Karel begint al aan het opzetten van de grote tent voor de anderen toekomen. Waarschijnlijk is het werk te uitnodigend om niet in actie te schieten.
Christel ontfermt zich over de tuinstoelen: het winterstof wegpoetsen voor de kussens er in gelegd worden.
Een interne verhuis
Donderdag begint het verhuizen. Vandaag is het atelier aan zet. Daar zal Christel ten toon stellen. Behalve een zware kast verhuist de hele inboedel naar de garage. De auto moet buiten blijven staan … en natuurlijk barst er in de namiddag een onweersbui los met nogal forse hagelstenen. Dan heb je een garage om de auto te beschutten … maar juist die paar dagen dat hij moet buiten staan komt zo’n bui opzetten. Hopelijk is er geen schade, maar wat kan je er aan doen als het zo is..
Daarna schijnt de zon weer en het atelier ligt er zo uitnodigend bij. Vorig jaar zijn de muren nog geschilderd, dit hoeft dit jaar niet te gebeuren. Wel dient er jacht gemaakt op spinnenwebben en hun bewoners want Christel is niet zo’n liefhebber van die diertjes. Dus ga ik op zoek naar mogelijke verstekelingen en als het laatste web weggeveegd is, alle hoekjes onderzocht en spinvrij verklaard, sluit ik de deur met het gevoel: weer een stap dichter bij de tentoonstelling.
Dan begint ook onze leefruimte zich te oriënteren naar de tentoonstelling. Dit jaar is het een ware aardverschuiving: het meeste verhuist naar de tv ruimte en wat mag blijven krijgt een andere plaats toegewezen. Omdat ik een groot werk wil tonen van zowat 1,50m op 1,40m moet ook de kast tegen de muur van plaats veranderen.
Wanneer alles op zijn plaats staat voor de tentoonstelling, is de tuinkamer veranderd in een kale ruimte. Alle gezelligheid en eigenheid zijn weg. Vooral voor Karel een zware dobber, wat heeft hij een hekel aan veranderen van omgeving. Toch blijft hij moedig die vorm van terreur verdragen.
Ondertussen gaan de weersvoorspellingen meer en meer de zonnige kant uit en voel ik de spanning toenemen. Ik weet dat alles op tijd in orde komt … maar pas als het zover is zal ik opgelucht ademen.
Het aftellen begint

Woensdag voor de tentoonstelling ‘Tussen de bomen’ begin ik precies te beseffen dat er niet zoveel tijd meer overschiet om alles klaar te hebben tegen vrijdagavond, wanneer de tenten worden opgezet. De laatste dagen was het ook zo’n ellendig weer dat ik niet eens dacht om buiten te werken, hoewel daar nog heel wat moet gebeuren.
Vandaag is het goed weer en duik ik de tuin in. Het gazon lijkt meer een weide en moet dringend afgereden worden. De voormiddag laat ik het gras wat opdrogen, zodat het wat makkelijker afrijdt. De buienradar geeft regen na twee uur in de namiddag. Dus neem ik alleen maar een kop koffie na het eten en sla mijn siësta over. Ik heb er plezier in: eindelijk, na al die regendagen, weer eens lekker in de zon lopen. Stilaan echter komen er wolken opzetten, dat voorspelt niet veel goeds. Ik zet meer vaart achter de grasmachine, want ik wil droog blijven.
Maar uiteindelijk zal ik toch de eerste regendruppels moeten trotseren om de laatste vierkante meter gras klein te krijgen. En dat lukt me ook. Opgelucht kan ik de grasmaaier terug op zijn plaats zetten: hopelijk blijft het morgen een periode droog zodat ik de zijkanten kan afwerken en de voortuin wat fatsoeneren.
Gelukkig voorspellen ze goed weer voor het weekend. Een tentoonstelling in open lucht komt maar tot haar recht bij zon en warmte. De tentjes geven wel beschutting tegen eventuele wind en een gevoel van ‘mijn ruimte’ aan de gebruiker. Maar regen en koude laten mensen binnen blijven.
De verdere namiddag gebruik ik om nog wat werken in te kaderen die ik ook nog wil tonen. Het verwondert mij elke keer hoeveel voorbereiding zo’n tentoonstelling vraagt. Maar ik vind het leuk om meemaken. De tijd die korter wordt, de groeiende spanning, nadenken hoe ik mijn werken wil tonen … en een paar keren per dag het weerbericht nalezen in de hoop dat de voorspellingen steeds meer mooi weer oproepen.
