Naar de inhoud

Wie Weet

bloggen om te leren
waaroemni-805px.png

Categorie: geschiedenis

Dienstplicht

Dienstplicht
achtergrondafbeelding 5 februari
Dienstplicht

De dienstplicht of militaire dienst, in de middeleeuwen heerban genoemd, is de verplichting tot het tijdelijk vervullen van werkzaamheden door (een deel van) de bevolking.
Meestal wordt de term dienstplicht gebruikt voor de militaire dienstplicht, waarbij jonge mensen (in de meeste landen alleen mannen) een tijdlang verplicht deel uit maken van de krijgsmacht.
Beroepsmilitairen spreken over zichzelf als in dienst ofwel in militaire dienst.
Men kan dienstplicht zien als een belasting in natura.

Tot 1909 bestond het Belgisch Leger uit vrijwilligers en lotelingen, de conscriptie.
In 1909 werd de dienstplicht voor één zoon per gezin ingevoerd, op 30 augustus 1913 de algemene dienstplicht.

Na de Tweede Wereldoorlog vervulden vele dienstplichtigen hun legerdienst bij de Belgische strijdkrachten in Duitsland.
Om de dienstplichtige soldaten te ondersteunen had onder andere de Katholieke beweging het sociaal netwerk "Milac" uitgebouwd
Vanaf 1963 konden gewetensbezwaarden een burgerdienst vervullen.
In 1994 werd de dienstplicht onder minister Leo Delcroix opgeschort en worden er geen dienstplichtigen meer opgeroepen.
Op 5 februari 1995 zwaaiden de laatste dienstplichtigen af.

artikel gedeeltelijk overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron :
  - Wikipedia    CC 3.0
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door waaroemni om 14:20 Reageer op dit bericht

Wilhelm Gustloff (schip)

Wilhelm Gustloff (schip)
achtergrondafbeelding 30 januari
Wilhelm Gustloff (schip)

De Wilhelm Gustloff was een Duits passagiersschip van de Nationaalsocialistische organisatie Kraft durch Freude (KdF).
Het schip was genoemd naar Wilhelm Gustloff, de vermoorde Duitse leider van de Zwitserse nazipartij.

De ondergang van de Wilhelm Gustloff op 30 januari 1945 is de grootste scheepsramp uit de geschiedenis.

De Wilhelm Gustloff werd gebouwd door Blohm & Voss en werd op 5 mei 1937 te water gelaten als cruiseschip voor de KdF-organisatie Kraft durch Freude.
Tussen 1937 en 1939 was het voor dit doel in gebruik.
In 1939 en 1940 werd het vaartuig ingezet als hospitaalschip.
Daarna diende het gedurende het grootste deel van de Tweede Wereldoorlog als onderkomen voor U-boot bemanningen in de haven van Gotenhafen.

Onder dreiging van het oprukkende Rode Leger kreeg de Wilhelm Gustloff de taak om vluchtelingen en gewonde Duitse soldaten uit Oost-Pruisen te evacueren naar de Duitse havenstad Kiel.
Op 30 januari 1945 voer het schip uit, vanuit de haven van Gotenhafen.
Militair commandant Wilhelm Zahn wilde de kans op een aanval door een onderzeeër verkleinen en adviseerde kapitein Friedrich Petersen om dicht bij de kust te blijven, in ondiep water, en geen navigatieverlichting te voeren.
Petersen zette echter koers naar diep water, en liet de navigatieverlichting inschakelen toen bleek dat een Duits konvooi van mijnenvegers onderweg was.
Diezelfde avond werd de Gustloff ontdekt door de sovjetonderzeeboot S-13, die het schip op 30 kilometer voor de Oostzeekust tussen Wladyslawowo en Leba met drie torpedo's trof.
De Gustloff zonk in slechts 45 minuten.

Hoeveel passagiers er aan boord waren, is niet exact bekend.
Naar schatting waren er in ieder geval 50% meer mensen aan boord dan het aantal waarvoor capaciteit in de reddingsboten beschikbaar was.

Als gevolg van de torpedo-explosies was er grote paniek aan boord.
Veel mensen kwamen terecht in het koude water van de Oostzee.
Met een watertemperatuur van omstreeks 4 graden en een luchttemperatuur van onder de min 10 waren de kansen op overleving gering.
Slechts enkele reddingsboten werden met succes in het water neergelaten. De overlevenden, onder wie Zahn en Petersen, werden opgepikt door Duitse schepen die zich in de nabijheid bevonden.
Naar het optreden van Zahn werd door de Kriegsmarine een officieel onderzoek ingesteld, dat echter niet meer kon worden afgerond door de ineenstorting van het naziregime.

Van de naar schatting vijf- tot zevenduizend vluchtelingen en meer dan duizend soldaten en zeelieden aan boord overleefden slechts 1239 personen de ramp (volgens andere bronnen 966).
De meest recente en geaccepteerde schatting gaat uit van ruim 9000 slachtoffers.
Daarmee is de ondergang van de Wilhelm Gustloff de grootste scheepsramp in de geschiedenis, in termen van slachtoffers afkomstig van één vaartuig.

Het schip zonk op 55º 07' noorderbreedte en 017º 41' oosterlengte.
Deze locatie is een officieel oorlogsmonument en is verboden gebied voor duikers en scheepsbergers.

artikel gedeeltelijk overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron :
  - Wikipedia    CC 3.0
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 04:11 Reageer op dit bericht

Slag om de Ardennen

Slag om de Ardennen
achtergrondafbeelding 25 januari
Slag om de Ardennen

De Slag om de Ardennen (of het Ardennenoffensief) was het laatste grote offensief van het Duitse leger aan het westfront in de Tweede Wereldoorlog.

