De boomklever (Sitta europaea) is het enige lid van de familie boomklevers (Sittidae) in de Benelux.
Boomklevers zijn de enige vogels die met evenveel gemak langs een boomstam omlaag- als omhoogklimmen en daarin onderscheiden ze zich met name van spechten en boomkruipers die alleen omhoogklimmen langs boomstammen.
Bovendien gebruiken spechten hun staart om op te steunen en dat doet de boomklever niet.
De boomklever is een korte, dikke en actieve vogel met een krachtige puntige snavel.
Hij is vrijwel in geheel Europa een tamelijk algemene standvogel.
De opvallende en helder klinkende roep is vaak de eerste aanwijzing van zijn aanwezigheid.
In de winter is hij een geregelde bezoeker van tuinen waarin pinda's worden aangeboden.
De habitat is licht loof- en gemengd bos met ondergroei, vooral met oude en hoge bomen.
Ook in parken en lanen en in de winter ook op de voedertafel.
Op het menu staan veel insecten, zaden, noten, vruchten, graan en bessen.
Harde noten zet hij tussen het boomschors vast en hamert ze dan van bovenaf stuk.
Grotere insecten worden met de snavel in stukjes geknipt.
De boomklever legt ook voorraden aan.
Verspreiding over geheel Europa met uitzondering van Ierland, Schotland en het grootste deel van Scandinavië.
Het is een vrij talrijke broedvogel in Nederland en Vlaanderen.
Rond de laatste eeuwwiseling is de boomklever meer te zien in de buurt van bebouwing.
Hij begint een beetje een cultuurvolger te worden, zoals rond 1900 ook de merel in de buurt van mensen begon te komen.
De Nederlandse populatie heeft zich tussen 1990 en 2005 bijna verdubbeld.
De boomklever is hoofdzakelijk een standvogel.
Het verspreidingsgebied beslaat grote delen van Europa, noordwestelijk Afrika en delen van Azië, voornamelijk het zuiden en zuidoosten tot in Japan.
Boomklever - niet mensenschuw
auteur: Pawel Kuzniar CC 3.0
Een helder fluitend 'twiet-twiet-twiet' en een meesachtig 'tsit'.
Bij opwinding een schel trillend 'tirr'.
De zang is een luid 'tuwiehe-tuwiehe', ook wel omschreven als een kwelend 'tu-tu-tu' (dat enigszins aan de zang van een nachtegaal doet denken).
Deze zang gaat over in 'kwie-kwie' en haastig 'twet-twet-twet'.
Aan zijn zang kan de boomklever eenvoudig worden herkend.
De boomklever klimt en daalt schoksgewijs langs de boomstam, zonder op zijn staart te steunen.
De Scandinavische ondersoort heeft aan de onderzijde lichtere en zelfs geheel witte onderdelen.
De vlucht van deze gedrongen dikke vogel is golvend en snel terwijl de korte staart in het midden zwart is.
Buiten de broedtijd bevindt de boomklever zich wel in gezelschap van mezen.
De bonte vliegenvanger (Ficedula hypoleuca) is een zangvogel uit de familie van vliegenvangers (Muscicapidae).
Net als de grauwe vliegenvanger zit ook de bonte vliegenvanger vaak in een rechtopzittende houding op een open uitkijkpost van waaruit op insecten gejaagd wordt.
De vogel vliegt op om langsvliegende insecten te vangen en keert vervolgens weer terug op het vertrekpunt.
Engels : Pied Flycatcher Duits : Trauerschnäpper Frans : Le Gobe-mouche noir, Gobemouche noir
Een bonte vliegenvanger
auteur: Simon Eugster CC 3.0
Bonte vliegenvangers zijn in Nederland en België minder talrijk dan de grauwe vliegenvanger.
Hun voornaamste leefgebieden zijn Scandinavië, het voormalig Oostblok en Spanje.
In Nederland zijn naar schatting 14 000 tot 18 000 broedparen.
De bonte vliegenvanger broedt in holen, maar bij gebrek aan geschikte plekken doen ook nestkasten dienst als nestgelegenheid.
De broedtijd bedraagt 12 à 13 dagen en na 14 à 16 dagen verlaten de jonge vogels het nest.
bonte vliegenvanger met een hapje
auteur: W. Pompert
De Bonte Vliegenvanger is een schaarse soort in Vlaanderen en is bijna volledig gebonden aan de bossen in de Noordelijke- en Oostelijke Kempen en in mindere mate aan die in de Voerstreek.
Elders in Vlaanderen is de soort zeldzaam.
De atlasblokken met mogelijke broedgevallen buiten het kernverspreidingsgebied in de Kempen duiden waarschijnlijk op doortrekkers die tijdelijk een zangpost bezet hebben.
