    Aan de wedstrijden, die op het veld van BVC werden gehouden, deden veel jeugdclubs mee, onder andere de Molukse vereniging Mena Moeria. "Mena Moeria"is ook de strijdkreet van de R.M.S.  (Republik Maluku Selatan/ Republiek der Zuid-Molukken), die streed voor een onafhankelijk en vrij Zuid-Molukken. Letterlijk betekent deze kreet: ‘Voor - Achter’, in de zin van: “Wij vormen samen een onverbrekelijk geheel”

    Wij verloren altijd van het elftal van Mena Moeria..Zij hadden immers veel meer techniek in huis omdat mijn vader, die onze trainer was, ons die niet kon bijbrengen, om de doodeenvoudige redenen dat hij zelf nooit gevoetbald had en de spelregels uit een boekje heeft moeten leren. Ook van voetbaltactiek had hij nog nooit gehoord.

    We hadden donkerblauwe broeken en lichtblauwe shirts met op de zak een wit schild met een rode, geborduurde haan. De shirts waren oorspronkelijk wit  ( op  Pasar Senen gekocht), maar mijn vader had ze lichtblauw geverfd in een verfbad waarbij ik mocht helpen en de donkerblauwe haantjes had hij zelf erop geborduurd.

    Voetbalschoenen hadden we niet, dus voetbalden we altijd op blote kakkies. Onze rechtback, Boy Ripassa, had zich de gewoonte aangemeten om met omhooggekrulde tenen te punteren. Wat ik ook probeerde, dat kunstje lukte me niet, want als ik dat deed kneusde ik onherroepelijk mijn tenen, zodat ik me maar toelegde op het schoppen met binnen- en buitenkant voet. Op die plekken werd dan ook al gauw eelt gevormd.

     

    Op een dag stond weer een wedstrijd tegen Mena  Moeria op het programma. Waarschijnlijk met het verlies van de vorige wedstrijden tegen deze Molukse club in hun achterhoofd waren diverse spelers van ons team niet komen opdagen . Mijn vader kon dan ook maar 8 namen op het wedstrijdformulier invullen en dat was het minimum aantal spelers dat je moest opstellen om een wedstrijd te mogen spelen. Kom je er geen 8 opstellen, dan werd je club reglementair als verliezer beschouwd. Wij konden dus de wedstrijd beginnen. Ik was keeper (de echte keeper was niet komen opdagen) en Keesie linksback. Hij was trouwens  de enige back, want zijn collega- back was één van de afwezigen Ook de ‘halfs” (rechtshalf, midhalf en linkshalf) en de voorhoede (rechtsbuiten, rechtsbinnen midvoor, linksbinnen en linksbuiten)  waren niet compleet, dus we hadden voordat we begonnen al een enorme afstraffing ingecalculeerd.

    In die tijd was er nog geen sprake van een 4-3-3 of een 3-4-3 systeem. In het doel stond de keeper, vóór hem stonden de linksback en de rechtsback en daar weer voor de linkshalf, de midhalf en da rechtshalf en in de voorhoede de linksbuiten, de linksbinnen. de midvoor, de rechtsbinnen en de rechtsbuiten. That’s it!

     

    Ondanks dat we maar 8 spelers hadden  betraden we vol goede moed het veld. Het begon nog te regenen ook . De lucht was donker en er wachtte ons een echte tropische regenbui.

     

    Het werd zoals verwacht een eenzijdige wedstrijd, waarbij de triomfantelijke en superieure grijns op de gezichten van onze Molukse tegenstanders, die fel afstak tegen de verbeten en grimmige trek op onze smoelwerken omdat we toch probeerden er nog iets van te maken .Voordat de scheidsrechter het startsignaal gaf  kwam Keesie naar me toe en fluisterde met een licht Rotterdam accent:  “Elke bal die richting jou komt die ram ik wel naar voren toe”. Ik knikte dankbaar.

