Weer vijf dagen later ...
26 maart
De lente blijft zich doorzetten, de rabarber groeit bijna uur na uur. Ik heb aan mijn dochter nog wat affiches van het danscentrum gevraagd. ‘k Wil daar collages mee maken en proberen daarmee mijn emotionele betrokkenheid met de getroffen kinderen van Sierre en hun familie wat af te sluiten. Voor hen begint nu de lange periode van stilte, niet kunnen wennen aan de lege plaats. Proberen wat gebeurde een plaats te geven in het leven is zo gemakkelijk uitgesproken, maar hoe doe je dat in die concrete uren van dag na dag? Je moet het leven weer opnemen, d.w.z. dagelijkse handelingen verrichten van eten maken, naar het werk gaan, het huis poetsen … maar ook de kamer opruimen van zoon of dochter die zomaar heenging, dierbare spulletjes waaraan zoveel herinneringen kleven wegbergen, wellicht tekeningen en teksten ontdekken die de beginnende puber voor zichzelf getekend of geschreven had. Proberen ook aandacht te geven aan de andere kinderen … en moe zijn, ontzettend moe. Elk ademhalen is een opdracht, elk woord een onmogelijke taak. Alleen één schreeuw blijft: die dierbare naam die nu als in je lijf is gebrand.
En dan is het nog lente, met overvloedige zon, kinderen die nu buiten spelen. Waarom kan het leven voortgaan alsof er niets gebeurde? Toch merk ik overal planten die uitbotten, bloem vormen. Het bruin en donkergroen van de winter wordt doorsneden door fris groen en het prachtige geel van de forsythia.
Ondanks dat schrijnende gevoel van deernis om die vele concrete mensen die verder moeten met hun gemis kan ik niet anders dan me laten meenemen door al die aankondigingen van vernieuwd leven.
Voor de kinderen die men niet ziet staan
hij komt ’s middags eten
haastig
zijn aandacht nog op het werk
moeder schept zijn bord vol
ook het mijne
jongetje van net boven de tafel
ik hoor ze praten
schuifelende zinnen heen en weer
’t is lekker
‘t heeft gesmaakt
opstaan
jas aan trekken
moeder zoenen
hij vertrekt
ziet me niet staan
pa kijk ook naar mij
slik ik in
jaloers op mijn moeder
had ik ook maar borsten
dan zou hij me wel zien
knuffelen
liefste vriendje zijn
jaren van aandacht vragen
onmogelijke zoon zijn
na het werk
te moe om te reageren
op mijn
pa kijk toch naar mij
zo sterft hij
vreemden voor elkaar
hoe meer verantwoordelijkheden ik op me neem
om te bewijzen dat ik het ook alleen aan kan
hoe meer in mij
het jongetje blijft zeuren
pa kijk toch naar mij
Weerwoord


Wanneer ik, na een heerlijke dag in Mechelen, thuiskom kijk ik nog even mijn e-mails na. Plots treft me een tekst als een slag in mijn gezicht. Ik geef de tekst hier integraal weer. Sommige zinnen zijn door mij rood opgelicht, want daar wil ik het over hebben.
Stilstaan bij verdriet en troost 17 maart 2012
Mark Van de Voorde –
Ze hadden een mooie sneeuwvakantie gehad, die scholiertjes uit Heverlee en Lommel. Met een rugzak vol wasgoed en een hoofd vol mooie herinneringen waren ze op de bus gestapt, huiswaarts. Maar in een tunnel in het Zwitserse Sierre ging het fout. 28 mensen, onder wie 22 kinderen, zullen het nooit meer kunnen vertellen... Ze overleefden het busongeval niet. Het is moeilijk om dat lijden te begrijpen. Je kunt het nog minder uitleggen. Het leed confronteert ons met onze onmacht tegenover het toeval. Sommigen spreken van noodlot, alsof zo’n ongeval in de sterren stond geschreven. Zoiets staat niet in de sterren geschreven. Nog minder is God er de opdrachtgever van. Toch vragen sommigen: Waarom laat God dit toe? God laat dit niet toe. Het gebeurt, omdat de aarde de aarde is en niet de hemel. Gods almacht heeft hier geen vat op. Zijn almacht is geen almacht van bestuur en orde, machtige controle. Gods almacht is een almacht van liefde en troost, machteloze nabijheid. Dat de families en de vrienden zich verlaten voelen, is normaal en terecht. Ook verlaten door God. Het enige wat wij kunnen doen is, vanuit de schreeuw die ook Christus slaakte: "Waarom hebt Gij Mij verlaten", bidden dat God hen nabij mag komen en... wij zijn nabijheid mogen tonen in onze raakbaarheid, nu de maakbaarheid faalt. Machteloze nabijheid is de taak van de Kerk.
