Vrijdag 24 augustus 2007
ik, het kunstwerk
Geschreven door Julius Dreyfsandt zu Schlamm om 00:00
ik, het kunstwerk
verstildmijn hand al gerimpeld, het vel, dat wel mijn hand dus strekt zich uit over de stilte sneeuw, een onzichtbaar dik tapijt helder wit geweven haast glanzend sluipt op tegen een lichtglooiende heuvel mijn korte vingers begeleiden de opgaande lijn in de vallende rust naar de verte toe zelfs mijn denken, mijn denken, vraag ik me af zakt weg, nog verder dan, als daarvoor in niets ik ben daar met het geheel alleen |
lege stoelkijk daar, verder op zei ik daar gaat je broer fietst met kleinkind achterop; nog zo stoer in de terrasstoel, naast mij, met een leegte van verbeelde aanwezigheid, spreekt zij geen woord ik roep naar de overkant hé, Jan...zie ons hier hij ziet mij niet sinds jij niet meer bij mij hoort |
uitgeblustop de eerste etage slungelden haar benen uit het raam over het al haast verrotte houten kozijn van een herenhuis met verloren faam ze daagde mij uit met blote benen en lonkende ogen die mijn lust wilden lenen onder het gewuif van een luchtige rok ontsnapte mijn verstand geenszins aan deze ruif en mijn hart haastte zich als een opgejaagde klok nog twintig treden te gaan naar dit hemels genot langs gore wanden met verbleekte sterren maar daar boven aangekomen kwam ik al adem tekort om nog verder op te stomen |
high in the skyik spring, ik huppel en draai als molen rond ik ga nog sneller als de woorden die voortkomen uit mijn mond blijf staan, val niet om oude grijze gek stop, halt, stop bok met lange borstrok maar de wereld is zo mooi en vluchtig zo zwevend, zo high zo wiet wiet wiet zo bye, bye, bye ik kan niet stoppen en ga er tegen aan wat een dolle pret ieder lacht mij toe en word tot dollen aangezet maar ben, plots, bezweet wakker in mijn stapelbed ajuus, retteketet |
ik vluchtik vlucht mee met witte zwanen over wel zeven heuveltoppen naar het vergelegen zilveren meer alwaar ze op het water glijdend stoppen kennelijk niet voor de eerste keer gevangen in een sluier van regen drijf ik langzaam met hen voort zij bepalen voortaan mijn wegen hartentranen hebben mij verstoord zij vloeien door een diepe ader van aangeslagen goud je zult ze nimmer aanschouwen zo gevoelloos voor mensenogen deze druppels van eeuwig rouwen |
onkruidal wat dor is vergaat het slaat wel wonden maar nimmer laat de ziel zich temmen zij is door iets Groots gezonden ook ik weet niet waarom jij, hij, zij het juist overkomt dat een groeien niet mag bloeien het is vaak mensenwerk van onbewuste machteloosheid verkrampt tot uiting van geweld gevoel dat snijdt ogen die niet meer zien een hart, genadeloos geveld soms heel even onverwacht niet overdacht wordt ons getoond waar men vaak zonder weten op had gewacht geraakt door een mens gepaard aan een ziel vangen wortels het licht er is dan geen weg meer terug men sluipt dan langzaam henen voorwaarts gericht |
de band verbrokentot enkel afdeinzen werd ik genoopt toen gij mij, tersluiks, met dingstigheid en schier veinzen mijn edele gevoelens jegens u lafhartig had gesloopt gij zijt slechts onbeholpen; onkundig ene genegenheid met waarde te stolpen |
nieuwe lentemorgen wordt het licht ik weet het zeker dan vervalt de duisternis gericht op voelbaar zicht het dal vult zich weer met het blije lied kom en kijk met mij naar het ontluikend verschiet morgen, ja morgen opent mijn hart het was voor lange tijd gesloten verborgen in enge diepte doordrenkt in troebele smart ik weet het zeker in mij wordt de zalige hoop wederom in goud gegoten als vandaag is verleden ontspruiten nieuwe vreugdeloten |
