NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Peter Leys



Archief
  • Alle berichten


    27-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Vlaamse muziek promoten

    Afzonderlijk katern Vlaamse muziek bij GIG - International Arts Manag

    Naar aanleiding van het muziektheaterfestival Opera XXI nam Muziekcentrum Vlaanderen het initiatief om een extra katern rond de klassieke muziekscène in Vlaanderen te laten opnemen bij het tijdschrift GIG - International Arts Manager.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Slecht nieuws

    Alvaro Celso Guimarães overleden

    Alvaro Guimarães, Belgisch componist van Braziliaanse afkomst, was verbonden aan de Hogeschool Gent, departement Muziek en was medestichter en artistiek leider van het KunstArbeiders Gezelschap. Alvaro Guimarães (°1956), studeerde aan het 'Conservatorium Mozarteum' in São Paulo bij o.a. Minininha Lobo, Maria Helena do Amaral en Oswaldo Lacerda. Hij voltooide verdere studies in compositie bij Hans-Joachim Koellreutter, Coriun Aharonian en Klaus Huber (Cursos Latino-Americano).

    In België specialiseerde hij zich in muzieksociologie bij professor Herman Sabbe aan de 'Rijksuniversiteit Gent'. Alvaro was gehuwd met pianist Katrijn Friant.
    Alvaro Guimarães was medestichter van de 'Núcleo Música Nova' in São Paulo, een vereniging voor hedendaagse muziek die actief was in de jaren '70 en '80, en die samenwerkte met o.a. Julio Estrada, John Cage, Klaus Huber. Hij was artistiek leider en medestichter van het 'Spectra Ensemble' in België en van het 'Festival música Nova' in Brazilië. Als producer was hij verantwoordelijk voor verschillende wereld- en Belgische premières van werken van o.a. Nicolaus A. Huber, Isabel Mundry, Jörg Birkenkotter, Ivo Nilssen, Gilberto Mendes and Kumiko Omura.

    Yasmine overleden

    Yasmine - Vandaag (het morgen van gisteren) [CD Scan]

    Zangeres en tv-presentatrice Hilde Rens, beter bekend als Yasmine, is vandaag overleden. Sinds de jaren '90 bracht ze heel wat (nederlandstalige) singles en albums uit. Op haar recentste plaat 'Licht Ontvlambaar' werkte ze samen met o.a. Kris De Bruyne, Thé Lau en Stef Kamil Carlens. Yasmine was ook bekend als presentatrice, o.a. bij Radio Donna en één. Dit jaar presenteerde ze nog de muziekshow 'Zo is er maar één' en het showbizzprogramma De Rode Loper. Yasmine stapte zelf uit het leven, ze werd 37.

    Eén opende een rouwregister om Yasmine te gedenken.


    21-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mgr. Jules Vyverman 20 jaar geleden overleden.

    Vyverman zag op 6 januari 1900 het levenslicht in Mechelen.

    Muziek was meteen zijn grote passie. Als 13-jarige speelde hij reeds op het orgel van het Sint-Romboutscollege.

    Na collegestudies in zijn geboortestad ging hij naar het seminarie om priester te worden in 1923. Gedurende die seminarietijd werd hij enige tijd ziek en moest hij een tijdje het bed houden. In die periode componeerde hij een mis die hem meteen een toegangsticket tot het Lemmensinstituut opleverde. Zo werd hij leerling van o.a. Aloys Desmet, Oscar Depuydt, Jules Van Nuffel, Lodewijk Mortelmans, Flor Peeters en Marinus De Jong. In die periode componeerde hij verschillende liederen, een mis voor zes stemmen en orgel (Missa Beatae Virginis Mediatricis), motetten en de psalm ‘Domine non est exaltatum’.

    Hij gaf les aan het Berchemse Stanislascollege van 1926 tot 1935. Ook daar vond hij nog de nodige tijd om te componeren. Hij schreef er o.a. zijn oratorium ‘Pastor Bonus’ (1932) en verschillende cantates en symfonische werken. Hieruit bleek het grote symfonisch talent van de jonge priester.

    In 1935 werd hij aangesteld tot leraar gregoriaans, begeleiding en harmonie aan het Lemmensinstituut te Mechelen. Hij werd ook repetitor van het wereldbefaamde St.- Romboutskoor dat in 1916 was gesticht.

    In 1949 volgde hij Van Nuffel op als leraar muziekanalyse en koordirectie in het Lemmensinstituut en hij volgde tegelijkertijd zijn grootmeester op als dirigent van het St. – Romboutskoor. En in 1952 werd hij dan zelf directeur van het Lemmensinstituut. 10 jaren later, in 1962 werd hij benoemd tot inspecteur van het muziekonderwijs in het aartsbisdom.

    Tussendoor was hij nog geheim kamerheer van de paus, voorzitter van het verbond ‘Pueri Cantores’, hoofdredacteur van het muziektijdschrift ‘Musica Sacra’ en lid van de Vereniging voor Muziekgeschiedenis van Antwerpen. Hij zetelde in de beheerraad van de Nationale Discotheek van België en schreef samen met Felix Steylaerts het handboek ‘Muziek op school’.

    Tussendoor vond hii gelukkig nog de tijd om een Mariacantate, liederen en motetten te componeren.

    Vyverman hechtte zeer veel belang aan het doen zingen van kinderen. Dat zien we niet alleen in zijn activiteiten in het Mechelse St. – Romboutskoor en aan zijn voorzitterschap van ‘Pueri Cantores’. Hij schreef veel liederen, ook voor kinderen en hij was jurylid van de legendarische wedstrijden voor radioschoolkoren. Het was zijn ambitie om via het doen zingen van kinderen de jeugd en hun muzikaal niveau op te tillen.

    Als leerling en erfgenaam van Van Nuffel had Vyverman zeer veel interesse en waardering voor het gregoriaans. Als docent en redacteur droeg hij veel bij tot de herbronning van het gregoriaans en de begeleiding ervan. Met zijn knapenkoor wilde hij een heropstanding van het gregoriaans bewerkstelligen tegen de trends van vervlakking van die tijd in. Amateuristische kerkliederen en zogenaamde jeugdmissen waren aan hem niet besteed. Ook de polyfonie droeg hij hoog in zijn hart. Paus Paulus VI loofde zijn kamerheer voor zijn inspanningen om de schat van het gregoriaans en de polyfonie in ere te houden.

    Vyverman overleed in 1989.

    De rol van Vyverman als pedagoog en dirigent is niet te overschatten. Hij bracht het Mechels knapenkoor overal in de wereld en dwong overal ontzag en bewondering af. Hij vormde generaties musici en drukte zijn stempel op de koordirigenten en organisten. De revival van het gregoriaans en de polyfonie zijn voor een groot deel aan hem te danken.

    Als componist liet hij zeer romantische werken achter. Net zoals zijn idool Van Nuffel schreef hij psalmen en motetten voor grote bezettingen die in de kathedraal imponerend klinken. De triomferende kerk vierde hoogtij in zijn oeuvre. Op deze manier was hij kind van de Mechelse school en gaf hij voedsel aan zijn opvolgers tot vandaag. Zelfs de modernen van vandaag zoals Ludo Claesen, Kurt Bikkembergs en Peter Pieters zijn schatplichtig aan figuren als Van Nuffel en Vyverman. En ze geven dat ook graag toe. Het Lemmensinstituut ademt nog de sfeer van deze grote dagen.

    Net zoals bij Van Nuffel zijn de psalmen en motetten van Vyverman vaak gebaseerd op het gregoriaans. Zeer belangrijk is de tekstbeleving. De teksten worden uitbundig, statig en in een massieve constructie tot uitbeelding gebracht. Zijn werk wordt gekenmerkt door een expressieve lyriek. Als bewonderaar van Debussy verwerkte hij impressionistische trekjes in zijn werken en bij Grieg haalde hij zijn poëtisch lyrisme.

    Naast indrukwekkende psalmen en cantates schreef hij ook innige motetten zoals ‘O sacrum convivium’, ‘Virgo est lilium’, ‘Quasi arcus’, ‘O quam suavis’ en de ’Tria cantica ad laudes verspertinas’.

    Hij schreef ook liederen in de typisch Vlaamse volkse toon. Zeer populair werd zijn fris klinkend staplied ’Als de brem bloeit op de heide’. Samen met Armand Preud’homme nam hij deel aan een compositiewedstrijd van het Eerste Kempisch Landjuweel in Herentals in 1937 met dit lied. De versie van Preud’homme werd wellicht het bekendst, maar Vyverman won wel de eerste prijs. Terecht fier was hij dat hij de prins van het Vlaamse volkslied had verslagen. Het kon echter de verstandhouding tussen Vyverman en Preud’homme niet schaden. Enkele jaren geleden galmde het lied in de versie van Vyverman nog in het sportpaleis tijdens een Vlaams-Nationaal Zangfeest. Misschien moet het lied nog maar eens uit de kast gehaald worden. Het is een mooie illustratie van Vyvermans pogingen om de jeugd degelijke liederen te laten zingen. Andere liederen zijn o.a. ‘Lenteliedje’, ‘Zonsondergang’, Zon in ’t hart’, ‘Meisjes zijn bloemen’, ‘Hymne van trouw aan de Vlaamse haard’ en ‘Gans gereed om heen te varen’.



