De media vragen en de mensen willen een verklaring van het ongeval (als ze al geen schuldigen zoeken). Maar verklaringen, hoe noodzakelijk ook, kunnen niet troosten. Schuldigen nemen het leed niet weg.
Nodig vooral is de solidariteit van luisteren, zwijgen, bijstaan en bidden. Omdat je zo’n leed nooit te gronde kunt verklaren, is stilstaan soms beter dan zoeken. Bidden is zwijgen met woorden. Oorzaken - technische of menselijke - zijn geen verklaring maar een uitleg. Mensen hebben op zo’n moment niets aan uitleg, wel veel aan nabijheid.
De nabijheid kent vele vormen. Allereerst de menselijke nabijheid van de omgeving. In een wereld van snelle communicatie en globalisering is de omgeving ook het hele land en Europa. En dat zagen we meteen: de troostende nabijheid was zowel ter plekke, in de media als op facebook.
Er is ook behoefte aan praktische nabijheid (de vliegtuigen van het leger die de ouders naar Zwitserland vlogen), aan medische nabijheid (de hulpteams bij de slachtoffers en bij de ouders) en aan psychologische nabijheid (de slachtofferbejegening bij de families en in de scholen).
Sommigen vragen of de Kerk nog een rol speelt bij zoveel gespecialiseerde hulp. Meer dan ooit, denk ik. De duizenden mensen die deelnamen aan de gebedsvieringen in Leuven en Lommel hebben getoond dat de gespecialiseerde hulpverlening van psychologie en bejegening alsnog niet volstaat om de menselijke nabijheid af te ronden.
Meer dan ooit speelt de Kerk haar eigen rol in het rouwproces. Ook zuiverder dan ooit kan ze die opnemen. Lange tijd deed de Kerk tevens waar vandaag psychologen en traumabegeleiders voor zorgen. Dat hoeft vandaag niet meer, en dat is ook goed.
Priesters en pastores zijn geen professionele therapeuten van de geest en kenners van de psyche, ze zijn herders van de ziel en behoeders van de menselijkheid. Door van de niet-spirituele taken bevrijd te zijn, kunnen ze nu volop Kerk zijn: tijd organiseren voor rouw en troost, ruimte openstellen voor stilte en gebed, de helende raakbaarheid plaatsen tegenover de falende maakbaarheid.
Zelfs een zogenaamd geseculariseerde samenleving raakt niet uit haar shock zonder spirituele nabijheid van machteloosheid en rituele nabijheid van troost, die een minuut stilte in de kamers van het parlement en op de perrons van de stations niet vermag te bezorgen.
Men zegt dat we leven in een postchristelijke cultuur. Het zal wel waar zijn. Even waar is dat onze samenleving het secularisme achter zich heeft gelaten. Dat bleek al vaker bij groot verdriet: de talloze bloemen en kaarsen bij de hekken van de plaatsen van het verdriet tonen een samenleving op zoek naar rituelen die het secularisme niet kan bezorgen.
Als het verdriet het grootst is en de verklaring het kleinst, komen de christelijke rituelen terug in die zogenaamd postchristelijke samenleving. "Naar wie anders zouden we gaan, Heer", verzucht dan het volk met Petrus.
Mark Van de Voorde is onafhankelijk publicist en gewezen raadgever van de Belgische politici Herman Van Rompuy, Yves Leterme en van Steven Vanackere.
…………………………………..