De trefkans is groot aangezien mannetjes na de aankomst in de broedgebieden fel beginnen zingen en dat, naargelang al dan niet een vrouwtje wordt aangetrokken, wekenlang kunnen volhouden.
De Vlaamse populatie kan, na sommatie van de aantallen en schattingen, geraamd worden op 600-1000 broedparen.
Deze vogel komt voor in half open bosgebieden, cultuurland, tuinen en mangrovebossen in Brunei, India, Indonesië, Maleisië, de Filipijnen, Singapore en Thailand.
bonte triller bezig met een maaltijd
opmerking van de auteur : hij wrijft de rups eerst langs de takken om de haartjes te verwijderen
auteur: William IP
Er zijn nog maar weinig beschrijvingen van deze soort, maar gezien het grote verspreidingsgebied lijkt hij niet echt kwetsbaar te zijn voor lokale omstandigheden zoals boskap.
De aantallen variëren wel sterk naargelang de wijzigingen in de omgeving en moet daarom plaatselijk worden opgevolgd.
De bonte tok (Tockus fasciatus) is een neushoornvogel die voorkomt in Afrika, met name in Zambia en Angola.
Het is een grote vogel tot 54cm.
Een spanwijdte van ± 65cm en een gewicht tot 270gr.
De sexe zijn gelijk, maar het vrouwtje heeft een kleinere helm.
Engels : African Pied Hornbill Duits : Elstertoko Frans : Le Calao longibande
Een bonte tok in gevangenschap
auteur: John Hritz CC 2.0
De bonte tok is een omnivoor en eet zowel fruit als insecten en andere kleine diertjes zoals vliegende termieten, hagedissen, motten en hun larven, nestvogels en muizen.
De bonte tok is een boombewoner en is vooral aangetrokken tot de oliepalmboom.
Bonte tokken zijn holenbroeders.
Het nest, dat bestaat uit allerhande plantaardig materiaal, wordt gemaakt in een holte in een boom.
De ingang van het nest wordt vrijwel helemaal dichtgemetseld, zodat er alleen een smalle spleet overblijft.
Het vrouwtje blijft op het nest, terwijl het mannetje haar voedsel brengt.
De tijd van het jaar dat deze tokkensoort broedt, is afhankelijk van waar ze voorkomen. In Senegal en Gambia broeden ze in augustus, in Liberia van december tot februari, in Ivoorkust van november tot januari, in Ghana van januari tot april en in Nigeria broeden ze van april tot januari.
bonte tok in Gambia
auteur: Ben Nagtegaal
De vlucht van de bonte tok is golvend.
Hij maakt zich vooral opmerkzaam door zijn pii-pii-pii-pii-roep.
Ze leven over het algemeen in kleine groepjes van 3 tot 5 vogels, maar tijdens het broedseizoen kan dit oplopen tot een groep van 10 a 20 vogels.
Samen zoeken ze dan naar voedsel.
De bonte strandloper (Calidris alpina) is een vogel uit de familie van snipachtigen (Scolopacidae).
De bonte strandloper broedt in hoog- en laaggelegen gebieden in vochtige graslanden of op de toendra.
Er worden tien ondersoorten onderscheiden waarvan er één, de zuidelijke bonte strandloper (Calidris alpina schinzii), een heel enkele keer in Nederland broedt.
Engels : Dunlin Duits : Alpenstrandläufer Frans : Bécasseau variable
De bonte strandloper is een kleine steltloper, met een lengte van 17 tot 21 centimeter.
Dit is ongeveer zo groot als een spreeuw. De snavellengte van de bonte strandloper is variabel.
De nominaatvorm, Calidris alpina alpina uit Noord-Europa en Noord-Rusland heeft een vrij lange, omlaaggebogen snavel.
De ondersoort zuidelijke bonte strandloper (Calidris alpina schinzii) heeft een vrij korte en rechte snavel.
Deze ondersoort broedt in het noorden van het Verenigd Koninkrijk en Ierland en het Oostzeegebied.
De bonte stern kan moeilijk met een andere stern verward worden behalve met de kleinere brilstern.
De rug van de bonte stern is donkerder, het wit op het voorhoofd is breder en de witte nekband van de brilstern ontbreekt.
Er bestaan naast de zuidelijke bonte strandloper nog acht andere ondersoorten van de bonte strandloper.
bonte strandlopers in zomerkleed
auteur: Sannse CC 3.0
De zuidelijke bonte strandloper is in Nederland als broedvogel uiterst schaars.
Mogelijk was de vogel in de 19e eeuw een regelmatige broedvogel.
Tussen 1980 en 1998 zijn er hoogstens acht keer aanwijzingen voor een broedgeval gerapporteerd.
