Berberis is een geslacht van ongeveer 450 tot 500 soorten bladverliezende en groenblijvende struiken van 1-5 m hoog met doornige scheuten.
Het geslacht komt van nature voor in Europa, Azië, Afrika, Noord-Amerika en Zuid-Amerika. Berberis is nauw verwant aan Mahonia.
In de tuin worden ze zowel ter wille van hun sierlijke bladeren geplant als voor hun gele bloemen en rode of donkerblauwe bessen. Ook voor inbraakbestrijding spelen ze een rol door ze onder lage ramen of in heggen aan te planten, hun doorns zijn een effectief afweermiddel.
De bladverliezende soorten als Berberis thunbergii en Berberis vulgaris vallen op door hun mooie herfstkleur, de bladeren kleuren roze of rood voor ze afvallen.
De gele of oranje bloemen zijn alleenstaand of groeien in trossen van tot twintig bloemen. De 3-6 mm lange bloemen hebben zes kroonbladen en zes kelkbladen, afwisselend in kransen van 3 geplaatst. De kelkbladen zijn evenals de kroonbladen gekleurd. De vrucht is een kleine bes van 5-15 mm lang. Rijp is hij rood of donkerblauw, vaak met een roze of violette glans. Ze kunnen langwerpig of bolvormig zijn. De eetbare bessen zijn rijk aan vitamine C maar hebben een scherpe smaak. De doornen maken oogsten lastig, reden waarom ze weinig worden gegeten. Voor kleine vogels zijn ze echter een belangrijke voedselbron. Deze verspreiden de zaden na vertering.
Berberis vulgaris is de gastheer voor een aantal schimmels als de`Puccinia graminis, die tarwe ernstig kan aantasten.
Berberis glaucocarpa is een neofiet in Nieuw-Zeeland, die daar plaatselijk verboden is.
Berberis buxifolia en Berberis darwinii zijn twee soorten die voorkomen in Patagonië in Argentinië en Chili. Hun eetbare vruchten worden onder meer in jam en gebruikt, maar ook om in te maken. Men zegt dat iedereen die ooit een van deze bessen geproefd heeft, altijd weer naar Patagonië terugkeert. Deze twee planten zijn de nationale planten van Patagonië.
Benzingia is een klein geslacht met acht soorten orchideeën uit de onderfamilie Epidendroideae.
Het zijn kleine epifytische planten uit Ecuador, Peru, Colombia, Costa Rica en Panama, met zeer gevarieerde bloemvormen.
Het geslacht Benzingia is vernoemd naar de Amerikaanse plantenfysioloog David H. Benzing.
Benzingia caudata auteur : Dalton Holland Baptista CC 3.0
Benzingia zijn kleine epifytische planten met een sympodiale groei, zonder pseudobulben, met een smalle, waaiervormige groei en met grijsgroene, hangende bladeren met een korrelig oppervlak, en één korte, okselstandige, liggende of rechtopstaande eenbloemige bloeistengel.
In tegenstelling tot de vegetatieve kenmerken, is de morfologie van de bloemen van de soorten die nu het geslacht bevolken vrij divers. Zo heeft Benzingia reichenbachiana geresupineerde bloemen met een buisvormige bloemlip en een pseudospoor, en een tweelobbig callus met onregelmatige tanden, terwijl de bloemen van het voormalige geslacht Ackermania al dan niet geresupineerd zijn, een zakvormige bloemlip en geen vals spoor dragen. Deze verschillen in bloemmorfologie zijn waarschijnlijk te danken aan verschillende methodes van bestuiving, en lijken de nauwe verwantschapsbanden tegen te spreken.
Benzingia cornuta auteur : Eric in SF
Het geslacht Benzingia werd reeds in 1989 beschreven door Dodson, met enkel de typesoort. Het geslacht is in 2005 uitgebreid met enkele nauw verwante soorten van de geslachten Chondrorhyncha en Stenia, en met beide soorten van Ackermania, op basis van DNA-onderzoek door Whitten et al.
Het geslacht omvat momenteel acht soorten. De typesoort is Benzingia hirtzii.
De belladonnalelie (Amaryllis belladonna) is een plant uit de narcisfamilie (Amaryllidaceae). In het algemene taalgebruik en ook in de plantenhandel worden ook nog andere soorten als Amaryllis aangeduid, in het bijzonder de uit Zuid-Amerika stammende soorten uit het geslacht Hippeastrum.
