Aardbeikikker (Okidoki)

Aardbeikikker
Van Wikipedia
| Aardbeikikker | |||||||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Taxonomische indeling | |||||||||||||||
| |||||||||||||||
| Soort | |||||||||||||||
| Oophaga pumilio Copeia , 1981 |
De aardbeikikker (Oophaga pumilio ) is een kleine giftige kikker uit de familie pijlgifkikkers (Dendrobatidae). De soort behoorde lange tijd tot het geslacht Dendrobates .
Inhoud[ verbergen ] |
[ bewerk ] Beschrijving
Deze soort is meestal makkelijk te herkennen aan de rode bovenzijde die ongeveer tweederde uitmaakt en de donkerblauwe onderzijde. Ook wordt het lichaam niet langer dan 3 centimeter en daaraan is de wetenschappelijke soortnaam aan te danken, want pumilus betekent dwerg. Lang niet alle exemplaren hebben echter de roodblauwe kleurencombinatie; geheel blauwe, gele en groene kleuren komen ook voor, soms in combinatie met zwarte vlekken of strepen. Ook zijn er andere soorten die sterk verward kunnen worden met de aardbeikikker, waardoor determinatie soms alleen met behulp van DNA-analyse plaats kan vinden. Over sommige ondersoorten is dan ook wel eens discussie.
[ bewerk ] Levenswijze
Zoals alle Dendrobates -soorten bestaat het voedsel uit kleine diertjes zoals mieren, kevertjes, luizen en mijten. Het gif dat in de prooien zit wordt door de kikkers 'hergebruikt', en naar de huid getransporteerd waar ze het voor de eigen verdediging gebruiken. De aardbeikikker komt voor in Nicaragua , Panama en de meeste eilanden voor de kust zoals Costa Rica . De meeste kikkertjes halen de 2 cm niet, soms worden ze tot 2,5 centimeter, maar ook de lengte is afhankelijk van de populatie. Het biotoop bestaat uit dichtbegroeide regenwouden waar het erg warm en vochtig is. De kikker houdt van brede boomtakken met vele bromelia 's die nodig zijn voor de voortplanting.....
[ bewerk ] Voortplanting
De voortplanting van deze soort is erg bijzonder; nadat een koppeltje elkaar na een kort paringsritueel gevonden heeft, wordt er naar eierafzetplaatsen gezocht, waarna er eitjes worden gelegd op een tak tussen de bladeren of mos die door de mannetjes bewaakt en verzorgd worden. Nadat de kikkervisjes zijn uitgekomen, nemen de vrouwtjes ze op de rug en brengen ze naar een ander water, meestal in ruimtes in planten, zoals de kelkvormige bromeliasoorten of bladoksels. Omdat er in dit soort watertjes geen voedsel is, hebben sommige soorten pijlgifkikkers een bijzondere manier gevonden om de larven te voeden; het vrouwtje legt zogenaamde voedseleitjes , onbevruchte eitjes die enkel dienen om de jongen groot te brengen.
In juli 2005 slaagde de Zoo van Antwerpen erin om aardbeikikkers zich in gevangenschap te laten voortplanten, iets wat voorheen nog niet was gelukt.












Er bestaat ook een Zwarte Noorse Elandhond , die vanzelfsprekend zwart is, maar ook een iets ander type heeft. Qua schofthoogte zijn ze iets kleiner ( de reu : 45 cm en de teef iets minder ). Ze zijn nauw verwant, net als trouwens andere jachthonden van het Keeshondentype. In België en Nederland worden de Elandhond en aanverwanten tot de Keesachtigen gerekend en niet tot de Hounds. Ook Zweden kent een Elandhond. Verdere verwanten zijn 
Buik is iets opgetrokken. De benen zijn recht, sterk en middelmatig lang. De hals is matig gespierd en zonder keelhuid. Kleur : rood tot vaal, wolfsgrauw, zwart en zwart met aftekeningen ( grijsbruin boven de ogen, aan de onderzijde van de benen en aan de broek en staart ). Alleen de exemplaren die effen gekleurd zijn, zijn bij de FCI geregistreerd. Hoofd en schedel : het hoofd neigt naar het wolventype. Van boven gezien wigvormig, met spits staand oor. Vlakke schedel met voorhoofdsgroef. Rechte neusrug met weinig stop. Donkere ogen, niet te diep liggend en amandelvormig. Oren zijn middelgroot en staan rechtop. Gesloten lippen. Schaargebit. Staart : in rust afhangend en tot aan het spronggewricht gedragen. In actie opgerold of zijdelings over de rug gedragen. Voeten : grote voeten met stevige voetzolen. Gewelfde tenen. Vacht : over het gehele lichaam dicht onderhaar ( de wol ) en middellang, los aanliggende grannen ( bovenhaar ). Het gezicht, oren en onderstuk van de benen zijn korter behaard. De beharing op de halspartij is maar iets langer dan die op het lichaam en vormt geen manen. De vacht vraagt een regelmatige borstelbeurt. Schofthoogte : voor reuen van 52 tot 60 cm en voor teven 48 tot 56 cm. Het gewicht bedraagt voor reuen 23 tot 32 kg en voor teven 18 tot 26 kg.




beneden geschoren, wat het dier zijn typische uiterlijk geeft. 
De Polski Owczarek Nizinny is een middelmatig grote hond, compact gebouwd, sterk en gespierd. Het lichaam is matig lang met brede en diepe borst. De ribben zijn goed gerond. Licht gebouwde benen, niet te kort doch sterk. Matig lange hals zonder keelhuid. Kleur : elke kleur en aftekening toegestaan. Hoofd en schedel : het hoofd is matig groot, goed in verhouding en zeker niet grof. Beharing dicht op de schedel. De schedel verhoudt zich als 1:1 tot de voorsnuit. Eventueel is de voorsnuit iets korter. Matig brede schedel, licht gewelfd. De stop is goed aangegeven. Rechte neusrug en krachtige kaken. Grote donkere neus met goed geopende neusgaten. Middelmatig grote ogen, ovaal van vorm, met een levendige en doordringende blik. Oren van middelmatige grootte, hartvormig breed en hoog aangezet. De voorkant van het oor ligt tegen de wang aan. Schaargebit. De staart is gecoupeerd of van nature zonder staart. De voeten zijn ovaal, met gesloten, iets gebogen tenen. Nagels zo donker mogelijk. De vacht : lang, dicht en grof. De ondervacht is wollig en dicht. Lange hoofdharen bedekken de ogen op karakteristieke wijze. De vacht dient het best dagelijks geborsteld te worden. Schofthoogte : reuen 45 tot 50 cm en teven 42 tot 47 cm. Het gewicht bedraagt 15 tot 20 kg.



opmerkingsgave maakt hem voor meer als alleen bewakingsdoeleinden geschikt. Doordat hij al zijn zintuigen zo goed gebruikt, en hij zo sensibel is, is hij een zeer bruikbare hond in alle hondensporten. 
Kleur: Zwart of zwart met enkele grijze haren. 










