Jakob Smits


Een deel van het Jakob Smitsmuseum is voorbehouden aan de werken van de kunstenaar waar dit museum naar vernoemd werd. Het museum zelf is een oude pastorie. Steeds meer van die oude pastorieën worden in gebruik genomen voor culturele activiteiten. Meestal is er voldoende ruimte om een mooie tentoonstellingsruimte van te maken.
Ik ben niet speciaal idolaat van Jakob Smits. Toch moet ik toegeven dat er een werk in het museum voor Moderne kunsten in Brussel van hem, me veel opener doet staan voor het werk van deze van oorsprong Nederlandse kunstenaar: ‘De vader van de veroordeelde’. Daarin portretteert hij een man ten voeten uit. Ik heb nog nooit een man zo verslagen op een stoel weten zitten. Ik heb dat werk nu al verschillende keren kunnen zien en nog grijpt het me aan.
Maar die Nederlandse jonge man (° 1855) was zelf zo idolaat van het Kempische landschap, dat hij zich in 1888, op 33-jarige leeftijd in het Molse gehucht Achterbos komt vestigen. Hij kent geen gemakkelijk leven, maar zowel in de getuigenissen over hem als in zijn werken toont hij een toegenegenheid naar ‘de kleine man’ die erg ontroert.
Dat vind je in dit kleine museum terug. Er zijn enkele grotere weken te zien met zijn specifieke manier van schilderen: heel pasteus met dat getemperde wit maar door contrastwerking ontstaat er als het ware een soort lichtinval. Daarnaast zijn er ook heel wat kleinere tekeningen te zien. Hij is gegrepen door het wel en wee van de mensen rondom hem, het is alsof hij die mensen door zijn werk een stem wil geven.
Het museum toont ook brieven die Jakob Smits zelf schreef, vb. beginnend met ‘Cher Monsieur De Clercq’ maar ook een uittreksel uit een krant of tijdschrift waarin iemand een I.M. schreef na zijn dood. Daarin wordt hij dank gezegd om het medeleven van de ‘meester’ met de armen. Jakob Smits schilderde of tekende niet alleen de concrete mens in zijn Kempisch milieu, hij engageerde zich ook om het lot van de mensen te verbeteren. Vaak laat hij een Christusfiguur een dorps- of gezinstafereel binnentreden. Voor hem moet dat een heel doorleefde religieuze beleving vorm geven. Die Christusfiguur als een vorm van hoop (met die speciale witte kleur die straalt).
Tot ik voor een kleine tekening kom: ‘De veroordeling van de stroper’. Drie rechters onderaan die een veroordeling uitspreken. Achter een barrière staat links de veroordeelde omringd door rijkswachters en daarnaast wellicht zijn vrouw en andere familieleden.
In die tijd werd recht gesproken in het Frans, boven de hoofden van die dorpelingen die een of ander dialect brouwden. Zouden die rechters ‘verstaan’ hebben wat die dorpelingen te vertellen hadden, waren ze in staat in een verstaanbaar ‘Vlaams’ de verdachten uitleg te geven van wat er gebeurde? Waarschijnlijk niet. Maar de haas die de stroper gevangen had en die de baron toekwam, was voldoende bewijs. Dat die man bij het maal van de armoede eens wat vlees wou … ach wat … het wild was van de baron en daarmee was alles gezegd.
Ik voel me intens triest en opstandig worden. Naast die ‘chère monsieur …’ komt het drama van de Vlaams sprekende mens die niet ter zake doet, die verdwijnt tussen de eigendomsplooien van de Frans sprekende elite. De aanwezige familie van de beschuldigde leeft in angst voor de gevolgen: wie zal de monden voeden die achter blijven als hij de gevangenis indraait?
Maar recht is geschied: de baron krijgt zijn geleden schade vergoed. Dat was ook arm Vlaanderen: mensen waarover recht werd gesproken in een vreemde taal zonder vertaling.











