* Koud * van GEERTRUI DAEM


"Koud
, "-2001uitgeverij : The House of Books paperback, 224 blz
Onder de oppervlakte loert het gevaar.'
***
Deze debuutroman vertelt ons het opmerkelijke verhaal van een gefrusteerde Korea-veteraan,die officiële erkenning ontbeert en zijn rebellerende dochter.
Veel erkenning hebben de Korea-veteranen bij hun thuiskomst niet gekregen. Er blijft vooral bitterheid over. Voor een gewone soldaat die wel altijd in de voorste linies werd opgesteld, maar niet mocht mee-eten van de frietjes uit de officiersmess, was de oorlog geen plezierreisje naar een exotische bestemming.
Hij is streng voor zichzelf en de anderen, ook voor zijn dochter, en verantwoordt deze houding vanuit zijn rechtvaardigheidsgevoel en zogenaamde levenswijsheid (niets gaat vanzelf op deze wereld).
Hoewel, gelukkig waren er ook de bloedmooie meisjes van de lichte cavalerie. Daarom zal de vader altijd van de Koreaanse prostituees blijven dromen. Al jaren spaart hij zijn zakgeld om ooit eens naar Korea terug te keren. Nu zijn vrouw haar huwelijksplichten niet meer vervult, hoopt hij weldra te kunnen vertrekken.
Zij , de dochter, wil ontdekken, experimenteren, nieuwigheden beleven, en begrijpt maar moeilijk waarom ze daartoe de ruimte niet krijgt van haar vader, die immers zelf ondervond hoe teleurstellend zo'n ontdekkingstocht kan aflopen.
Haar buurvrouw stierf, haar klasgenote kreeg bloedkanker en haar lerares heeft zich verhangen. Zoveel dood kan een dertienjarige puber niet sereen verwerken. Ze rebelleert, gaat dromen van het hippiedom.
Echt zachtzinnig gaat het er niet aan toe in Koud.
Maar volgens Daem is dat de bittere realiteit van het gezinsleven in ons arm Vlaanderenland. Om dat te illustreren componeerde ze een duet tussen vader en dochter. Beiden zijn onhandige taalgebruikers.
Als ze zingen, klinkt het brutaal en vals, maar ook heel emotioneel en absoluut herkenbaar.
Vader en dochter zingen echter beiden solo, tot een echte confrontatie komt het niet. Eigenlijk lijkt het alsof Geertrui Daem twee theatermonologen heeft bedacht en die dan samen in één roman heeft geschoven. De monoloog van de vader is aangrijpend, ook al hadden we graag iets meer over zijn Korea-avontuur gelezen. Het verhaal van de dochter is te wispelturig om de lezer te bekoren. En van enige samenklank is er nergens sprake. Misschien had Daem beter twee novelles of twee theaterstukken geschreven.
De roman van Daem wekt de indruk er gewoon te zijn, er altijd geweest te zijn ook.Het zijn uitsneden uit het dagelijks leven, verbazingwekkend licht en luchtig van toonzetting, maar met een dramatische onderlaag.
'Blijf met uw smerige poten van mijn lijf! Ge peinst toch niet dat ik het achter uw gat nog eens ga herdoen, zeker? Zatlap, stompzinnige zatlap zei ze. Ik ben het beu! ’t Is mij verleet! '
Wie anders dan Geertrui Daem verstaat de kunst om dergelijke, oneerbiedige zinnen in een literair boek te verwerken.'Haar losse, bijna achteloze manier van vertellen geeft het prettige gevoel nauwelijks met verzonnen verhalen te maken te hebben, maar eerder met een soort natuurverschijnselen.
In haar verhalen heeft ze het bij voorkeur over mensen die meer van het leven verwachtten dan ze gekregen hebben.
Daem heeft een eigen en eigentijdse plaats ingenomen in de traditie van de sociale roman in Vlaanderen.
In dat spanningsveld, tussen conformisme en vernieuwing, tussen herkenbaarheid en vervreemding, hebben de verhalen van Geertrui Daem een heel bijzonder en boeiend evenwicht gevonden. Zij putten hun materiaal inderdaad uit de ervaringen van een jeugd in een wat geïsoleerd Vlaams dorp, maar juist dat kader en die uitgangssituatie zijn voor de schrijfster aanleiding geweest om veel fundamentelere menselijke en maatschappelijke kwesties uit te beelden, zonder zwaarwichtigheid of opdringerigheid.
