Een gedicht van E.J. Potgieter 1808-1875
Aan New-York (4)
4
Ei! stof niet dat gij nooit voor de aard Verloochend hebt, wie ge eertijds waart, Noch roep uw zuster van haar heuv'len; Laat Albany bij warme haard Van koetjes en van kalfjes keuv'len, En stell' zij, met verheugde geest Een toast in op 't Sint-Niclaas feest: „Voor Hollands Volk! — voor Hollands Koning!" Wij weig'ren de aangeboden schaal, Wij walgen van die eerbetoning, Van 't ledebraken onzer taal! Of ge eer uwe afkomst had vergeten, Dan slechts die hulde in zulk een uur! Onz' voorzaat strekt karikatuur Van wie bij u vernuften heten! Misdeeld van lijf, van geest beroofd, Zo schetst gij hen in iedre bondel: Hen, 't volk de harpe waard van Vondel, Hen, 't volk de veder waard van Hooft! Ik zoek vergeefs naar één gerechte, Van Irving af tot Willis toe, Die aan hun deugd zijn zegel hechte, Die Stuivesand geen onrecht doe, Die Evertsen een eerkrans vlechte!

|