Ik begrijp dat mensen proberen de catastrofe en het afschuwelijke lijden dat dit teweeg brengt, in woorden om te zetten. Ik kan begrijpen dat gelovige mensen dit op hun manier doen, ik probeer dat ruimte te geven in mijn wereld. Maar dat ze het troosten durven voorop te stellen als alleen in de kerk aanwezig, dat gaat me te ver. Zeker als ik er het volgend zinnetje bijvoeg van een man die ons dit bericht stuurde:
De twee begrafenissen gezien van de slachtoffertjes van de busramp in Zwitserland?
Wel de viering georganiseerd door SP-a-er Vanvelthoven: koud, zielloos, zoals alle begrafenissen onder loge-beleid. Hoe warm en ontroerend daar tegenover de kerkelijke begrafenis in Leuven voor 1200 gelovigen binnen en evenveel buiten.
Als ik de zin lees: Het gebeurt, omdat de aarde de aarde is en niet de hemel. Gods almacht heeft hier geen vat op, dan breekt me de klomp. Ik ben geen theoloog, maar als gewone vrouw wil ik toch de woorden verstaan die tot bedoeling hebben gekwetste mensen te troosten. Hier wordt met twee maten en gewichten gemeten. Wanneer het God zowat uitkomt, dringt hij de aardse werkelijkheid binnen om zich kenbaar te maken, om wonderen en mirakels te doen. Waarom tussenkomen bij ziekte en niet die kinderen redden? Welke vader durft zich rechtvaardig te noemen als hij sommige van zijn kinderen bevoorrecht en andere links laat liggen?
En dan komt het uit de weg ruimen van de andersdenkenden aan bod: … wij zijn nabijheid mogen tonen in onze raakbaarheid, nu de maakbaarheid faalt.
De maakbaarheid van de mens wordt aan de goddelozen toegeschreven. De maakbaarheid van de mens is een levensopvatting, die hier ongenuanceerd te berde gebracht wordt en als een sneer richting tegenstander gezonden: eerst hun God beveiligen door hem geen aardse tussenkomst toe te kennen, dan triomfantelijk de beperktheid van de maakbaarheid van de mens van tafel vegen, alsof die levensopvatting ooit pretendeerde zo’n ramp te kunnen voorkomen. Wat dit verwoorden wel gestand doet als kerkelijk fenomeen: ‘nabijheid tonen in onze raakbaarheid’, net of niet-kerkelijken niet geraakt worden door dit menselijke drama, net of niet-kerkelijken niet nabij kunnen zijn.
Het claimen van de menselijke troost gaat verder: spirituele nabijheid van machteloosheid en rituele nabijheid van troost. Is het alleen de kerkelijke mensen gegeven om machteloos te zijn? Kan alleen de kerk troostvolle rituelen aanbieden? Even waar is dat onze samenleving het secularisme achter zich heeft gelaten. Dat bleek al vaker bij groot verdriet: de talloze bloemen en kaarsen bij de hekken van de plaatsen van het verdriet tonen een samenleving op zoek naar rituelen die het secularisme niet kan bezorgen. Het leggen van bloemen, knuffels, kaarsen, brieven … zou een kerkelijk ritueel zijn? Kan het ook niet een heel spontaan ritueel zijn dat overal waar drama’s plaats vinden gerealiseerd wordt, ook in communistische en andere seculiere landen, zonder dat ook maar één kerkelijke hand de regie op zich genomen heeft? Als het verdriet het grootst is en de verklaring het kleinst, komen de christelijke rituelen terug in die zogenaamd postchristelijke samenleving.
Zal ik eens beschrijven hoe ik deelgenomen heb in die zogenaamde postchristelijke samenleving. Het gaat uiteraard over Heverlee, terwijl ik me helemaal niet meer verbonden voel met deze triomferende kerk van ’wij hebben het beste aanbod’.