De belladonnalelie is een bolgewas, waarvan de bol een diameter van 5-10 cm heeft. De plant heeft tongvormige, dof groene, 30-50 x 2-3 cm grote bladeren, die zijn gerangschikt in twee rijen. De bladeren worden in de herfst aangelegd en sterven uiteindelijk laat in de lente af. De bol slaapt vervolgens tot laat in de zomer. Bij de belladonnalelie worden in tegenstelling tot bij Hippeastrum eerst de bladeren aangelegd en pas na het verwelken van de bladeren gaat de belladonnalelie bloeien.
belladonnalelie in de San Francisco Botanical Garden auteur : Stan Shebs CC 3.0
Laat in de zomer produceert de bol een of twee kale, 30-60 cm lange stengels, die elk een cluster van twee tot twaalf trechtervormige bloemen aan hun top dragen. Elke bloem heeft een diameter van 6-10 cm met zes bloembladeren (drie buitenste kelkbladeren en drie binnenste kroonbladeren, die hetzelfde uiterlijk hebben). De kleur van de bloemen is wit, roze of paars. De botanische naam Amaryllis is afkomstig van een herderin uit een pastorale van Vergilius en slaat op elk jong plattelandsmeisje.
De belladonnalelie is een bolgewas, dat in tegenstelling tot Hippeastrum, in de Benelux ook in de tuin kan groeien. De plant moet dan echter in de winter wel goed met bladeren worden bedekt om hem tegen vrieskou te beschermen. De plant kan ook worden opgepot om in de schuur of in de koude kas te overwinteren. Tevens kan de plant in een koel vertrek worden gehouden. De soort komt oorspronkelijk uit Zuid-Afrika en is in de achttiende eeuw vanuit de zuidwestelijke Kaapprovincie ingevoerd.
De belladonnalelie bevat net als Hippeastrum het alkaloïde lycorine.
In België en Nederland is deze plant niet algemeen verkrijgbaar, de bollen kunnen echter wel bij gespecialiseerde bol- en zaadhandelaren worden gekocht.
De Belgische vlag (Abutilon megapotamicum) is een plant uit de kaasjeskruidfamilie (Malvaceae). Het is een tot 2 m hoge struik met dunne, overhangende twijgen. De plant heeft afwisselend geplaatste bladeren, die 5-10 x 2-3,5 cm groot zijn. De bladeren zijn vanuit de hartvormige basis smal driehoekig toegespitst of soms zwak drielobbig en hebben een grofgezaagde rand. De steunblaadjes zijn tot 1 cm lang en tot 0,4 cm breed.
De bloemen groeien solitair of in paren in de bladoksels. Ze hangen aan 2,5-6 cm lage stelen. De rode, tot 3 cm lange kelk is in het knopstadium hartvormig en heeft later gevleugelde uiteinden. De kroonbladeren zijn lichtgeel tot oranje en steken 1,5 cm ver uit de kelk. Midden in de bloem bevindt zich een 1,5 cm lange zuil met daarop vele, donkerpaarse meeldraden met gele helmknoppen. De vruchten zijn vijfdelige doosvruchten, waarvan de delen elk apart opengaan en twee tot zes zaden bevatten
De Belgische vlag is afkomstig uit het zuiden van Brazilië. De soort wordt veel als sierplant aangeplant, ook in België en Nederland.
Abutilon megapotamicum en hun variëteiten worden van begin tot midden voorjaar gesnoeid. De struik bloeit namelijk op hout van het lopende jaar. De struik reageert goed op snoeien. Verwijder altijd uitgebloeide bloemen.
De beklierde ogentroost (Euphrasia rostkoviana) is een plant uit de bremraapfamilie (Orobanchaceae). De soort staat op de Nederlandse Rode lijst van planten als zeer zeldzaam en zeer sterk in aantal afgenomen. De soort komt in Frankrijk met uitzondering van het Middellandse Zeegebied overal voor. De plant komt ook elders in Europa voor zoals in Duitsland en Oostenrijk.