ik blijf achterik blijf achter keer mij om ben mijn eigen poortwachter uit nood geboren het was niet aan mij te zeggen kom blijf nog even ik had haar bij voorbaat al verloren zij kwam zo plots in mijn beeldentuin van zoete kersen een zachte stengel met een vederen pluim en groeide in mijn leven bloeide haast ongeremd tot kostbaar zielengoud zwevend wilde ik dit wonder beleven haar begrijpen in duizendvoud ik blijf achter in de schemering mijn schepping ontbonden ben weer verweven met de werkelijkheid oh, was ik nog maar daar waar ik mijzelf had heen gezonden |
hé?hé? ja u daar heeft u weet van dat u leeft u ziet wel en denkt en denkt maar dwaalt af, terwijl u ogenschijnlijk leest, doch het beeld dat u waarneemt hangt nog bij het feest van gisteren of omdat u zich verveelt of aldoor uw tranende ogen zeemt heeft u weet dat u leeft of zijn uw gewoonten gewoon u doet maar wat bent u het niet zat om weg te zweven of te turen kijk eens goed, meeloper sta op en vang aan schuur de gedrochten weg wat blijft bent u helaas, uw ego is naar de maan |
moerashoe schaduwrijk is mijn tegenlicht als de maan zich wentelt boven nevelig moeras en strohalmen zich sieren met gevallen blaren als een satanische jas als de damp zich kringelend omhoog drijft en laat galmend gekwetter in alle omvang beklijft is de dag gestorven en door de ongrijpbare duisternis ingelijfd |
Mokumeen druilerige regen stemt mijn Mokum tot een grijs bestaan over lauwe koffie turend zie ik kabbelend water aan mij voorbijgaan vandaag bruist het niet van kleurrijke mensen de stad lijkt dood ook al belt de tram zijn stem en zijn luiken gastvrij geopend door mij gaan verleden wensen en een hoop die zwaarder weegt dan lood |
de dichtermet zware woorden dan wel speelse akkoorden timmert de dichter het zijnde dicht hij is van een zo groot gewicht dat zijn ego vaak wordt verlicht met de mist die men kent in Londen en omschrijft met groot gemak zijn wazige zonden hij verklaart de eigen spiegel vaak met een duister elan waar reflectie, ongetemd, verdwijnt in de koffiekan |
marathon
Het Collectaneum van een Mens --Deel 1: Creatie|
Het Collectaneum van een Mens deel 1: Creatie
Het Collectaneum van een Mens is in onderhavig geval een opbouw vanuit mijn gedichten dat op een bepaalde wijze een inzicht op het (mijn) leven geeft. Het kent drie delen: Creatie, Interbellum en Finale. |
1 .CREATIE geboren uit het paradijs van warmte en overvloed teloorgang van de wezenlijke verbondenheid ben ik afhankelijk geworden en gebakend mijn ziel is gescheiden, de Heelheid kwijt Julius: Vitanova hfdst 3 vers 2 ik ben de Heer uw Herder mijn wijsheid is als water en lekt aan alle kanten mij helpt het verder slechts als u mij voortaan blindelings zult geloven leer ik u zwemmen op het droge (2) ik verhaal vandaag van het immense grootte in het schrijven een omvangrijke mensendaad scheppen van de wereld met al zijn loten een wonder laten geschieden zonder enig verraad slechts ik ben daar in bescheidenheid toe in staat het is aan de geringe echt genade gegeven van het alom omvangrijke niets een geheel te vormen waar ook nog de schrale mens mag leven en ruimte is voor kruipende wormen uit mijn door liefde verzadigd hart ontspruit zich een in regenboogkleuren openslaand lelieblad als waterfontein getooid waar druppels zich glinsterend en juichend verspreiden over een dorre aardse mat het is nog alleen aan mij, te zeggen goed, ja goed is deze wonderlijk