Toen bekend raakte dat kinderen van de dansschool van heel dichtbij betrokken waren bij dit ongeluk, werd in de dansschool een tafel vrijgemaakt: drie kaarsen met daar rond dozen met de naam van de getroffen kinderen. Daar konden teksten, tekeningen, knuffels… in gedeponeerd worden. Elke les begon met in een cirkel plaats te nemen rond een kaars: iedereen kreeg kans om zijn ervaren te verwoorden. In bovenstaande tekst zal dit waarschijnlijk opgenomen worden onder de afdeling ‘gespecialiseerde hulpverlening’ die niet voldoende was, enz.…. Natuurlijk is zo’n ritueel moment geen hocus pocus oplossing voor het trauma dat zijn intrede doet in een groep die zopas een mede-dansertje verloor, of een broertje van een mededanser betreurde, of een papa, of mededansertjes gekwetst in de kliniek wist liggen. Het was alleen een moment om even ruimte te geven voor het drama, om duidelijk te stellen dat dit gebeuren aan bod mag komen, nu en later.
Ik hoor van mijn dochter hoe de eerste dagen na het ongeluk mama’s wenend binnenkomen, iedereen kent wel iemand van ver of nabij die betrokken is dit ongeluk. Eigen verdriet en gemis kan aan bod komen. Iedereen praat met iedereen. Een gevoel van warmte, begrip, solidariteit ontstaat. Nochtans hier is geen kerkgezonden man of vrouw langs gekomen: medemens-zijn was voldoende.
Dan komt de lichtwake. De lichtwake was een project van parochie en stadsbestuur samen, om al de groepen waarin de overleden kinderen betrokken waren kans te geven vorm te geven aan hun beleven. De vraag werd niet gesteld of die groepen al dan niet van katholieke huize waren. Mijn deelname las je al enkele dagen terug. Nu wil ik er wat aan toevoegen, dat ik toen niet gepast vond om aan de orde te stellen, maar me, na bovenstaande tekst, toch van het hart moet.
De lichtwake begint. De fakkels worden door de verschillende groepen aangedragen. Ineens zie ik de deken van Leuven in de ruimte tussen de twee fakkelrijen lopen. Waarom moet hij zo zichtbaar zijn? In mij komt de vraag op: wat komt die hier doen, zo duidelijk voor de camera’s zichtbaar, het was toch een neutrale viering? Later verschijnt hij als eerste op de pui van het stadhuis. Hij leidt de wake in. We hebben … enz. voor katholieken en niet-katholieken. Er vlamt woede in mij: de niet-katholieken mogen, door de ruimhartigheid van de katholieken, er ook bij zijn. Daarna de woorden van de brief van de kinderen van het vierde leerjaar. Heel oprecht, heel mooi. Maar waarom moet de deken die brief voorlezen? Was er echt geen ‘neutraal’ iemand die bekwaam genoeg was om deze woorden voor te lezen? Was dit Godsvrede om de twee machten die tegenover elkaar staan op dit plein te verzoenen?
‘s Anderendaags worden de kinderen begraven. Mijn dochter heeft de dienst gevolgd en reageert in de zin van: wellicht hebben gelovige mensen daar iets aan, maar ik wil zo’n begrafenis niet. Een andere aanwezige die een generatie jonger en niet-kerkelijk opgevoed, is verontwaardigd over wat de kerkelijke teksten durven verwoorden. Wel is het aangrijpend om de witte kistjes naast elkaar te zien staan, de solidariteit werkt vertroostend, de woorden van ouders en familie of betrokkenen zijn heel oprecht.
Dit maar om een antwoord te geven over de ‘almacht’ van het kerkelijk ritueel. En mocht het daarbij blijven, maar waarom moeten de rituelen van de ‘tegenstanders’ afgemaakt worden? Stel dat iemand die dit drama moet doorleven zo’n tekst leest, hoe moet die dit ondergaan ‘…de viering georganiseerd door SP-a-er Vanvelthoven: koud, zielloos, zoals alle begrafenissen onder loge-beleid. Je zal maar in Lommel wonen en dit ritueel als troostend ervaren hebben.
Ik weet niet hoe begrafenissen onder ‘logebeleid’ uitgevoerd worden. Wel heb ik al niet kerkelijke plechtigheden meegemaakt die diepmenselijk waren.
