Proeflapje
Voorlopig hou ik me bezig met ‘proeflapjes’ te maken bij het klossen. Ik heb een groot werk voor ogen (50 x 110) maar moet toch eerst wat draden en slagen uitproberen. Omdat die proeflapjes 30 x30 zijn, vinden mijn collega’s dat we van ‘proeflappen’ mogen spreken. Ach, als ’t kind maar een naam heeft.
Tijdens de vakantieperiode heb ik in augustus het klossen terzijde gelegd en ben bij wijze van spreken dag en nacht aan het tekenen gegaan: overdag met pen en Oost-Indische inkt, ’s nachts , als ik de slaap niet kon vatten, probeerde ik een volgende ontwerp in beeld te brengen … of kon ik niet slapen omdat ik aan het bedenken was hoe ik ’s anderendaags de confrontatie met de uitdaging van het witte blad kon overwinnen.
Nu heeft het kantklossen me weer in zijn greep. Natuurlijk zijn er tussendoor de tentoonstellingen, maar soms bekruipt me het gevoel: had ik maar niet toegezegd dan kon ik helemaal opgaan in wat ik bezig ben. Maar die tentoonstellingen stimuleren me ‘om voort te maken’: geen tijd verliezen, niet uitstellen, want wat ik te zeggen heb moet ik ‘nu’ doen.
Een vriendin stuurde me wol die ze zelf gesponnen had. Omdat ik een bepaald ontwerp voor ogen had, spon ze een tweede editie van wol, waarbij de kleuren aangepast waren aan wat ik wilde uitwerken. Bij het ‘proeflapje’ gebruik ik de eerste wol: zo kan ik vertrouwd raken met de draad, slagen uitproberen … en ondertussen denk ik aan haar. Hoe multi-functioneel een ‘draad’ kan zijn.
Het is zoeken, vaak de weg terug gaan en terugklossen. Maar uiteindelijk kan ik blij vaststellen dat ik wel gevonden heb wat ik zocht. Niet dat ik u onmiddellijk aan het grote werk begin, er moeten nog wat experimenten plaats vinden. En met de tentoonstelling van december in het vooruitzicht wil ik wat stress-ruimte vrij houden om ook dat tot een goed eind te brengen. Maar na de tentoonstelling vouw ik mijn ontwerp open … en begin. Ik kijk er echt naar uit.

