De slag vond plaats van 16 december 1944 tot 25 januari 1945 en werd gewonnen door de geallieerden.

In de Engelstalige wereld staat deze strijd bekend onder de naam Battle of the Bulge, zo genoemd vanwege de vorm van de frontlijn (een uitstulping of zak).

artikel gedeeltelijk overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron :
  - Wikipedia    CC 3.0
Hoe vind je dit bericht? 1 stem
Geschreven door waaroemni om 00:36 1 reactie Reageer op dit bericht

Buchephalus

Bucephalus
buc
B     b    B     b    21  c 3
Bucephalus

Bucephalus (Nederlands voorheen Bucefaal; Grieks: Βουκέφαλος; Boukefalos) was het paard van Alexander de Grote.

De naam betekent koeienkop en is een samentrekking van Griekse woorden βούς koe, en κεφαλή hoofd.
Hij is waarschijnlijk zo genoemd naar zijn voor Thessalische paarden gebruikelijke brandmerk van een koeienkop.
Het dier zou afstammen van de mensenetende paarden van Diomedes die werden getemd door Herakles als een van diens twaalf werken.

Engels : Bucephalus, Bucephalas
Duits : Bukephalos
Frans : Bucéphale

1322429-81bb78292957721cf2a4a4977f2b22df.jpg
Standbeeld van Alexander de Grote met Bucephalus, Edinburgh
auteur : Stefan Scäfer, Lich    CC 3.0

Volgens sommige bronnen zou het dier tot het Akhal-Teke-ras behoord hebben

Toen Bucephalus was gestorven stichtte Alexander te zijner nagedachtenis de stad Bucephala, waarschijnlijk het huidige Jhelum, in de Punjab (Pakistan).


1322429-b30949af99f5d7be95656f38e46053f0.jpg
Detail van het Alexander mozaiek
Alexander de Grote met Bucephalus
auteur : Ruthven  -  vrije foto

De legende vertelt dat Bucephalus oorspronkelijk was gekozen om het strijdros van Alexanders broer te worden.
De dag dat het paard werd voorgesteld aan de mensen, bleek het paard onbenaderbaar.
Steeds opnieuw rende het weg, viel het de ruiters aan, als er dan iemand op het paard geraakte, werd hij er meteen afgesmeten.
De legende zou de legende niet zijn als Alexander niet de grote held van de dag zou worden.
Hij had immers gezien dat het paard schrik had van de schaduwen die bewogen op de grond.
Hij liet het paard zich dus met het hoofd naar de zon draaien en kon het wel benaderen.
Omdat zijn vader en zijn broer zo onder de indruk waren, werd Bucephalus de trouwe metgezel van Alexander.

Bucephalus stierf gedurende de slag bij de Hydaspes.
Alexander de grote stichte voor hem de stad Bucephala.


1322429-82d562118c6e4fc45d0ee2f19dcfab23.jpg
Bronzen muntstukken uit Macedonië met afbeelding van Bucephalus
auteurs : Classical Numismatic Group, Inc.    CC 3.0

Één van de paarden in de groep standbeelden op het Piazza del Quirinale op het Quirinaal te Rome is naar hem vernoemd.

Er wordt verteld dat Bucephalus een afstammeling zou zijn van de beroemde paarden van Diomedes die getemd werden door Herakles.

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 14:12 1 reactie Reageer op dit bericht

Bucchero

Bucchero
buc
B     b    B     b    21  c
Bucchero

Bucchero is in de klassieke archeologie en etruscologie de benaming voor Etruskisch (doorgaans) zwartkleurig aardewerk met metaalachtige glans uit de 7e, 6e en 5e eeuw v.Chr.
Het bucchero was een Etruskische vinding en een belangrijk exportproduct, gezien de vele vondsten van bucchero buiten Etrurië.
Het werd onder andere verhandeld naar Zuid-Frankrijk, Carthago, Magna Graecia, Griekenland en Egypte.
De oudste exemplaren stammen uit het kustgebied van Zuid-Etrurië, in het bijzonder uit Cisra (het huidige Cerveteri), en dateren van ca. 675 v.Chr.
Ouder aardewerk vertoont wel al enige overeenkomsten met het latere bucchero, maar men spreekt dan eerder van buccheroïde impasto.
Later ontstaan ook productiecentra meer in het noorden en het binnenland van Etrurië (Clevsin en Velzna).
De productie van bucchero eindigt in de 5e eeuw v.Chr.

Engels : Bucchero
Duits : Bucchero
Frans : Le bucchero

1320840-b6e4569da2503d550ca9133951f56620.jpg
Een Etruskische kantharos afkomstig uit de necropolis van Osteria dell'Osa.
Rome, Museo Nazionale Romano.
foto : Jastrow  -  vrije foto

In de 18e en 19e eeuw toonde men in Europa veel belangstelling voor een bepaald type Precolumbiaans aardewerk in een zwarte kleur.
Deze keramiek werd derhalve in groten getale vanuit Zuid-Amerika naar Europa verscheept, waar het werd verhandeld en door de lokale serviesfabrieken werd geïmiteerd.

Het aardewerk had de reputatie een onaangename geur te verspreiden en kreeg al gauw de Spaanse naam bucáro ("naar bok riekend").
In dezelfde tijd heerste in Italië een ware etruscheria en werden in Toscane en Umbrië grootscheepse "opgravingen" georganiseerd in de zoektocht naar Etruskische antiquiteiten.

Wegens de overeenkomsten met het populaire Zuid-Amerikaanse keramiek werd het opvallende zwarte aardewerk dat in Etruskische tombes werd aangetroffen bucchero genoemd.
Deze veritaliaanste vorm raakte in de archeologische terminologie ingeburgerd en ook vandaag de dag is de aanduiding bucchero nog algemeen gebruikelijk in de wetenschappelijke literatuur.


