Naar de inhoud

Lut De Rudder

akke.beakke.be

Een dagboek

Ik blijf even hangen bij mijn dagboek van toen. Blad na blad schreef ik vol. Ach, geen geweldige gebeurtenissen. Het leven op internaat was tot en met gereglementeerd: met de bel gewekt en met de bel het bed in. Daartussen voortdurend belsignalen voor de les, de studie, toiletbezoek en vooral de kerk. We leken wel honden van Pavlov. Als je dan bedenkt dat we nog in een uniform werden gestoken bleef er van een ‘eigen’ beleven weinig over. Toch maakten we plezier, deelden we ons triestig zijn, hadden onze geheime opmerkingen over de begeleidende opvoedsters. Achteraf bedenk ik: wat een hondenstiel hadden die vrouwen. Ik denk niet dat ze veel vreugde beleefden aan die vervelende pubers: ze mochten geen affectieve relaties aangaan (alle liefde behoorde de Heer toe), voor seksualiteit waren geen woorden dus bestond dit niet eens en altijd, met de bel in de hand, zorgen dat alles volgens de regels werd uitgevoerd.

 

Het ‘schrift’ gebruik ik als achtergrond. De uitsparingen verwijzen naar de bladen van het dagboek: datgene wat niet uitgeschreven werd, waar jaren van leven voor nodig waren om tot bewustzijn te komen. Maar we hebben het met zijn allen overleefd, sommigen wat beter dan de anderen. Maar zeggen dat de jeugd de beste jaren van het leven zijn … vergeet dat maar, in elk geval niet voor mij.

Een ander schrift uitproberen

Lijnen naast elkaar voelen eerder ernstig, formeel aan. Ik wil iets vrolijker uit proberen. Ik zet een soort ‘rond’ schrift op papier. Ik voel me terug puber worden. Op kostschool hield ik een dagboek bij, waarin ik een tijdje in geheim schrift het wel en wee van de dagen liet passeren. Lang hield ik het niet vol, liever gaf ik me over aan ontboezemingen in de gewone taal. Ik zeg altijd dat ik door dat puberaal dagboek me schriftelijk heb leren uiten. Die kostschool heeft toch nog positieve resultaten gehad.

Op weg naar mijn eindwerk

Dit jaar maak ik mijn eindwerk voor tekenen, en dat is best spannend. Niet dat het me plots overvalt: al maanden bereid ik me er op voor en laat ik het in mij groeien. Het thema weet ik reeds lang: ik wil iets rond ‘brieven’ doen. Een brief als geschreven tekst. Letters. Grafische tekens. ‘k Heb daar al rond gewerkt. De brief als mededeling. Kan een boek ook als een vorm van brief beschouwd worden? Als je het inhoudelijke even terzijde laat: hoe ‘verschijnt’ een brief, een boek aan je blikveld? Kan je ook zonder zorgvuldig geschreven woorden nog iets meedelen? Wat wil ik in een soort briefvorm op papier zetten? In welke grafische techniek zal ik het vorm geven?

 

Ideeën overrompelen mij, straks kom ik adem en tijd tekort.

 

Laat ik maar beginnen bij het begin. Een brief is een blad, gevuld met lettertekens: het kan gaan van een vlug geschreven kattebelletje tot een zeer formele brief. Dus neem ik een groot vel tekenpapier en teken met Oost-Indische inkt lijnen. Kan het eenvoudiger? Ik denk er weinig bij na, beleef alleen plezier aan zorgvuldig de ene lijn naast de andere te tekenen, een blad vol.

 

Ik ben gestart. Oef! Moeilijk was het niet, gewoon durven gaan en het ene idee uit het andere laten volgen. Wellicht dat die teken-brieven zichzelf een weg zullen uitzoeken en ik gewoon maar moet volgen, bereidwillig achter de tekentafel met pen en papier binnen handbereik.

Kalligrafische gedichten

Enkele gedichten van Karel Sergen, hebben enkele kunstenaars omgezet in kalligrafie. Gelukkig zat het weer mee en konden enkele werken buiten staan, in de kleine tuin, waardoor ze dubbel tot taal kwamen.

   

Bij deze Kalligrafie werd een collage gemaakt.

   

Dan word je stil.

Krachtige kalligrafische taal.

   

Feest van letters.

Jozef Constant

De schilderijen die Jozef Constant hier laat zien zijn vooral getekend door afwezigheid, afwezigheid van mensen, op enkele schilderijen na en daar zien we dan mensen die ons de rug toekeren, die elders met hun aandacht vertoeven.

 

    De gebouwen staan er, maar geen teken van leven, geen papiertje, niets dat mensen verraadt.

De ruimten, zowel binnen als buiten blijven ruimten die alleen blijven met zichzelf, leeg en onvoldaan. Ze dragen de sfeer van gevangenschap.

   

Voor het venster in deze ruimte staan tralies: geen ontsnappen mogelijk.

Dan tref je een mens: moedeloos heeft hij zich afgewend, zijn gezicht gekeerd naar een raam dat dichtgespijkerd is.

    Een landschap alsof bevroren in het geheugen van wie weg is. Geen stem zal hier roepen op thuiskomst.

   

In een kleine bijgang hangen mooie portretten, als bevestiging dat Jozef Constant wel weet met de concrete mens om te gaan.

    In een sobere maar gevoelige lijn legt hij de wereld van die man vast.

Pollie Gregoor

Pollie Gregoor hoeft geen verhaal, zijn werk is verhaal. Een samenraapsel van ijzer, hout, plaaster, kippendraad, doeken … noem maar op. En daaruit ontstaan werken. Deze tentoonstelling toont voornamelijk menselijke figuren. Vaak heel aangrijpend omdat de mens in zijn kwetsbaarheid naar voren treedt. Hij draagt teveel op zijn rug, in zijn hoofd, in zijn hart.

Bij het binnenkomen staat dit beeld te kijk. Wie kijkt? De kijker naar het beeld? Het beeld naar de straat? Ik noem het de straatwachter … en met de sleutels binnen handbereik: welke poorten of deuren gaat deze straatwachter openmaken?

    Moe van het denken opent hij zijn geheugen: leegte.

    En toch sleurt hij zijn last verder.

Meer van Lut De Rudder

↑ Terug naar de berichten