Godelieve van Amerika


Godelieve van Amerika - Johan de Vos
De schrijver is de jongste in een gezin van zes kinderen: vier meisjes en twee jongens. Een doorsnee West-Vlaams katholiek gezin. Vader is beenhouwer, moeder helpt in de zaak en doet beroep op de oudste dochter om het gezin te helpen runnen… zo kan er een meid uitgespaard worden. Dat was het lot van veel ‘oudste’ dochters. Iedereen vond dit toen normaal: een vrouw was geprogrammeerd om dienstbaar zijn.
Godelieve (°1924) is de tweede in de rij, blijmoedig van karakter, geliefd bij vriendinnen. Al op jonge leeftijd beslist ze dat ze later naar de missies wil gaan. Op 30 november 1941 deelt ze haar moeder in een briefje mee dat ze missiezuster wil worden. Op 7 mei 1942 vertrekt ze naar De Jacht in Heverlee om haar intrede te doen en zich voor te bereiden op de missies. In 1947 reist ze met de boot naar Amerika. Ze heeft ondertussen ontdekt dat het missieleven te zwaar voor haar zal zijn en besluit in te treden bij de ‘Arme Klaren’ in Cleveland. Een klooster met strenge regels achter de tralies. Daar blijft ze tot haar dood.
Na de dood van eerst moeder en daarna vader, reizen zussen en broers naar Cleveland om hun zus te ontmoeten. Uiteindelijk zal ook Johan gaan, die amper vijf was toen Godelieve het huis verliet.
Na de dood van die ‘onbekende’ zus gaat Johan op zoek naar wie ze was, wat haar bezielde. Door brieven, foto’s, gesprekken met de oudere zussen en vriendinnen van Godelieve, de eigen herinneringen, het dagboek van zijn vader… probeert hij een beeld te krijgen van Godelieve.
De schrijver zelf staat buiten de kerk. Hij probeert zo sereen mogelijk de situatie van zijn ouders en het gezin te plaatsen ‘in de tijd van toen’. Hij zoekt naar het waarom van de keuze van Godelieve, zeker als ze zich terugtrekt in een ‘slotklooster’. Wie is die God die haar leven bepaalt? Hoe leeft ze in de gemeenschap met de anderen zusters?
Tijdens de zoektocht naar dat individuele familielid wordt een wereld opgeroepen die voor ouderen zo ‘herkenbaar’ is. Het katholicisme van toen met de almacht van de (onder)pastoor en kloosterorden. De ontkenning van de seksualiteit: als de onderpastoor zijn handen niet kan afhouden van de zussen is dat ‘een teken van liefde, van aandacht voor de schoonheid van Gods schepsels’ (p.31). Steeds wordt er geld ingezameld. Het kerkelijk gezag wordt niet in vraag gesteld. Naast de devote prentjes en schilderijen (ook Godelieve zal door vrome onderwerpen te schilderen, bijdragen aan het verspreiden van een zoet katholicisme) staan de in onze ogen bijna onmenselijke regels die aan de ordeleden worden opgelegd.
De schrijver registreert wat hij te weten komt met onderkoelde humor in een stijl die gemakkelijk leest. Maar door dat onderkoelde, door die vlotte stijl maakt hij een wereld kenbaar die meestal in het verborgene bleef. Hoe bijvoorbeeld meisjes uit de armoede wilden ontsnappen door in het klooster te treden. Ze werd dan een ‘werknon’. Het waren de vrouwen ‘achter’ de goede werken op scholen en ziekenhuizen: zowat een slavin in naam van God. De nonnen met een rijke bruidschat stonden hoger op de hiërarchische ladder. Zo wordt Godelieve, wanneer haar deel van de erfenis toekomt bij de Arme Klaren plots met meer egards tegemoet getreden en wordt de strenge bezoekersregeling versoepeld voor haar familie.
Het boek is een op zoek gaan naar de individuele geschiedenis van een vrouw. Voor de lezer die dat katholieke gebeuren van binnen uit heeft meegemaakt, maar zoals de meesten afstand genomen heeft van dat ‘rijke Roomse leven’, kan dit boek alleen maar verduidelijken hoeveel misbruik er plaats vond in de naam van een God. Omdat we van kindsbeen af gehersenspoeld werden in deze manier van denken en doen, werd het als ‘normaal’ beschouwd. De pijn en het verdriet die deze normaliteit veroorzaakte hoorde er eenmaal bij, bracht je nog dichter bij die God. Er was geen ontsnappen mogelijk naar een standpunt dat wat helderheid bracht… want waar was die informatie beschikbaar?
Dit boek grijpt aan omdat het zo herkenbaar is, ontroert om het verhaal achter de feiten, van een eigen weg gaan, afscheid nemen, onbereikbaarheid van de andere in afstand en achter fysieke tralies. Het is een verhaal van proberen begrijpen maar toch niet kunnen. De vraag blijft: waarom?