1320840-c8ca979b2e6409892b0255ebb1ffe4ed.jpg
Etruskische kalyx (drinkkelk) op hoge voet met gestempelde decoratie.
Herkenbaar zijn antropomorfe en florale motieven.
Begin 6e eeuw v.Chr. Parijs, Musée du Louvre.
foto : Jastrow  -  vrije foto

Het bucchero-aardewerk werd op het pottenbakkerswiel vervaardigd, een techniek die de Etrusken hadden overgenomen van de Grieken die omstreeks 750 v.Chr. koloniën stichtten aan de Tyrreense kust.
Handvatten werden met de hand gevormd en aan het aardewerk geboetseerd.

Het is nog niet geheel duidelijk hoe de zwarte kleur van het aardewerk werd verkregen.
Zeker is dat de kleur een resultaat is van het bakproces, er is geen sprake van een vernis of iets van dien aard.
Het aardewerk is namelijk ook in de kern zwart(ig), zoals scherven uitwijzen.
Zeer waarschijnlijk werd het aardewerk in een oven met een zuurstofarme atmosfeer gebakken, zodat het in de klei aanwezige ijzer(III)oxide (Fe2O3), aanvankelijk rood, werd omgezet tot het zwarte ijzer(II)oxide (Fe3+2Fe2+O4).
Ook de verbranding van organisch materiaal dat zich al dan niet door toedoen van de fabrikant in de klei en/of oven bevond, heeft bijdragen aan het zwarte uiterlijk van het bucchero.
Het koolstof werd dan tijdens het bakproces door fysiek contact door het aardewerk opgenomen.

Daarnaast lijkt er een verband te bestaan tussen de dikte van het aardewerk en de kleur : dunwandig bucchero (bucchero sottile) is vaak zwarter dan het latere bucchero pesante (dikwandige bucchero), dat dikwijls donkergrijs is van kleur.
Door het aardewerk in lederharde toestand te polijsten (maar waarschijnlijk ook door het aanbrengen van een engobe) kreeg het keramiek een metaalglans.
Vermoedelijk heeft men daarmee servies in brons, dat luxueuzer en duurder was, willen imiteren.
De gemiddelde baktemperatuur lag tussen de 500°C en 600°C.


1320840-4829045f79f3f8face00866bd1925a27.jpg
Etruskische schaal (Metropolitan Museum of Art)
auteurs : Katie Chao en Ben Muessig    CC 2.0

De vormen van het bucchero zijn ontleend aan lokale voorbeelden en aan uit het Oosten geïmporteerd aardewerk.
Duidelijk herkenbaar zijn typische vormen van Griekse keramiek : kantharoi, kylikes, hydriai, pyksides, kyatoi, oinochoai, stamnoi, etc.
Het decoratieve repertoire bestond onder meer uit lineaire en florale motieven die met een scherp boetseerhout in de lederharde klei werden geïnciseerd.

Karakteristiek voor het bucchero-aardewerk is het waaiermotief, dat zeer frequent op het keramiek voorkomt.
In mindere mate zijn zoö- en antropomorfe motieven aangebracht : paarden, herten, honden, geiten, en (kenmerkend voor de oriëntaliserende periode in de Etruskische kunst) mythische wezens als griffioenen en sfinxen.

Vanaf ca. 600 v.Chr. worden decoratieve motieven vooral aangebracht met behulp van stempels.
Hierdoor werd het productieproces versneld en kregen de voorstellingen enig reliëf - ook hierbij heeft men waarschijnlijk de gelijkenis met bronzen vaatwerk (namelijk met decoratie in repoussé-techniek) voor ogen gehad.
Men maakte gebruik van enkele stempels, bijvoorbeeld voor appliques, en van cilindrische rolzegels : met dit in het Nabije Oosten veelvuldig gebruikte instrument kon een afbeelding eindeloos herhaald worden (translatiesymmetrie).
Dit resulteerde in banden op vazen en kelken waarbinnen talloze mens- en dierfiguren elkaar als in een processie opvolgen.
Ook werd het bucchero soms van korte Etruskische inscripties voorzien.
Vaak is dit een wijdingsinscriptie of de signatuur van de artiest.


1320840-d5995b46872803ae7ad425a2e6e0ae1a.jpg
Een Etruskische Bucchero oinochoe afkomstig uit graftombe nr62, necropolis van Osteria dell'Osa.
foto : Jastrow  -  vrije foto

Er kan au fond onderscheid worden gemaakt tussen twee typen buchero: het zogenaamde bucchero sottile en het bucchero pesante.

  • Bucchero sottile (ook wel bucchero leggero) is de benaming voor het oudste bucchero. Het is diepzwart, dunwandig en heeft een mooie glans. Decoratieve motieven zijn veelal geïnciseerd. Dit aardewerk was van hoge kwaliteit en daarmee een luxeproduct. Het ontstond als gezegd in het kustgebied van Etrurië, waar de stad Cisra een belangrijk productiecentrum was. Het bucchero sottile verdween omstreeks 600 v.Chr.
  • Bucchero pesante ontstond rond het begin van de 6e eeuw v.Chr. en werd met name geproduceerd in Clevsin (het huidige Chiusi) en Velzna (Orvieto). Dit aardewerk is dikwandig en heeft (mede hierdoor) een lichtere kleur dan het oudere bucchero sottile. De decoratie van het keramiek geschiedde met behulp van stempels en rolzegels. De productie van bucchero pesante stopte rond 500 v.Chr.

Soms duikt de term bucchero normale op.
Hiermee verwijst men naar het bucchero uit de 6e eeuw v.Chr.
Dit type wordt voorafgegaan door het bucchero sottile en het Bucchero pesante is dan de aanduiding voor de laatste fasen van bucchero tot in de 5e eeuw v.Chr.