    Precies dit jaar verscheen bij Eufoda de CD ‘Ad majorem Dei Gloriam met orgelmuziek en koorwerken van 5 directeurs van het Lemmensinstituut. Een schitterende CD vertolkt door het koor van het Lemmensinstituut o.l.v. Kurt Bikkembergs. Aan het orgel zat Peter Pieters. Naast muziek van Lemmens, Desmet, Tinel en Van Nuffel staat ook de grootse psalm 13O (Domine non est exaltatum) van Jules Vyverman, geschreven in 1926 voor 6 gemengde stemmen en orgel. Hier geeft de compopnist blijk van niet te moeten onderdoen voor zijn leermeester qua majestas en godsdienstige beleving.

    Zijn composities bewijzen het aristocratisch en toch volksgerichte karakter van Vyverman die steunend op een groot technisch kunnen muziek schreef die iedereen kan aanspreken –zonder schools of academisch te zijn- dankzij een lyrisch karakter.

    Citeren we Flor Peeters n.a.v. de creatie van Vyvermans cantate ‘Kamper Gods’ rond de figuur van Rumoldus: “Uit de muziek van Vyverman spreekt een warm-menselijke atmosfeer. Voorliefde tot rijke en gestoffeerde harmonisatie (hij houdt ongetwijfeld veel van de impressionisten), zin voor afwisseling in het uitbeelden van de tekst geven een warme toon en een voornaam karakter aan deze muziek. Er is verscheidenheid in het uitbouwen zijner muzikale plannen en, wat meer is, het is goed gecomponeerde muziek die in een goede vorm gegoten een logische ontwikkeling krijgt.” Peeters verwijst nog naar een verband met niemand minder dan Benoit qua conceptie en spontaneïteit der inventie en naar de inspiratie vanuit het gregoriaans met de oude modi. De musicoloog Paul Tinel sprak over Vyvermans werk in termen als ‘une intensité d’expression, une interiorité de sentiment, une suavité mystique…..’ Als laatste citaat verwijzen we naar  Dr. L. Goffinet: “zuiver lyrisch sentiment, impressionistisch uitgebeeld op streng klassieke grondslag en zich ontplooiend in een strikt persoonlijke atmosfeer.”


    18-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Beiaardier Eugeen Uten zou 90 geworden zijn



    Hij vertrok in 1944 naar de Koninklijke Beiaardschool te Mechelen en volgde er les bij Staf Nees (beiaard) en Jef Van Hoof (compositie en harmonie).
    Op 15 juli 1948 behaalde hij het uitgangsdiploma met grote onderscheiding. Slechts enkele maanden later, op 21 mei 1949, werd hij aangesteld als stadsbeiaardier te Brugge.
    In 1957 won hij een eerste prijs op de internationale compositiewedstrijd te Utrecht (Nederland).
    In 1958 werd hij laureaat in de Expo-compositiewedstrijd voor beiaardmuziek te Mechelen.
    In 1959 behaalde hij als eerste in de geschiedenis van de beiaardschool het virtuositeitsdiploma voor beiaard met grootste onderscheiding.

    In 1984 werd hij voor 35 jaar actieve dienst en als dank voor zijn waardevolle inzet voor de ontwikkeling van de Brugse beiaard en de beiaardmuziek in het algemeen bekroond met het Ridderkruis in de Kroonorde.

    Als een zeer gedreven en hard werkend musicus schreef hij ongeveer 120 eigen composities en zo’n 1000 bewerkingen die de Brugse beiaard optimaal lieten klinken


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gabriël Verschraegen zou 90 geworden zijn.


    Gabriël Verschraegen studeerde aan het Lemmensinstituut te Mechelen en aan het Koninklijk Conservatorium te Gent ondermeer bij Flor Peeters (orgel), Marinus de Jong, Staf Nees, Jules Van Nuffel en Toussaint de Sutter.
    In 1944 werd hij benoemd tot organist aan de Sint-Baafskathedraal te Gent en in 1950 werd hij orgelleraar aan het Koninklijk Conservatorium aldaar.
    In 1962 werd hij benoemd tot directeur van de Academie voor Muziek en Woord te Lokeren en in 1968 werd hij directeur van het Conservatorium van Gent.
    Verschraegen was stichter-voorzitter van het Gentse orgelcentrum en genoot als organist internationale faam.
    Als componist schreef hij voornamelijjk voor orgel.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Componist wordt 60

    Octaaf Van Geert

    Octaaf Van Geert werd geboren te Aalst op 4 februari 1949.
    Hij studeerde aan het Koninklijk Muziekconservatorium van Gent en Brussel, waar hij de eerste prijzen voor notenleer, harmonie, contrapunt, fuga en compositie behaalde. Zijn voornaamste leraars waren O. Van Puyvelde, J. Mestdagh, V. Legley en R. Coryn.
    Zijn composities werden meermaals bekroond:  in 1977 werd hem de provinciale prijs voor vocale muziek (Oost-Vlaanderen) toegekend, in 1984 ontving hij de prijs Belgische artistieke promotie in de nationale compositiewedstrijd Peter Benoit (Harelbeke) en kreeg hij de prijs Jef Denijn op de internationale compositiewedstrijd voor beiaard te Mechelen, en in 1986 ontving hij de nationale prijs Muzikon Koninklijk Muziekconservatorium Gent en de Muizelhuisprijs op de nationale compositiewedstrijd voor kamermuziek.
    Octaaf Van Geert was en is vooral in het onderwijs actief:  hij gaf notenleer aan de muziekacademie van Aalst en muzikale opvoeding aan de Hogeschool Gent K. Ledeganck van 1971 tot 1980. Sinds 1979 geeft hij harmonie aan het conservatorium van Brugge, en harmonie, contrapunt en fuga aan het Koninklijk Muziekconservatorium van Gent, waar hij sinds 1992 ook orkestratie, organologie en compositie doceert.
    Samen met Lucien Posman en Daniel Gistelinck vormt hij de zogenaamde “nieuwe Gentse school”: deze componisten zijn leerlingen van Roland Coryn.
    Zijn werken werden gecreëerd door onder meer het Hans Memling Trio, het Nieuw Vlaams Symfonieorkest onder leiding van P. Peire, het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen onder leiding van M. Tang, het Ensor strijkkwartet, het pianoduo Kolacny en het VRT-orkest onder leiding van H. Rotman.
    Recente opdrachten en projecten (sinds 2001) omvatten onder meer het strijkkwartet nr. 2, de deelname aan het componistenfestival Van in de Rode Pomp te Gent en de cd-opname van zijn pianotrio door het Rachmaninovtrio.


    14-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Frederic Devreese 80 !
    Frédéric Devreese

    Frederic Devreese werd op 2 juni 1929 te Amsterdam in een zeer muzikale familie geboren.
    Zijn moeder speelde viool, net zoals zijn vader Godfried, die eveneens een bekende componist en dirigent was. Van hem kreeg de jonge Devreese ook zijn eerste lessen harmonie in het conservatorium van Mechelen.
    Later studeerde hij aan het Brusselse conservatorium bij Marcel Poot (compositie) en René Defossez (orkestdirectie).
    In 1949 won hij de compositieprijs van het internationaal pianoconcours van Oostende met zijn eerste pianoconcerto, dat bijgevolg als plichtwerk moest worden gespeeld. Hierdoor werd hij nationaal opgemerkt, waardoor hij beurzen kreeg om in Rome (compositie bij Ildebrando Pizzetti en directie bij Previtali) en Wenen (directie bij Hans Swarowski) te studeren.
    Deze studies rondde Fréderic Devreese in 1956 af, waarna hij terug naar België kwam.
    In 1958 werd hij televisierealisator voor de toenmalige BRT, waar hij later werkzaam werd als dirigent en producer. Op de BRT zou hij ook drie jaar lang films sonoriseren, wat de ideale leerschool voor het schrijven van filmmuziek was.
    Devreese had en heeft ook veel belangstelling voor jonge muzikanten, die hij wilde stimuleren en promoten door initiatieven zoals Tenuto (Belgische nationale muziekwedstrijd voor jong talent onder 25), Jong Tenuto (jong talent onder 17) en Procemus (centrum voor promotie en productie van jeugdig talent).
    Hij was ook chef-dirigent van het Belgische Jeugdorkest en directeur van de muziekacademie van Overijse.
    Devreese won verschillende prijzen met zijn werk, o.a. de Prix Italia (1963) voor zijn opera Willem van Saeftinghe, geschreven in opdracht van de BRTN, de Georges Delerue Award (1994) voor La Partie d'Echecs en twee maal de Joseph Plateau Prijs in 1988 en 1990 voor de filmmuziek van respectievelijk L'Oeuvre au Noir en Het Sacrament.


    09-06-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jan Segers 80 !

    Jan Segers studeerde aan het Koninklijk Conservatorium Brussel en Antwerpen. Hij was jarenlang dirigent van verschillende militaire muziekkorpsen in België.