schone daad onvoorwaardelijk uit mijn zachtheid geboren het is overzichtelijk naar menselijke maat het kostbaar vocht blaast ontelbare toverachtige kristallen bellen verspreidend naar alle hoeken die bij het teder afdalen naar de ontvangende bodem zingend en springend aan u ja aan u gaan vertellen je, mag er zijn hier en nu ga niet meer zoeken aldus geschiedde de schepping van u en anderen maak nu zelf het beeld van zee en lucht en dieren we mogen hier en daar wat zichtbaars veranderen ik zag nog even het was heel goed zo te sieren Julius: Vitanova hfdst 2 vers 5 slechts jegens uw schepper bent u tot geringheid verplicht u bent immers in grootsheid geschapen blijf derhalve niet verborgen voor uw naasten dan is bescheidenheid teveel naar binnen gericht en neigen uw talenten meer naar aardse zorgen (5) |
Het Collectaneum van een Mens --Deel 2: Interbellum -paragraaf 1|
Het Collectaneum van een Mens deel 2: INTERBELLUM (1)
|
| 2. INTERBELLUM -- paragraaf 1 hedde nog sin um mie tu gaone uut gaone me mie te suuke naor us binne op unne daach toe beginne ut sol us bringe verre in siele en haort enne die haort gaon singe me lieve gepaort so icke ghie segge lope mie die weghe ghie vertrouwe mie doch icke siene dien hogh gelieke die sonne umhoch te gaone ghie wete dis seker dun wieshiet kumt me du jaore Julius: Vitanova hfdst 3 vers 3 gaat heen vermenigvuldigt u in woord en daad komt terug en vereenvoudigt u op weg naar uw bescheiden maat (3) ik schets u hier een portret van een schaduwrijk man mijn duistere kant kent een blinde vlek slechts doorgewinterde neuroten herkennen die plek immers zij zijn mijn lotgenoten u, die blikt naar mijn gezicht ziet een zelfverzekerd persoon al ware hij van enig elitair gewicht maar, de waarheid stellende vaak door eb en vloed tijdens het leven is ontwricht zo schep ik mijn universum ja, u kijkt naar mijn portret ik ben een schaduwrijk man in een onzichtbaar lijstje voor u neergezet Julius: Vitanova hfdst 3 vers 1 dit zo zijnde zeg ik u: ik voeg hier niets aan toe geen ander dan u zelve kent mijn woordenschat als bollige gewelven neem mij niet serieus ik ga zo vaak op mijn gat (1) |
Het Collectaneum van een Mens --Deel 2: Interbellum -- paragraaf 2|
Het Collectaneum van een Mens Deel 2: INTERBELLUM (2) |
2. INTERBELLUM -- paragraaf 2 ik slenter, stelt u zich dat voor en ga zo mijn weg vaak in gedachten diep verzonken dat hoort ook zo immers een kip neemt ook tijd voor de leg ik heb oog voor ernstige zaken niet dat ik per se tot meer wijsheid zal geraken neen, ik denk omdat ik ben zoals een wijs man al eerder zei ik ben een slenteraar, zo een van: als het nu niet lukt komt het morgen klaar zoals in de volgorde van ieder jaargetij zo doende denk ik nog aan gister die dag was nog niet rond alhoewel het ook kan zijn dat mijn huidig peinzen wordt gevoed door onduidelijke woorden uit uw mond u begrijpt nu mijn tempo; beladen met een zwaar hoofd en vergrijsde slapen hoef ik me ook niet te haasten bent u wel een beroemd dichter nadat u zich met ongeremde passie zo hebt uitgesloofd? uw woorden zijn morgen lucht door verdamping aangetast uw kritieken uitgedoofd uw gedichten zoveel lichter het moge duidelijk zijn ik orden mijn gedachten, schep een beeld van gister en daarvoor ik strijk dan door mijn haren en frons mijn gebrild aangezicht ik ben een slenteraar een dromer op straat door innerlijk staren zo schep ik mijn leven langzaam, opdat ik niemand stoor ik nader mijn bank in een verlopen park omgeven door wilde struiken hier kom ik