Dat Geertrui Daem de gevaarlijke klippen van dat sentiment en van het pittoreske heeft kunnen vermijden, is grotendeels toe te schrijven aan de afwisseling van een scenische, inlevende verteltrant met kritisch-gedistantieerde interventies van de verteller, zonder dat die dan weer in een moraliserend engagement vervallen. En niet in de laatste plaats aan de levendigheid van haar stijl, die alle registers, tussen nuchtere rapportering en felle dramatiek moeiteloos beheerst.
Geertrui Daem:1952

Geertrui Daem
,is naast schrijfster en beeldend kunstenaar ook actrice en vertelster. Ze schrijft proza en theater.Daem debuteerde in 1992 met Boniface en schreef onder meer: De meisjeskamer, Een vader voor Elizabeth, Koud en Het Verdeelde Huis.
Daem wordt geboren in Aalst , op 29 april 1952 en groeit in de omgeving van die fabrieksstad op. Ze woont in een Denderleeuwse volkswijk met haar ouders en de drie andere kinderen van het gezin. Na haar middelbare studies, wil Daem graag naar de toneelschool, maar dat plan stuit op hevig verzet van haar vader en moeder. Als haar vader sterft, besluit ze het regentaat Nederlands-Engels-moraal te volgen aan de Rijksnormaalschool in Gent. Met dat diploma belandt Daem al snel in het onderwijs, maar de beknottende sfeer van de school staat haar tegen.
Ze laat haar dorp voor wat het is, verhuist naar Gent en in ´77 zegt ze ook het middelbaar onderwijs vaarwel. Vanuit haar ervaringen in het amateurtoneel besluit ze om beroepsactrice te worden.
Na een hele tijd als freelancester gewerkt te hebben, sticht Daem in 1986 haar eigen gezelschap „School voor Gekken".
Vooral haar bewerking van het magnus opus De Kapellekensbaan van streekgenoot Louis Paul Boon laat zich opmerken. Ander toneelwerk van haar hand, is de dialoog De meisjeskamer (1993) waarin de schrijfster zelf ook meespeelde en waarvoor ze de Paul de Montprijs ontvangt. Daarnaast moet ook Het moederskind (1995) vermeld worden. Voor dat stuk wordt Daem bekroond met de Taalunie Toneelprijs.
Ondertussen is ze ook als proza-auteur gedebuteerd met de verhalenbundel Boniface (1992). Dit late debuut - Daem is dan al tweeënveertig – wordt meteen bekroond met twee prijzen: de Boekenweek Debuutprijs (1993) en de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs (1994).
De schrijfster wordt over het algemeen erg gewaardeerd, wat mag blijken uit de nominatie voor de AKO-literatuurprijs voor haar tweede prozaboek Een vader voor Elisabeth (1994).
In 1996 verschijnt het vervolg op dit boek: Geboeid door de liefde (geen vader voor Elisabeth). Na nog een aantal verhalenbundels, waarvan Zotverliefd (1997) de bekendste is, publiceert Daem pas in 2001 haar eerste roman "Koud." Voorlopig blijft Geertrui Daem vooral een naam in Vlaanderen, al komt daar sinds de nominatie voor de Libris Literatuurprijs voor Koud verandering in.
Geertrui Daem krijgt de Louis Paul Boonprijs 2006. Die prijs gaat naar een kunstenaar die in zijn of haar werk "de binding met de mens" beklemtoont, zoals haar grote voorbeeld, schrijver Boon.
Daem krijgt de prijs onder meer voor haar strijd voor de Vlaamse, volkse taal. Haar binding met de mens uit zich in haar verhalen en boeken.
"Daem voert al jaren sterke, volkse personages op. Haar tragische personages worden met een soort zachte, burleske humor beschreven". Dat ze naast het schrijven, ook nog acteert, theater maakt, keramiek maakt, schildert en grafisch werk maakt, heeft zeker ook meegespeeld.
Bibliografie :
Boniface (1992)
- bekroond met de Debuut-prijs 1993 en de Lucy B. en C.W. van de Hoogtprijs 1994
De meisjeskamer (1993)
- bekroond met de Paul de Mont-prijs 1993 van de Provincie Oost-Vlaanderen
Een vader voor Elizabeth (1994)
-genomineerd voor de AKO-literatuurprijs 1995
Het moederskind (1995)
- Toneelprijs van de Nederlandse Taalunie 1997
Geboeid door liefde (geen vader voor Elizabeth) (1996)
Zotverliefd (1997)
Onrust der verwanten (1999)
Alle verhalen (2000)
Troetel (2000)
Koud (2001)
- genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs 2002
Rembert & Ayse, toneel,(2003)
Het Verdeelde Huis, roman,(2004)
Olympia, roman,(2006



