    In 1960 werd hij directeur van de Academie voor Muziek en Wooord van Willebroek? Hij was ook muziekregisseur bij de BRT. Hij is een veel gevraagd jurylid op nationale en internationale wedstrijden voor amateurskorpsen. Korte tijd leidde hij het BRT-kamerorkest.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Walter Hus ook 50 !
    Walter Hus (1959) is naast componist vooral uitvoerend pianist en improvisator.
    Vanaf zijn 10de treedt hij op als concertpianist in binnen- en buitenland, vanaf 1979 als pianist-improvisator.
    Hus speelde in het Belgisch Pianokwartet en was verbonden aan Maximalist!, een muzikale groepering opgericht in 1984 die het midden hield tussen pop, rock, klassiek en avant-garde. De muzikant-componisten die zich in deze beweging verenigden (o.a. Vermeersch, Sleichim, De Mey en Hus), hadden elkaar een jaar voordien ontmoet in het kader van de eerste choreografie van Anne Teresa de Keersmaeker (Rosas danst Rosas.) Hun imago werd sterk bepaald door invloeden uit de populaire cultuur, een illustratie van een geestesgesteldheid zonder dat die hun muziek daarmee zonder meer buiten het klassieke veld plaatste.
    De muziek lijkt zich voornamelijk te situeren in het kader van de New Simplicity, gegroeid uit de minimal music. Een hoge graad aan repetitiviteit, een microscopisch gevarieerde ritmiek en dynamiek, de eenvoudige manipulatie en transformatie van motieven, een beperkte harmonische organisatie en zeer gelimiteerd uitgangsmateriaal zijn hiervan de belangrijkste kenmerken. Dit resulteerde meestal in muziek met een hoge consonantiegraad en directe toegankelijkheid.
    Daarnaast was vooral het functionele en disciplineoverschrijdende aspect bepalend voor Maximalist!: een opvallend groot percentage van de muziek die dit collectief schreef, is conceptueel verbonden met andere kunsten zoals dans, theater en film. Dit geldt ook voor de muziek van Hus na Maximalist!. Naast muziek voor modeshows (bvb. Five to Five voor Yamamoto ('84)), choreografieën (bvb. Muurwerk ('85) en Hic et Nunc ('91) voor Roxane Huilmand, en Devouring Muses ('97) voor Irène Stamou) en films (The Pillow Book van Greenaway en Suite 16 van Deruddere), zijn verscheidene van zijn composities tot stand gekomen in samenwerking met hedendaagse dichters of toneelschrijvers (zoals Stefan Hertmans (Francesco's paradox), Peter Verhelst (One day they appeared), Jan Decorte (Meneer, de zot en tkint) en Jan Lauwers van de Needcompany (Orfeo) ).
    Sinds '96 is Walter Hus werkzaam bij Limelight in Kortrijk, waar op dat moment het verfrissende festival en cd-label Happy New Ears werd opgericht.
    Momenteel werkt hij aan een cyclus van 24 preludes en fuga's voor verschillende instrumentaties.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Componiste wordt 50 !

    Kristin De Smedt
    Kristin De Smedt
    Geboortedatum: 12.10.1959, Asse

     

    Kristin De Smedt werd geboren te Asse op 12 oktober 1959.
    Na aanvankelijke muziekstudies aan de academie te Asse voltooit ze haar muzikale opleiding aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel. Eerst combineert ze de instrumentale richting (viool) met de theoretische hoofdvakken om zich daarna volledig te concentreren op de geschreven disciplines – harmonie bij Peter Cabus, contrapunt en fuga bij Raphaël D’Haene.
    Naast de diverse diploma’s die zij behaalt, worden haar tevens bijzondere onderscheidingen toegekend zoals de Prijs Gevaert voor fuga, de Prijs Horlait-Dapsens en de Prijs Marguerite Koenigsberg voor muziekgeschiedenis.
    Zij bekwaamt zich verder en behaalt de meestergraad muziekschriftuur alsook het compositiediploma in de klas van componist Rafaël D’Haene.
    Als componiste wordt Kristin De Smedt in 1999 bekroond met de compositieprijs van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Wetenschappen en Kunsten van België voor haar Strijkkwartet (1998). Gedurende meerdere jaren is Kristin De Smedt leraar geschreven harmonie aan de Academie voor Muziek, Woord en Dans van Sint-Niklaas en docente schriftuur aan het Lemmensinstituut te Leuven. Sedert 1985 is ze verbonden aan het Koninklijk Conservatorium Brussel als docente harmonie, contrapunt en fuga alsook als vakdidacticus schriftuur en als opleidingsverantwoordelijke van de afdeling schriftuur.
    Verscheidene van haar composities verschijnen regelmatig op belangrijke concertprogramma’s. Haar werk werd gecreëerd in het kader van Ars Musica en in andere prestigieuze concertcycli.


    31-05-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De voorzitter van de jury van de Elisabethwedstrijd
    We konden hem de voorbije dagen dagelijks zien op het scherm.
    Al jaren  kennen we hem als de sympathieke en vlot tweetalige voorzitter van de jury van de Elisabethwedstrijd. 'Premier prix, eerste prijs...'.
    Wie is die man?



    Arie van Lysebeth studeerde muziektheorie en viool vanaf de leeftijd van vier onder leiding van zijn vader die koordirigent was.
    Tijdens zijn secundaire studies begon hij fagot en piano te studeren. Zijn theoretische en instrumentale hogere studies volbracht hij aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel, waar hij met grote onderscheiding afstudeerde voor fagot en kamermuziek.
    Nadat hij de tweede prijs won in het internationale fagotconcours 'Praagse lente' in Tsjecho-Slowakije, was hij gedurende zeventien jaar verbonden als fagotsolist aan het radiosymfonieorkest. Tijdens diezelfde periode was hij zeer bedrijvig als concertist en vertolkte zo herhaaldelijk het hele solorepertoire met orkest.
    In 1970 werd hij benoemd tot docent kamermuziek aan het Koninklijk Conservatorium Brussel, waar hij in 1985 tot voorzitter van het docentencorps verkozen werd.
    Hij was gastprofessor aan de Universiteit van Minnesota, aan het Conservatoire national Supérieur de Musique de Paris an aan de Hogeschool voor de Kunsten te Arnhem .
    In diezelfde periode bouwde hij als directeur een breed net van kwaliteitsonderwijs uit aan de Academie te Zaventem. Intussen behaalde hij nog steeds aan het Conservatorium van Brussel het diploma dirigent na cursus te hebben gevolgd bij René Defossez en André Vandernoot.
    Bijkomend studeerde hij orkesdirectie aan het Mozarteum te Salzburg bij Bruno Maderna; bij Pierre Boulez aan de Musikhochschule te Bazel volgde hij directie hedendaagse muziek. Terwijl hij zijn dirigentenstudies beëindigde, stichtte hij in 1970 het Vlaams Kamerorkest, waarmee hij tot 1993 in binnen-en buitenland actief was.
    Gedurende drie jaar had hij een nauwe samenwerking met het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, waarvoor hij zowel in binnen-als buitenland voorstellingen dirigeerde. Als gastdirigent trad hij op met alle belangrijke Belgische orkesten en met symfonieorkesten in de Verenigde Staten, Argentinië, Taiwan, Engeland en Italië. Hij werkte samen met befaamde solisten zoals Igor Oistrakh, Philippe Hirschhorn, José Van Dam ..
    In 1994 werd hij directeur van het Koninklijk Conservatorium Brussel en in juni 1995 werd hij benoemd tot Voorzitter van de jury van de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elsabeth van België.
    Sinds 1998 tot vandaag dirigeert hij het Symfonieorkest van het Conservatorium.
    Arie Van Lysebeth nam afscheid als directeur van het conservatroium in december 2003.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jarige dirigent en componist

    70 jaren geleden werd Janpieter Biesemans geboren.

    Een kort portret van deze dirigent-componist.

    Janpieter Biesemans

    Geboortedatum: 16.11.1939, Vilvoorde
    Janpieter Biesemans werd geboren te Vilvoorde.
    Hij studeerde aan het Lemmensinstituut en het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen bij onder andere Marinus De Jong, Jef Schampaert, August Verbesselt, Marcel Slootmaeckers, Lode Dieltiens, Jos Van Looy, Jacqueline Fonteyn, Jan Decadt en Flor Peeters.
    In 1964 stichtte hij het ensemble Consortium Antiquum en sindsdien wijdde hij zich gedurende 23 jaar aan de interpretatie van oude muziek.
    Sinds 1980 zette hij zich aan het schrijven van muziek. Op dit moment heeft hij reeds een negentigtal opusnummers op zijn naam staan.
    Veel van zijn werken, waaronder zijn Deutsche Johannes-Passion die in 1987 gecreëerd werd door het Vokaal Ensemble van De Munt, werden uitgevoerd in onder andere de Sint-Martinuskerk te Meise en in de Singel te Antwerpen.
    Ook op verschillende wedstrijden, waaronder de Orpheuswedstijd, werden zijn werken gespeeld. Van onder andere Sonate Concertante, Discorso a cinque per trombono solo, Vijf Slovaakse stukken voor blokfluit en Why not, Hans, zijn CD-opnames voorhanden.
    Naast componist is Biesemans ook leraar notenleer aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen en directeur van de Akademie voor Muzische Kunsten te Meise.
    Hij gaf tevens de impuls tot het oprichten van de Werkgroep Kunstonderwijs, een werkgroep die ijvert voor de rechten van de leerlingen van het Vlaams deeltijds kunstonderwijs.