Als ik naar een afscheidsritueel ga doe ik dat omdat ik solidair wil zijn met de rouwenden, ook als dit ritueel een kerkelijk ritueel is. Ik weet dat er dan zal gezongen worden ‘niemand sterft voor zichzelf, iedereen leeft en sterft voor God onze heer’. Ook het Onze Vader zal gebeden worden. Woorden die in mijn beleven zo onmenselijk klinken, me niet kunnen troosten. Ik weet dat wie het leven aanvangt, dit ook moet beëindigen. Maar afscheid nemen van een kind, een broer of zus, een ouder die zo vroeg gaat, daar kan ik alleen om huilen. Daar hoeven geen woorden van troost, omdat elk woord dan een leugen is. Je kan aanwezig zijn en de pijn van afscheid nemen alleen maar respecteren, er ruimte voor laten. Daarom dat ik het klokkengelui bij de lichtwake zo grijpend vond: de woorden voorbij, alleen fysieke aanwezigheid van dit diepe, warme geluid. Maar dat de kerk dit klokkengeluid niet claimt: wij hebben daarvoor betaald, het zijn onze klokken, ook van niet-kerkelijken.
Weerzien in Mechelen


Ik schrijf dit verslag op 24 maart: de dag na de samenkomst. Omdat er enkele blogs nog liggen wachten op verschijnen, lees je deze blog zowat een week later: de gemiddelde wachttijd. Ik zou dit niet vermelden, maar als ik het over ‘weer vijf dagen later’ heb, gaat het over de rabarber een week vroeger en mijn bedenkingen erbij..
Rond half elf zagen we mekaar terug in Mechelen: twee oudere vrouwen, niet opgetut maar met een hart licht van blijdschap om elkaar weer te zien na twee maanden.
Het weer is prachtig. Toch nemen we de bus naar de Grote markt: we zijn onze leeftijd wat comfort verschuldigd. De straatjes in Mechelen zijn smal, meestal eenrichtingsverkeer. Veel mensen op straat. Heel druk. De Grote Markt ligt er vol zon bij. We zoeken een terrasje uit waar we volop kunnen genieten van licht en warmte. We wachten niet tot de bestelde koffie geserveerd wordt om onze verhalen heen en weer te laten gaan. Natuurlijk de kinderen, natuurlijk de busramp, natuurlijk … het ene onderwerp brengt het andere mee.
Na de koffie zoeken we een restaurantje. Nu gaan we binnen zitten: teveel zon ineens is ook niet aan te raden.
Het ‘vroegere’, de schooljaren, komen nauwelijks aan bod. Blijkbaar kreeg dat de eerste keer voldoende aandacht. Wel blijken we een gelijkaardige levensbeschouwing te hebben. Het katholieke inspireert ons niet meer. Niet iedereen blijkt dat te appreciëren: de heilige kaartenhuisjes van de kerk zijn blijkbaar nog altijd onaantastbaar. Het gekke is dat, als wij gekwetst worden door uitspraken van de kerk, we zo weinig weerwoord kunnen geven, er wordt niet eens geluisterd. Wanneer wij vermoeden iemand gekwetst te hebben door onze opvattingen gaan we ons verontschuldigen. Zo ook racistisch getinte opmerkingen. We hebben beiden gekleurde adoptiekinderen. In je gezicht zullen er geen crue uitspraken gedaan worden, maar de koude rillingen kruipen over mijn rug als het in een groep over gekleurde medemensen gaat, zonder dat men weet heeft van die kinderen.
Na het eten gaan we nog wat bijzonnen op een bankje op de Grote Markt. Een schoolklas schetst de gebouwen rond de markt. Ik kijk even rond. Een jongen doet het prachtig. Wellicht zal hij in die richting een weg mogen zoeken. Het is genieten in de zon: tijd zat, goed gezelschap en mensen rondom die vrolijk zijn.
We besluiten terug te keren naar het station en daar nog iets te drinken … maar het buffet is gesloten. Dus nemen we de trein maar naar huis. Het is mooi geweest. Op de perrons zwaaien we nog eens naar elkaar voor we in de trein stappen.
