Waarom


Waarom ?
Waarom zou ik naar een café gaan ,
Gezwets aanhoren , egotripperij ,
Terwijl hier op het tuintegelpad ,
De prachtigste mieren ronddribbelen ,
Ja , af en toe zelfs een rood fluweelmijtje .
C. buddingh
Waarom

Waarom ?
Waarom zou ik naar een café gaan ,
Gezwets aanhoren , egotripperij ,
Terwijl hier op het tuintegelpad ,
De prachtigste mieren ronddribbelen ,
Ja , af en toe zelfs een rood fluweelmijtje .
C. buddingh
treurwilg

Iets over lente en treurwilgen
C. buddingh
Treurwilgen zijn altijd het eerste groen.
Met sneeuwklokjes , crocussen en blauwe
Druifjes luiden zij de lente in , die opwindenste
Maar meest perfide van alle seizoenen .
Op zomer , herfst , winter , kun je staat maken .
Zomer : wasdom , oneindig firmament .
Herfst : vruchten zwellen , barsten open , vallen .
Winter : stereometrie van het skelet .
Maar lente loopt als water door je vingers .
Je denkt : “ ik sta er midden in” maar ze is
Er net nog niet . Of net al weer verwaaid .
Bloemblaadjes vlinderen door je bloed .Je swingt de ochtend in . Iemand zegt :” nou welterusten”.
Dan voel je je als treurwilg zelfs genaaid .
Voor de liefste onbekende

Ingmar Heytze
Wat ben ik blij dat ik je nog niet ken .
Ik dank de sterren en de maan
dat iedereen die komt en gaat
de diepste sporen achterlaat , behalve jij ,
dat jij mijn deuren , dicht of open ,
steeds voorbij gelopen bent .
Het is maar goed dat je me niet herkent .
Kussen onder straat lantaarns
en samen dwalen door de regen ,
wéér verliefd zijn , wéér verliezen ,
bijna sterven van verdriet –
dat hoeft nu allemaal nog niet .
Ik ben nog niet aan ons gehecht .
Ik kijk bepaald niet naar je uit .
Neem de tijd , als je dat wilt .
Wacht een maand , een jaar ,
de eeuwigheid en één seconde meer –
maar kom , voor ik mijn ogen sluit .
Een droom

Een droom William Blake
Slapend onder engelwacht ,
Droomd’ ik eens in stille nacht ,
Dat ik languit lag in ’t gras ,
Toen een mier zijn weg kwijt was .
Van de reis bekaf en stram ,
In de war en loom en lam
-want hoe lang al dwaald’ hij niet ?
-jammerde hij vol verdriet :
“Zijn mijn kindertjes beducht ?
Hoor je hoe je vader zucht ?
Kijken jullie uit misschien ,
Snikkend , of je mij kunt zien ?”
Zielig toch ! Ik liet een traan .
Maar daar kwam een glimworm aan ,
En die zei : “O welk geschrei !
Moet de nachtwacht er weer bij ?
Ik verlicht de buurt toch goed ,
Terwijl de tor z’n ronde doet .
Volg z’n gons maar , dat is pluis ,
En dan ben je zo weer thuis .”
Als je slaaptXXVIII Nic van Bruggen
Als je slaapt , lieve jij , zal ik luisteren
Naar je adem , en naar je kijken met mijn
Grootste stilte . Ik zal van mijn begeerte
Een vuur maken , met zachte vlammen zal ik
Je wekken en met mijn warmte een dag voor
Je openen van een eeuw . Langsheen bramen
En oude eiken , over ’t prinsenpad , zal ik
Je leiden naar de schuren van ons samenzijn .
Met stemmen van vogels zal ik de avond voor
Ons roepen , met je lijf elke hoop ontheiligen
En als je slaapt , lieve jij zal ik luisteren
Naar je adem . Een etmaal zal ik zijn .
Ik heb je lief

Thuiskomst Bernard Dewulf
Ik heb je lief , al kan ik het niet weten .
Ik bedenk het als je thuiskomt van een dag
in je leven . Maar het is geen gedachte .
Je streelt mijn wang en wie weet ,
dat gebaar . Het wordt duizend keer gemaakt
voor het bestaat . Hangt je jas aan de kapstok ,
iets van niets , maar morgen ontbreekt het
misschien . Of schudt de dag uit je haar .
Wat ik dan daarin zie , is het begin .
Het huis ontstaat , de tafel neemt plaats ,
Wij veroorzaken elkaar . Het is toch niet
denkbaar dat iemand dit alles verzint .
De liefde

Over de liefde Rudger Kopland
Het is dus gezien alle voorafgaande
Argumenten onmogelijk zonder de
Liefde te kennen de liefde te
Herkennen als het over de
Liefde gaat tenminste
Zijn wij zo verdomd voorzichtig
En toch nog zijn er altijd wel
Beesten die toekijken als je
Dan eindelijk in het gras
Ligt is het dus gezien de



