Toby or not to be
Neen, voor mij geen hond. Zo’n dier blaft, kwijlt, springt met zijn natte poten op je nieuwe jas, scheurt boeken stuk, steelt het vlees uit de boodschappenmand, gaat op je plaats in de zetel zitten, zwaait met zijn staart tedere herinneringen in de vernieling, laat overal vies haar achter, heeft vlooien, vraagt voortdurend om aandacht, jankt ’s nachts zodat je niet kan slapen en valt de postbode aan. Neen, ik kijk niet direct uit naar zo’n bron van destructie. Maar vooral: waar moeten we er mee blijven? We hebben een grote tuin (hoewel, alles is relatief), maar die is niet volledig omheind. In huis staan zoveel boeken, mijn tekengerief, al de prulletjes die een mens verzamelt in de loop van een leven. De ruimte is vol, hoewel dat ook relatief is.
Alsof de oudste kinderen het afgesproken hebben: mijn oudste dochter en de oudste zoon van Karel halen een puppy in huis. Dan gaan we op bezoek: en wat is zo’n jong dier lief. Karel droomt al langer van een hond en die droom wordt aangewakkerd door die puppy’s.
Om een lang verhaal kort te maken: we praten over de voor- en nadelen van een hond in huis nemen. We willen een rustige hond, dus geen puppy die sokken stuk bijt en nog alles moet aanleren. Ook geen grote hond, want die kegelt je zo omver als je wat ouder wordt. Ook moet het een kortharig beest zijn, kwestie van niet overal vuile lange haren te vinden. We gaan op bezoek in asielen voor honden, om vertrouwd te raken met het verschijnsel hond: want zowel Karel als ik zijn nieuwelingen als hondenbaasjes. En ja, die tuin moet nog omheind en binnen in huis moeten toch nog wat voorbereidingen getroffen worden: vooral ik wil een bench, om die hond veilig achter tralies te hebben als het nodig is, vooral ’s nachts.
Ik voel me innerlijk stilaan meer toegevend worden om zo’n dier in huis te nemen … maar erg van harte is het niet. Karel zal aan die hond wel veel plezier beleven: de uren dat ik ‘uit huis ben’ heeft hij dan gezelschap, hij kan er mee gaan wandelen, wat goed is voor zijn gezondheid, wellicht ontmoet hij andere hondenbaasjes (m/vr) waarmee hij het over het weer en de honden kan hebben.
En zo gaan we weer eens op stap naar een hondenasiel. Feitelijk heb ik er niet veel zin in … het kantklossen ligt te wachten. Samen op stap gaan vind ik ook wel leuk en gezien Karel niet met de wagen rijdt (vroeger heel stoer met een moto) wil ik wel voor de mobiliteit zorgen.
Van op meer dan honderd meter rieken we het hondenasiel al. Later zal iemand me uitleggen dat die doordringende geur door het voedsel komt. De voeding bepaalt de geur van de urine en de uitwerpselen van dier en mens.
We parkeren de auto en vragen of we de dieren eens mogen zien. Natuurlijk mag dat. De kooien zijn ruim en min of meer proper. Worden de dieren niet genoeg gelucht zodat ze hun behoefte in de kooi moeten doen? En wat een lawaai! De mormels blaffen dat horen en zien vergaat. Dat maakt me niet direct enthousiast om me open te stellen voor zo’n huisdier. We kijken rond, gaan ook naar de laatste kooi achter de hoek.
En dan gebeurt er iets in mij: noem je zoiets liefde op het eerste zicht? Ik ben weg van die hond. Waarom weet ik niet. Voor dat beest wil ik al mijn vooroordelen (en vooral angsten) op zij schuiven. Niet dat hij bijzonder lief of smekend kijkt. Gewoon het gevoel: dat is de hond die bij ons (of liever mij) past. We krijgen van de asielbeheerder een leiband om even te gaan wandelen. Hij wandelt rustig met ons mee. Zowel Karel als ik zijn verkocht: deze hond hoort bij ons, met hem willen we het avontuur van samenwonen aan.
Terug in het asiel worden papieren in orde gebracht. Daar vernemen we dat de hond Toby heet. Hij krijgt een halsband met een koord mee. Als het niet gaat mogen we hem binnen de negen dagen terug brengen. Voor mij hoeft hij nooit meer terug: Toby hoort bij ons.


