|
. |
|
Tantje Appelsien wordt negentig.... |
Tantje werd gisteren negentig.
Ze was de middelste van de drie Mechelse dochters.
Het enige zoontje van grootmoeder werd toen hij vijf jaar was, doodgereden door de auto van meneer doktoor en dit in de tijd dat enkel meneer doktoor een auto had.
Zij, het ziekelijkste kindje, dat volgens meneer doktoor nooit ‘de tien’ zou halen, zij heeft uiteindelijk iedereen overleefd.
Het hangt er van af uit welke hoek ik ze bekijk, maar soms zie ik er mijn moeder in en meestal mijn grootmoeder.
Keihard heeft ze haar hele leven gewerkt, net zoals haar moeder en haar zussen, en net zoals hen ging ze ook maar tot haar twaalf jaar naar school en n
et zoals hen spreekt ze ook zonder moeite drie talen en rekent ze sneller uit het hoofd dan met een rekenmachine.
Hun winkels aan ’t Zeetje draaiden vele jaren lang op volle toeren en toen de tijd kwam om te rentenieren deed Tantje dat ook en ze genoot ervan met volle teugen.
Ze reisde daarna bijna de hele wereld af, ging elk jaar overwinteren in het zonnige zuiden en gaat nu nog steeds elke week ‘bollen’ en ‘petanquen’ hoewel ze nog amper kan zien of horen.
Haar stadje zorgt goed voor z’n gepensioneerden en ze wordt tegen een minimale prijs van hot naar her gevoerd met een taxi.
Ze kon er zich snel mee verzoenen dat ze ziekelijk, niet knap was en een beetje scheel zag.
Ze maakte kennis met een heerlijke, knappe, lieve, zachte man, onze nonkel Lewie.
Van hem kreeg ze een dochter en een zoon cadeau.
Wat ze het ergste in haar leven vond, waren haar zeer weinige, zeer dunbezaaide haren.
Door de jaren heen werden ze steeds minder en steeds dunner.
Voor de trouw van haar zoon zette ze voor de allereerste keer een pruik op.
Na een tijdje vloog de pruik in een hoek en zei ze : “ze mutte ma maar pakke zoeas ik zen en ander legge ze hun kop er maar neffe”.
(vert. ze moeten me maar nemen zoals ik ben en anders leggen ze hun hoofd er maar naast)
Gelukkig hadden haar beide kinderen het dikke haar van hun papa geërfd en niet het dun pierenverdriet van haar, dat stemde haar gelukkig.
Maar kom, een sterke vrouw zoals zij kon de wereld aan, zelfs met weinig haar.
Haar lieve man stierf tien dagen voor mijn vader.
Beide zusters weenden toen samen in elkaars armen emmers vol met tranen.
Het leven ging verder en sindsdien verzorgde de echtgenote van haar zoon, een kapster, de weinige frêle lokjes die haar hoofd nog omkransten.
Af en toe werd er een zacht permanentje ingedraaid en Tantje kon ermee leven.
Maar onlangs gebeurde er iets vreselijk, wereldschokkend voor Tantje.
Het trof haar nog erger dan haar steeds dronken vader, nog erger dan de moeder die haar kleding allemaal had weggeschonken toen ze toch nog levend uit het ziekenhuis terug kwam, nog erger dan haar dochter, die ondanks haar jeugd en haar schoonheid de alcoholische gen van haar grootvader had overgeërfd en er zeer jong aan overleden was.
Tante vroeg aan haar schoondochter om haar weinige haarpsprietjes mooi te maken voor haar negentigste verjaardag.
Wat haar schoondochter bezield heeft zal ze nooit begrijpen, maar toen ze thuis kwam viel de mond van haar goede vriendin open en die zei :
“maar wuk èn ze nu met uw haar gedaan, ge zijt precies è geplukte kiekn’ ??” (vriendin is afkomstig van Menen).
(vrije vertaling : maar wat hebben ze nu met uw haar gedaan, ge zijt precies een geplukte kip)
Dat was nu nèt iets teveel voor Tantje om op negentig jarige leeftijd te verteren.
Haar weinige, spaarse, dunne, haartjes waren gemassacreerd.
Ze stortte voor de eerste keer in haar leven in en liet meneer doktoor komen.
Toen die vroeg wat haar scheelde kon ze nog enkel wenend zeggen : “mijn haar, mijn haar”.
De dokter bekeek het kleine beetje wat overbleef en zei : “Mevrouw, diegene die u dit heeft aangedaan heeft een pik op u!”
Tantje was het volkomen met hem eens, maar voor de eerste keer in haar leven ondervond ze wat een depressie was.