    17-05-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Clement D'Hooge zou 110 geworden zijn...





     



    Clement D’Hooghe werd op 21 april 1899 geboren in Temse, het dorp aan de Schelde waar ook Arthur Wilford en Piet Nuten het levenslicht zagen..
    Muziek zat bij Clement D’Hooghe letterlijk in de genen. Zijn vader was een veelzijdige muzikant, de muzikale factotum van Temse : violist en organist, directeur van de plaatselijke muziekschool, dirigent van de harmonie, koster-organist en leraar piano en orgel. Zijn oom, pater Bernardinus D’Hooghe componeerde religieuze muziek, zoals de Missa Carmelitana en de bundel Zeventig geestelijke liederen. Een andere oom was koster-organist in Kruibeke en onderhield nauwe contacten met Peter Benoit.
    Met een dergelijke muzikale pedigree mag het niet verwonderen dat Clement D’Hooghe door zijn vader in de muziek werd geïnitieerd. In 1919 trekt hij dan naar Antwerpen waar hij privé-lessen volgt bij Alexander Papen, toen nog tweede organist van de kathedraal. Hij schrijft zich ook in aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium en haalt er, telkens met grote onderscheiding, verschillende diploma’s : harmonie bij August De Boeck (1920), orgel bij Arthur De Hovre (1921), contrapunt en fuga bij Lodewijk Mortelmans (1922 - 1924). Daarnaast studeert hij er practische harmonie bij directeur Emile Wambach en piano bij Emmanuel Durlet. In 1927 bekroont hij zijn conservatoriumstudies met de Prijs Albert De Vleeshouwer voor compositie. Daarna gaat hij zich nog vervolmaken in religieuze muziek bij Jules Van Nuffel, orkestratie en compositie bij Paul Gilson (1928-1930) en orgelspel, met bijzondere aandacht voor improvisatie, bij Marcel Dupré in Parijs (1930-1931).
    Ondertussen was hij reeds actief als organist in verschillende Antwerpse kerken : Sint-Joris (1924-1926), de Heilige Geestkerk (1926) en uiteindelijk lange jaren in de Sint-Pauluskerk (1926-1951). Deze kerk in het hart van het Schipperskwartier beschikte over een florerende muziekkapel met een rijke traditie. Zang- en orkestmeesters waren o.m. Franciscus Guillielmus Aerts (benoemd in 1838), die de muziekbibliotheek van de kerk aanvulde door orkestmateriaal over te kopen van G.G. Kennis, de kapelmeester van Sint-Pieters in Leuven; Lodewijk Kiven (benoemd in 1864); Jan Broeckx (benoemd in 1906); Renaat Veremans (benoemd in 1924); Gust. Persoons (orkestmeester van 1927 tot 1971).
    Na het Motu proprio uit 1903 waarin Pius X ondermeer de versobering in de kerkmuziek predikte, waren in de meeste kerken de orkesten van de doksalen verdwenen. Maar niet zo dus in de Sint-Pauluskerk waar de koppige én melomane pastoor Van Bostraeten zijn orkest handhaafde. In deze vruchtbare omgeving was Clement D’Hooghe in nauwe samenwerking met Persoons mee verantwoordelijk voor verschillende spraakmakende uitvoeringen met soli, koor, orgel en orkest. De muziekkapel bracht veel Vlaamse muziek van ondermeer Benoit, Wambach, Gevaert, De Boeck, Van Nuffel, Meulemans, Van Hoof, Persoons (wiens Ruusbroeckmis op 26 januari 1936 werd gecreëerd) en D’Hooghe.
    Maar de gewelven werden ook gevuld met het grote repertoire (missen van Haydn, Mozart en Bruckner, met de Belgische creatie van diens Mis in e op Pasen 1942 als een van de hoogtepunten) en met eigentijdse kerkmuziek (bijvoorbeeld van Gretchaninof en Kromolicki).
    Alleszins was Clement D’Hooghe een begenadigd organist die goddelijk kon improviseren. Een bevoorrechte getuige als dr. Guido Persoons herinnert zich : Het was een voorrecht de voorname organist Clement D’Hooghe jarenlang, zondag na zondag, te zien orgelspelen. Vanuit een voortdurend moduleren, boeide hij door weergaloze improvisatie. Onrustig ook, wijzigde hij doorlopend zijn registratie. Geen tweeëndertig maten bleven de registertrekkers ongemoeid. Er waren geen schokken in deze klankkleurwijziging. Wij beleefden een voortschrijding door variatie, ingegeven door het ogenblik. Zijn registratie was even vinnig en verscheiden als de orkestratie van August De Boeck, die (als interim voor Arthur De Hovre) mede zijn orgelleraar was. De registratie bij Bachwerken was anders, massaal en meer continu. De slot-Toccata klonk met all registers open en gekoppelde klavieren. Op Groot-Orgel alleen, kreeg nadien het Fugathema door matig tempo, ruim de tijd voor toonvorming in de ruimte. Elke zware tel detailleerde de melodieopbouw. In grote blokken groeide de registratie naar het slot toe. Dit uiterlijk crescendo rondde voor ons de feestdag af.
    D’Hooghe had natuurlijk fantastische orgelleraars getroffen : Papen, een leerling van Callaerts, technisch uitstekend en begiftigd met een groot improvisatietalent; De Hovre, een belangrijk Bach-interpreet; en bovenal Dupré, zonder twijfel een van de grootste organisten van deze eeuw, die de verworvenheden van Widor en Vierne verzoende met de Lemmenstraditie en bij wie zowat alle Europese en Amerikaanse organisten met faam gingen studeren. Bij het einde van zijn studie loofde Dupré uitvoerig D’Hooghes orgelspel : Vous possédez le don de l’instinct de l’improvisation. Votre jeu est précis, brillant, parfaitement rythmé et clair. Votre style pour l’interprétation de Bach, de César Franck et des modernes comporte toutes les qualités de pureté, de respect nécessaire, en même temps qu’une extériorisation sincère et noble (brief gedateerd 2 maart 1931).
    En De Hovre getuigde meermaals dat D’Hooghe samen met Jef Van Hoof de beste improvisator was die hij ooit in zijn klas had.
    Een minder gekende activiteit van D’Hooghe is te situeren tussen 1928 tot 1936, de periode waarin hij artistiek directeur was van de Antwerpse Empire- en het Roxy-theater. Dit waren grote bioscopen waar een orkest de stomme films begeleidde en tussen de films door muzikale intermezzo’s verzorgde. In die tijd waren de cinema’s de grootste commerciële werkgever van muzikanten in Antwerpen : begin 1926 waren er in het Antwerpse 51 zalen die samen 324 muzikanten tewerkstelden. D’Hooghe debuteerde op 30 november 1928 als bioscoopdirigent met de begeleiding van de oorlogsfilm Hemel van glorie. Hij had de beschikking over een werkelijk uitstekend orkest, samengesteld uit 6 violisten, 1 cellist, 1 contrabassist, 1 pianist, 1 organist, 1 fluitist, 1 hoboïst, 1 klarinettist, 1 fagottist, 2 trompettisten, 1 trombonist, 2 hoorns en 1 slagwerker. Concertmeester en vioolsolo was de toen nog piepjonge Franz Wigy en onder de negentien overige muzikanten waren er nog elf met eerste prijzen van koninklijke conservatoria. De meerderheid was afgestudeerd aan het koninklijk conservatorium van Luik. D’Hooghe moest zelf voor de begeleidende muziek zorgen. Soms ging dat niet verder dan het handig aaneen breien van bestaande muziekfragmenten (sjablonen en cliche’s voor een liefdesscène, een achtervolgingsscène, een natuurscène), maar daarnaast maakte hij zelf een bewerking op basis van klassieke thema’s of componeerde hij originele muziek. De bioscopen concurreerden onderling met het beste orkest en de filmrecensenten bespraken niet alleen de film, maar ook de begeleidende muziek en de prestatie van het orkest.. D’Hooghe probeerde het bioscooppubliek in contact te brengen met klassieke muziek door in plaats van de gebruikelijke amusementsmuziek als "entr’acte musical" een eigen bloemlezing met thema’s van Benoit, Blockx, Wambach en Gilson of toegankelijke composities uit het internationale repertoire (zoals Saint- Saëns’ Rondo Capricioso met de zeventienjarige Wigy als solist) te brengen.
    Een dergelijke "volksopvoedende" taak zag hij ook voor zich weggelegd toen hij in 1929 directeur werd van de Berchemse muziekacademie. Hij beschouwde de muziekschool als een oord van culturele volksverheffing in een al te materialistisch aangelegd maatschappelijk leven. In zijn functie als directeur schreef hij veel voor kinderen: jeugdcantates en tientallen kinderliederen, die tijdens leerlingen-voordrachten vaak met orkestbegeleiding gebracht werden. En blijkbaar vielen die werken in de smaak, want later werd hij ook gevraagd door het Antwerps Jeugdtheater. Voor de muziekacademie verzorgde hij ook symfonische concerten. Op 7 januari 1950 bijvoorbeeld dirigeerde hij een vroege symfonie van Haydn, een pianoconcerto van Mozart (met Yvonne Van den Berghe als soliste), twee aria’s van Mozart (met de bas Edward De Decker), Noorse dansen van Grieg, een orkestdans van De Boeck en de creatie van het eerste deel van zijn eigen Romantisch Concerto voor piano en orkest (eveneens met Van den Berghe als soliste).
    In 1942 werd D’Hooghe aan het Antwerps conservatorium benoemd wordt tot leraar practische harmonie en "toonverzetting", zoals de - inmiddels afgeschafte - cursus transpositie toen genoemd werd. Na een korte schorsing na de oorlog solliciteerde hij in 1947 aan dezelfde instelling voor de functie van orgelleraar (in opvolging van Papen). Een aanbevelingsbrief van Marcel Dupré hielp niet en de benoeming ging naar Flor Peeters.
    De repressie heeft zijn gezondheid geen goed gedaan : Clement D’Hooghe was nog net geen 52 jaar toen hij op 1 april 1951 in Wilrijk overleed. Toch liet hij een omvangrijk oeuvre van zowat 400 werken na (bewerkingen incluis). Veel dienstbare muziek, gelegenheidswerk zoals stap- en feestliederen en cantates (Moederweelde, voor de inhuldiging van een materniteit in Temse in 1936; In memoriam Minister Arthur Van der Poorten, op tekst van Karel Jonckheere, 1946). Waar hij zich in deze volkse en functionele muziek als componist ondergeschikt maakt laat D’Hooghe elders een eigen en meer bij-de-tijdse taal horen met kleurtoetsen uit het Franse impressionisme. In zijn pianomuziek bijvoorbeeld, waar hij naast een sonate en enkele sonatines een voorliefde toont voor genrestukjes (Avondstemming, Chinoiserie, Solitude) en dansen. Zijn Gavotte en Tarentella zijn te horen op Philibert Mees’ recente CD "Romantische Vlaamse Klaviermuziek" (De Rode Pomp) en vallen op door hun ongecompliceerd speel- én luisterplezier. En Marcel Poot was zeer gecharmeerd door zijn Nocturne, die door de Ring samen met met werk van Albert, Baeyens, Borremans en Van den Broeck gepubliceerd werd : Dans le second volume d’oeuvres pour piano qui vient de paraître dans cette intéressante édition, une pièce attire particulièrement notre attention. Il s’agit du ‘Nocturne’ de Clément D’Hooghe. Ecrite dans une note très debussyste, très ‘latine’ d’aspect, cette oeuvre reflète une nature musicale tendre et délicate. M. Clément D’Hooghe s’y avère un musicien solide et possédant son métier jusqu’au bout des doigts. Il est regrettable tout de même qu’un si beau talent ne consacre sa juvénile force à la défense de la musique moderne ! (Revue musicale belge van 20 november 1926)
    Vreemd genoeg componeerde de organist D’Hooghe slechts een vijftiental werken voor groot orgel, o.a. 4 Toccata’s, Kleine suite, Vrolijke optocht, Elegie. Verschillende van zijn werken staan regelmatig op het repertoire van o.m. Stanislas Deriemaeker en Kamiel D’Hooghe.
    Verschillende van zijn piano- en orgelwerken bewerkte hij later voor symfonisch orkest, maar daarnaast schreef hij ook enkele originele orkestcomposities : Symfonisch gedicht. Hulde aan drie nationale toondichters (1939), waarin hij een origineel eerbetoon brengt aan César Franck (geïnspireerd door diens orgelmuziek), August De Boeck en Peter Benoit (met citaten uit de Rubensmars en Mijn moederspraak); Kaboutersballet (1942), misschien wel zijn populairste orkestwerk, getuige alleen al de zes opnamen door het omroeporkest; de driedelige Orkestsuite, die in 1942 werd bekroond in de "Prijskamp ontspanningsmuziek" van het NIR. Daarnaast componeerde hij ook enkele concerterende werken, zoals het Romantisch Concerto (1949) dat in 1994 werd opgenomen door Jozef De Beenhouwer en het BRT-orkest o.l.v. Sylveer Van den Broeck, en de Legende voor cellosolo en orkest (1942). Na het orgel was de cello D’Hooghes geprefereerde instrument.
    Hij schreef verschillende stukken voor cello solo, voor cello solo met begeleiding van 8 cello’s, en voor cello en piano, zoals de geëlaboreerde Cellosonate (1945) waarover Piet Nuten schreef : De gedegen thematische dialectiek, de expressieve zangerigheid, de spanningsvolle dialogen, het rijkgeschakeerde harmonische beeld, de nooit falende trefkracht en dynamische beklemtoning van het instrumentale samenspel zijn eigenschappen die deze compositie plaatsen bij het beste uit de Vlaamse cello-literatuur.
    Ook de rest van zijn kamermuziek verdient beter dan de totale onverschilligheid waarmee ze nu bejegend wordt, zoals het Pianotrio (in 1939 bekroond in de nationale wedstrijd Foyer de l’art vivant), het Pianokwartet (1939); het Trio in vorm van suite (voor piano, viool en altviool) dat vele keren werd uitgevoerd door het trio van violist Jozef Pauly; het Strijkkwartet (1944) dat door het Quatuor Wigy in 1947 werd opgenomen voor het NIR; werken voor viool en piano (o.a. Canzonetta uit 1934, opgedragen aan Frans Wigy) en verschillende composities voor blaasinstrumenten.
    Naast de reeds genoemde gelegenheidswerken componeerde D’Hooghe nog heel wat vokale muziek, zoals tientallen kunstliederen op teksten van o.m. René De Clercq, Willem Gijssels, August Van Cauwelaert, Maurice Maeterlinck en de onvermijdelijke Guido Gezelle. Het grootste deel van zijn religieuze koormuziek schreef D’Hooghe voor de Sint-Pauluskerk : Missa in honorem S. Pauli voor 2 gelijke stemmen en orgel (1930); Te dicimus praeconio, een hymne op het gregoriaanse Ave Maris Stella voor bariton, mannenkoor, orgel en orkest (1940); Psalm 145 Lauda anima mea Dominum voor gemengd koor, orgel en orkest (1941); O Jesu amor mi, voor 2 gelijke stemmen en orgel; Magnificat, voor 3 gelijke stemmen, orgel en strijkers (1942); de tweede Missa in honorem S. Pauli, bijgenaamd Missa gregoriana, die voor het eerst met orkest werd uitgevoerd op Kerstdag 1943; Missa brevis, voor 2 of 3 gelijke stemmen (1944); Ave Maria, Regina Sacratissimi Rosarii, voor driestemmig gemengd koor en koperensemble. Verder componeerde hij nog enkele zettingen van Adeste fidelis, Adoro Te, Pie Jesu en Tantum Ergo.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Luc Brewaeys 50 !

