Omdat het vandaag gedichten dag is
| Schreef ik er gisteren twee. Welk draagt jouw voorkeur weg ?
Het cynisme verlustigt zich aan de in polistyreen gefiguurzaagde schaduwen van enkele eenvoudige morele keuzes over een paar aangespoelde gringo’s die lusteloos langzaam en doelloos door de straat sloffen
Vroeger liet men ze paardenstront in kruiwagens scheppen maar nu is er voor onbemiddelden zelfs geen residu van een paard meer laat staan een warm geurende platgetreden paardendrol Stuntman mus is er aan uitgestorven
Getaande huid, intense ogen waarin men leest hoe je valt voor een lelijke vrouw zonder oprisping van geweld Zweet parelt zonder ambitie over hun voorhoofd
Harde mannen die tijd in stilte doden door Pepsi Cola en televisie reclame overspoeld Alleen hun hoofddoek kan hen nog redden dodenmaal
De reuk van licht geschroeid vlees uit een vacuüm vagevuur ontsnapt Een selder lookpoeder, foelie, komijn een gladde aal poseren samen voor dit avondmaal Op het meer van een romige soep vaart een vetring als een kleine sloep De oven bakt zich een gestoofd konijn waarvan de oren en de staart verdwenen zijn Het zoutvat en een iris op de tafel staren verongelijkt naar het wafel- ijzer dat als een open schelp gevuld met dooiers, room, melk en honing dampt van eerlijke heerlijkheid De gelukzaligheid van de maaltijd & Boven deze gedekte dis wordt getwist over de erfenis |
en omdat musje er meer wil hier komen ze dan
Cultuurschok van een tuinman
Perfect egaal gegoten bloemen
Strakke blik van de gelijnde nerven
Als letters in het blad
De planmatige vertaling
door de baanbrekers
die stampers al altijd zijn
voor het stuifmeel
De draagkracht van een blinde tuinmuur
De interne organisatie van ervaren varens
Alles leek in evenwicht
Met de strakke welving
Van haar uitverkoren bloes
Met het warme minimalisme
van haar babbelzucht
Dromen, bewegingen, ruimten
Hoe blind moet je zijn
Om te schrijven
In het eenzame donker
Van het licht
Om de blik te drinken
Uit je aangezicht
Hoe blind moet je zijn
Om je schaduw te voelen
En het komende gaan
Tussen twee liefdes
Twee zeldzame kussen
En de durende vlakte ertussen
Plekken vol verleden
In al je slaapvertrekken
Dwaal ik schuldig
Als afwezigen
Al ben ik nooit weggegaan
In al je namen
Lees ik mijn eenzaamheid
De moegevochten herinneringen
De poëzie van vraagtekens
Opvliegend van natuur
Met een brutale bek
Als een traag orgasme
Op je blote borsten
Kleeft mijn adem
Als ik terugkeer
Opengevouwen zuigeling
In uitbundig snikken
Jij mijn ongeschonden
Met je vlinderogen
Wonen in stilte van nachtblauw
En
het ergste is
Dat de deur steeds weer opengaat
Geen speld tussen jou
En mij toelaat
En de vruchtbare grond
Waar ik niet woon
En nog steeds verblijf
Wringt zich tussen
de herinnering
Lijf aan lijf
En
Ik hoor en ik zie
Maar weet nog steeds niet
Berokken ik jou, haar of mij
Het meeste verdriet
LANCELOET, DEN RIDDER LICHTMATROES
Lanceloet van Denemarken
’t kon ook Zweden zyn
wou nog wel eens en bloemekyn
in sinen warande parken
Ie en reed juste d’rom
Met harnas, peerd en grote trom
In ’t grote bos een weggelken alom
Zo doolde ie langs veler weghen
En kwamme ie daar een toverkolle tegen
“Ik bidde U scoonyt” zyd’ ie verlegen
Enne ook zo vlieend* als ie konde
“Ick* wetetwel het is een sonde
Maar
Waar
vinde ik hier in dezen gaard
een blommekyn nog wel gespaard
’t wese een blonde of een roste
maar ‘kwil er ene koste wat koste
En zekerlick ene seere soete
waarvan ik myn nu derven moete
waarvore ik van minne sterf
en mich die griese haren met Looreaal* en verf
Wys et mi . Gezegend zult ge wezen
Van Gottottinderewigheid
Sin name zy geprezen “
Toen sie dat hoorde was’t wuf verblyd
Ik sal oe lère vangottotindereewigehyd
Dachte die kolle vermalledyd
“Wel here” heeft dat wuf gezyd
“Tussen joen en mi en ons
gezegd ende nog wel gezwegen
Joen komt z’ hier igenlick overalle tegen”
Joen vraagt joen af hoedat bestond
sie veranderde sich terselfder stond
Metteen al in een leckker jong gezellich wuf
Lanceloet bedacht :”is’t bluf
Of hekserie tensal mi al gelicke wezen
E wuf is e wuf toch voor den dezen
Comt gi mare met u scone lif
Want gie en bevalt mi wel en stif
Eens op min edel ros gesprongen
Dan zullen wi int bos eens ping gaan pongen”
En ridder Lanceloet van Denemarken
Of ’t kan ook Zweden zijn geweest
Nog hemme of sin edel peerdebeest
Geen mens geen beeste geen plante heeft hen sindsdien
Van sin leven nog teruggezien.
Ie was nie dood en ie bleef ook nie leven
Maar ie hielde niemeer op metter van katoen te geven
Vangottotindereeuwighyd
Was hie daartoe vermalledyd
*Vlieend =vlijënd. De ¨dubbele punt bestond toen nog niet.
* “ Het aanhalingsteken was wel al uitgevonden !
*”Loreaal want gie zyde het waart” was toen een veel gehoorde spreuk in verband met haarkleuring
Voilà chère amie Mus ik hoop dat er nu " de quoi vous plaire " inzit en ge moogt nu nog eens kiezen.