Omdat het een uiterst schaars en onregelmatige broedvogel is in een kwetsbare biotoop, is de zuidelijke bonte strandloper in 2004 als verdwenen op de Nederlandse rode lijst gezet.
In Nederland en België komen bonte strandlopers zeer talrijk voor op trek en in de winter.
De soort is dan vooral aan te treffen in de kustgebieden en in veel kleinere aantallen ook in moerasgebieden in het binnenland.
De grootste aantallen bevinden zich op moddervlakten van getijdengebieden.
Tien- tot honderdduizenden zijn er in maart tot en met mei en in augustus tot en met november in het Waddengebied, maar dan aanmerkelijk minder in het Deltagebied.
In de wintermaanden is dat omgekeerd, dan zijn ze vooral in het Deltagebied aanwezig en in aanmerkelijk lagere aantallen in het Waddengebied.
Het is een grote stern, in formaat zelfs vergelijkbaar met de grote stern, 33-36 cm lang met een spanwijdte van 82-94 cm.
De vleugels en de diep gevorkte staart zijn lang en de vogel heeft grijze bovendelen en witte onderdelen.
De snavel en poten zijn zwart.
Juveniele bonte sterns zijn vaal grijs zowel van boven als onder.
De bonte stern kan moeilijk met een andere stern verward worden behalve met de kleinere brilstern.
De rug van de bonte stern is donkerder, het wit op het voorhoofd is breder en de witte nekband van de brilstern ontbreekt.
bonte stern op het nest
auteur: Photography by Dino Sassi - Marcel Fayon, Photo Eden LTD - vrije foto
De bonte stern is een trekvogel met een verspreid leefgebied, die meestal overwintert boven de tropische oceanen.
In vergelijking met andere sterns wordt een veel groter deel van de tijd op volle zee doorgebracht.
Bonte sterns broeden in kolonies op rots- of koraaleilanden.
Het nestelt op de grond in een holletje en legt een tot drie eieren.
Het foerageren geschiedt door, vaak in grote groepen, vis op te pikken van het wateroppervlak.
De soort is een zeldzame dwaalgast in West-Europa.
Bonte muskaatduif
auteur: Adrian Pingstone vrije foto
De bonte muskaatduif is een grote duivensoort.
Mannetjes en vrouwtjes lijken sterk op elkaar.
De bonte muskaatduif is geheel wit, met uitzondering van de vleugels die grotendeels zwart zijn net als het laatste derde deel van de staart.
De snavel is blauwachtig grijs met een zwart puntje.
De ogen zijn bruin.
De huid rond de ogen en de poten zijn blauwachtig grijs.
De bonte muskaatduif wordt inclusief staart zo'n 38 centimeter en heeft een vleugellengte van 23 centimeter.
bonte muskaatduif
auteur: Fir0002/Flagstaffotos CC 1.2
De bonte muskaatduif komt voor in regenwouden, eucalyptus bossen, struikgewas aan de kust, kreeken, rivieren, mangroven en kleine eilanden voor de kust.
Muskaatduiven plukken vruchten van de bomen.
Het opvallende aan deze vogels is, dat ze relatief zeer grote vruchten met flinke pitten in hun geheel doorslikken.
Men heeft in hun spijsverteringskanaal vruchten met pitten van 30 x 50mm gevonden.
Onder andere muskaatnoten worden door deze duiven gegeten. Vandaar hun naam.
De rommelige gebouwde nesten van deze vogelsoort zijn te vinden in de bomen op zo'n 10 tot 25 meter hoogte.
De bonte muskaatduif legt één enkel ei dat wordt uitgebroed in zo'n 23 tot 25 dagen.
Het jong vliegt na nog eens drie weken uit.
Bonte kuifarend in het Darién National Park (Panama)
auteur: Mdf CC 3.0
De volwassen bonte kuifarend is herkenbaar aan de grote kuif en een bruine verenkleed: de rug is donkerbruin, terwijl de kop en de nek kastanjebruin gekleurd zijn.
De onderzijde van het lichaam en delen van de staart en vleugels zijn lichtgrijs of wit van kleur.
Zowel de vleugels als de staart zijn lang en breed en zo erg geschikt voor het leven in de bossen.
Bossen en aangrenzend open land vormen de habitat van de bonte kuifarend.
Ook in bergbossen tot 1500 m hoogte komt deze arend voor, hoewel hij daar minder algemeen is dan elders.
De bonte kuifarend is een vrij algemene roofvogel die een solitair leven leidt.
Alleen in de broedtijd worden paartjes gevormd.