Veldritkunst
Ann Wauters exposeert in Tremelo in Huize De Veuster. ‘Veldritkunst’. Veldrijders uit Tremelo (Sven Nijs, Niels Albert en Vincent Baestaens) worden door haar in enkele lijnen geportretteerd. Ik weet niet hoe ik de werken moet benoemen: in enkele lijnen schetst ze het onderwerp, toch zijn het geen karikaturen, ze gebruikt kleur om haar tekening meer kracht te geven en met die soberheid van materiaal (lijn en kleur) legt ze de beleving vast van vb. de overwinning. Wat haar in mijn ogen zo ‘groots’ maakt: getroffen door CVS is ze rechts verlamd, zit ze al jaren in een rolstoel en heeft ze zich links leren behelpen en tekenen. In deze tentoonstellingsruimte heeft ze tekeningen samen gebracht rond renners. Mannen die mobiel zijn, die overwinningen behalen … terwijl ze zelf vastzit aan haar rolstoel … en je wordt blij als je haar werken ziet. Het is alsof een kinderlijke verrukking je meevoert naar de sportwereld.
De opening was een leuke bedoening. Niels Albert en Vincent Baestaens waren aanwezig: twee grote, pezige jongens uit het Hageland. Met zo’n lijf rij je dus naar de overwinning.
We waren ook met enkele mensen van ‘Gesigneerd’. In een aansluitende ruimte hingen enkele werken van Kumbe.
Je kan de werken gaan bezichtigen van 23/03 tot 1/04/2012 in de polyvalente zaal van Huize De Veuster , P. Damiaanstraat 33b te 3120 Tremelo, van 14 tot 18 uur.
De lichtwake II


Het is muisstil geworden. De fakkeldragers hebben hun plaats ingenomen. Een tekst wordt voorgelezen van een klas van het vierde leerjaar uit een andere school in Heverlee. Heel mooi verwoord. Even wordt uitgelegd wat er gaat gebeuren. Dan wordt de grote klok geluid gedurende drie kwartier, zolang de wake duurt.
De ouders komen op de pui van het stadhuis staan. Eén voor één worden de foto’s van de overleden kinderen van de rouwkamer in het stadhuis naar de Sint-Pieterskerk gebracht. De familie volgt de foto: ze begeleiden hun kinderen, hun man naar de plaats waar morgen de rouwdienst zal plaats vinden. De vele lichtjes maken de zwaarte wat adembaar. De ouders vertrekken daarna vergezeld van de fakkeldragers. Het dranghekken wordt opengesteld en de aanwezigen kunnen hun kaarsje voor de ingang van de kerk neerzetten: vele kleine lichtjes tegen de donkerte van de avond. Ondanks dat er een massa volk een kaarsje wil neerzetten is er geen gedrum. Alles verloopt sereen, niemand heeft haast: de tijd staat even stil.
Ik draai me terug richting groep en ontdek K., haar kinderen dansen ook in het danscentrum. Ze katapulteert me naar de tijd van Arne op de lagere school: ze waren onafscheidelijk. Ineens breekt mijn weerstand, we omarmen elkaar. Door mijn tranen heen probeer ik te zeggen dat haar zien ook Arne oproept. Ze stelt me voor aan haar man. We praten wat over Arne en ‘toen’. Hoe ook zij nog moet denken aan die prachtige jaren samen met Arne. Ik ontdek een volwassen vrouw, erg begaan, meelevend. Het is troostend even met haar te kunnen praten.
Daarna ga ik op zoek naar de groep. Wanneer ik Aike zie kan ik mijn tranen niet meer tegen houden. We huilen in mekaars armen. Mooi hoe degenen die haar omringen zich even terugtrekken om ons de kans te geven even de intimiteit van moeder en dochter te kunnen beleven.
Daarna in omgekeerde richting terug naar de dansschool. De kinderen lopen er nu wat opgewekter bij, de ouderen blijven stil. Straten door, ook de doorploegde straten, ring over, het danscentrum binnen. Carlo warmt chocomelk op. Iemand maakt de pakken met wafels open. Blijkbaar heeft iedereen toch trek. Mooi, hoe een groep bij elkaar warmte kan vinden door samen iets heel eenvoudigs te doen als een wafel eten of een beker chocomelk te drinken.