    En Keesie hield woord, hij rende van links naar rechts en elk bal die in mijn richting kwam, die knalde hij naar voren onder het uitstoten van een soort indianenkreet, waarschijnlijk geïnspireerd door de aanhangers van onze tegenstander, die af en toe vanaf  de kant  fanatiek  “Mena moeria” schreeuwden om hun ploeg aan te moedigen . En het ging harder regenen.Het water plensde op het veld als mandiwater (mandi = baden) uit de gajoeng (waterschep)  Er lagen hier en daar al grote plassen op het veld, dat langzaam aan in een modderbad veranderde en waarin de bal vaak bleef steken

    Keesie werkte zich letterlijk te blubber. Door de vele slidings die hij moest maken zat hij helemaal onder de vettige modder. Je kon niet meer zien dat onder die bruine smurrie een blonde Hollandse jongen schuil ging. Ook zijn gezicht was bruin van de modder. Toen hij heel even dichtbij me stond nadat hij weer onder het slaken  van een ijselijke kreet de bal uit het doel had weggeramd , ontwaarde ik in dat vuilbruine masker, waarachter zijn gezicht zich verborg, twee helder blauwe ogen. Keesie… Wat mij het meest raakte was de blik die ik in die blauwe ogen zag. De blik van een echte onverschrokken fighter., ‘poekoel teroes!’ En ik wist daar en toen dat Keesie, de Hollandse jongen uit Rotterdam een echte anak Kemajoran was geworden. Saluut sobat!

     

     

    23-02-2008 om 00:00 geschreven door rene persijn


    22-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Ondel-Ondel

    Ondel-Ondel (spreek uit als: ondèl- ondèl)

     

    Een ondel-ondel is een grote pop met een persoon erin, die door twee gaatjes in de buik van de pop voor zich uit kan kijken.

    De ondel-ondel is een soort symbool voor de autochtone inwoners van Batavia (Jakarta), de ‘orang Betawi’,  en is  geëvolueerd tot een soort mascotte voor de stad.

    De ondel-ondels , meestal bestaande uit een mannelijke en een vrouwelijke pop en  liepen en lopen door de straten van de stad op hoogtijdagen.

    Ze waren/ zijn  meestal tussen de 2 en 2,5 meter hoog met een diameter van 80 cm. , zijn fel en feestelijk gekleurd, hebben een masker voor hun gezicht  en haar, gemaakt van de nerven van kokosbladeren.

    Het masker  van de mannelijke pop is rood gekleurd en dat van de vrouw wit. op het masker van de man prijkt een enorme snor.

    De vrouwelijke pop draagt de traditionele sarong.

     

    Op de jaarlijks in de maand juni gehouden “Jakarta Fair”, waar een grote markt is, eetstalletjes met typisch Jakartaans eten,  traditionele dansen, vuurwerk etc. ontbreken de ondel-ondels niet.

     

    Toen wij in de 50-er jaren nog op de Vliegveldlaan (Jalan Garuda) woonden, kwamen de ondel-ondels wel eens door onze straat lopen op weg naar een  bruiloft of een ander groot feest  in de kampong om daar het feest op te luisteren. Ze werden dan begeleid door wat muzikanten. Een man met een grote, zware trom gaf het loop- en dansritme aan. De grote poppen liepen dan dansend door de straten en wij, kinderen, liepen er ook dansend achteraan.

     

    Heel vroeger liepen de ondel-ondels rond om boze geesten te verjagen.

    En als ik terugdenk aan de gezichten van die ondel-ondels, dan kan ik me best voorstellen dat de boze geesten van hen schrokken en op de vlucht sloegen!

     

     

     

     

    .

     









    22-02-2008 om 10:30 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Theresiakerk( weg)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Theresiakerk( weg)

     

    Zoals in het artikel “Op de Cas” op deze weblog al vermeld woonde de toenmalige rector van de CAS, de heer H. Stam met zijn vrouw, twee dochters en zoon Herman op de Theresiakerkweg.

    Ik ben daar een paar keer op bezoek geweest, omdat ik bevriend was met Herman, die bij mij in de klas zat. Zo kwam ik ook eens op zijn verjaardag en omdat ik wist dat hij graag goochelde nam ik voor hem een boek mee, geschreven door de Nederlandse acteur, producer en goochelaar Adrie (Adriaan) van Oorschot “Hokus pokus dat kan ik ook".

    Op in de Theresiakerkweg te komen moest ik de gewone weg naar de CAS fietsen ( zie ook het artikel “Fietsend naar school” op deze weblog).

    Op Koningsplein-Oost aangekomen moest ik dan voorbij de school rijden naar Koningsplein-Zuid, deze uitrijden en dan linksaf Laan Holle oprijden. Dan doorrijden voorbij Kebon Sirih en de Oude Tamarindelaan en dan rechtdoor de Theresiakerkweg op.

