Goede vrienden van ons nodigen ons uit om samen met hen een weekje door te brengen in de Provence. Het voorstel is zeer welkom na de pas doorstane emoties en ik hap gretig toe.
We maken grote wandelingen, genieten van het schitterende landschap, het mooie weer en het lekkere eten. Op een dag beslissen Paul en mijn man om de Mont Ventoux op te gaan. Ze vragen me of ik mee wil. Ik twijfel er sterk aan of ik het wel zal halen, ik heb ook niet het gepaste schoeisel, maar uiteindelijk neem ik de uitdaging aan. Ik vertrek met veel enthousiasme, maar Paul, die een geoefend wandelaar is, maant me aan het wat kalmer aan te doen. De weg is nog lang.
We zouden het slingerende paadje kunnen nemen, dat loopt gemakkelijker, maar we kiezen voor de rechte weg naar boven. Halverwege begin ik last te krijgen van een pijnlijke blaar op mijn rechter hiel. Gelukkig heeft Paul het nodige in zijn rugzakje en met een stevige Compeed pleister kan ik weer verder. Naarmate de tocht vordert vallen de gesprekken stil. Ieder van ons stapt in gedachten verzonken verder met alle concentratie op het stappen. Links rechts, links rechts. We kijken naar de beste plekjes om onze voeten neer te zetten. Adem in, adem uit. Ik draai volledig op automatische piloot. Ik denk nog alleen aan verder stappen, niet opgeven, we komen er wel, nog even doorbijten. Het is zwaar. Opeens komen we uit de struiken op een open helling terecht met grote witte grillige rotsen. Het waait er verschrikkelijk. We happen even naar adem en trekken onze jassen wat dichter. De wind is ijskoud. We kunnen nu de top van de berg zien, maar het wordt nog een moeilijk stuk. Ik ben echter aan het eind van mijn krachten. Die koude, strakke wind is er teveel aan. Ik wil de andere twee niet ophouden en zeg dat ze zonder mij verder moeten gaan. Ik ga wat neerzitten in de beschutting van de laatste struiken en besluit te wachten tot ze terugkomen.
Door de rust kom ik weer wat op adem. Ik kijk naar boven, maar van de mannen is niets meer te zien. Ze zijn elk een eigen weg uitgegaan. Het wachten in mijn eentje duurt lang en ik besluit om toch nog een stukje verder te klimmen. Het gaat zeer moeizaam. De kalkrotsen zijn grillig en ik sla regelmatig mijn voeten om. Maar ik kijk niet teveel omhoog en klim stapje voor stapje verder, vaak op handen en voeten. Ik moet en zal boven geraken. Ik ben nu al zo ver, het grootste stuk is achter de rug, ik kan nu niet opgeven.
Langzaam maar zeker komt de lelijke top dichterbij. Wat vinden de mensen eraan om naar zo’n lelijk gebouw te gaan kijken, vraag ik me af. Van het landschap kan ik niet genieten. Ik ben volkomen uitgeput, zie haast niet meer waar ik mijn voeten moet zetten. Ik strompel meer dan ik ga. Opeens hoor ik mijn man roepen.
‘Joehoe, hierheen!’
Dat geeft me net voldoende moed om de laatste meters af te leggen. Me vastklampend aan zijn arm struikel ik op trillende benen het cafeetje binnen, waar Paul op ons wacht. Er staat een cola voor me klaar. Ik laat me op de houten zitbank neervallen en reik dankbaar naar het glas, maar mijn arm trilt zodanig dat ik er niet in slaag het glas op te nemen. Ook mijn benen daveren en alle kracht lijkt eruit verdwenen te zijn. Mijn ganse lichaam trilt en davert oncontroleerbaar. Het is een ongekende ervaring. Nooit eerder in mijn leven heb ik zoveel van mijn lichaam gevergd. Nooit eerder ben ik zo tot het uiterste van mijn mogelijkheden geweest. Mijn verziekte lichaam is volkomen uitgeput. Het maakt me zelfs wat ongerust. Noodgedwongen moet ik een kwartiertje rusten eer ik armen en benen opnieuw onder controle krijg. Tegelijk ervaar ik een onbeschrijfelijk gevoel van voldoening bij het besef dat ik de top heb bereikt.
Dat gevoel maakt alles goed.
Ik begrijp nu wat die vrouwen moeten gevoeld hebben toen ze in de Andes gingen klimmen na hun borstkanker. De Mont Ventoux kan weliswaar niet vergeleken worden met de Andes, maar ik ben dan ook borstkankerpatiënt, ik ben geen ervaren bergwandelaar en ook helemaal niet getraind. Ik ben dus best tevreden met mijn prestatie. Die klim is een onvergelijkbare overwinning op mezelf. Mijn dag kan niet meer stuk.
© Karlijn Koninckx