1320840-03749bbc0ec7edbc596e9aa864f3a515.jpg
foto op www.neroetrusco.it

Er bestaan verscheidene variëteiten van bucchero.
Naast het bekende zwarte bucchero, in dit kader ook wel aangeduid als bucchero nero, bestaat er grijze (bucchero grigio) en, volgens sommige geleerden, rode bucchero (bucchero rosso).
Het Bucchero grigio is lichtgrijs van kleur (in de kern donkerder) en ontstond later dan het bucchero nero; het is kenmerkend voor de 6e eeuw v.Chr. en later.

Het is niet geheel duidelijk of buccero rosso het resultaat is van een slecht gecoördineerd bakproces (een teveel aan zuurstof in de oven brengt een rode kleur teweeg in het aardewerk) of dat men daadwerkelijk rood aardewerk wilde krijgen.

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 10:51 Reageer op dit bericht

Laocoöngroep

Laocoöngroep
achtergrondafbeelding 14 januari
Laocoöngroep

De Laocoöngroep, ook wel Laocoön en zijn zoons genoemd, is een marmeren beeldengroep uit 40 - 20 v.Chr. die in 1506 werd gevonden in een wijngaard in Rome.
Volgens de Romeinse schrijver Plinius werd de groep gemaakt door Hagesander, Polydorus en Athenodorus van Rodos.
De Laocoöngroep staat nu in de Vaticaanse musea in Vaticaanstad en is een van de pronkstukken van de Vaticaanse collectie.

De Laocoöngroep is een van de beroemdste beeldengroepen uit de Oud-Griekse beeldhouwkunst.
Het beeld stelt de Trojaanse priester en ziener Laocoön met zijn twee zoons, Thymbraeus en Antiphantes, voor.
Het beeld staat in het Museo Pio-Clementino in de Vaticaanse Musea in Rome.
Let vooral op de details (Hellenistisch): de gezichtsuitdrukkingen zijn goed nagebootst.

Het verhaal achter deze afbeelding is dat de Trojaanse priester Laocoön de Trojanen wilde waarschuwen om het paard van Troje niet binnen te halen.
Volgens de overlevering werden de priester en zijn zoons vervolgens gewurgd door slangen van Poseidon.
Uitgebeeld wordt het moment waarop Laocoön en zijn zoons gewurgd worden door twee slangen die gestuurd zijn door Poseidon (of Pallas Athena).

Het beeld stamt uit de laat-hellenistische periode (die liep van ongeveer 350 tot 30 voor Christus).
Tijdens die periode wilden kunstenaars 'echte' mensen weergeven, in plaats van perfecte goden en godinnen.
Ook moesten de kunstwerken emotie en actie uitdrukken, wat in het geval van Laocoön en zijn zoons goed gelukt is.
In het beeld zit een duidelijke driehoekscompositie, die gevormd wordt door de hoofden van de drie figuren.
Het is volledig gemaakt uit marmer en is 184 cm groot.

Nadat het een paar decennia voor Christus was vervaardigd op Rodos, heeft het beeld in Rome gestaan, vermoedelijk zelfs in de Domus Aurea van keizer Nero.
Keizer Vespasianus heeft het beeld ook in zijn bezit gehad.

Op 14 januari 1506 werd de beeldengroep teruggevonden tijdens het omspitten van een wijngaard in Rome, niet ver van Nero's Domus Aurea, en in het Vaticaan geplaatst.
Toen het beeld gevonden werd, ontbraken er enkele stukken : het meest opvallende was het onderste gedeelte van Laocoöns rechterarm, die bij de schouder afgebroken was.
Paus Julius II hield een wedstrijd, door Raphael gejureerd, waarbij men de houding van de arm kon bepalen.
Een uitgestrekte arm won de wedstrijd, alhoewel Michelangelo van mening was dat de arm gebogen achter Laocoöns achterhoofd moest zitten.

De opvolger van Julius II, Paus Leo X, liet het beeld met de uitgestrekte arm door Bandinelli meermalen kopiëren in brons.

Na Napoleon Bonapartes verovering van Italië in 1799 werd de beeldengroep verplaatst naar het Louvre in Parijs.
Daar bleef het, tot Napoleons val in 1813.
Toen zonden de Britten het beeld terug naar het Vaticaan.

In 1957 werd in Rome de originele rechterarm teruggevonden, die inderdaad gebogen was en achter Laocoöns hoofd hoorde.
De uitgestrekte arm werd verwijderd en het origineel herbevestigd.

artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron :
  - Wikipedia    CC 3.0
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 06:41 1 reactie Reageer op dit bericht

Galileo Galilei

Galileo Galilei
achtergrondafbeelding 8 januari
Galileo Galilei

Galileo Galilei (°Pisa, 15 februari 1564 - †Arcetri (Florence), 8 januari 1642) was een Italiaans natuurkundige, astronoom, wiskundige en filosoof.
Hij was hoogleraar in Pisa (1589-1592) en Padua (1592-1610).
In het Nederlands en het Duits, en in de Scandinavische talen, wordt hij meestal aangeduid als Galilei, in de meeste andere Europese talen wordt hij bij zijn voornaam Galileo genoemd.