     

    Op de Theresiakerkweg 11, stond ook de Heilige Theresiakerk, waarnaar deze weg werd vernoemd.

    In 1930 waren  de wijken Menteng ( zie ook het artikel “Menteng” op deze weblog) en Gondangdia zo volgebouwd en bewoond dat de Rooms-Katholieke gemeenschap naar een eigen ruimte zocht niet al te ver uit de buurt om hun diensten te houden. Ze waren immers tot nog toe aangewezen op de diensten in de Kathedraal aan het Waterlooplein.

    Men heeft toen een stuk grond gekocht om een nieuw godshuis te bouwen aan de Soendaweg. Deze weg werd later omgedoopt in  Theresiakerkweg en een zijstraat kreeg de naam Soendaweg.

    Voor de realisatie van het plan werd een opdracht gegeven aan de architect J. Th. Van Oyen. De bouw werd voltooi in 1934 en de kerk ingewijd door Pastoor A. Th. Van Hood SJ, vicaris van Batavia.

    De kerk telde drie deuren met boven elke deur een groot raam. Op het middelste raam was de beeltenis aangebracht van de Heilige Theresia en op de beide andere ramen respectievelijk die van St. Igntius de Loyola (stichter van de   “Societas Jesu”) en die van St. Franciscus Xaverius, beschermheilige van de missie.

    In   1936 kreeg men hier een eigen parochie, De Heilige Theresia-parochie, onder pastoor F. Fleerakker. Hij bekleedde deze functie tot 1943.

     

    Toen we in Batavia woonden hadden diverse pastoors de Theresia-parochie onder hun herderlijke hoede. In 1951 bijvoorbeeld was dat pastoor Y. Awicks SJ en van 1951 tot 1960 opeenvolgend de pastoors Henricus Vroom, Wilhemus Rietra, Eustachius Djajaatmadja en Theodorus Madleuer

     





    22-02-2008 om 00:00 geschreven door rene persijn


    21-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Aanvallen!!!!

    Aanvallen……!!

     

    Toen we na de Oorlog met Japan in Batavia kwamen te wonen ( Vliegveldlaan, Kemajoran) werd mijn vader in de 50-er jaren jeugdouderling van de protestantse gemeente van de “Haantjeskerk” ( zie ook het artikel “de Haantjeskerk” op deze weblog)

    Hij begon met het opzetten van een vereniging voor de jeugd waarin kon worden meegedaan  met  voetbal, volley, korfbal, judo, boksen  maar ook met  Hollandse (!)  volksdansen. Judo en boksen werden getraind ten huize van de heer van der Pluim aan de Goenoeng Sari. Voetbal, volley en korfbal op het Waterlooplein en volksdansen op het grasveld bij de kerk.

    Met de voetballers  deden we met 2 elftallen onder de originele naam “De Haantjes” 1 en 2  mee aan een competitie van jeugdelftallen, georganiseerd door de plaatselijke voetbalvereniging B.V.C. (Bataviasche Voetbal Club), die op hun velden werd gespeeld. Initiatiefnemer hiertoe was de bekende radioverslaggever Hans Oosterhof, ook bekend als Suhandi.

     

    In Batavia  waren meer voetbalclubs. Het voetbal werd al in 1894 in het toenmalige Nederlands-Indië geïntroduceerd toen een schooljongen, John Edgar, in Soerabaja een voetbalclub oprichtte, Victoria. Al gauw werd het voetbal niet alleen dor de elite gespeeld maar ook door de gewone man. Aanvankelijk was voetbal en trouwens de sport in het algemeen een Europese aangelegenheid, maar hier kwam langzamerhand verandering in.

    Er kwamen ook meer voetbalclubs, zoals THOR uit Soerabaja, Excelsior en HBS en in Batavia o.a. VIOS, Hercules, SVBB (Sportvereniging Binnenlands Bestuur ), BVC

    De clubs werden meestal opgericht op grond van beroepsgroep ( bijvoorbeeld: militairen) of op de etnische afkomst van de leden. Zo was de club “Mena Moeria”  die in de jaren ‘50  ook meedeed aan de jeugdcompetitie waaraan wij meededen, een club van Molukkers.

     

    Vanaf 1914 werden stedenwedstrijden gehouden, waarin de sterkste spelers hun stad vertegenwoordigden.

    Wat velen in Nederland niet (meer) weten is, dat Nederlands-Indië in 1938 ( het jaar waarin ik werd geboren!)  onder eigen naam deel nam aan de wereldkampioenschappen voetbal in Frankrijk.

