Teder - Anton van Wilderode


Teder
Teder de dag die nog niet wil beginnen,
een tentenkamp van tule en wit linnen
waarin de zon met vlokjes licht beweegt
gelijk een vis met niets dan zilvervinnen.
Anton van Wilderode


Teder
Teder de dag die nog niet wil beginnen,
een tentenkamp van tule en wit linnen
waarin de zon met vlokjes licht beweegt
gelijk een vis met niets dan zilvervinnen.
Anton van Wilderode
Eeuwigheid
Er zijn plekken
waar ik zonder glimlach
niet meer langs kan.
Ooit is daar een grap
verteld, een kus geroofd,
iets voor het eerst gedacht.
Ter hoogte van mijn oor,
bijvoorbeeld,
heb jij me op een nacht
beloofd dat eeuwigheid
een leugen is, maar dat het
daarom tussen ons niet
minder lang gaat duren.
Meer woorden waren er
niet nodig - een mond
spreekt van zichzelf al mooi
en huid heeft een geheugen.
Jij blijft mijn hals, mijn navel,
mijn holte van mijn knie
voor altijd bij.
Zonder glimlach kan ik
aan geen plek voorbij.
Bart Moeyaert
Uit: Verzamel de liefde
En lopend
door de stad
word ik het kind
dat hier
zijn weg eertijds
wedervindt
maar nooit
van toen,
de zomermiddaguren
met kopstootjes
van tóch
dezelfde wind.
Anton van Wilderode
uit: Een dag in de stad - Het sierlijk bestaan van steden
Huiselijke aubade
Nog
En nog
En nog
Ben jij mijn liefste.
Dag en nacht en dag
Ben jij mijn liefste
Tot vervelens toe.
Ik hoor je slapen, ik hoor
In de ochtend je slaap
Zijn ogen opendoen.
Licht loopt op kousenvoeten
Door de kamer, gaat
De trap af, dekt
De tafel met trage ovalen.
Gerinkel en koffie beklimmen
Het trapgat en roepen.
Ik slaap nog wat na
In je afdruk, zink weg
In je diepdruk, verdwijn
In die vormvaste leegte.
Ik slaap op de wijze van jou.
En het zingt in mijn slaap
En je zingt het mij na, ja
Nog en nog en nog
Ben jij mijn liefste
Tot vervelens toe.
En dag en nacht en dag
Ben jij mijn liefste.
(Leonard Nolens, Hart tegen hart)
Laat mij niet zeggen dat dit liefde is
geef mij maar zacht je kleine warme handen;
wij zullen dwalen door de schemerlanden,
waar dromen leven is.
Adriaan Roland Holst
Dag
Wil je dit nog voor me doen,
vòòr je weggaat en de straat vergeet:
zweren dat je toen je bij me was
alleen om bestwil hebt gelogen
en het verdriet dat ik heb helpen
drogen zo echt was als dat wat wij
hebben gedeeld, en zeg terloops
dat tijd de wonden heelt en
wil je wat ik vraag ook zweren
op het hoofd van iemand die je
dierbaar is, bijvoorbeeld mij?
Bart Moeyaert


Nu moeten wij aan veel meer traagheid wennen,
aan liefde die verdween en aan wat nog resteert
aan teerheid in wat najaarslucht en geur van dennen
en aan hoe-het-kon-zijn-gedachten die je nooit verleert.
Aan bijna-niets, en aan voortdurend 4 dezelfde muren
en aan een belsignaal dat nooit weerklinkt,
aan twintig keer per dag door ramen naar de verte turen
en aan altijd jezelf met wie je ’s avonds drinkt.
En wat ik overhou is niets om weg te geven:
wat ik nog ben, ben ik alleen voor mij.
Herman de Coninck


Schroeiplek
Niet huilen, maar schrijven,
om wat voorbij is.
Niet later, maar nu,
die tijd in verzen vangen.
De dingen niet dwingen,
maar schikken en zingen.
Niet zeggen: tijd heelt,
maar toeslaan en dichten.
Schrijven is pijn herverdelen,
in achterklap van rijm.
Niet ongeremd, niet ongerijmd,
maar wonend in woorden.
Doodgewoon wonend en wachtend
op licht in het gedicht.
Tijd wijst uit.
Tijd wist weg.
Joris Denoo


nevel is ‘t niet meer voorbijgaan
van iets moois dat al volbracht is.
nevel is gelukkig haast niet meer bestaan,
niet meer moeten
en nog even mogen.
je was lang gebleven.
nevel is even
daarna.
ik zie haast nog je ogen.
nevel is: nog bijna.
Herman de Coninck.
Een lang gedicht
‘Soms lees ik je snel, lijkt het wel
of ik je zelf geschreven heb.
Stapel ik je woord voor woord tot twee
kuiltjes in je wangen mij vangen.
Je ogen zijn twee strofen in mij
bekende én soms heel vreemde hiërogliefen,
maar kijk je me aan dan til je me op
en zijn we elk een vleugel van één vogel.
Soms moet ik je stapvoets lezen,
spellen letter voor letter, ben je bijna
uitgewist en begrijp ik niet wat ik keer
op keer weer lees. Maar dan geef je me
een hand en als een lichtreclame licht je op.
En altijd blijf jij refrein, warme
witregels die ik neurie door alle harde
woorden en koude stiltes heen.
Je bent een lang gedicht,
mag ik je aanhalingstekens zijn?’
Daniël Billiet
lieve Eva
ik weet niet waar gij zijt
behalve hier bij mij
in mijn hoofd
en in mijn hart dat blauw is van de kou
...
dag Eva
ik duim voor dromen die zo mooi zijn
dat ze eeuwig mogen duren
ik duim dat ge nu zijt waar het prachtig is
ergens hoog of ver
ik weet het niet
maar bij voorkeur alvast vele hemels boven de zevende
kusjes
Lou
Uit: "Vele hemels boven de zevende" - Griet Op de Beeck - blz.246 en 248
--------------
Gisteren liep ik over de straat en ik zag een vrouw op de fiets en ik was zeker - echt waar: zeker -
gedurende minstens vier seconden dat het Eva was.
Het zou niet mogen dat doodgaan ook betekent niet meer kunnen zien.
Wat ik haar zou zeggen als ik haar nog één keer in mijn atelier zou mogen hebben, vroeg een vriend mij, ik wist het niet.
Nu denk ik: ik zou haar gewoon eens heel goed vastpakken,
ik denk dat Eva op alle momenten van haar leven te weinig heel goed is vastgepakt.
Uit: "Vele hemels boven de zevende" - Griet Op de Beeck - blz.249
Siberië
Geef me je jas
van bont van teddyberen.
Leg je arm om me heen
en al je winterkleren.
Zoen me
tot ik warm word.
Zoen me
tot ik spin.
Trek je eigen huid dan uit,
stop mij eronder in.
Sus me met je hartslag:
wij ons wij ons wij ons.
Maak van dit veel te grote bed
een heel klein fort van dons.
Bart Moeyaert
Wat is echt?
De hand op je schouder.
Die je jaren later nog voelt.
De stem die je blijft horen,
ook al is de adem gestopt.
Wat is echt?
De warmte van een lichaam
dat naast je ligt. De ogen
die naar je kijken en zoeken
wat er in je hoofd gebeurt.
Die ogen.
Dat is echt.
Er is geen mooiere spiegel om
jezelf in te herkennen dan de
blik van wie je liefheeft.
Guillaume Van Der Stichele