Frans : Euphraise glanduleuse Duits : Wiesen-Augentrost
Beklierde ogentroost is een halfparasiet op grassen en cypergrassen. De wortels van de plant onttrekken water en zouten aan de wortels van andere planten, maar de plant is zelf in staat tot fotosynthese.
De plant komt voor in grasland op kalkhoudende grond.
Beklierde ogentroost - bloem auteur : Michael H. Lemmer CC 3.0
Beklierde ogentroost is een eenjarige plant, die 10-25 cm hoog wordt en bezet is met veel lange klierharen. De plant bloeit van mei tot september met witte bloemen die vaak een lichtpaarse bovenlip en een gele vlek op de onderlip hebben.
De beklierde ogentroost wordt bij oogontstekingen, maar ook bij hoofdpijn en maagpijn gebruikt.
De beklierde duizendknoop (Persicaria lapathifolia, basioniem: Polygonum lapathifolium) of knopige duizendknoop is een algemeen voorkomende, eenjarige plant uit de duizendknoopfamilie (Polygonaceae). De plant komt van nature voor in Eurazië.
Engels : Pale Persicaria, Kellogg's Knotweed, Curly-top knotweed, Dock-leaved smartweed, Dock-leaf Smartweed, Heart's-ease, Water smartweed, Nodding smartweed Frans : renouée à feuilles d'oseille of renouée à feuilles de patience Duits : Ampferknöterich, Ampfer-Knöterich
Beklierde duizendknoop auteur : Olaf Leillinger CC 2.5
De plant wordt 0,1-1,2 m hoog en wortelt vaak aan de onderste knopen. De bladeren zijn 2,5-9 cm lang, groen, lancetvormig en gaafrandig met soms in het midden een donkere vlek. Op de onderkant van het blad zitten ronde, gele kliertjes, waaraan de plant haar naam te danken heeft. Op de stelen van de bloeiwijze zitten geen klieren. De stengelomvattende, vliezige steunblaadjes zijn vergroeid tot een tuitje.
Er wordt soms onderscheid gemaakt tussen ondersoorten, de beklierde Persicaria lapathifolia subsp. lapathifolia en de viltige Persicaria lapathifolia subp. pallida. Bij deze laatste zijn de onderste vijf tot zeven bladeren behaard.
De witte, groenachtige of roze bloemhoofdjes zijn in schijnaren gerangschikt en bloeien van juni tot in oktober.
Beklierde duizendknoop lijkt veel op perzikkruid (Persicaria maculosa), maar onderscheidt zich door de hangende schijnaren en kliertjes op de onderkant van de bladeren.
De vrucht is een nootje.
Beklierde duizendknoop foto : Kristian Peters CC 3.0
De plant komt in West-Europa algemeen voor op akkerland, braakliggende gronden, in bermen langs wegen en oevers en in plantsoenen.
De behaarde boterbloem (Ranunculus sardous Crantz.) is een plant uit de ranonkelfamilie (Ranunculaceae). De soort groeit op vochtige, zeer voedselrijke graslanden en akkers.
Duits : Raue Hahnenfuß of de Sardische Hahnenfuß
Behaarde boterbloem auteur : Kristian Peters -- Fabelfroh CC 3.0
De plant lijkt op de knolboterbloem (Ranunculus bulbosus L.) maar heeft geen knol. De bloempjes zijn kleiner en bleker geel dan de vorige. De kelkbladen zijn teruggeslagen tegen de bloemsteel. Het best te onderscheiden is de plant aan de vruchtjes, deze hebben aan één zijde een rij knobbeltjes. De bloeitijd loopt van mei tot augustus.
Behaarde boterbloem
Het areaal van deze plant is Europa en Noord-Afrika. In Noord-Amerika is de plant geïntroduceerd. In Vlaanderen is de plant algemeen, behalve in de Kempen.
Er zijn meer dan duizend soorten en Begonia is daarmee een van de omvangrijkste geslachten uit de plantenwereld.
Van oorsprong komen begonia's uit vochtige, warme gebieden in een bosrijke omgeving. Er bestaan zowel eenjarige als overblijvende soorten, groenblijvende en bladverliezende soorten. Er zijn zelfs klimmende varianten.
Begonia's hebben vrouwelijke en mannelijke bloemen. De vrouwelijke bloemen zijn herkenbaar aan de driehoekige verdikking onder de bloemen (het vruchtbeginsel).