    Het elftal kwam niet verder dan de eerste ronde, waarin het verloor van Hongarije

    met 6-0.

     

    Trainer was de Nederlander Johannes Christoffel van  Mastenbroek.

    De spelers waren destijds Tan "Bing" Mo Heng en J. Haring ( doelverdedigers), Frans G. Hu Kon (Hukon), Jack Sanniels, J. Kolle en Dorst (verdedigers), Sultan Anwar, Frans Alfred Meeng, Achmad Nawir, G.H.V.L. Faulhaber, G. v.d. Burgh en Bing Mo Heng ( middenvelders) en Isaak "Tjaak" Pattiwael, Suvarte Soedarmadji (Sudarmadji), M.J. Hans Taihuttu, Tan Hong Djien, Hendrikus V. "Henk" Zomers (Sommers), Tan See Han,

    Teilherber, R. Telwe en Beuzekom L.N. (aanvallers )

     

    In dat jaar (1938)  werd Italië wereldkampioen.

     

    In de tijd dat ik bij “De Haantjes “ voetbalde maakt de Russische voetbalclub Dynamo Moskou met de legendarische keeper Lev Jashin een tournee door Azië . Ze speelden ook en wedstrijd tegen het nationaal elftal van Indonesia dat toen onder supervisie stond van de PSSI . ( Persatuan Sepakbola Seluruh Indonesia). Ik ben naar de wedstrijd wezen kijken, vooral om de Russische keeper Lev Jashin te zien en de Indonesische spits Jamiat en hun keeper Parengkuan.





    21-02-2008 om 16:09 geschreven door rene persijn


    20-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Menteng

    Menteng

     

    Menteng is de door de Nederlanders gestichte villawijk in het toenmalige Batavia ten zuiden van het Bandjirkanaak en Matraman. Voor de realisering van de plannen  moest particuliere grond worden opgekocht. Met de bouw werd begonnen in de jaren 1917/1918. Menteng bestond aanvankelijk uit Menteng en Nieuw Gondangdia.

    De wijk Menteng  is voor oud-Batavianen natuurlijk ook bekend als de wijk waar het gebouw stond van het Canisiuscollege.

    Deze school werd opgericht in 1927 door een groep Jezuïetenen. Belangrijk werk hierbij werd vooral verricht door Dr. J. Kurris SJ, de eerste directeur van het Canisius College.

     

    De Mentengwijk ( waartoe de bekende Palmenlaan behoort) was volgens een Nederlands stedenbouwkundig ontwerp uitgevoerd. Er waren ruime, symmetrische straten met heel veel bomen, plantsoenen, pleinen. De meeste huizen waren uitgevoerd met twee verdiepingen en met een puntdak.

    Een ander bekend gebouw in deze wijk was de grote vrijmetselaarsloge.

    Al voor de Tweede Wereldoorlog zaten in deze wijk veel ambassades.

     

    Op Menteng Pulo ligt het Nederlands ereveld “Menteng Pulo,” opgericht tijdens de politionele acties (1945-1949).

    Hier rusten Nederlandse slachtoffers die de verschrikkingen van de Japanse kampen niet hebben overleefd en Nederlandse militairen die tijdens de politionele acties om het leven kwamen. Ereveld Menteng Pulo telt ongeveer 4.300 graven.

    Hier ligt ook de voormalige bevelhebber van de landstrijdkrachten in Nederlands-Indië/ Indonesië in de jaren 1946-1949, namelijk de  (viersterren) generaal Simon  Hendrik Spoor  ( 1902-1949)

     

    Ereveld Menten Pulo, waar een 4300-tal graven liggen, werd opgericht tijdens de Politionele acties (1945-1949) Het ontwerp van het ereveld werd gemaakt door reserve luitenant-kolonel Ir. H.A. van Oerle

     

    “ Zij gaven hun toekomst om ons een HEDEN te geven”

     

     





    20-02-2008 om 09:18 geschreven door rene persijn


    19-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.1948 Leve de Koningin!
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Leve de Koningin 1948

    Werd de verjaardag van  Koningin Wilhelmina  in Indië (en dus ook in Batavia) uitbundig gevierd, dit gebeurde uiteraard in nog meerdere mate ter gelegenheid van haar 50-jarige ambtsperiode  in 1948.

