Orpheus en Eurydicè (9)
|
Orpheus en Eurydicè (9) En dan eerst nog een detail. Zo oprecht als wij meenden dat het alleenrecht om te scheppen bij de Schepper zelf gelegen was en dat schepselen veroordeeld zijn tot handel drijven, zozeer hebben we ook zonder de waard gerekend. Immers, ook de vermeende goddelijke scheppingsdaden hebben veel weg van commerciële transacties: niemands naam wordt in het boek der levenden neergepend tenzij hij op dat eigenste ogenblik ook wordt opgeschreven ten dode. Of betekent dit dan dat hier helemaal geen god in het geding kan zijn? Wanneer Zarathustra zijn thuisland heeft verlaten en zich in het gebergte heeft begeven, ontmoet hij daar een heilige grijsaard die zijn misantropie uitspreekt en zijn lof voor god, en Nietzsche's gevierde profeet bedenkt een zin die onsterfelijk de wereld rond zal gaan: “Dieser alte Heilige hat in seinem Walde noch Nichts davon gehört, dass Gott todt ist!"1 Aldus een uitzondering creërend op de stelling van zopas, dat de onsterfelijkheid niet van deze wereld is. God schiep de kosmos met centraal daarin het leven maar niet zonder in het midden van het bonte leven de mens te plaatsen, de hoeder van dat alles, die in de persoon van de verafgode Albert Einstein een atoombom uit zou vinden om met het alsnog opsplitsen van godbetert de vermeende allerkleinste deeltjes het allergrootste ooit gemaakt, in minder dan een oogwenk weg te wissen alsof het er nooit was. “Deus nobis haec otia fecit”: God schiep de tijd, het 'otium' van Vergilius, waarin wij ons kunnen vermeien, vermaken, vrij bewegen, maar dan wel in één enkele richting. Naar de toekomst toe, zo wordt het ons voorgezegd, maar in werkelijkheid verwijderen wij ons van onze oorsprong, van onze moeder, van onszelf. En de tijd, zich profilerend als de schenker van het leven, manifesteert zich niet anders dan als degene die het ons allemaal ontneemt, zonder verpozen. “Dat hebben wij dan toch gehad”, aldus praten wij elkander na – wij, die niet ophouden met na te praten doch die vergeten na te denken, en wij stoppen het in een album, wij bladeren erin, glimlachend, ja, gelukkig zelfs, helemaal verstoken van het besef dat alzo onze blikken vallen in een gigantisch graf. Over de doem van die tegendoelmatigheid in alle dingen is het dat zoals ook alle andere Helleense mythen het treurlied van Orpheus handelt en wat zijn lier doet, is de trilling, bron van alle leven, mededelen ten koste van zichzelf, daar zij al trillende haar opgespaarde kracht verliezen wil, zoals wie klaarkomen dat doen tegen de prijs van het eigenste bewustzijn. De dood lijkt het leven te overstijgen en tegen de overgave die hij opeist, wordt nimmer geprotesteerd. Als uiteindelijk Orpheus toegang tot de onderwereld krijgt, kan dat alleen maar het geval zijn omdat geweten is dat dit vergeefs is; immers, ook vergeefse daden moeten worden toegestaan teneinde de dwang te onderstrepen die al het andere bestuurt. “Zie je wel!”, zo luidt dan de zedenles die ook de stoutste rebel terug in het gareel brengt en die zo de ijzeren orde van de dood herstelt. De emotie die Hades tot de toegeving verplicht heeft, is deze die de grijsaard een traan van ontroostbaar verdriet doet plengen bij het zien van een boorling in zijn wieg of van een jaarling die leert te lopen tot jolijt van zijn luid applaudisserende voorzaten die, hem omringend, hem ertoe veroordelen voortaan het middelpunt te zijn van hun bestaan. In het gerimpelde gezichtje van de nog bijna blinde boorling is de niet langer ziende grijsaard te bespeuren waarvan hij wel een wederopstanding lijkt maar is reanamnese niet een wat goedkope illusie waarmee wij ons trachten te bevrijden van het onderhavige eeuwige juk? De lier van Orpheus legt Cerberus het zwijgen op en Charon vaart hem over nadat hij hem heeft betaald; een welgekende reis gaat onze held tegemoet, een lot dat alleen door de oudste dichters kon worden verwoord. 1.F.W. Nietzsche, Also sprach Zarathustra, Ein Buch für Alle und Keinen. Zweite Auflage, Leipzig, Druck und Verlag von C.G. Naumann 1893, pag. 8. |



