Zowel Karel en ik hebben het moeilijk na de woorden van de zoon van kapitein Gilson. Het militarisme straalt van die man af: kaarsrecht en met nog een krachtige stem, ondanks zijn 84 jaren. Dit hebben we met onze deelname aan deze tentoonstelling niet gewild, integendeel: we staan huiverig tegenover helden en overwinnaars.
Wanneer eindelijk (in mijn aanvoelen) de medewerkers bedankt zijn (de rest heb ik nauwelijks in mijn bewustzijn laten doordringen) en op het podium geroepen om de bloemen in ontvangst te nemen, spreken Karel en ik af, om zo vlug mogelijk te verdwijnen. Het is ook zo ontzettend warm en in die drukte kan ik mij niet voorstellen de werken, die rond concrete slachtoffers gemaakt zijn, goed te kunnen bekijken en tot mij te laten doordringen.
De volgende dag ga ik terug naar Aarschot. Ik ben even voor het openingsuur daar, zodat ik in alle rust kan genieten van de tentoonstelling.
Het Gasthuis is aan de voorkant mooi verbouwd, maar achteraan, waar de tentoonstellingsruimten zich bevinden, is de oorspronkelijke architectuur nog aanwezig. Dat schept een heel ideale sfeer voor deze tentoonstelling: kleine en grotere ruimten, vensters die het licht spaarzaam doorlaten, uitgesleten trappen, gangen waar de vroegere kloosterlingen waardig konden schrijden. Ik vraag me af of dit gebouw nog dienst deed tijdens WOI, of hier slachtoffers verpleegd werden van die lugubere dagen 19 en 20 augustus.
Het gedicht van Karel tref ik heel vlug aan op het gelijkvloers, in een betegelde ruimte. Vermoedelijk was hier vroeger de keuken. Ruimte na ruimte ontdek ik de werken. Ik lees de naam van het slachtoffer, zijn of haar beroep, de naam van de kunstenaar. Sommigen kunstenaars ken ik. Zo ontdek ik ook hoe ieder vanuit zijn discipline en zijn stijl met de summiere gegevens van het slachtoffer is omgegaan. Mijn werk heeft een mooie plaats gekregen: het hangt alleen op een witte muur, zodat het voldoende ruimte krijgt om te ademen. Het zonlicht valt er schuins op, waardoor het glas een spiegeleffect krijgt. Dat is juist mooi: de realiteit van nu is als een achtergrond aanwezig in het drama van toen en versmelt tot één geheel.
Na een tijdje begint er een zwaarte op mij af te komen: nog een naam, nog iemand die op die dag stierf. De rij lijkt eindeloos. Zo ‘voel’ je hoe diep 173 slachtoffers in een gemeenschap snijden. Ik ben blij dat ik alleen ben, dat ik mag zwijgen dat ik me innerlijk kan overgeven aan de verschrikking en de leegte na die moordpartij. Het is zo moeilijk te vatten wat die ‘soldaten’ bezielde. Ik besef dat elke soldaat, opgefokt tot de job ‘te doden’, kan overgaan tot dergelijke misdaden.
Neen, ik heb geen zin meer om nadien in de cafetaria nog een kop koffie te drinken. Ik wil direct naar huis, waar het veilig is, waar ik mijn gevoelens van opstandigheid, onmacht, angst, triestheid … een plaats mag geven.
Ik merk hoe die oorlog op mij invreet. Dan te beseffen dat een paar uren vliegen hier vandaan mensen hetzelfde lot moeten ondergaan. Het is een ondraaglijke gedachte.