Bonte kuifarend in het Rio das Furnas Reserve (Brazilië)
auteur: Renato Rizzaro op IBC
Vogels tot de grootte van kwartels, papegaaien en kleine reigers vormen het belangrijkste deel van het voedselpakket van de bonte kuifarend.
Ook kleine boombewonende zoogdieren en reptielen worden gevangen.
Deze soort jaagt meestal vanaf een zitplaats op een uitstekende tak.
Het nest van de bonte kuifarend bevindt zich in een hoge boom en is opgebouwd uit takken.
De draagtijd bedraagt circa 48 dagen.
Lengte: 58 tot 68 cm. en een gewicht van ca.950 tot 1700gr.
Vrouwelijke dieren zijn groter dan de mannetjes.
De bonte kraai (Corvus cornix) is een kraaiensoort die in de Benelux als wintergast kan worden waargenomen.
Het aantal overwinterende bonte kraaien in Nederland en België is de afgelopen decennia sterk verminderd.
Tot voorkort werden de bonte kraai en het nauw verwante familielid, de zwarte kraai, als één soort beschouwd.
Geografisch gezien hebben beide soorten een verschillende verspreiding, die elkaar echter over een zone van ongeveer 150 kilometer breedte overlappen.
De bonte kraai is zeer nauw verwant aan de zwarte kraai.
Rond de Elzas, waar beide soorten voorkomen, wordt tussen beide soorten gebroed.
Engels : Hooded Crow, Hoodiecrow, ook lokaal gekend als Scotch Crow, Danish Crow, en Corbie of Grey Crow in Ierland Duits : Nebelkrähe Frans : La Corneille mantelée
De bonte kraai komt voor in Ierland, Schotland, Scandinavië en in grote delen van Midden-, Zuid- en Oost-Europa.
In West-Europa ontbreekt de soort als broedvogel.
Naast het typerende kraaiengeluid dat ook deze soort maakt is deze soort in staat tot het voortbrengen van een ander typerend geluid.
Dit geluid wordt meestal gebruikt bij het landen om andere soortgenoten kennis te maken van zijn/haar aanwezigheid.
Vanwege dit typische geluid heeft deze kraai in Italië de bijnaam Corvus Oreiaoechie, vrij vertaald : Oerieoekiekraai.
nest met eieren van de bonte kraai
auteur: Bugaga CC 2.0
Bonte kraaien kunnen in allerlei habitats aangetroffen worden, maar houden zich vooral in het buitengebied op, waar ze zoeken naar beschikbaar voedsel op akkers, langs wegen en spoordijken, en op tal van andere plaatsen.
Bonte kraaien zijn alleseters en opportunisten. Insecten, aas, kleine zoogdieren, slakken en aangespoelde zeedieren worden gegeten. Ook menselijk afval wordt graag uitgeplozen in de hoop iets eetbaars te vinden, hetgeen vaak goed lukt.
De aantallen bonte kraaien in Nederland nemen sterk af.
Gebleken is dat bonte kraaien uit Scandinavië steeds noordelijker blijven overwinteren en daardoor Nederland niet meer zo vaak bereiken als decennia geleden.
In Nederland worden overwinterende bonte kraaien vooral in de noordelijke provincies gezien.
Tegenwoordig gaat het vooral om solitaire vogels, waar voorheen groepen zwervende bonte kraaien waargenomen konden worden.
In Vlaanderen worden slechts af en toe solitaire vogels waargenomen.
Bron : Wikipedia CC 3.0
Vogelbescherming.nl
Waarnemingen.be
tinternet
De bonte klauwierkraai is meestal standvastig, maar sommige populaties die in hoger gelegen gebieden wonen trekken in de koude winterperiodes toch naar het laagland.
De bonte klauwierkraai is een omnivoor, hij leeft van allerlei bessen en zaden, ongewervelden, vogeleieren en ook jonge vogels staan op het menu.
Deze vogel lijkt wel enigszins op de zwartrugfluitvogel (Australian Magpie) en de Butcherbirds.
bonte klauwierkraai / ondersoort nebulosa
auteur: Fir0002/Flagstaffotos CC 1.2
De bonte klauwierkraai komt voor zowel in het regenwoud, bosgebieden, velden en stadsranden.
In de jaren '40 en '60 werd hij in de wintermaanden wel eens opgemerkt in de steden Sydney en Canberra.
Tegenwoordig verblijven ze er het ganse jaar door en ze broeden er zelfs.
Het is ondertussen een domminante soort in de parken van Sydney.
Ondertussen komen ze ook voor in zuid-oost Queensland, tot in Brisbane.
Er zijn geen recente cijfers bekend, maar een rapport uit 1992 vermeld dat hun aantal van 3 miljoen in 1960 was verdubbeld to 6 miljoen in 1990.