Weer vijf dagen later
Ik schrijf dit op 16.03.12, een dag van nationale rouw, een dag van 1 minuut stilte om 11 uur, een dag van lenteweer.
Overal gaan de gesprekken over Sierre. Ontzettend wat een wonde deze kinderen nalaten in een gemeenschap. Iemand kent een oma die haar kleindochter verliest in het busongeluk, iemand anders was goed bevriend met, ik luister naar het verhaal van mijn dochter…Naast het meeleven met de ouders, broertjes en zusjes, oma’s en opa’s gaat het ook over ons eigen ervaring van rouwen. Verhalen worden elkaar meegedeeld die wellicht anders niet aan bod zouden komen. Hoeveel leven dat nog zoveel toekomst had is niet plots afgesloten door ziekte, ongeluk, zelfdoding.
Ik voel me vol opstandigheid stromen. Kinderen zouden niet mogen sterven. Ik kan het niet horen dat er ergens een god te voorschijn gehaald wordt, die liefheeft, rechtvaardig is, die zijn ‘lievelingen’ bij zich roept. Wie durft zo’n woorden uit te spreken? Dit zijn de godsbeelden die ik als kind aangeboden kreeg. Het was zo onverzoenbaar met elkaar. Enerzijds die reus van een vader die huilde toen het zusje van een paar maanden oud stierf, anderzijds het bidprentje met: God gaf het ons, God nam het ons, Gods name zij geprezen. Waarschijnlijk zullen ze in de kerkelijke diensten nu wel andere woorden gebruiken, maar het Onze Vader en daarin ‘uw wil geschiede blijft’ overeind. Toen mijn eerste man begraven werd trof me dat als een bliksem. Wat … Gods wil dat hij naar het water ging en twee kinderen zomaar achterliet? Hoe zou ik zo’n woorden kunnen uitspreken bij de dood van mijn zoon? Ik wil die woorden niet meer horen, het is een belasteren van de mens.
Ik zou willen schreeuwen, die hemel van goden, engelen en heiligen naar beneden halen en ter verantwoording roepen: waar was je toen het onmogelijke gebeurde? Als beperkte moeder zou ik een kind dat hulp vraagt helpen, waarom die almachtige god niet? Welke smoes moet die god verzinnen om te durven zeggen dat hij het beste met me voor heeft? Ik wil niet meer in zijn aandacht staan, ik kan het even goed zonder een god in de hemel, ik verkies een medemens hier op aarde.
Ik trek naar buiten, de lente in. De rabarber is weer gegroeid. Maar ik ben te opstandig om ervan te genieten, ik zou willen dat alles stopt met groeien, dat de tijd blijft stilstaan.
Maar de tijd blijft niet stilstaan, de rabarber kan niet anders dan de eigen wetmatigheid van groeien volgen. Ik neem een foto. Mooi toch hoe die stengels zich ontplooien, tegen alle natuurverschijnselen van kou en regen in. Mijn opstandigheid zakt weg, ik verzoen me met de lente, het groeien … er zal een morgen komen.