    We woonden toen in Batavia en maakten de festiviteiten daar mee. Ze zou in datzelfde jaar troonafstand doen ten gunste van haar dochter Juliana en dat maakte de viering waarschijnkijk ook tot een soort afscheid van de koningin die al die jaren  ook  vorstin was van Nederlands-Indië en dus ook van Batavia!.

    Er was immers  ook een park in Batavia  naar haar vernoemd, het Wilhelminapark, ingesloten tussen de Citadelweg, de Willemslaan en Waterlooplein-West.

     

    Net als ter gelegenheid van haar verjaardag was ook nu de stad versierd maar nu wat uitbundiger en ook nu  waren op diverse plaatsen erebogen opgericht, prachtig versierd met bloemen, slingers en vlaggen.

     

    Er was een aubade van schoolkinderen voor het paleis van de Gouverneur-Generaal  van Mook, een militaire parade van landmacht, marine en luchtmacht op het Koningsplein (waar ik met mijn vader ook naar toe was gegaan), en luchtvaartshow op Tjililitan, een dropping van parachutisten, een optocht van versierde wagens en auto’s in Weltevreden, waaraan ook padvinders deelnamen, maar ook bedrijven, zoals de KLM.

    In Rijswijk en Noordwijk was er Pasar Malam, die door de patih van Batavia werd geopend met een toespraak, waarna de echtgenote van de burgemeester een lint doorknipte. Daarna kon men het terrein betreden.

    ’s Avonds kon men genieten van de feeërieke verlichting in de stad, vooral op Noordwijk en Rijswijk, de vele standjes langs de straten met allerlei lekkernijen, speelgoed en vele verleidelijk hebbedingetjes.En ’s avonds zagen we  pas goed  dat ook het paleis van de gouverneur-generaal aan het Koningsplein  feestelijk geïllumineerd was.

     

    Het was een groot feest, maar tevens een afscheid, afscheid van een koningin, maar ook afscheid van een tijdperk.

    Want hoe betrekkelijk alles was bleek wel in 1950, toen het Wilhelminapark in Batavia moest plaats maken voor de Istiqlal Moskee .

    19-02-2008 om 19:27 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Op de CAS
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Op de CAS

     

    Aan het Koningsplein, aan de oostzijde stond in de 50-er jaren het scholencomplex van de CAS (Carpentier Alting Stichting). Hier ging ik na mijn lagere schooltijd naar toe ( zie ook het artikel “Fietsend naar school” op deze weblog).

    Helemaal achterin op het terrein stond de MULO (Meer Uitgebreid Lager Onderwijs) en vooraan het Lyceum.

    Het Lyceum had een onderbouw van twee jaar, waarna je kon kiezen tussen Gymnasium, HBS ( Hoger Burgerschool) en MMS (Middelbare Meisjesschool).

    Op het Gymnasium kon je later nog kiezen tussen een Alpha en een Beta kant en op de HBS tussen een A en een B-kant. Ik zou de HBS-B kant opgaan.

    Het idee achter dit schooltype  was dat het vóór de puberteit niet duidelijk was of leerlingen meer aanleg voor exacte vakken of voor (klassieke) talen hadden. De onderbouw was dus een voorloper van de  tegenwoordige (anno 2008)  brugklas, met dien verstande dat niet naar het niveau, maar naar de richting van de leerlingen gekeken werd. Het lyceum als geheel kan gezien worden als een vroege vorm van de huidige (anno 2008)scholengemeenschap.

     

    Toen ik daar op school ging was de heer H. Stam de rector. Hij woonde met zijn gezin (vrouw, twee dochters en een zoon) aan de Theresiakerkweg. De zoon, Herman, zat bij mij in de klas.

     

    Helaas kan ik me niet meer de namen van alle docenten herinneren. Een paar kan ik hier nog wel noemen.

    De heer Stam (Rector en docent Nederlands), de heer drs.  J. Arntz ( Con-rector en docent Geografie),  de heer L. van Meesche (docent tekenen), de heer D. Ruys (docent Frans en Nederlands)( naar ik me herinner was hij nog familie van de Nederlandse acteur/regisseur Cor Ruys), Mevr. Steenberghen ( docent Frans) ( zij vertrok later uit Indonesia om in Zuid-Frankrijk te gaan wonen), de heer ir. Burgemeestre ( docent Scheikunde) ( hij vetrok later naar Brazilië om daar te werken bij een oliemaatschappij),

    de heer van Hemert ( docent Bahasa Indonesia, een verplicht taalvak in de onderbouw) (hij was Warga Negara, Indonesisch staatsburger en in de tijd ook lid van het Indonesisch parlement), de heer van Swamborn (docent biologie) , de heer Stuiver (docent wiskunde)  de heer Ir. Tan (docent wis- en natuurkunde kunde) (door zijn bijzondere lessen  kreeg ik later interesse in zaken als relativiteit en kwantumfysica) , de heer Fouraschen en Van den Berg ( beiden docent geschiedenis) en mej. drs. Fischer (docent Duits).