Haar lieve vriendin verzorgde haar gebroken zieltje en haar kleinzoon bezocht haar zoveel hij kon om haar wat op te beuren.
Ondertussen had de verre familie, wijle dus, een mail ontvangen van haar enige nog in leven zijnde zoon, met de vraag om alle mail adressen over te maken.
Broer 1 belde me op en zei : “ hij heeft de mail adressen waarschijnlijk nodig omdat hij een feest voor zijn moedertje plant, Tantje wordt tenslotte negentig.”
Wij wisten toen nog helemaal niets van het drama dat zich aan onze Noordzee afspeelde.
Geduldig wachtten we de uitnodiging af, tot we 'ongeduldig' werden, want de datum van haar verjaardag naderde met de snelheid van een TGV.
Broer 1 nam het heft in handen en belde onze neef op en vroeg op de man af of er nu al of niet iets gepland was voor de 90ste verjaardagsfeest van zijn moederke, ons Tantje.
“Maar nee jong, hoe komt ge op dat idee? We verzamelen gewoon alle gegevens voor een eventuele begrafenis later!” : zei neef zonder blikken of blozen.
(dit is een veronderstelling van de auteur, want het voornoemde 'blikken of blozen' is niet zichtbaar door de telefoon).
“Moh vent toch…!” zou Will Tura in zo’n geval zeggen.
Broer en ik waren er het hart van in.
Indien niemand ons nog laatste in leven zijnde Tantje haar verjaardag zou vieren, hewèl dan zouden wij het doen, en alzo werd verder afgesproken.
Vermits Tantje enkel nog zware mannenstemmen kan horen via haar hoorapparaat, telefoneerde broer haar om mede te delen dat wij : zijnde hij en ik, met onze respectievelijke halve trouwboeken, van plan waren om op twee maart van het jaar des Heeren, haar negentigste verjaardag aldaar bij thuis te komen vieren.
’t Menske begon van geluk begot te wenen.
Zo zie je maar met hoe weinig je een oud mensje kan gelukkig maken.

Broer en zijn eega kwamen zondag, vanuit de lagere gelegen Ardennen in de Walen naar ons gereden, zodat we de volgende dag met z’n vieren in één auto ( ’t is crisis voor iedereen niewaar ! ) naar Tantje konden vertrekken.
Het logeerbed bij ons stond nog steeds gedekt, want de avond daarvoor had ventje er met Seppe geslapen en kleindochter had bij mij geslapen en tegen alle verwachtingen in : mij natgepist !!!
“Da kan al eens gebeuren hé nana’ke …” zei ze verontrust, waarop nana nat maar kalm antwoordde : “maar zeker schatteke” en zonder verpinken haar natte, wollen, matrasbeschermer van het bed nam.
Maandag ochtend, met de vlam in de pijp, geklemd tussen de oneindige vele vrachtwagens die de Vlaamsche Autoroutes berijden, bereikten wij het stadje waar heel Antverpia zich in de zomer naartoe begeeft.
Tantje, nog steeds haarloos, enfin - met nog her en der enkele piekjes, ontving ons ‘stralend’ in haar woonkamer.
Haar kleinzoon en haar beste vriendin waren aanwezig en de Champagne stond reeds koel tussen de hapjes op de tafel.
“Maa wà benne kik blaa da gaalle gekeume zaat” (vert. maar wat ben ik blij dat jullie gekomen zijt) zei Tantje in haar onvervalst Mechels, een dialect dat me onmiddellijk aan mijn moederkelief deed terugdenken en me een krop in mijn keel bezorgde.
Bijna zeventig jaar weg uit Mechelen en ze sprak nog steeds het dialect.
We werden uitzinnig geknuffeld en gekust en wij voelen alsof we weer door ons moederke zelf nog eens in de armen werden genomen.
Neem van mij aan : ‘Genen zijn nog dikker dan bloed !’
In een onverstaanbaar Menen’s - Vlaams zei de vriendin dat dit de eerste keer in weken was dat ze Tantje weer zag glimlachen. Haar depressie was doorbroken.
Ofte : “junder, giedder èn haar depressie doorbroken. ge kunt nie geloven oe slecht ze zich gevoeld è. ze is azo blij nu, i'ke è ze ol, al in weken nie meer azo gelukkig gezien.”
(vert. Jullie hebben haar depressie doorbroken, ge kunt niet geloven hoe slecht ze zicht gevoeld heeft. Ze is zo blij nu. Ik heb ze al in weken niet meer zo gelukkig gezien.)

Tantje had voor de gelegenheid zelfs een pruik gekocht en zette deze op .