Klein en groot


Tijdens het winkelen werd ik aangesproken door een vrouw die me vroeg iets van het bovenste rek te nemen: zijzelf was te klein om er aan te kunnen. We bleven even praten over de problemen van klein zijn. Ook als kind was ze bij de kleinsten. Ik was altijd ‘bij de groten’ van de klas … en daarom mocht ik nooit kabouter zijn. Wat zou ik graag eens kabouter geweest zijn: die kregen bij de opvoering kleurige pakjes en puntmutsen.
We bleven even doorpraten … op onze leeftijd hebben we tijd voor een babbeltje. Ze was ooit naar een congres geweest waarbij ‘de professor’ stelde dat kinderen die tijdens de oorlog geboren waren vaak kleiner waren dan andere kinderen omdat ze slecht of te weinig eten hadden gekregen. Ze was van 1942, volop oorlog. Bij haar thuis was het armoe troef. Daarmee dat ze zo klein was. Ik zei haar dat we even oud waren. Bij ons thuis was er af en toe wel schaarste, maar er is nooit honger geleden.
Toen gingen we ieder onze eigen weg.
Ik vond het een leuke ontmoeting. Indien we elkaar opnieuw tegen komen zou het wellicht lukken om nog wat verder te praten over de oorlog, want dat zat haar blijkbaar erg hoog. Natuurlijk, met al die evenementen om WOI te herdenken, komen de herinneringen aan WOII ook wel boven drijven voor de ouderen.
In de namiddag ben ik in de inkomhal met mijn te exposeren werken bezig, als ik op straat plots een vreemde drukte hoor van voorbijrijdende wagens. Wanneer ik ga kijken zie ik een colonne legervoertuigen langs de baan passeren. Op een bepantserde (denk ik toch) wagen zitten twee soldaten met de loop van hun machinegeweer de lucht afspeurend. In volledige uitrusting, met helmen op of zijn het bivakmutsen, zo goed heb ik het niet kunnen zien, een dreigend voorkomen. Toch een benauwende bedoening. Maar erg lang duurt het niet.
Ik herinner me dat enkele dagen geleden op het nieuws werd gemeld dat het leger oefeningen hield. Later wist Karel te vertellen dat die groep op ‘de wei’ (een begrip in Werchter) de nacht had doorgebracht.
Die namiddag kwam het gesprek bij het winkelen en het voorbij rijden van de legervoertuigen nog vaak in mijn hoofd opzetten. Hier was het een soort spel maar er zijn mensen die de echte dreiging van oorlog moeten ondergaan. Hoe overleef je dan?
Anne-Chantal Pitteloud


Met Eddie Wisse stelt Anne-Chantal Pitteloud haar werk ten toon. De ten toon gestelde werken lijken op elkaar afgestemd, zo vormen ze een eenheid.
Anne-Chantal Pitteloud (Sion, Zwitserland) is architecte maar leidt nu een leven als “artiste nomade”. Ze maakt keramische objecten die ze doorgaans verwerkt in thematische installaties. In het Hannah-huis toont ze organische vormen die aansluiten bij de anatomische les.
nne-Chantal Pitteloud:http://anneloup.ultra-book.com/
http://ferme-asile.ch/Home/Artist/36
Eddie Wisse
Hannah, de kleine galerie in Herent, opent vandaag een nieuwe tentoonstelling met werken van Eddie Wisse en Anne-Chantal Pitteloud. Met Christel en Ludo gaan Karel en ik er naar toe.
Eddie Wisse is doctor in de biologie en hoogleraar. Hij verbindt wetenschap en kunst met foto’s van menselijke en dierlijke cellen en weefsels die verbazen door hun complexiteit en kleurenpracht. De foto’s zijn afgedrukt op Forexplaat (100 cm bij 70 cm). De oplage is telkens beperkt tot 10 genummerde afdrukken. Eddie Wisse steunt met deze tentoonstelling het project “The future of hope”.
Fotografie is een heel aparte kunsttak en zeker vorm van fotografie: het vergroten op grote schaal. Ik kijk mijn ogen uit mijn kop: niet zichtbaar voor het blote oog heeft er zich in de mens een variërende en toch samenhangende structuur opgebouwd; wanneer die structuur het om een of nadere reden laat afweten, wordt men ziek en functioneert men niet meer zoals het hoort.
Sommige foto’s doen heel grafisch aan … wellicht kan ik er inspiratie uit putten.
Eddie Wisse: http://sculptures.koenwisse.com/#!album-14
Future of Hope: http://www.thefutureofhope.org/

