Rome 1996 - De Tweede Dag.
KAMPEREN IN DE ARDENNEN.
Misschien sta ik wel te laat op, maar camping betekent ook een lui en lekker leventje zonder stress. De jobstudent staat plots weer voor me. Hij spoort een kampeerder op die laat was aangekomen en niet had betaald. De jobstudent vraagt of ik mijn plaats netjes wil opruimen, ook de papiertjes die niet van mij zijn. Ik zal dat doen, want de manager had me gisteren toch getrakteerd op een witbier. De onderkant van mijn tent is fel door condensatie aangeslagen, doch lucht en zonnestralen drogen dit snel op . Ik vind nogmaals een geldstuk, een kleintje van één frank. Ik eet wat verfrommeld brood als ontbijt , met water van Vittel. Bij het uitrijden van de camping wuif ik nog eens naar Gérard. Hij is de gevangene van zijn werk. Zijn vrouw en kinderen kamperen ergens in Spanje. Ik vertrek in de richting van het Hotel Mercure , maar dat is een verkeerde weg, in de richting van Walzin. Ik keer dus weer naar mijn startpunt en zie dan toch de weg die ik moet volgen, de weg die naar Rome loopt.
Die weg is moeilijk en steil, om uit de vallei te geraken. Ik twijfel niet en ik beslis van wat te voet te gaan. Deze tweede dag beginnen in het rood met hoge hartslag en met melkzuur in de kuiten zou mijn geluk bederven . Deze dag belooft nogmaals zeer warm te worden. Ik fiets tot Falmignoul. Daar was vroeger het museum van de heer Wauters. Deze merkwaardige man had daar een verzameling van tweewielers bijeengebracht. Omdat ik vertelde dat ik de zoon van Alina Wauters was, beschouwde die heer Wauters me zelfs als een familielid. Als wildvreemde kreeg ik daar de sleutel en de kassa, ontving er een groep Hollandse toeristen. Wauters zelf, die toen rondliep met verschillende breuken na een ongeval met één van zijn motorcycles, was pinten gaan drinken in zijn stamcafé. Gelukkig kwam zijn vrouw me vervangen en mocht ik verder rijden op mijn fiets. In dat museum waren talrijke belangrijke stukken. Antieke fietsen, oldtimers motorcycles, en andere toffe bezienswaardigheden. Buitenlanders hebben de hele collectie opgekocht. Er stond daar een fiets van Firmin Lambot, maar er was ook een circusfiets waarmee eens iemand op een kabel over de Niagara Watervallen is geraakt. Wauters stierf en zijn museum is na hem verdwenen.
Mijn fiets heeft het moeilijk te Falmagne. Met mij gaat het nog slechter. Goed en kwaad wonen naast mekaar op weg naar Beauraing. Ik kom voorbij een Kapel van de Heilige Maagd, en een vogelpikgooi verder is er een Bar met wulpse Dames. Het is reeds 13.30 u wanneer ik het snikhete bedevaartsoord bereik. Ik neem plaats onder een grote parasol, en ik bestel een portie friet, tartaarsaus, en een blik cola met een sprietje. Aan het zoontje van de frietbakster die daar rondtoert op zijn eerste fietsje geef ik een rode luchtballon. Hij kan deze nog niet opblazen. Mama zal het dan maar voor hem doen. Neen, het manneke wordt beslist nooit coereur, in hem steekt niets van wat in Despontin, Linart, of Lambot stak.
Tijd voor mijn tweede peace-mobile-opdracht. Dicht bij de plaats waar eens onder een meidoornboom de mirakels zijn gebeurd, vraag ik aan een inboorlinge in nonnenkleed waar Abbé Gilon woont. Niet ver. Eén minuut later heb ik hem gevonden. De man heeft veel werk, want 22 augustus is dé jaarlijkse topdag te Beauraing. Ik overhandig hem de groeten van de pelgrims Symoen. Ik word binnengeleid in een lokaal waar een filmvertoning zal beginnen. Een hele autobus boerinnen uit het Pajottenland zal er de gebeurtenissen uit 1932 kunnen zien. Een met Christus gehuwde vrouw komt mij ook vertellen dat ik in de crypte moet gaan kijken naar de Kruisweg van Max Vanderlinden, een kunstenaar die de vriend was van wijlen Koning Boudewijn. Er is een hoge graad van geloof zichtbaar en voelbaar in dit Mariaoord. Ik slenter nog wat rond in de Tuin der Verschijningen. Dat kan alleen maar goed wezen voor mijn arme pelgrimsziel. Ergens tussen dikke muren, waar het koel is, ligt er een gulden boek voor de bezoekers. Ik slaag er in van enkele mooie zinnen bij te schrijven, en ik signeer : “ W.J. pelgrim, met schelp”. Alle geldstukken die ik vond (57 frank) belanden in een offerblok van de kapel.Ik zou zoals de andere bezoekers hier weesgegroetjes moeten opzeggen, maar er is toch zoveel stof op mijn geloof dat ik in geen enkele taal nog de gepaste woorden ken. Ik zeg dan maar in halfduistere omgeving, waar kaarsen branden en mensen knielen, dat mijn volgende duizend pedaalstoten op weg naar Rome moeten beschouwd worden als gebeden voor Haar.