Ik neem afscheid van Aike en Carlo. Voor hen is het nog een weg te gaan: morgen de afscheidsdienst in de kerk en zaterdag de uitvaartdienst van meester Frank. Ik hoop dat ze nog genoeg draagkracht hebben want beiden zijn doodmoe.
De lichtwake I
Woensdag wordt in Leuven centrum een lichtwake gehouden voor de kinderen uit Heverlee. Bedoeling is dat een niet-kerkelijke afscheidsviering aangeboden wordt voor de verschillende jeugdverenigingen en groepen waarin de overleden kinderen actief waren. De groepen worden gevraagd een delegatie te sturen voor de fakkeltocht.
Het danscentrum organiseert een gedenktocht vanuit het danscentrum naar Leuven. Politie en gemeenschapswachten zullen begeleiden.
|
Uitschrijven / Gegevens wijzigen
Powered door YMLP
Tegen vier uur parkeer ik mijn wagen aan het danscentrum, goed op tijd, maar ik wil nog een boodschap doen in de omgeving. Nog iets eten en daarna zal het ongeveer tijd zijn om te vertrekken.
Het weer is prachtig. Ik kan er moeilijk blij om zijn, er zit zoveel triestheid in mij. Ook bij de begrafenis van Arne, bijna dag op dag 13 jaren terug, was er een stralende zon. Kinderen kan je toch niet begraven bij zoveel prachtig licht. Het verwijst naar lente, leven, toekomst. Maar ook bij somber weer begraaf je geen kinderen. Kinderen hebben recht op leven. Deze kinderen reden naar huis maar ontmoeten de dood.
Wanneer het sein gegeven word om te vertrekken zijn we met een honderdtal. Het is een gemengd gezelschap. De jongste is waarschijnlijk een tandenwisselend meisje. Nee, een jongetje lijkt me jonger. Met mijn bijna zeventig zal ik zal wel de oudste zijn. Er zijn dansers (jongens en meisjes), docenten, mama’s, papa’s. Iedereen heeft een bloem opgespeld, in het haar gestoken, in de rugzak gestopt … ontroerend hoe die slungels van pubers die ik soms vol overgave zie street-dancen, nu verstild samen wandelen met een bloem in hun hand.
Men stapt flink door … of is het omdat ik ouder wordt dat ik het ritme als ‘snel’ ervaar. De politie leidt ons, eens de ring overgestoken, langs binnenstraatjes waar nauwelijks auto’s komen. We komen langs de achterkant van een gebouw waar ik nog gewerkt heb. Een straat ligt opengebroken voor rioleringswerken. Ik heb moeite om het ritme te volgen op die hobbelige straat. Plots moet ik denken aan de dodenmarsen in Duitsland naar het einde van de oorlog toe: wie niet kon volgen werd afgemaakt.
Wanneer we vanuit de Parijsstraat rechtsaf willen naar het centrum moeten we even wachten: een scoutsgroep trekt voor ons dezelfde richting uit. Op de Grote markt aangekomen sluiten we ons aan bij de mensen die al staan te wachten. We krijgen een theelichtje aangeboden, dat zal straks aangestoken worden bij de wake.
Aike vertrekt met enkele dansers en docenten naar de achterkant van de kerk voor de deelname van het danscentrum aan de fakkeltocht. Televisiemensen maken opnamen, nemen interviews af. Ook mij wordt gevraagd waarom ik deelneem aan deze wake. Ik formuleer mijn medeleven met de betrokkenen maar ook mijn protest tegen de kinderen die omkomen door geweld in de wereld. Dat zal een half uur later al uitgezonden worden in het zevenuur journaal van de VRT.
De Grote Markt in Leuven is wel een speciale plaats. Rechts van mij het stadhuis, links de grote Sint-Pieterskerk, daartussen 20 meter? Kerk en Staat die hun machten tegen elkaar op ontplooien. Ik kijk uit op een ander speciaal gebouw: tot voor enkele jaren was daarin de Nationale bank gevestigd. Ik heb nooit zo goed ervaren als nu hoe die ‘machten’ een systeem opbouwden waarin je als individu als het ware verdwijnt, letterlijk. Waren die overdonderende gebouwen echt nodig om ‘functioneel’ te zijn? Nu kost het onderhoud van die gebouwen meer dan de meesten lief is. Moeten we die ‘culturele’ erfenis of liever die machtserfenis blijven meezeulen? Natuurlijk bombardeer je geen gotisch gebouw naar de bliksem … maar moeten alle megalomane gebouwen blijven voortbestaan?