     

    Zij waren stuk voor stuk bijzondere leraren  met liefde voor hun taak en vakgebied, die in staat waren je te boeien  en belangstelling voor hun vak op te wekken.

     

    Enkele leerlingen met wie ik in de klas heb gezeten waren:

     

    Meiske Allaert (een heel stil maar bijzonder intelligent meisje), Eefje Bakker (toen ik in 1979 in Indonesia was ontmoette ik haar in Jakarta, waar ze nog woonde. Toen we nog op de CAS zaten woonden we in dezelfde straat. de Vliegveldlaan. Haar vader was aannemer ), Heidi van Barnau Sijthoff, Peter Bax, Leo Blanken,

    Don Boellaert van Tuyll (Is later koopvaardijofficier geworden en heeft een tijd in Oosterbeek in Gelderland gewoond), Henk Duistermaat, May Engelen ( zij zat  bij mij ook al op de lagere school (zie ook het artikel “Lopend naar school”op deze weblog),  Micki Grosz, Tan King Han, Lily Hana, Margy Keesberry (was ik heel even heimelijk verliefd op geweest. Vertrok uit Indonesië met haar ouders), Marlies Konings, Elly Moerman, Marcel Neumann., Steven Peek, Judith Pelaupessy, Leo Peters, Mieke Piekaar, Eddy Slamet (zoon van de destijds bekende professor Slamet, woonde in 2007 nog in Jakarta),

    Herman Stam ( zoon van de rector. In 2007 kreeg ik in Nederland contact met hem. Hij is samen met zijn vrouw nog op bezoek geweest. Hij werd in Nederland docent tekenen ), Thelma Tan, Wiesje Tan, Cathelien de Vlieger,  Wim Vredevoogd (Zoon van de enige echte ‘Sinterklaas’die elk jaar op Kemajoran met het vliegtuig aankwam, zogenaamd uit Spanje) , Els Wevelaar en Gerry de Wilde.

     

    19-02-2008 om 10:42 geschreven door rene persijn


    18-02-2008
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gang Scott ( Anno 2008: Jalan Budi Kemuliaan)
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Gang Scott ( Anno 2008: Jalan  Budi Kemuliaan)

     

    Gang Scott ( Scottweg) was een niet zo lange weg, maar wel een weg met een rijk verleden.

    Deze weg werd aangelegd door de Schotse koopman en later inspecteur bij de opiumpacht Robert Scott, een achterneef van Sir Walter Scott, de dichter en schrijver (van o.a. Ivanhoe). Robert Scott legde deze weg aan toen hij zelf  aan het Koningsplein woonde.

     

    Gang Scott herinnerde ook aan de Nederlandse dichter-schrijver Leo Vroman, die in 1940 naar Nederlands-Indie vertrok en daar in Batavia aan de Gang Scott een kamer betrok bij mevrouw Wijmer  om zijn in Utrecht begonnen biologiestudie voort te zetten aan de Geneeskundige Hoogeschool te Batavia.

    Toen de Japanners Nederlands-Indië binnengevallen waren, werd hij geïnterneerd en verbleef in verschillende kampen.

     

    Ook de schrijver Arthur van Schendel ( o.a. “Een zwerver verliefd”) , die in 1874 in Batavia werd geboren heeft in de gang Scott gewoond.

    Zo lezen we in zijn “Ongepubliceerde jeugdherinneringen” :” Wij liepen over gras onder donkere bomen, het Koningsplein…… Wij woonden in de Gang Scott

     

    Aan de Gang Scott stond ook in de 50-er jaren de Armeense Kerk, gebouwd door E, Chaulan, Deeleman & Co , begonnen in 1852 en opgeleverd in december 1854, vlak bij de hoek, gevormd door Koningslein-Zuid en Koningsplein-West. Dit gebouw werd in 1964 gesloopt.