    Luc Brewaeys

    Luc Brewaeys werd geboren in 1959 te Mortsel (België). Hij studeerde compositie bij André LAPORTE in Brussel, bij Franco DONATONI in Siena (Italiê) en bij Brian FERNEYHOUGH in Darmstadt (Duitsland). Van 1980 tot 84 had hij regelmatige contacten met Iannis XENAKIS in Parijs.
    Hij is ook dirigent, pianist en werkt sinds 1985 als muziekregisseur bij de VRT-Radio.

    Hij kreeg verschillende prijzen en onderscheidingen :
    -3de Prijs van de Europese Wedstrijd voor Jonge Componisten voor ".., e poi c'era..." Symphony n° 1 (Amsterdam, 1985);
    -1ste Prijs in de categorie jonge componisten van de Internationale Tribune van Componisten van de UNESCO voor hetzelfde werk (Parijs, 1986);
    -de "Prix de Musique Contemporaine du Québec" voor zijn volledig werk (Montréal, 1988);
    -1ste Prijs van de Wedstrijd voor Europese Componisten van de Internationale Ontmoetingen voor Hedendaagse Muziek in Metz (F) voor "Komm! Hebe dich..." Symphony n° 2 (1988);
    -de Prijs voor Muziek van de Vlaamse Gemeenschap (1989);
    -de SABAM-Prijs (1990);
    -1ste Prijs "Premio Musicale Città di Trieste" voor symfonische compositie voor "Symphony n° 3 : Hommage" (1991).

    In 1996 gaf de Belgische Muziekpers hem twee Prijzen voor de opname van zijn (tot dan toe) volledige symfonisch werk door het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen onder leiding van Arturo Tamayo, die de meeste van zijn werken gedirigeerd heeft.
    In 1999 ontving hij de Cultuurprijs "Blanlin-Evrart" van de Katholieke Universiteit van Leuven voor zijn volledig oeuvre.

    Hij kreeg veel opdrachten in België zowel als in het buitenland, zijn oeuvre omvat o.a. 8 Symfonieën, 2 Strijkkwartetten, Kamermuziek en Solowerken, electro-akoestische (& gemengde) werken alsook een Kameropera "Antigone".
    Zijn muziek kan het best omschreven worden als "spectraal symfonisch" met (voornamelijk in recentere werken) lyrische accenten.
    Hij was "composer in residence" van het Internationaal Kunstencentrum deSingel voor the concertzeizoen '88-'89, gast- componist van de 4d Week voor Hedendaagse Muziek in het Conservatorium te Gent in februari '89, en van het ensemble "I Fiamminghi" in April 2001. In April 2001 was hij tevens in residence bij het eerste Festival "Dicht bij huis" in Tilburg (NL), waar 11 van zijn werken uitgevoerd werden (sommige daarvan met de composer als dirigent of aan de piano).