Dan verschijnen de fakkeldragers en –draagsters, vooral de scouts zijn vertegenwoordigd. Even voel ik een rilling langs mijn rug lopen … ik denk aan die andere fakkeltochten van zeventig, tachtig jaren terug, die wilden macht veroveren. Hier wil dat licht dierbaren herdenken, onmacht uitdrukken.
Stilte daalt over het plein, de wake zal zo dadelijk beginnen.
Weer vijf dagen later
De morgen legt zich stralend over de velden. Vogels maken luidruchtig hun opwachting. Het gaat een lentedag worden vol licht, leven, openheid, uitkijken naar morgen … Niets kan het groeien tegenhouden.
Ondertussen vermeldt het nieuws dat de voorbereidingen klaar zijn voor de begrafenis van de Lommelse kinderen.
Net of een immense droefheid om me heen hangt. Niet alleen het drama van de Lommelse kinderen, de kinderen van Heverlee, de begeleidende volwassenen raken me, beelden van Beslan, Vietnam, Afrika, Bopal, Gaza, Irak, Toulouse … het is een eindeloze litanie van geweld waarin kinderen verdwijnen omdat ze toevallig op de verkeerde plaats staan. We hoeven het nieuws maar op te zetten of de beelden stromen zo maar onze leefwereld binnen. Ik wen er niet aan, maar wellicht went niemand eraan, probeer je je alleen maar af te schermen voor zo’n realiteit om niet in totale wanhoop te vervallen.
Dan zie ik de rabarber dag na dag groeien. Rabarber is een dankbare plant om de groei op te volgen. Je kan bijna fysiek meevoelen hoe hij uit de aarde kruipt, zijn kwetsbare bladeren ontplooit en dan stap voor stap groot en sterk wordt. Alleen, dit jaar heb ik het bijzonder moeilijk. Vragen stellen helpt niet, maar toch, waarom mag zo’n stomme plant wel groeien en terwijl zoveel kinderen omkomen door geweld, door iets dat niet hoeft, dat alleen voortspruit uit een dolgedraaid hoofd van iemand die overtuigd is dat hij het grote gelijk of een god aan zijn kant heeft?
Hoe kunnen we als mensheid hoopvol verder leven als we beseffen dat er zoveel verdriet en stilte in mensenharten leeft omdat gerouwd wordt om gevolgen van beslissingen die elders worden genomen, ver weg van de krijgsverrichtingen. Ik ben naïef: waarom die vechtersbazen niet naar een arena sturen en ze daar hun ‘grote gelijk’ laten verdedigen tot de dood toe? Ze mogen nadien postuum gedecoreerd worden om hun dapperheid. Terwijl de gevechten plaatsvinden becommentarieerd door radio en televisie (als sportwedstrijden, zijn sportevenementen geen plaatsvervangende oorlogvoering?) kunnen dan elders in alle ernst de problemen die er zijn door woorden opgelost worden: sluit de onderhandelaars op met een gevangenisregime en maak een schouw waar witte rook door kan als de oplossing er is.
Ik weet het, zo simpel ligt het niet. Moet ik er me dan bij neerleggen dat kinderen zo maar uit dit leven weggeschoten worden? Tot mijn laatste verfstreep zal ik mijn ‘neen’ uitschreeuwen, rouwen, twijfel toelaten, proberen de moed te vinden om in woorden tegen het ‘er is niets aan te doen’ in te gaan, ook al word je daar soms door geïsoleerd. Ik kan niet verder leven ’alsof er niets gebeurt’ en me nestelen in onze welvaartsmaatschappij. Elke mens is een medemens, ook al ontstaan in het samenleven wrijvingen, problemen. Maar laten we er dan over ‘praten’ …

