pruik of kletskop ?


Een pruik is een zeer bedenkelijk geval. Ik heb er een dubbel gevoel bij. Zonder heb ik een kale knikker. Mét lijk ik een aangeklede circusaap. Nochtans heb ik een pruik waarvan iedereen zegt dat je niet ziet dat het een pruik is. Nu geloof ik geen zier van mensen die dat zeggen, want iedereen doet zijn best om je op te monteren en te troosten in je miserie. Maar ik heb het slimmer gespeeld. Ik heb een listig plan bedacht J om erachter te komen of mijn kunsthaar wel of niet herkenbaar is. Toen mijn haren bij bosjes begonnen te vallen heb ik mijn hoofd meteen laten kort scheren en ben ik een pruik gaan halen, in net dezelfde kleur en met net dezelfde snit als mijn echte haar. Ik heb echter niemand iets verteld. Enkel man en kinderen wisten ervan.
Bij de eerstvolgende bijeenkomsten met vrienden of familie hield ik de betrokkenen nauwlettend in het oog. Gingen hun blikken niet naar mijn kapsel? Zag ik vraagtekens in hun ogen? Bespeurde ik een meelijwekkend gegluur naar mijn haardos? Ik merkte niets verdacht op. Er kwamen alleszins geen opmerkingen. Niemand zei er iets over.
Pas weken later, na een of meerdere volgende ontmoetingen vertelde ik terloops dat ik een pruikje droeg. De verbaasde blikken waren oprecht. De verwondering was niet gespeeld. Het lijkt dus zo te zijn dat je niet merkt dat ik een pruik draag. Dat is wel een hele opluchting. Niets zo potsierlijk als een slecht zittende pruik.
Maar toch is het eerste wat ik doe wanneer ik thuis kom, mijn pruik uitzwieren. Een pruik is en blijft iets onnatuurlijks. Een kap op mijn hoofd die er niet hoort te zitten en die me op de duur gaat storen. Van lotgenoten in het ziekenhuis verneem ik net hetzelfde. Ook zij zetten meteen hun pruik af wanneer ze binnenshuis zijn. Meestal loop ik thuis dus zonder hoofdbedekking rond. Het is veel aangenamer dan met die muts op mijn hoofd, en het beweegt veel vrijer. Nochtans schrik ik me rot wanneer ik langs de spiegel loop. Zo’n kaalgeschoren kopje mag dan voor een jeugdig zangeresje best wel aardig zijn, maar mij staat het helemaal niet. Je ziet elke deuk of oneffenheid in mijn schedel en ook de uitstulpingen die ik heb ten gevolge van kankerwoekeringen in mijn schedeldak springen in het oog. Bovendien lijken mijn oren van een reusachtig formaat. Ze staan als twee reuzenschelpen aan de zijkant van mijn hoofd te pronken. Neen, het is gewoon geen gezicht.
Na zo’n ontnuchterende confrontatie met mijn lelijke kaalkop draag ik mijn pruik toch weer een tijdje ook als ik binnenshuis blijf, alleen al om mijn huisgenoten te sparen. Maar zodra het warmer wordt, of wanneer ik wat zenuwachtig ben, vliegt ze ondanks alles terug uit.
© Karlijn Koninckx