Galilei werd op 15 februari 1564 geboren in Pisa als oudste zoon van Vincenzo Galilei en Giulia Ammananti.
Zijn vader was een bekend luitspeler-componist en schrijver van muziektheoretische boeken.
In 1574 trok Vincenzo samen met zijn vrouw en vijf jongste kinderen naar Florence, waarbij de tienjarige Galileo achterbleef in Pisa bij, Muzio Tedaldi, schoonfamilie van zijn moeder, een koopman met wie Galilei's vader korte tijd een handel in wol had gehad.
In 1574 voegde Galilei zich weer bij zijn familie in Florence, waar hij werd onderwezen in het Camaldulenzer klooster van Santa Maria van Vallombrosa.
De jonge Galilei werd zo aangetrokken tot het kloosterleven dat hij zelfs een tijdje novice was, totdat zijn vader hem daar weghaalde.
Deze wenste namelijk dat zijn zoon dokter zou worden, zoals een vijftiende-eeuwse voorzaat van de familie Galilei, Galileo Bonaiuti, naar wie Galilei was genoemd.
Het gezin had moeite om rond te komen. Galilei voorzag zijn leven lang in het onderhoud van zijn broers en zussen.

In 1581 zorgde Vincenzo ervoor dat zijn zoon werd ingeschreven aan de faculteit geneeskunde van de Universiteit van Pisa en regelde het zo dat Galilei opnieuw bij Tedaldi kon intrekken.
Buiten de universiteit om maakte hij kennis met de toegepaste wiskunde door de lessen van Ostilio Ricci.
Deze bepaalde soortelijke dichtheden en hield zich bezig met stromende en rustende vloeistoffen, waar later Galilei's eerste onderzoekingen over zouden gaan.
Met hulp van deze Ostilio Ricci overtuigde Galilei in 1583 zijn vader ervan dat hij zich in de wiskunde moest bekwamen
Hij begon ook aan een studie natuurkunde maar moest door geldgebrek na vier jaar stoppen, mede omdat Groothertog Ferdinand hem niet financieel wilde steunen om zijn doctorstitel te halen.

In 1589 werd hem, op voorspraak van zijn beschermheer, markies Guidobaldo del Monte, in Pisa een leerstoel wiskunde aangeboden, die hij aannam.
Naar het schijnt had hij het hier niet erg naar zijn zin; hij ervoer geregeld onenigheden met collega's en het salaris was relatief laag (60 scudi (schilden) per jaar).
Daardoor moest hij bijlessen geven en studenten in huis nemen.
In 1590 publiceerde hij zijn eerste boek De motu (Over beweging).
Hij nam in 1592 ontslag en trok daarna weer in bij zijn ouders.

Na enkele maanden werd hij door de universiteit van Padua aangenomen, waar hij tot 1610 als hoogleraar les gaf in meetkunde, mechanica en sterrenkunde.
Hij zou het hier erg naar zijn zin hebben gehad, en het salaris was aanzienlijk hoger, vooral ook door de bijlessen die hij gaf en de studenten die hij in huis nam.

Hoewel hij katholiek was, leefde Galilei ongetrouwd samen met Marina Gamba, en leefde daarmee in de ogen van de Katholieke Kerk in zonde.
Ze kregen twee dochters en een zoon.
De dochters werden vanwege hun onwettige geboorte - niemand zou hen willen trouwen - naar het klooster San Matteo in Arcetri gestuurd.

In 1610 publiceerde Galilei zijn waarnemingen van de maan, de sterrenhemel, de Melkweg en de manen van Jupiter, allemaal gedaan met behulp van zijn telescoop, in zijn Sidereus Nuncius (Sterrenbode).
Het jaar daarop kwam Galilei naar Rome om aan de Jezuïeten van het Collegio Romano de telescoop te demonstreren.
Hij werd toen ook lid van de Accademia dei Lincei.

Voordat Galilei de telescoop gebruikte voor zijn astronomische waarnemingen had hij deze in ongeveer augustus 1609 voor de Doge van Venetië gedemonstreerd voor oorlogsgebruik.
Anders dan men vooral in Italië nog wel beweert, had Galilei de telescoop niet uitgevonden : hij vond de Hollandse kijker op de markt.
Dit vroege type telescoop was omstreeks 1608 in Middelburg uitgevonden door Lippershey of Sacharias Jansen.

Galilei is de vader van de moderne astronomie.
Op grond van de waarnemingen van Jupiters manen en vooral Venus' fasen kwam Galilei tot de conclusie dat de Zon in het midden van ons zonnestelsel staat.
Eerder dacht men, op grond van wat men zag en op grond van de geschriften van Plato, Aristoteles en later Ptolemaeus, dat de aarde in het middelpunt van het gehele universum stond, en dat de zon, de planeten en alle sterren om de aarde heen draaiden.
Dit was ook de opvatting van de Rooms-Katholieke Kerk.
De nieuwe waarnemingen van Galilei waren in strijd met het toen gangbare geocentrische model van Claudius Ptolemaeus, terwijl ze wel verklaard konden worden met de heliocentrische theorie van Nicolaas Copernicus.

Na een aantal jaren kwam Galilei dan ook in conflict met de Kerk, hoewel hij zelf volhield dat zijn werk slechts een zuiver theoretische beschrijving inhield, en niet in conflict was met de godsdienst, die hijzelf ook aanhing.
Hij meende juist te laten zien hoe doordacht het door God geschapene in elkaar zat.

Galilei werd twee keer onderzocht door de Inquisitie.
De eerste keer werd hij gedwongen afstand te nemen van zijn ontdekkingen.
Galilei hield zich aan deze veroordeling.
Een paar jaar later probeerde Galilei zich toch weer te mengen in de discussie aangaande het heliocentrisme contra het geocentrisme, via een student van hem.
Pas vijf jaar later schreef Galilei weer een boek onder eigen naam, Il saggiatore, de analyticus.

In 1633 was Galilei al een oude man van 69 jaar.
Men zegt dat hij na het vernemen van het vonnis, levenslang huisarrest, de woorden "Eppur si muove!" ("En toch beweegt zij!" - namelijk de aarde om de zon) heeft geroepen.