Slechts één keer had ik ze daarvoor met een pruik gezien. Op het eerste huwelijk van diezelfde zoon die nu voor haar geen feest wou organiseren.
“Hij peizt zeker dade hij ton minder zal erven en hij is jaloers up wuk ze geeft an de kleinkinderen.” verklaarde de goede vriendin van Tantje.
(vert.: hij denkt zeker dat hij dan minder zal erven en hij is jaloers op wat ze geeft aan de kleinkinderen)
De champagne werd gedronken, foto’s werden genomen voor het nageslacht, hapjes werden gegeten en samen vertrokken we vervolgens richting Restaurant.
Tantje is verzot op al wat de zee verschaft.
Mijne Zilveren VEEL minder, maar gelukkig konden we kiezen à la carte.
Ik zat naast Tantje en omdat ik wist dat ze heel hardhorig was zette ik mijn mond bij elke zin heel dicht tegen haar oor, probeerde mijn stem zo zwaar mogelijk te maken (ze verstaat mannenstemmen beter dan vrouwenstemmen) en een redelijke conversatie onstond.
Op zeker ogenblik zei ze zelfs : “gaa mut zo nie ruupe zenne, dees oerapparaat hee me zeventachtig duuzend frank gekost ! “
(vert."ge moet zo niet roepen, dit hoorapparaat heeft me zeventachtig duizend frank gekost").
Omdat ik weet dat ze het graag heeft, hebben we de hele tijd over ‘vroeger’ gebabbeld.
Zij babbelde honderduit en ik luisterde.
Over ons zat haar lieve, glunderende kleinzoon, gewoon gelukkig omdat zijn grootmoeder zo gelukkig was.
“Ik zie dat ze er ongelooflijk van geniet” zei hij in perfect AN, want de jeugd spreekt geen dialect meer. “Als ze maar over vroeger kan praten is ze gelukkig!”.
Tantje keek met een lieve blik naar haar oudste kleinzoon en zei :
“wadden geluk dak nog zo’n lieve klaankinderen em. Maane zeun ee genoeg cente, haa wettet nog nitte maar ik gaa zoveul mogelaak aan de klaakinders achterlaaten, haa hej toch genoeg.”
(vert.: wat een geluk dat ik nog zo'n lieve kleinkinderen heb. Mijn zoon heeft genoeg geld, hij weet het nog niet, maar ik ga zoveel mogelijk aan de kleinkinderen achterlaten, hij heeft toch genoeg.)
Kan ik ze ongelijk geven?
Nee hoor….
Ik zou net hetzelfde doen!
Hopelijk wordt Tantje honderd jaar oud, haar meter is er honderd en twee geworden.
“Vanaf naa fiesten we elk jaar kinderen!” *zei ze nog ter afsluiting en ik hoop dat we inderdaad nog heel veel jaren mogen meefeesten.
*(vert. : vanaf nu feesten we elk jaar kinderen !" )
Het mensje kreeg dan nog de vreselijke naam cadeau van haar peter zoals het hier vroeger de gewoonte was : Alphons/Alphonsine, één van de weinige namen die bijna gratis mogen gewijzigd worden.
Schoonma kon het nooit onthouden en noemde haar steeds Tante Appelsien, wat natuurlijk is blijven hangen.
11 reacties op dit bericht
Hi Bojako
Welcome
to
Memory-lane
Fijne zondag
Liefs
van Petra
Cijfers zijn boeiend
P.S. Dank voor je gratis reclame voor mijn blog!
??????
trouwens, als ik een envelop bij die clown wil krijgen dan geef ik die toch gewoon aan DHL (die dan langs de route 66 de post op zes dagen tot bij hem brengt,tot op de zesde verdieping, en mij dan daarvoor zesenzestig euro aanrekent)
volgens mij zijn het meer zjesten dan wat anders.
hallo bojako
cijfertjes bedriegen
met cijfertjes heb je altijd prijs
met cijfertjes maak je iedereen allles wijs
------------
morgen een lentegedicht voor jou en de zilveren
------------
groetjes
..
...
*
..
verbeelding brengt je overal.
(A. Einstein)
knuffel en kus van Lipske
wat met de zeven dan?
Over die Oostenrijkse kwibus zullen we maar zwijgen zeker..niet goed voor de tikker....Je wil niet weten welke straf ik in mijn hoofd heb voor zo'n gasten!!!! Nog een zonnige dag Bojako en een warme knuffel.
*
Ik geloof zo niet in die cijfer theorie. Ik vraag mij af welk nut al die onderzoeken hebben. Er zijn nuttiger dingen om te onderzoeken, mijn gedacht.
Dikke kus
..