    Van 1991 tot '92 was Luc Brewaeys composer in residence in de Franse stad Saint-Nazaire voor de compositie van "Kientzyphonie" (Symphony n° 4) voor Daniel Kientzy op saxofoons en groot harmonieorkest. In February en December 1998 gaf hij Masterclasses in Compositie en Directie aan de Universiteit van Aveiro (P).

    Van 1998 tot 2000 was Luc Brewaeys professor compositie en orkestratie aan het Conservatorium te Gent.
    Voor het zeizoen 2003-04 was hij composer in residence bij BOZAR (het Paleis voor Schone Kunsten) in Brussel. Hij was tevens een van de centrale componisten van de editie 2004 van het Ars Musica Festival (Brussel).
    Momenteel werkt hij aan zijn eerste opera (op Pirandello's "L'uomo dal fiore in bocca"), een opdracht van de Koninklijke Muntschouwburg (Nationale Opera) in Brussel.


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Componist wordt 30 !
    Sebastian Bradt
    Sebastian Bradt
    17.04.1979, Gent
     

    Bradt studeerde fagot bij Wim Van Volsem aan de Kunsthumaniora voor Muziek en Dans,Gent. Heeft een uitgesproken voorkeur voor het 20ste eeuwse repertoire en probeert allerhande alternatieve speelwijzen uit op dit instrument.
    Pianostudie bij Sabine Haenebalcke.
    Schrijft zich in aan het Konservatorium van Gent : kompositie/orkestratie bij L. Posman, later Luc Brewaeys.
    Woont lessen en kursussen bij van Dirk Brosse, Frank Nuyts, Claude Coppens en dr.Godfried-Willem Raes. Proefschrift Analyse 1 : Nacht - Stilte (1981), Luc Van Hove.
    2000: Maakt de overstap naar de klas Algoritmische Kompositie en Eksperimentele Muziek van dr.Godfried-Willem Raes, sedertdien vaste mentor.
    2003: Studeert met onderscheiding af aan het Konservatorium als 'Meester in de Muziek'.
    Maakt als lid van het M&M ensemble en in opdracht van Stichting LOGOS arrangementen van bestaande muziekstukken voor het Automaton Orchestra met als doel het exploreren van de sonore mogelijkheden van muzikale robots.
    2006: wordt parttime medewerker van Stichting Logos als komponist, arrangeur, recycler - perfomer, technikus, zaalverantwoordelijke, Pr - kontaktman etc.


    09-05-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Paul Beelaerts 60



    Paul Beelaerts (1949) studeerde aan de Koninklijke Conservatoria van Gent en Brussel waar hij eerste prijzen voor notenleer, muziekgeschiedenis en Engelse hoorn behaalde, naast hogere diploma's voor hobo en kamermuziek. Daarna volgde hij nog meestercursussen bij Heinz Holliger en Maurice Bourgue en een aanvullende studie van de barokhobo in samenwerking met Paul Dombrecht en Helmut Hucke.
    Hij werd eerste laureaat en behaalde de Europa Prijs van de Pro Civitate wedstrijd in 1971 en in 1973 werd hij laureaat van de Tenuto 73 wedstijd voor hobo.
    Als componist is hij volledig autodidact. Hij was gastcomponist op het ISCM-festival 1983 te Aarhus (DK). In 1977 behaalde hij nogmaals de Tenuto Prijs maar deze maal voor compositie, met het werk Permutaties op een thema van Martinu.
    In 1980 werd hem de Nausika-compositieprijs uitgereikt voor zijn Oppervlakkige Charleston. Dikwijls componeert hij in opdracht van ensembles en koren.
    Tegenwoordig doceert hij hobo en literatuur voor houtblazers aan het Koninklijk Conservatorium van Gent en kamermuziek aan het Lemmensinstituut te Leuven.
    Daarnaast is hij ook medewerker aan het Aquarius-projekt (Conservatorium van Antwerpen).


    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Dirigent - componist wordt 70 ...



    Janpieter Biesemans werd geboren te Vilvoorde. Hij studeerde aan het Lemmensinstituut en het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen bij onder andere Marinus De Jong, Jef Schampaert, August Verbesselt, Marcel Slootmaeckers, Lode Dieltiens, Jos Van Looy, Jacqueline Fonteyn, Jan Decadt en Flor Peeters.
    In 1964 stichtte hij het ensemble Consortium Antiquum en sindsdien wijdde hij zich gedurende 23 jaar aan de interpretatie van oude muziek.
    Sinds 1980 zette hij zich aan het schrijven van muziek. Op dit moment heeft hij reeds een negentigtal opusnummers op zijn naam staan. Veel van zijn werken, waaronder zijn Deutsche Johannes-Passion die in 1987 gecreëerd werd door het Vokaal Ensemble van De Munt, werden uitgevoerd in onder andere de Sint-Martinuskerk te Meise en in de Singel te Antwerpen. Ook op verschillende wedstrijden, waaronder de Orpheuswedstijd, werden zijn werken gespeeld. Van onder andere Sonate Concertante, Discorso a cinque per trombono solo, Vijf Slovaakse stukken voor blokfluit en Why not, Hans, zijn CD-opnames voorhanden.
    Naast componist is Biesemans ook leraar notenleer aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium te Antwerpen en directeur van de Akademie voor Muzische Kunsten te Meise. Hij gaf tevens de impuls tot het oprichten van de Werkgroep Kunstonderwijs, een werkgroep die ijvert voor de rechten van de leerlingen van het Vlaams deeltijds kunstonderwijs.

    Ad multos annos !


    02-04-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Paul Beelaerts 60 !

    Paul Beelaerts werd in 1949 geboren te Oostende.
    Hij studeerde aan de Koninklijke Conservatoria van Gent en Brussel waar hij eerste prijzen voor notenleer, muziekgeschiedenis en Engelse hoorn behaalde, naast hogere diploma's voor hobo en kamermuziek. Daarna volgde hij nog meestercursussen bij Heinz Holliger en Maurice Bourgue en een aanvullende studie van de barokhobo in samenwerking met Paul Dombrecht en Helmut Hucke. Hij werd eerste laureaat en behaalde de Europa Prijs van de Pro Civitate wedstrijd in 1971 en in 1973 werd hij laureaat van de Tenuto 73 wedstijd voor hobo.
    Als componist is hij volledig autodidact. Hij was gastcomponist op het ISCM-festival 1983 te Aarhus (DK). In 1977 behaalde hij nogmaals de Tenuto Prijs maar deze maal voor compositie, met het werk Permutaties op een thema van Martinu. In 1980 werd hem de Nausika-compositieprijs uitgereikt voor zijn Oppervlakkige Charleston. Dikwijls componeert hij in opdracht van ensembles en koren. Tegenwoordig doceert hij hobo en literatuur voor houtblazers aan het Koninklijk Conservatorium van Gent en kamermuziek aan het Lemmensinstituut te Leuven. Daarnaast is hij ook medewerker aan het Aquarius-projekt (Conservatorium van Antwerpen).


    08-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nog meer Jef Van Hoof....

    JEF VAN HOOF

     


     

    Een paar weken geleden zongen we met enkele duizenden in de Lotto-Arenahal het krachtige strijdlied ‘Groeninghe’ en de prachtige hymne ‘Daar is maar één land’. En we luisterden ingetogen naar Ann De Renais in twee kunstliederen van Jef Van Hoof.

    Daarmee herdacht het ANZ de 50ste sterfdag van deze legendarische toondichter.

    Het was een merkwaardig toeval dat tijdens hetzelfde zangfeest de 175ste geboortedag van die andere Vlaamse geniale componist Peter Benoit werd herdacht. Beide figuren zijn immers enorm volksverbonden musici geweest. Ze hadden allebei een enorme voorliefde voor het eigen volkslied. Ze dirigeerden met een bezielend enthousiasme de massa en schreven met een groot hart voor die zingende massa. Beiden engageerden zich met hun kunst in de ontvoogdingsstrijd van ons volk. Benoit streed voor de oprichting van een Vlaams Conservatorium in Antwerpen en Van Hoof was een tijdlang directeur van diezelfde muziekschool. Zowel Van Hoof als Benoit hebben strijdvaardige liederen en andere opzwepende muziekstukken geschreven. Benoit hanteerde daarvoor massakoren en grote orkesten. Van Hoof bespeelde ook de massa zangers maar dan graag begeleid door vurige kopers. Kopers waren voor van Hoof ‘de ziel’ van het orkest. Van Hoof formuleerde het soms nog plastischer….

    Naast de uitbundige en opzwepende stukken schreven beide toondichters schitterende symfonische werken (Benoit: fluitconcerto, pianoconcerto, ouvertures; Van Hoof: 6 symfonieën, symfonische suites), strijkkwartetten, kamermuziekwerken, pianomuziek, missen, motetten, koorwerken en liederen.