De naam werd gegeven ter ere van Michel Bégon, een voormalig gouverneur van de Franse kolonie Haiti.
Wie van een onderhoudsvriendelijk terras of balkon droomt en hiervoor niet te diep in zijn geldbuidel wil tasten, moet beslist eens denken aan begonia’s. Met een minimum aan moeite geeft deze vrolijke bloeier vijf maanden vreugde en kleur aan je huis. De keuze in het assortiment is bovendien zo ruim dat je eindeloos kunt variëren.
verschillende type's bladeren
De kwekers zijn nog steeds op zoek naar nieuwe variëteiten. “In’ zijn op dit moment de pastelkleurige hangende begonia’s . De modekleuren zijn zalm, roze en abricoos. Ze worden vooral in hanging baskets gebruikt.
Ook gegeerd zijn de tweekleurige Picotee. Het zijn veelbloeiende knolbegonia’s met een anderskleurige bloemrand . De kleur van de voor- en achterkant van de bloemblaadjes verschilt bovendien.
Combineren : modern groeperen en plezierig tuinieren
Begonia’s zijn op zichzelf prachtige bloemen. Ze brengen kleur in gelijk welke tuin of terras en het rijke assortiment zorgt voor de nodige afwisseling in kleur, bloemvorm, bladgrootte en bloei.
Je kan de bloemen ook combineren met andere planten of bloemen. Gezien de weelderigheid van de bloei, is de combinatie met “fijnere” planten het meest aangewezen.
Enkele voorbeelden :
-groepjes van drie of meer grootbloemige dubbele of kroezelvormige (Fimbiata’s) begonia’s voorzien van tusseninaanplanten van fijnwit (Alyssum), blauwe Ageratum, overvloedig bloeiende gele Mimulis of zilverbladerige Cineraria maritima. Het betreft eenjarige planten die vlot verkrijgbaar zijn in tuincentra.
-Begonia’s omboorden met of combineren met zilverplantjes, blauwe Salvia en witte tabak Nicoteana.
-Kleinbloemige begonia’s komen het best tot hun recht te samen met fijne Alyssum of witte Chrysanthenum pa
De beenbreek (Narthecium ossifragum) is een plant uit de familie Nartheciaceae. Het is een zeldzame plant van venige heidevelden, met name aan de rand van beekdalen en ook wel op blauwgraslanden. De soort staat op de rode lijst in Nederland en Vlaanderen.
Duits: Beinbrech, ook Moorlilie, Ährenlilie of Gelbe Moorlilie Engels: bog-, Lancashire- of bastard asphodel Frans: Narthécie des marais, ook Narthécie brise-os, Narthécie ossifrage.
Narthecium ossifragum
Het is een 10 a 30 cm grote overblijvende plant uit de leliefamilie. Zijn heldergele bloemen en doorgaans massale optreden maken de plant in de bloeitijd (juni-augustus) volstrekt onmiskenbaar. Ook in het najaar geldt dat vanwege de grote, oranjerode doosvruchten.
oranjerode doosvruchten auteur : Elke Freese CC 3.0
Lange tijd dacht men dat beenbreek botbreuken bij het vee veroorzaakte. Een mogelijke verklaring is echter dat deze plant uitsluitend groeit op zure bodems, waar niet of nauwelijks kalk in zit, terwijl kalk nodig is voor een stevig skelet. Een andere mogelijke verklaring is dat deze plant uitsluitend groeit op een vochtige bodem waar dieren gemakkelijk in weg kunnen zakken en daarbij botbreuken op kunnen lopen.
De beemdooievaarsbek (Geranium pratense) is een vaste plant uit de ooievaarsbekfamilie (Geraniaceae). De plant komt van nature voor in West-Europa en in Azië, waar het verspreidingsgebied loopt tot West-China.
Duits: Wiesen-Storchschnabel Engels: Meadow Cranesbill Frans: Géranium des prés
beemdooievaarsbek auteur : Algirdas
De plant wordt tot 90 cm hoog. De bloemen zijn meestal blauwpaars, maar kunnen variëren via roze naar wit. Deze worden wel onderscheiden naar :
Geranium pratense (wild, paars/blauw) Geranium pratense forma albiflorum (witte bloemen) Geranium pratense 'Striatum' (cultivar, wit met blauwe vlekken)