In oktober 1992 sprak paus Johannes Paulus II een excuus uit, waarmee Galilei's naam werd gezuiverd en Galilei werd erkend als gelovig mens.
Reeds lang voor die tijd was men er in kerkelijke kringen van overtuigd dat Galilei een betreurenswaardige behandeling had gekregen.
In 2008 waren er in het Vaticaan plannen om de rehabilitatie van Galilei kracht bij te zetten door een beeld van hem binnen de muren van Vaticaanstad te plaatsen.
Paus Benedictus XVI prees dat jaar ook Galilei's grote bijdrage aan de sterrenkunde.

Galilei legde de grondslag voor de experimentele natuurkunde.
Zijn bijdragen zijn onder meer :

  • De slingertijd is niet afhankelijk van de grootte van het gewicht dat aan de slinger hangt, hetgeen de basis is geweest voor de ontwikkeling van nauwkeurige klokken met slinger. De slinger waarmee hij deze ontdekking deed is nog steeds te bezichtigen in de kathedraal van Pisa.
  • Grondslagen van de latere dynamica van Newton: de versnelling van vallende voorwerpen is niet afhankelijk van hun massa.
  • De wet der traagheid: de snelheid van een voorwerp blijft constant als er geen kracht op werkt.
  • Vroege poging om de lichtsnelheid te meten, maar de methode mislukte.
  • Het principe van relativiteit (frame of reference) op het gebied van de klassieke mechanica.
  • De Galileithermometer.
  • De passer van Galilei: de proportionaalpasser.

Genoemd naar Galileo Galilei

Sterrenkunde/ruimtevaart

  • anagram van Galilei over ringen van Saturnus
  • Een krater op de maan
  • Een krater op Mars
  • De vier Galileïsche manen van Jupiter
  • De planetoïde 697 Galilea, die werd ontdekt kort na de 300e verjaardag van de ontdekking van de Galileïsche manen
  • Galileo gebied op de Jupitermaan Ganymedes
  • De Galileo (een ruimtesonde naar Jupiter)
  • Het plaatsbepalingssysteem Galileo dat de EU met satellieten ontwikkelt als alternatief voor het Amerikaanse GPS

Natuurkunde

  • Een eenheid voor valversnelling (de gal)
  • Het getal van Galilei
  • De Galileithermometer
  • Galileitransformatie

Overig

  • Geografisch informatie systeem van stad Leuven
  • Galileo Galilei vliegveld van Pisa

In muziek en literatuur

  • Leben des Galilei, toneelstuk door Bertolt Brecht, 1940
  • Galileo's Daughter, door Dana Sobel, 2000
  • Galileo Galilei, een opera van Philip Glass, Mary Zimmerman en Arnold Weinstein, 2002
  • Eppur si Muove, door Haggard 2005
  • Galileo, door Indigo Girls, 1992
  • My Galileo, door Aleksandra & Konstantin, 2004
artikel overgenomen zonder nazicht op onjuistheden
Bron :
  - Wikipedia    CC 3.0
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 01:50 Reageer op dit bericht

Brugse Metten(anders)

Brugse Metten-anders
bru
B     b    B     b    18  u 11
Brugse Metten
Een ander verhaal

In 1278 werd Gwijde van Dampierre graaf van Vlaanderen.
Hij had het graafschap in leen van de koning van Frankrijk, maar die bemoeide zich weinig met Vlaanderen.
Maar dat veranderde nu.
Gwijde vond dat niet prettig, hij was liever zelf de baas.
Hij zocht daarom steun bij Engeland, het land waar de wol vandaan kwam die zo belangrijk was voor de lakennijverheid in Vlaanderen.
Hierdoor ontstond er een openlijke strijd tussen Van Dampierre, de schoonvader van Floris V, en zijn leenheer, koning Filips IV, de Schone.
En in 1300 lijfde Filips IV heel Vlaanderen met geweld weer in bij zijn kroondomein.

Engels : Bruges Matins
Duits : Brügger Frühmette
Frans : Les matines de Bruges

Gwijde van Dampierre, zijn oudste zoon Robrecht van Bethune en verscheidene andere Vlaamse ridders verdwenen in Franse gevangenschap.
Filips IV benoemde de hoge edelman Jacques de Châtillon tot landvoogd van Vlaanderen.
Dat had hij beter niet kunnen doen.

In Vlaanderen stonden namelijk niet alleen de aanhangers van de graaf (de Liebaards) en die van de koning (de Leliaards) tegenover elkaar, maar in de steden stonden ook de patriciërs, die het bestuur in handen hadden, en het gewone volk tegenover elkaar.
Het volk wilde de landvoogd wel aanvaarden, maar dan moest het wel invloed krijgen op het bestuur.
De Châtillon steunde echter tot woede van het volk de patriciërs.
De ambachtslieden kozen daarop massaal partij voor de Liebaards.

De situatie werd er in mei 1301 niet beter op toen Filips IV een blijde intrede hield in Vlaanderen.
In Gent, de grootste stad ten noorden van Parijs, was de bevolking zeer ontevreden.
Het bestuur van de stad had namelijk een nieuwe belasting ingevoerd op verbruiksgoederen zoals bier en mede (een honingdrank) om de schulden van de stad te verminderen.
Bij de intrede van de koning vroeg het volk de afschaffing van dit 'ongeld'.
Filips stemde hierin toe.

De patriciërs In Brugge waren bang dat hetzelfde ook in hun stad zou gebeuren.
Zij verboden het volk - op straffe des doods - daarom ook maar één verzoek te doen aan de koning.
Het gevolg was dat het volk de verbaasde Filips met een ijselijke stilte ontving : een blamage voor de patriciërs - meestal Leliaards - die kosten noch moeite hadden gespaard voor de ontvangst.