    Van Hoof heeft steeds met een grote bewondering en zelfs verering opgekeken naar Benoit, net zoals veel generatiegenoten en jongere componisten opkeken naar Van Hoof. Van Hoof baseerde zijn pedagogische principes op die van Benoit wat bijvoorbeeld de rol van het volkslied betrof. Beide componisten hadden hun werkterrein in Antwerpen aan de Schelde en allebei kregen ze een graf op het ereperk van het Schoonselhof.

    Benoit én Van Hoof waren en zijn figuren die tot de verbeelding spreken: het waren artiesten met de uiterlijke kenmerken van een romantische artiest: baard, lange haren, kapmantel en hoed, boude uitspraken, vurige begeesterende uitstraling….

     



    In deze bijlage willen we graag iets dieper ingaan op de figuur van Jef Van Hoof.

    Hij werd op 8 mei 1886 geboren in de Belegstraat 5 in Antwerpen. Als zoon van een koster speelde hij al zeer vroeg orgel en verving hij zijn vader aan het kerkorgel. In 1916 volgde hij zijn vader officieel op als koster.

    Een groot collegestudent was hij niet. Daarvoor was hij te zeer gebeten door de muziekmicrobe.

    Zo belandde hij aan het Antwerps Conservatorium bij Jozef Callaerts en Arthur De Hovre voor orgelstudie, bij Lodewijk Mortelmans voor harmonie en contrapunt en bij Paul Gilson voor compositie. Geef toe, je kan het slechter treffen!

    Jef Van Hoof begon al vroeg te componeren. Zo ontstond zijn zeer bekend, innig en ontroerend ’t Is stille (op tekst van Gezelle) al in 1903.

    In 1909 schreef het Algemeen Nederlands Verbond een wedstrijd uit voor een nieuw lied. Op tekst van (alweer) Gezelle schreef Van Hoof dan zijn immens populair geworden ‘Groeninghe’. Met deze ‘Vlaamse Marseillaise’ was zijn naam meteen gemaakt. Van Hoof werd hét symbool van de Vlaamse weerbaarheid. Geen Guldensporenviering en later geen zangfeest of IJzerbedevaart waar dit lied niet met gloed en geestdrift werd en wordt gezongen. Tijdens zijn leven vaak onder leiding van de toondichter zelf.

    In 1911 ontving hij de ‘Prijs van Rome’ voor zijn cantate ‘Tycho Brahé’ en een eerste prijs in een wedstrijd van de Koninklijke Maatschappij ‘De Grote Harmonie van Brussel’ voor zijn ‘Landelijke stemming’.

    Conservatoriumdirecteur Jan Blockx zwaaide uitbundig met lof en prees Van Hoof als waardige leerling van de muziekschool en volgeling van Benoit. Hij voorspelde hem een schitterende toekomst als nationaal componist. Profetische woorden, zoals later zou blijken.

    Als musicus vocht Van Hoof tijdens de eerste wereldoorlog mee voor de vervlaamsing van de Gentse universiteit. Hij componeerde daarvoor het strijdlied ‘Oproep’. Dit leverde hem in 1918 een celstraf van 7 maanden op.




    Daarna ging hij gewoon verder met zijn muzikaal engagement. Hij richtte het koor ‘Kunst en Vermaak’ (1920) op en werd leraar harmonie aan de Mechelse beiaardschool (1925) bij Jef Denijn. In 1933 stichtte hij samen met de Vlaamse bard Willem Demeyer de Vlaams-Nationale Zangfeesten waarvan we op 15 februari j.l. de 72ste editie mochten beleven. Aanvankelijk was Jef Van Hoof de enige dirigent en componist die aan bod mocht komen. Node moest Van Hoof aanvaarden dat ook andere componisten verschenen aan het firmament van de Vlaamse volksmuziek. Andere belangrijke Vlaamse toondichters verwierven immers ook een plaats als dirigent en componist op het zangfeestpodium. En dat het niet zomaar de minsten waren blijkt uit de opsomming van enkele namen van medewerkers aan de zangfeesten: Karel Candael, Lodewijk Mortelmans, Emiel Hullebroeck, Lieven Duvosel, Arthur Meulemans, Jef Tinel, Ivo Mortelmans, Renaat Veremans, Maurits Veremans, Armand Preud’homme, Gaston Feremans, Wies Pée, Jos Mertens, Hendrik Diels, Lode Dieltiens, Léonce Gras, Michaël Scheck, Juliaan Wilmots, Ludo Claesen, ….




    Het belang van deze zangfeesten en van het daartoe opgerichte VNZ (nu ANZ) in de Vlaamse beweging en in de Vlaamse koor-, lied- en muziekgeschiedenis kan nauwelijks overschat worden. Van Hoof heeft daar dus een uiterst belangrijke mijlpaal gevestigd waarop vandaag nog steeds voortgebouwd wordt.

    In 1936 werd Van Hoof aangesteld tot leraar harmonie in het Antwerps Conservatorium.

    Hij werd in 1942 bevorderd tot directeur van het conservatorium als opvolger van Flor Alpaerts. Uit getuigenissen blijkt dat hij een echte bezorgde vader voor zijn leerlingen was en net zoals Benoit teruggreep naar het volkslied. Hij voerde weliswaar nieuwe leergangen in (slagwerk en euritmiek) en wijzigde hier en daar elementen in de leerstof maar steeds in de geest van de stichter van de ‘muziekschool’. Hij leverde in volle oorlogsperiode vaak valse getuigschriften af om jongeren te vrijwaren tegen verplichte tewerkstelling in Duitsland. Maar toch werd hij afgezet in 1944 en vloog hij weer de cel in. Na een jaar kwam hij vrij. Het conservatorium bleef dicht voor hem. De beiaardschool in Mechelen daarentegen werd zijn nieuwe thuis.




    Op 24 april 1959 overleed hij in zijn ‘Spokenhof’ met naast zich de onvoltooide zesde symfonie.

    Naast zijn drukke bezigheden als leraar, directeur en dirigent componeerde hij een  aanzienlijk aantal en zeer uiteenlopende werken.

    Laten we beginnen met zijn werken voor de menselijke stem.

    Zo zijn er eerst en vooral de kunst- en volksliederen (‘Ik wist niet’; ‘De vriezeman’; ‘Nanoen in huis’; ‘Lentestemming’; ‘Slaapliedje’; ‘Marialiedeken’; ‘Suja nu’; ‘Nachtdeun’; …..), strijdliederen en geëngageerde liederen (‘Groeninghe’; ‘Daar is maar één Vlaanderen’; ‘Goedendag’; ‘Vaandellied’; ‘Trouw aan Vlaanderen’; ‘O kruis van den IJzer of Bedevaartlied’; ….), kinderliederen (‘Mijn jeugd is als een tuil van rozen’; Van den koekoek en den ezel’; …) en godsdienstige liederen (‘Marieliedeken’; ‘Kerstlied’;…).

    Bij de liederen is het opmerkenswaard dat hij zelden de harde strijdlustige toon van Groeninghe aanslaat. Meestal spreekt er uit zijn liederen een diepe verinnerlijking en elegisch karakter. Zijn kinderliederen zijn prachtig afgestemd op de kinderen qua toon en sfeer. De muziek respecteert altijd de tekst. De muziek eerbiedigt de prosodie en metrum. Muziek en woord zijn één. Ze vormen een ‘monoliet’ zou Robert Herberigs later zeggen. Lodewijk De Vocht formuleerde het bijbels als hij zei: Eerst was er het woord en dan pas de muziek. Op dat punt zat Van Hoof dus in goed gezelschap. Zijn liedkunst werd doorheen zijn carrière steeds rijper en meer geïnspireerd. Geen wonder dat hij in 1958 als eerste de Lodewijk Mortelmansprijs ontving.

    Een merkwaardig genre dat Van Hoof ook beoefende is de lyrische voordracht. Dat zijn liederen voor spreekstem met begeleiding. Bijvoorbeeld ‘Spinnelied’; ‘Idylle’ en ‘Jacob van Artevelde’.

    Hij gebruikte teksten van o.m. G. Gezelle, P. De Mont, B. Peleman, A. Rodenbach, W. Gijssels, J. Van Nijlen; G. Ritschl, L. De Schutter R. De Clercq en E. Denhaene.




    Daarnaast componeerde Van Hoof een hele reeks koorwerken. Hij schreef missen voor mannenkoor en orgel en voor gemengd koor, koorwerken voor gemengde stemmen (bv. ‘Onder de linde’ zie Vlaams Romantisch koorboek; Drinkebroerslied; bewerkingen van 10 oude volksliederen; bewerkingen van 10 Geuzenliederen; …), motetten (‘Tota pulchra es, Maria’; ‘Klaar bloed en louter wonden’; ‘Marialiedeken’; …) werken voor gelijkstemmige koren (‘Psalm’; 6 Dietsce liederen; ‘Strijdkreet’; ‘Hangt ‘nen truisch’; …).

    Bij de koorwerken van Van Hoof is het opvallend hoe subtiel de grens is tussen eenstemmige liederen en koorliederen. Hij hanteerde vooral een verticale (homofone) schrijfwijze waardoor de verstaanbaarheid van de tekst zeer goed tot zijn recht komt. De klemtoon ligt op de melodiestem. De andere stemmen begeleiden.