Donker is het in mijn hart George Gordon Byron
Donker is het in mijn hart ,-
Stem de harp en streel mijn oren ;
Want ik wil , bij zoveel smart ,
Anders niet dan toonval horen .
Klinke uw speeltuig zacht en zoet !
Zo er dan in mijn gemoed
Nog één vonk van hoop mag blaken ,
O , gij zult die neer doen vloeien ,
Tot mijn pijn en leed vergaan .
Maar dat eerst uw melodie –
Wilt ge mij niet troostloos laten –
Droef en stroef en somber zij ,
O , geen vrolijk lied zou baten !
Wenen wil ik in mijn smart ,
Harpnaar ! anders breekt mijn ’t hart ;
Lang verdriet verteert mijn krachten ,
Zorg en slapeloze nachten
Ondermijnen mij sinds lang,-
Kom en klinke uwe snarenklang !
Laat mij ’t hart op eenmaal breken ,
Of mijn trage tranen leken ,
En ‘k hersteld zijn door uw zang .
Ode aan de merel
Ode aan de merel C.Buddingh
het zelfde andersHet zelfde anders J Bernlef 1988
In het vruchtvlees van het vergeten
Rust de pit van de herinnering
Een harde kern die eenmaal zelf
Op het dode punt in aarde teruggevallen
Ongeweten al het vergetene naar
Boven roept totdat opnieuw
Wortel geschoten , tak vertakt
Het blad zich aarzelend openvouwt
Waarop hetzelfde anders staat geschreven .

Cinque Anna Achmatova
Autant que toi ,il te sera fidéle
Et constant jusques à la mort . Baudelaire
Als vanachter een wolk staan mij
Jouw woorden en spreekwijze bij .
En de mijne hebben jou nacht
Feller licht dan de dag gebracht .
Zo , ontrukt aan het aards bestaan ,
Zijn wij hoog , als sterren , gegaan ,
Hebben wanhoop noch schaamte gekend ,
Die noch dat , noch enig moment .
Maar mijn roep wordt door jou gehoord
Die de droom noch de dood behoord
En de deur op een kier liet staan –
‘k Ben te zwak om hen dicht te slaan .
Einde maart ...

De kinimatopuk c.buddingh
Als maart zijn staart roert en april
Wenkt met zijn witte hoed ,
Dan krijgt de kinimatopuk
de kriebels in zijn bloed .
Vier maanden lang was hij gedoemd
Tot doffe hibernatie ,
Maar nu daagt weer een blij seizoen
Van re_en procreatie .
Zo valt in ieders aards bestaan
Wel een een muf hiaat ,
Zo’n tijd dat lijkt of het geluk
Jou deur steeds overslaat .
Maar als je maar blijft denken aan
Het Grieks beleg van Troje ,
Moet je , als de kinimatopuk
(en wens jezelf daarmee geluk !)
Het leven kunnen rooien .
Vrouwenliefde .

Vrouwenliefde Adelbert von Chamisso
Sinds ik hem gezien heb ,weet ik niet waarheen ;
Waar mijn blikken waren zie ik hem alleen .
Of ik wakend droomde , zweeft zijn beeld mij voor ,
Uit de donker straalt het met te heller gloor .
Zonder dat is alles kleurloos als weleer ,
Naar der zustren spelen taalt mijn hart niet meer .
‘k Zoek een eenzaam plekje waar ik zit en ween
Sinds ik hem gezien heb zie ik hem alleen
een aardig ventje .

Een aardig ventje J. Van Lennep
Daar ging eens een ventje al over de straat ,
En hij droeg op zijn borst een ruiker .
Hij had er een hoedje van chocolade ,
En zijn haar was gespoten suiker .
En zijn wangen die waren van appelmoes ,
Zijn lippen morellen , zijn neus een soes ,
Elke tand een pepermuntje .
Zijn ogen sukaden , in ijs gevat .
O ! wat een aardig ventje was dat ,
O ! wat een aardig ventje .
Wel kinderen ! was ‘t niet de pijne waard,
Dat ventje eens op te zoeken ?
Zijn hals was een abrikozentaart ,
Zijn armen twee deventerkoeken .
En halletjes waren zijn handjes zo fraai ,
En hij liep op twee benen van taai , taai .
Voorzeker ik wed om een centje ,
Je mocht er om lopen door dorp of stad ,
Nooit zag je zo’n aardig ventje als dat ,
Nooit zag je zo’n aardig ventje .
Hij wandelde voort op zijn dooie gemak ,
Al met zijn bijzondere gratie :
Hij droeg een rokje van wafelgebak ,
Met knopen van speculaas .
Zijn schoenen die waren van witte drop ,
En er blonken zwarte knoopjes op ,
En elke knoop was een krentje .
‘k Wou , ik zijn adres maar geweten had .
Want nooit zag ik ’n aardiger ventje dan dat ,
Neen , nooit zag ik ’n aardiger ventje .
De kranige koekenman .