     

     

    18-02-2008 om 15:27 geschreven door rene persijn


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dick Bos, de held uit mijn jeugd

    Dick Bos, de held uit mijn jeugd

     

    Toen we nog op de Vliegveldlaan 56 in Kemajoran (Batavia) woonden en ik op de CAS naar school ging (zie ook het artikel “Fietsend naar school” op deze weblog) was Dick Bos  mijn held.

    Dick Bos, de  hoofdfiguur in de stripboeken van Alfred Mazure ( 1914-1974).

    Hij was niet alleen fysiek behendig (beoefenaar van Oosterse vechtsporten), hij was ook heel slim en dat bleek uit zijn speurwerk, want hij was ook een intelligente  speurder, een bestrijder van de misdaad.

    Voor de figuur van Dick Bos in zijn wervelende acties stond de jiujitsubeoefenaar Maurice van Nieuwenhuizen (gestorven in 1998) model.

     

    Als ik weer wat geld had werd er weer een stripboek gekocht. Het geld  verkreeg ik  vaak  door de verkoop van lege flessen aan de ‘toekang botol’, de opkoper van lege flessen) of door voor mijn vader ( die ouderling was in de protestantse gemeente van de “Haantjeskerk”, zie ook het artikel “De Haantjeskerk” op deze weblog) de kerkbijdrage te innen bij kerkleden die in onze wijk woonden. Zakgeld kregen we niet, dus moest je wel op een inventieve wijze aan geld zien te komen. Was het niet voor een stripboek, dan wel om te ‘djadjan”( snoepen in de ruimste zin van het woord, van een snoepje tot een hele portie gado-gado met lontong of roedjak!).

     

    Had ik eenmaal besloten om het geld uit te geven aan een (voor mij ) nieuw boekje van Dick Bos, dan was  Pasar Baroe de aangewezen plaats om het geld in natura om te zetten. Soms ging ik op de fiets, maar ook vaak lopend. Het nadeel van lopen was wel dat je onderweg wel eens zou kunnen stilstaan  bij een stalletje met lekkernijen en je het geld al kwijt was voordat je op Pasar Baroe aankwam..Maar ja, soms moet je in het leven wel risico’s nemen en je kunt je ook wapenen tegen de verleidingen, ja toch?

    Als ik ging lopen, dan nam ik nadat ik de Vliegveldlaan en Marinelaan was uitgelopen bij Goenoeng Sari aangekomen de voetgangersbrug (door mij steevast “kippenbrug” genoemd) over het kanaal en liep dan langs Postweg-Noord richting Pasar Baroe, terwijl links van me het kanaal (Tjiliwoeng) liep met aan de overkant daarvan de Schoolweg-Noord.

    Aangekomen bij de Pasar Baroe-brug sloeg  ik dan rechtsaf de drukke winkelstraat van de Pasar Baroe in. Deze straat leidde  naar Krekot - Pintoe Besi.

    Bijna aan het einde van de winkelstraat aan de linkerkant was een markthal, waarin veel kraampjes stonden. Maar helemaal achterin de hal aan de linkerkant, daar moest ik zijn. Want daar had de stripboekenman zijn stalletje!

    Hij had stripboeken van De Moker, Tom Welsh, Bob Crack, Lex Brand en natuurlijk mijn favoriete stripboeken van Dick Bos. In die tijd kostten de nieuwe boekjes in de echte boekwinkel 50 cent per stuk, maar op de pasar kon je afdingen.  De wat oudere boekjes verkocht mijn ‘leverancier’ voor 10 of 20 cent, afhankelijk van de ouderdom van de boekjes..

    Ik keek tussen de boekjes of er nog waren die ik nog niet had of nog niet had gelezen, probeerde altijd nog te tawarren (afdingen), wat meestal wel lukte, betaalde de afgesproken prijs en ging tevreden weer naar huis, al mijmerend:  “Ik heb door het tawarren nog wat geld over. Dus vanavond een lekker portie roedjak kopen bij de ‘toekang roedjak’  en dan al smullend mijn nieuwe Dick Bos lezen”.

     

    Jongens, wat een leven. Ik leek wel een ‘toean besar’ ( grote heer).









    18-02-2008 om 10:10 geschreven door rene persijn




    Foto

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Gastenboek

    Druk op onderstaande knop om een berichtje achter te laten in mijn gastenboek


    Archief per maand
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008

    Blog als favoriet !

    Startpagina !



    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!