    Van Hoof op zijn best treffen we wellicht aan in zijn ‘Missa De Deo’ uit 1937. Een indrukwekkende compositie voor gemengd koor en kopers die triomfen oogstte in Aken maar in eigen land pas in 1966 (7 jaren na de dood van de componist) voor het eerst werd uitgevoerd. In 1949 ontstond zijn Te Deum voor dezelfde bezetting. Een zeer expressief en afwisselende compositie.

    En zo zijn we bij de muziek voor kopers beland, hét instrument van Van Hoof. In navolging van zijn leermeester Paul Gilson wilde hij de kopermuziek in Vlaanderen veredelen. Denken we maar aan de oproepen voor kopers en de ritmische symfonietta. Tot aan zijn dood leidde hij een eigen koperensemble bestaande uit 5 trompetten, 5 bazuinen en slagwerk. Hoorns gebruikte hij niet in zijn ensemble omdat die in zijn ogen te weinig viriel waren en meer aansloten bij de houtblazers.

    Verder componeerde Van Hoof ook intieme strijkkwartetten, kamermuziek (vb. ‘Suite voor 3 fagotten’ waarin het luimige volkslied van Pierlala verwerkt wordt), toneel- en filmmuziek (‘De vertraagde film’; ‘Jonker Lichthart’;…), de opera Meivuur, orgelmuziek (‘Rist van 6 kleine stukken’ uit 1903). Over dit orgelwerk schreef Wies Pee dat het technisch zeer goed uitgewerkt is en een schoolvoorbeeld van harmonie en melodie kan zijn. Hij plaatste ze meteen op dezelfde hoogte als orgelwerkjes van Sweelinck, Frescobaldi, Pachelbel, Buxtehude en Bach.

    Verder nog pianowerken (‘3 walsen’, ‘Morgenwandeling’..) en beiaardcomposities,

    Een bijzondere vermelding verdienen zeker nog de 5 symfonieën en een onvoltooide zesde symfonie. Deze werken zijn zeer klassiek van opbouw met de 4 delen (allegro, adagio, scherzo en allegro). De orkestratie is telkens zeer verfijnd en technisch perfect. Ze klinken lyrisch, romantisch en toch ook zeer fris. De componist van Groeninghe is hier ver te zoeken. Zijn latere symfonieën tonen een gelouterde en tot rust gekomen (?) toondichter. Van dezelfde kwaliteit zijn de 2 symfonische suites en ouvertures (‘Perseus’; ‘Willem De Zwijger; ‘Herinneringsouverture’ met daarin allerlei nationale hymnen verwerkt; …)  en een massa bewerkingen en begeleidingen bij liederen voor orkest, fanfare en koperensemble.

    Musicologen prijzen Van Hoof als eminent leerling van Gilson. Hij combineerde het romantsiche volksverbonden idealisme van Benoit met de technische beheersing van Gilson. Hij kan ook als classicistisch componist gezien worden omdat hij de klassieke vormen (symfonie; strijkkwartet, ….) trouw respecteerde en in zijn orgelwerk refereerde aan de grote klassiekers. Hij was dus zeker geen vernieuwer (behalve misschien qua kopermuziek), maar hij verwerkte de traditie tot een persoonlijke klassieke stijl. Zijn werken zijn alle boeiend om te beluisteren, pittig en voornaam.

    Dirigent Daniel Sternefeld die de symfonieën van Van Hoof dirigeerde voor de BRT getuigde dat de muziek en de mens Van Hoof één zijn: stoer, oprecht, eenvoudig en gezond. Hij verwees naar de invloed van Gilson qua kleur en kracht met een gezonde voorliefde voor kopers.




    We eindigen deze bijdrage met de woorden van August Corbet: hij vulde oude vaten met nieuwe wijn; gaf blijk van eerbied voor de technische verworvenheden van het voorgeslacht en verrijkte ze volgens zijn eigen  beleving van het tijdsgebeuren met een oorspronkelijke kleur en een soms gedurfde klank welke nochtans nooit afbreuk deed aan de gevestigde en algemeen geaccepteerde vormentaal.



    03-03-2009
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Jef Van Hoof (1886 - 1959)


    JEF VAN HOOF

    50 jaar geleden stierf Jef Van Hoof.
    Deze markante figuur uit het Vlaams muziekleven zal voor altijd herinnerd worden als de grote dirigent van de massa op de zangfeesten en IJzerbedevaarten. Hij was bovendien één van de oprichters van het Vlaams Nationaal Zangfeest in 1933 (samen met Willem Demeyer).
    In Vlaamse kringen blijft hij populair als de toondichter van het schitterende strijdlied 'Groeninghe', ook wel de 'Vlaamse Marseillaise' genoemd. Dit krachtige strijdlied ontstond precies 100 jaar geleden in 1909 naar aanleiding van een compositiewedstrijd van het Algemeen Nederlands Verbond.



    Ook het lied 'Daar is maar één Vlaanderen' blijft een topper in het repertoire.
    Daarnaast schreef hij motetten, missen, kamermuzuek, symfonieën, opera's, koorwerken en liederen.
    Hij was een laatromanticus met een grote achting voor Benoit.
    Zijn kopermuziek is echter uniek in zijn soort. Merkwaardig is ook zijn Te Deum en de Missa de Deo voor koor en kopers.
    En vergeten we zeker zijn belang niet als beiaardcomponist.
    Behalve als musicus genoot hij van een sterke reputatie van een volleerd vloeker die geen scheldwoord uit de weg ging. Ook zijn hoed en kapmantel werden legendarisch.
    Zijn vlaamsgezindheid kostte hem zijn vrijheid zowel na de eerste als na de tweede  wereldoorlog. In 1944 verloor hij zelfs zijn functie als directeur van het Vlaams Conservatorium van Antwerpen.



    Jef Van Hoof werd begraven op het Schoonselhof te Antwerpen. Het ontwerp van zijn graf is van de bekende zanger Renaat Verbruggen.

    wp6a9cc934_0f.jpg

    Jef Van Hoof werd volledig terecht herdacht en geëerd op het voorbije 72ste Vlaams Nationaal Zangfeest.

    Hieronder krijgt u een ietwat uitgebreidere beschrijving van zijn leven en werk.




    Componist en dirigent Jef Van Hoof studeerde aan het Koninklijk Muziekconservatorium van Antwerpen, waar hij onder meer les genoot bij Jozef Huybrechts, Lodewijk Mortelmans en Paul Gilson. Als teken van rouw voor zijn, in 1903, overleden moeder bleef hij steeds zwarte kledij met witte boord dragen. Zijn strijdlied Groeninghe, op tekst van Guido Gezelle, werd in 1909 bekroond door het Algemeen Nederlands Verbond en met de cantate Tycho Brahe behaalde hij in 1911 de tweede Prijs van Rome. In 1916 volgde hij zijn vader op als organist van de Sint-Michielskerk te Antwerpen. Andere bekroningen volgden, zoals de Prijs van de Provincie Antwerpen voor zijn Eerste symfonie in A (1957) en de Compositieprijs Lodewijk Mortelmans (1958).
    In 1925 werd Van Hoof leraar harmonie aan de Beiaardschool te Mechelen en in 1936 aan het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium van Antwerpen, waarvan hij van 1942 tot 1944 directeur was. In 1938 stichtte hij de Vlaamse Nationale Zangfeesten, wat hem, samen met de talrijke Vlaamsnationaal-geïnspireerde composities (veel strijdliederen) een extra-muzikale reputatie verleende die de algemene erkenning van zijn zuiver muzikale verdienste lange tijd in de weg heeft gestaan. Als componist was hij een (chronologisch late) postromanticus met een groot melodisch vermogen, een sterk chromatische neiging en een grote beheersing van de klassieke vormen - geen vernieuwer, wel een musicus met een voortreffelijk métier.
    Van Hoof componeerde naast een massa liederen, zoals het "Kerelslied" en "Daar is maar één Vlaanderen en het is Diets", zes symfonieën (de laatste onvoltooid), symfonische gedichten, religieuze muziek waaronder vier missen, koorwerk, drie opera's, toneelmuziek (o.m. voor het tweede bedrijf van "De vertraagde film van Teirlinck", kamermuziek, stukken voor beiaard en voor piano.

    (Jef Van Hoof en beiaardier Staf Nees)


    Bezoekers ....

    Zin om een boodschap door te geven? Dit kan hier.


    Interessante sites op het net
  • Algemeen Nederlands Zangverbond (ANZ)
  • Koor en Stem
  • Studiecentrum voor Vlaamse Muziek (SVM)
  • IMSLP: partituren op het net
  • Leven en werk van JEF TINEL
  • Partituren op het net (CPDL)
  • Componisteninfo (Matrix)
  • Componisteninfo (Cébédem)
  • Muziekcentrum Vlaanderen
  • PETER LEYS op Soundcloud

  • Website LODEWIJK MORTELMANS
  • Website AUGUST DE BOECK
  • Youtubekanaal PETER LEYS
  • Website LUDO CLAESEN
  • Website JAN VAN DER ROOST
  • Website EDGAR TINEL
  • Koor en Stem - Vlaams Brabant
  • Website EMMANUEL DURLET

  • Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto

    Foto


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!