De kranige koekenman tante lize
Er was eens een bakker , hij hete Jan Klaas ,
Die bakte veel poppen van broos speculaas ;
En toen , nu zijn oven eens open stond
Wipte één van de poppen vlug op de grond
En sprong in de winkel en riep tot de baas :
“Zeg , pak ‘m als je kunt nu , meneer speculaas .
Loop , loop , oude jongen , zo hard als je kan ;
Nooit , nooit vang je een kranige koekenman !”
De bakker werd boos en hij liep als een haas .
Zijn vrouw liep hem na en hun kleine Jan-klaas ,
De poes roept ‘miauw’ en de hond ‘waf , waf !’
En zo galoppeerden ze voort op een draf .
En de zwart bonte koe en het oude paard
Ijlden weg uit de stal in een dolle vaart .
En zo renden ze voort onder veel geraas
Achter ’t vluchtende ventje van speculaas ,
Dat lachte en riep luid :”loop zo hart als je kan …
Nooit , nooit ,vang je een kranige koekenman .”
Toen kwam er een wolf uit het dichtst van ’t bos
En snelde op de pochende vluchteling los ,
En hapte pardoes , zo maar één , twee , drie ,
Een verbazend stuk uit zijn linkerknie .
Toen greep hij op eenmaal zijn rechterbeen
En slokte dat in , plus zijn kleine teen .
En de rest volgde spoedig , en nimmermeer
Zag Jan Klaas zijn kranige koekenman weer .
Moeder

Ik ken een vrouw , een brave vrouw;
Ze is altijd om me heen:
Ze is vrolijk als ik vrolijk ben,
En treurig als ik ween.
Ze zorgt; ze slaaft; ze werkt; ze zwoegt;
En rust soms dag noch nacht ;
Ze geeft me al wat ik nodig heb;
Ze schud mijn bedje zacht.
Het eerste kusje geeft ze mij
Vroeg in de morgenstond;
De laatste zoen die ’s avonds krijg,
Drukt ze mij op de mond.
En ben ik ziek , dan zie ik wel
In ieder oog een traan,
En haar, trouw zorgend, vroeg en laat
Vlak bij mijn bedje staan.
Wie kent die vrouw, die lieve vrouw,
Die mij zo teer bemint?
Dat is mijn allerbeste Moe ,
En ik, ik ben haar kind!

Ik ben … Jhon Clare
Ik ben ; maar wat , wie die het vraagt , of weet ?
Verloren heugnis , ként geen vriend mij meer .
Ik ben de alleen verbruiker van mijn leed .
’t Verrijst , ’t verdwijnt , een dwaalzieke schaduw-hier ,
In liefde en doods vergetelheid teloor.
En toch , ik ben , en leef in schimmen door ,
In ’t niets geslingerd van rumoer en smaad ,
De branding in van schijngedroom bij dag ,
Waar noch gevoel van zijn , noch vreugd bestaat ,
Maar schipbreuk leed àl wat ik ’t liefste zag ;
En zelfs het dierste – wat ik ‘t meest en ’t best
Liefhad – vreemd is , ja vreemder dan de rest .
Ik haak naar landen waar geen man ooit liep ,
Geen vrouw ooit heeft geglimlacht of geschreid :
Om daar met God te wonen die mij schiep ,
Te slapen , zacht , als in mijn kindertijd :
Waar ik neerlig , niet gestoord , niet storend zelf ,
Onder mij ’t gras – omhoog het lucht – gewelf .
eee
Wanneer je een beetje anders bent, 


Het verstandige kind K.W.Bilderdijk
Eens viel Jan ,door wilt te lopen
Op een grote steenklomp neer :
Hoe bloedde Jantjes hoofdje ,
En wat deed zijn knietje zeer !
Gauw kwam Willem aangelopen ,
En hij hielp hem spoedig op ;
“daar ,daar,(riep hij )is een stokje ,
Geef die stoute steen een klop”.
Kleine Willem wist niet beter ,
Daarom deed hij zo verkeerd :
Want , met langs de straat te spelen
Had hij niets dan kwaad geleerd .
“Foei ! dat ik zo dwaas zou wezen”,
Zei de zoete , brave Jan :
“Immers weet ik , lieve Willem ,
Dat die steen ’t niet helpen kan .
En zo hij al schuld kon hebben ,
Weet je niet wat vader zegt ?
Kwaad met kwaad te willen lonen ,
Is ondeugend ; ja is slecht !
Neen , ik zal voortaan in ’t lopen
Liever meer voorzichtig zijn ,
En , daar dit mijn eigen schuld is ,
Ook niet klagen over pijn”.
Het kinderlijk geluk.

Het kinderlijk geluk Heromynus van Alphen
Ik ben een kind ,
Van God bemind ,
En tot geluk geschapen .
Zijn liefde is groot ;
‘k Heb speelgoed , kleed’ren , melk en brood ,
Een wieg om in te slapen .
Ik leef gerust ;
Ik leer met lust ;
Ik weet nog van geen zorgen .
Van ’t spelen moe ,
Sluit ik mijn oogjes ’s avonds toe ,
En slaap tot aan de morgen .
1 reactie op dit bericht
waarom