De bom barstte toen de leden van het Brugse stadsbestuur de kosten van hun peperdure feestkleding uit de stadskas wilden betalen.
Wever Pieter de Coninc, een begaafd redenaar, en Jan Breydel werden de leiders van de woedende massa.
In juni 1301 sloot het stadsbestuur De Coninc op, maar zijn aanhangers bevrijdden hem uit de cel en de Liebaards namen het bestuur van de stad over.

Landvoogd De Châtillon had niet veel gevoel voor de situatie.
Hij legde Brugge namelijk zware straffen op : 486 opstandelingen, De Coninc op kop, werden verbannen.
Bovendien maakte hij tot ieders woede een einde aan de oude stadsprivileges (voorrechten) van de stad.

Intussen zaten de zonen van Gwijde van Dampierre, die nog op vrije voeten waren, niet stil. Jan en Gwijde van Namen riepen de opstandelingen op de strijd niet te staken.
Op hun aandringen keerde De Coninc in februari 1302 terug naar Brugge.
Toen even later het bericht kwam dat de hoogste Franse rechtbank het Brugse beroep tegen het verlies van zijn privileges verwierp, kon een opstand niet uitblijven.

Pieter de Coninck begon samen met Willem van Gullik, een kleinzoon van Gwijde van Dampierre, een succesvolle aanval op de kastelen van Sijsele en Male, die beide in Franse handen waren.
De landvoogd verzamelde als reactie een legertje van 1.100 man, onder wie 120 ridders, om Brugge te straffen.
Gwijde van Namen en Willem van Gullik vluchtten uit Brugge, terwijl Pieter de Coninc en zijn Liebaarts door de angstige bevolking verdreven werden.

Op 17 mei 1302 arriveerde de woedende landvoogd met veel machtsvertoon in Brugge.
Veel Bruggelingen vreesden een bloedbad en zij riepen 's nachts de verbannen Liebaards terug om dit te voorkomen.
In de vroege ochtend van 18 mei 1302 vielen de Vlaamse opstandelingen de Fransen aan.
Om de Fransen en de leliaards (Fransgezinde Vlamingen) van de liebaards te onderscheiden werd elk verdacht persoon gevraagd om scilt ende vriend te zeggen.
Franstaligen hadden hier veel moeite mee, en zodoende was het meteen duidelijk wie men mocht vermoorden.
Minstens 120 van hen kwamen om, ongeveer 90 anderen werden gevangen genomen.
De landvoogd zelf kon op het nippertje ontsnappen.

Nu was er geen weg meer terug.
Naar middeleeuwse maatstaven hadden de Vlamingen een verschrikkelijke misdaad gepleegd.
De laffe nachtelijke aanval op zijn soldaten was voor Filips IV een nog veel zwaardere belediging dan de opstand tegen zijn gezag.
De koning moest zich wreken, de Bruggelingen - die nu niets meer te verliezen hadden - kozen voor de totale mobilisatie.

Op 11 juli 1302 begon in de buurt van Kortrijk de veldslag.
Het Franse leger bestond uit 2500 man adellijke cavalerie, 1000 kruisboogschutters, 2000 piekeniers en 3000 andere soldaten.
In totaal zo'n 8500 man.
Het Vlaamse leger bestond uit soldaten uit Brugge (3000), van het Brugse ommeland (2500), uit Ieper (500) en uit Oost-Vlaanderen (2500).
In totaal 9000 man, van wie slechts 400 edelen.

De Vlamingen wonnen de strijd.
Zij achtervolgden het vluchtende Franse voetvolk en de overgebleven ridders en maakten hen af.
De volgende dag vonden de Vlamingen 500 vergulde sporen.
Aan deze sporen dankt de slag zijn (moderne) naam, de Guldensporenslag.

Bron :  - Stichting Leerplanontwikkeling SLO, Enschede    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 18:08 Reageer op dit bericht

Brugse Metten

bru
B     b    B     b    18  u 11
Brugse Metten

Tijdens de Brugse Metten, op vrijdag 18 mei 1302, doodden de Bruggelingen leden van het Franse garnizoen in hun stad tijdens een nachtelijke verrassingsaanval.
Jacques de Châtillon, landvoogd voor de Franse koning die leenheer van het graafschap Vlaanderen was, had de stad kort tevoren bezet.
Hij kon ternauwernood ontsnappen.

Engels : Bruges Matins
Duits : Brügger Frühmette
Frans : Les matines de Bruges

Om de Fransen en de leliaards (Fransgezinde Vlamingen, meestal patriciërs) van de liebaards te onderscheiden werd elke verdachte persoon gevraagd om het sjibbolet scilt ende vrient uit te spreken.
Dit was moeilijk voor de Fransen, en zodoende was het duidelijk wie men mocht doden en wie niet.

Een alternatieve uitleg is dat het niet om scilt ende vrient zou gaan, maar om des gilden vrient.

Lodewijk van Velthem, een eigentijdse Brabantse schrijver, noemde deze gebeurtenis "Goede Vrijdag" en beschreef het als volgt in enkele zinnen (ernaast een vrije vertaling) :

Dese dach heet men binnen Brucge
'goet vridach' om dese daet
Hieraf es comen menich quaet
Daer worden verslagen inder stede
wel 24 baenroetse mede
ende ridderskinder ende serjande
van Vranckrike, ende van andre lande
menicheen daer ict tgetal
niet wel af en can genoemen al.
Deze dag noemt men in Brugge
'Goede Vrijdag' wegens deze daad.
Hieruit kwam veel kwaad
Er werden in de stad gedood
wel 24 banierheren (edelen) en
kinderen van ridders en sergeanten
uit Frankrijk, en uit andere landen
waarvan ik het aantal
niet precies kan noemen.

