Het boek
Dit onderwerp houdt me reeds lang bezig: de invloed van woorden op het kinderlijk (menselijk) brein. Bij het schilderen komen herinneringen aanzetten, al van in de kleuterklas. Zolang de wereld van thuis en school samenvalt, stelt het kind nauwelijks iets in vraag, uitzonderingen niet te na gesproken. Ik werd echt klaargestoomd voor ‘braaf zijn’, ‘goed tussen de lijntjes kleuren’, ‘flink rechtop zitten en handen op de rug’. Stilaan ontwikkelden zich vage gevoelens van onbehagen. Waarom waren er rijke en arme kinderen, waarom mochten sommige kinderen op straat spelen terwijl ik dat niet mocht? Waarom mocht ik niet naar binnen kijken als de deur van het ‘volkshuis’ open stond en we er voorbij kwamen?
Toen ik dan ‘op pensionaat’ ging, bleek de chaos voor mij te groot geworden. Alles leek me daar zo benepen: op ritme van de bel opstaan, de kapel ingedreven worden, bidden, eten, studeren. De dienstbaarheid van de vrouw werd met het Magnificat in ons strot geduwd. Wij waren ‘beter’ opgevoed dan die werkmanskinderen met hun boerse manieren. Alles overspoelde me en ik kon geen richting vinden in het aanbod. Wat kregen we in die tijd van literatuur? Karl May stond ook op de plank in de klasbibliotheek en boeken over meisjes die voortdurend poffertjes naar binnen werkte. Ik wist niet wat poffertjes waren, maar het leek wel iets waar gans Nederland zich aan vol wrat. Zo bereidden ze jonge mensen voor op het beroep van onderwijzeres, met een boekenaanbod beneden alle peil. Later is dat wellicht verbeterd, maar nu nog voel ik me kwaad om de verspilde tijd. Waarom kregen we niks te horen over de voorbije oorlog terwijl die onze ouders en daardoor ons, de tweede generatie, tekende? Ondertussen bleven de Joden Jezus kruisigen en mochten we niet op de hostie bijten of we begingen een doodzonde en kregen een mond vol bloed. En o wee als je seksuele gevoelens ontdekte. We werden opgevoed tot zuivere aseksuele meisjes en vrouwen.
Gelukkig waren er nog de vriendinnen voor op een kleine speelplaats waar we dagelijks ons portie verse lucht mochten scheppen. Maar eens in de studiezaal kwam er een informele postbedeling tot stand. Stiekem werden briefjes doorgegeven. Grote verklaringen zullen daarin niet afgelegd zijn, maar het feit dat je zoiets kon doorgeven was een daad van vrijheid, van protest.
Daar heb ik ook leren schrijven. Ik hield een dagboek bij, geen opvallend, zodat het mooi tussen de rest van mijn andere schriften stak en bij bankcontrole geen aandacht trok.
Toch waren die nonnen overtuigd dat ze ons het beste gaven wat ze konden aanbieden: zichzelf in naam van hun god. Magnificat weet je wel.
Om van die vroege indoctrinatie los te komen moet je risico nemen en het eigen psychisch behaaglijk voelen doorbreken. Een levenswerk als je mij vraagt
Leren lezen en schrijven betekent een revolutie voor een kind. Het opgroeiende kind, de opgroeiende jongere kunnen informatie verkrijgen via het (leer)boek en nu vooral via internet. Omgevingsfactoren bepalen vaak het aanbod van informatie, daarom de octopus die a.h.w. het bewustzijn omklemt.
