Warmte van de hoogste graad diep in de maand augustus. De deuren van de vele winkeltjes zijn open en lokken mij ergens binnen. Alles is er vreselijk heilig en duur, deftig en gewijd. Ik koop enkele briefkaarten en gebedenprentjes . De non die ik al eerder ontmoette , komt nu voorbij op straat. Zij vraagt mij of ik ook op 22 augustus naar Beauraing kom, want dan is het belangrijk. Ik leg haar uit dat mijn lange zwerftocht me zal brengen op vele plaatsen, in vele kerken, langs vele kapelletjes.De non duwt plots even haar kin naar voren en vindt mij plots niet meer interessant. Zij heeft eigenlijk weinig gemeen met de Maagd met het Gouden Hart van Beauraing. Gezeten op een muurtje, naast een rode postbus, schrijf ik mijn eerste kaartjes naar familieleden , en in het bijzonder naar mijn suikertante Maria die mij graag ziet omdat ik de oudste zoon van haar enige broer ben, en die mij ook niét graag ziet omdat ik een afvallige Thomas en een slechte parochiaan ben .
Op weg nu naar het massief van La Croix- Scaille , met 505 m het vierde hoogste punt van België, en het dak van de provincie Namen. Schitterende omgeving om te fietsen. De streek van Gedinne houdt vele verrassingen in petto voor iedere bezoeker. Zij is ongerept en rijk bebost. Hier zou een deken wonen die onhebbelijk en niet gastvrij is voor de pelgrims op weg naar. Zal ik hem eens gaan testen, hem wijzen op het oudchristelijk gebruik van gastvrijheid ? Ik kan ook naar de gendarmerie gaan voor een peace-mobile-babbeltje met een man die al zelf naar Santiago is gefietst. Maar het is al vijf voor zéven ! Wat slenterde ik toch vandaag ! Vlug nog wat inkopen doen in een winkel, en bij een beenhouwer, net voor sluitingstijd. Ik moet immers iedere dag goed eten.
Eindelijk bergaf ; waarom duurt dat toch niet langer ! Daar is de brug over de Semois te Bohan reeds. Dit is een droomplaats om te picknicken. Ik nestel mij op een bank met zicht op de bedding van de brede rivier die nu doorwaadbaar is na zovele droge dagen. De avond valt reeds. Heerlijk einde van een zomerse dag. Vissen, eenden, ratten, honden, insecten, vogels, … wat een gestoei, wat een spektakel, terwijl ik uitrust en kaas, brood, vleessalade eet. Een golden retriever maakt het nu toch wat te bont in de Semois. Door het lage water kan hij zo bij grote mooie vissen komen. De plaatselijke bewoners beschermen echter hun vissen, en geen enkel soort stroper mag zo maar een forel pakken, ook niet een prachtige hond. Er wordt geschreeuwd en gevloekt nabij de schone Kerk van Saint-Lèger . Dat lawaai brengt me bij mijn eigen werkelijkheid. Zal ik hier mijn rit afvlaggen of rijd ik nog verder ?
Het is een scherpe helling om Bohan te verlaten en het wordt al donker. Ik probeer mijn dynamo, maar die twijfelt, en ik zet op mijn voorhoofd een speleologenlamp en achteraan op mijn bagage een rood licht van een pillamp. Doorheen een griezelig bos kom ik weldra aan de Franse grens. Het begint zachtjes te regenen. Ik bereik weldra een dorp dat Pussemange blijkt te zijn. Dikke druppels vallen nu en schitteren in de verlichting van het weldra slapende dorp. Ondanks het gevorderde uur voel ik mij nog kiplekker , na de regenbui. Ik zie niets van de prachtige bossen, doch de verse nattigheid laat de natuur al haar geuren verspreiden. In de stilte bewerk ik mijn pedalen, verder naar Charleville waarvan de lichtovervloed me aantrekt als ware ik een oude mot .
Met 80 km op mijn tellertje vind ik dat het genoeg is. Ik besluit van in de natuur een plaatsje te zoeken voor de nacht. Een eerst poging in een maïsveld wordt afgekeurd. Een tweede op een parking waar chauffeurs in hun zware trucks slapen is ook niet goed. Even later wacht met open armen een juweel van een voetbalplein op mij. Dit moet het terrein zijn van FC De Kampioenen van Charleville. De sponsor is er niet Balthazar Boma, doch ene Fabrice Waczecki, een coiffeur. De grasmat wordt er met een schaartje geknipt. In een kleine tribune vind ik een propere en droge plaats voor mezelf en voor mijn fiets. Beter zal ik moeilijk kunnen vinden. Ik sta er weldra poedelnaakt. Ik wrijf me goed droog met een handdoek die ruikt naar de goede zeep van thuis. Niets kan mij storen. Het is al middernacht. Ik trek mijn pyjama aan , mijn trainingsbloes, mijn wollen muts, en verdwijn in het dons van mijn slaapzak. Schitterende dag en een onvergetelijke nacht als toetje. Ik kijk naar de oneindigheid van de melkweg en luister naar de nachtelijke geluiden. Dit alles meemaken is te opwindend. Op het grastapijt, tussen doellijn en penaltypunt huppelen konijntjes rond. Ik tel er vijf. Te weinig om in slaap te vallen en het zijn geen schaapjes.
Pelgrim onder Gods hemel, wat een eer en wat een geluk ! Het regent terug, zacht en heel lang. Eindelijk zwijmel ik weg, door de eentonigheid van de inslag op het dak van mijn slaaptribune.













