Omdat deze gebeurtenissen zich hadden afgespeeld op een vrijdag, noemden de Bruggelingen deze dag "Goede Vrijdag", al was Pasen reeds lang voorbij.
Pas veel later werd de naam "Brugse Metten" gegeven aan deze gebeurtenissen, in analogie met de "Siciliaanse Vespers", een gelijkaardige opstand op Sicilië in 1282.

Enkele dagen na de Brugse Metten deed Pieter de Coninck, samen met Willem van Gulik op 23 mei 1302 triomfantelijk zijn intrede in Brugge.
Twee weken voordien had hij moeten vluchten uit Brugge naar Zeeland omdat hij met de dood werd bedreigd en de publieke opinie volledig tegen zich had.

Jan Breydel nam waarschijnlijk geen deel aan de Brugse Metten en wordt in de kronieken in dit verband niet vermeld.

Lodewijk van Velthem beschrijft de terugkeer van Pieter de Conick aldus :

Doen quam in Peter die Coninc
metten andren die uut waren
doe haer viande lagen in baren
diese wilden hebben doen hangen
Met groter bliscap waren si ontfangen.
Toen kwam Pieter de Coninck terug
met anderen die vertrokken waren
toen hun vijanden opgebaard lagen
die hen hadden willen doen hangen.
Met grote vreugde werden ze ontvangen.

Filips IV van Frankrijk was hierover vreselijk woedend en beval dat de Bruggelingen en hun handlangers geen genade mochten kennen.
Hij stuurde een leger, onder leiding van zijn beste krijgsheer Robert van Artois om het opstandige gewest te straffen, maar dat werd op 11 juli 1302 verslagen in de Guldensporenslag.

Het standbeeld van Jan Breydel en Pieter de Coninck, gemaakt door Paul de Vigne en ingehuldigd in 1887, staat in het centrum van de Grote Markt in Brugge.

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 18:19 Reageer op dit bericht

Brigand (Boerenkrijg)

Brigand (Boerenkrijg)
bri
B     b    B     b    18  i 5
Brigand (Boerenkrijg)

Brigand is de naam die de Fransen gaven aan de Vlaamse opstandelingen die in de Boerenkrijg tegen de Franse bezetter streden op het einde van de 18e eeuw.
In de Franse taal betekent brigand gewoon struikrover.

Het strenge regime van de militaire bezetting door de Fransen (Nederlaag bij Fleurus, 26.06.1794 - decreet van 1 oktober 1795), de vele confiscaties, extra-heffingen en de oorlogsleningen, zonder de minste inspraak van de plaatselijke bevolking, hadden de Fransen weinig geliefd gemaakt.
Er heerste een algemeen klimaat van ontevredenheid.

De bewoners van de vroegere Zuidelijke Nederlanden en van het Prinsbisdom Luik waren door dit decreet van 1 oktober 1795 Franse staatsburgers geworden.
Alle eeuwenoude privaatrechtelijke en publieke gebruiken werden afgeschaft.
In de Vlaamse en Duitse regio's werd het Frans slechts door een minderheid verstaan en de uitdrukkingen in de officiële publicaties zo goed als niet begrepen.

Door de Wet op de algemene dienstplicht van 5 september 1798 (19 fructidor VI) moesten alle jongemannen tussen 20 en 25 jaar dienst nemen in het Franse bevrijdingsleger.
Een algemene dienstplicht was voorheen onbekend, vermits legers bestonden uit vrijwilligers aangevuld met huurtroepen.

Het volk, onder de leuze Voor Outer en Heerd, kwam in opstand tegen de Sansculotten.
Er verschenen plakkaten (aanplakbrieven) in de grote steden op kerken en openbare gebouwen met o.a. de tekst "Nederlanders ! blyft nu bijeen, wy moeten standvastich wezen".

Er gebeurde een eerste incident bij Overmere (tussen Gent en Dendermonde) op 12 oktober 1798.
Dit was voor de begindatum van de opstand (donderdag 25 oktober 1798) zoals vastgesteld door de Brabantse patriotten, die hadden bemiddeld en steun gevraagd aan buitenlandse mogendheden (Nederland, Engeland, Pruisen).
Na dit vuur aan de lont, kwamen er overal in Vlaanderen incidenten voor, maar deze werden spoedig onderdrukt.
In Limburg echter kon de rebellie pas maanden later worden bedwongen met een overweldigende troepenmacht door de Slag bij Hasselt op 5 december 1798.

Deze opstand, gevoed door een vaag geformuleerd nationalisme, vond echter weinig aanhang in de grotere steden en geen weerklank in de Waalse dorpen.
In Duitstalige delen van Luxemburg (departement van de "Wouden") kwam er wel een opstand, de zogenaamde Klöppelkrieg), maar deze werd eveneens vlug de kop ingedrukt.

De benaming Boerenkrijg werd voor het eerst gebruikt in 1798 door een Mechelse kroniekschrijver.
De schrijver Hendrik Conscience heeft met zijn boek Boerenkrijg (1853) een romantisch relaas gegeven en deze strijd wat geïdealiseerd.
Moderne historici zien in deze strijd een laatste stuiptrekking van het Ancien Regime in een poging de vernieuwing van de maatschappij af te wenden.

Een legendarische brigand is Charles-François Jacqmin, die al in 1795 in Loupoigne (Waals-Brabant) een verzetsgroep vormde om tegen de Fransen te strijden en daarbij de naam Charles de Loupoigne gebruikte; die naam is later in de volksmond verbasterd tot "Charlepoeng".
Hij werd in juli 1799 gedood tijdens een gevecht in Margijsbos te Loonbeek, bij Huldenberg.

Bron :  - Wikipedia    CC 3.0
            - tinternet
Hoe vind je dit bericht?
Geschreven door waaroemni om 04:34 Reageer op dit bericht

Naar boven

Meer van Wie Weet

↑ Terug naar de berichten