tot rust hier kan ik echt onderduiken plots maak ik mij zorgen en dat is nieuw over de dag van morgen zo u weet is dat een last zou ik dan toch door het verwachten worden aangetast nee dat nooit spookte het door mijn hoofd word ik alsnog van mijn traagheid beroofd? besmet met het moeten nee, daarvoor is mijn levensgang te traag tevreden draai ik een sjekkie dat leidt mij af van de finale vraag daar wil ik u noch mijzelf mee belasten en blaas de rook strak voor mij uit u zult het wel begrijpen dit zijn die momenten waarin ik mijn hoofd bevrijd en mijn wereld kan ontlasten tot de schemering in mijzelf wordt ingeluid als de zon verdwijnt na een lange pose achter de toppen van de lindebomen en de stilte zo verschijnt rust mijn oog op een laatste zichtbare vogel als hij nader wil komen twee vreemden bij elkaar maar stil verbonden bij het verscheiden van de dag raakt hij een wezenlijke snaar: het verstaan zonder monden dat kende ik al vertelde een tedere glimlach ik zette mij aan tot de weg terug maar zie deze woorden niet zomaar als een slot zo ga ik in bedaarde tred die mij immer al bekoorde en waar ik mij nimmer heb tegen verzet Julius: Vitanova hfdst 3 vers 4a ik droom zo vaak mijn dromen in het licht van alledag van mijn lief en ver geluk dat het mij vermag zonder enige smuk nader tot U te komen (4a) |
Het Collectaneum van een Mens --Deel 2: Interbellum -- paragraaf 3|
Het Collectaneum van een Mens Deel 2: INTERBELLUM (3)
|
paragraaf 3 soms ben ik alleen en heb dan even niets met dat of jou of het moet de eenzaamheid zijn wanneer ik lijd aan het leven een niet te vatten rouw *ik hou van rode gladiolen* ook midden op een zomerse dag ween ik mijn donkere wolken gevoelens die niets anders doen als in mijn lijf steken met plots verschijnende dolken * ik hou van gladiolen: met rode of witte bloem* als lijkt dat ik mijn grip verlies en het zicht versmalt tot een leeg verhaal wat houdt mij dan nog hier vertel het mij, in mijn eigen taal * ik hou van rode gladiolen* ik weet men heeft mij lief, afwisselend bezongen, is dat nu het geluksgerief waarnaar ik schreeuwde met mijn geboortelongen * soms zijn er witte, vind ik ook mooi* nee, reeds toen blies ik al "the last post" het blijft wachten op de willekeur totdat ook op mijn afscheid wordt getoost *ik hou van gladiolen: kan rood maar ook wit gekleurd* Julius: Vitanova hfdst 2 vers 1 keer u niet om mijn waarde als u zich achterwaarts zou voortbewegen ook dan ziet u niet wat achter u geschiedt u kunt immers niet alles kennen en dat is een grote zegen (1) door de muziek van het hart, de "ouverture" van de ziel, waarbij zinnensnaren trillen en ik ver weg kan zien heb ik niet te willen als een draaiend wiel met zoemende tonen en zilverglanzende spaken ga ik door het heelal zonder van mijn plaats te geraken begeleid door schone klanken van een engelenpartituur raakt dit het wonderlijke leven aan zijn zuivere flanken een rilling van gelukzaligheid in de eeuwigheid van even Julius: Vitanova hfdst 1 vers 7 hoop de hoop op tot een sterk verlangen uw oor hoort vanzelf vreugdevolle gezangen (7) lief heb ik, jullie mijn lieven voel ik strooi mij uit om jullie te gerieven zacht gefluister een tedere kus met gloeiend hart in het andante van mijn lied zweef ik omhoog naar vluchtige wolken en bemin het zachte dat ik aldoor zoek maar niet vind: ik ben niet bij machte Julius: Vitanova hfdst 1 vers 7 een leven zonder compassie vertraagt uw tred naar genade verheft uw hoofd en leg uw zorgen in de onderste lade (9) |
Het Collectaneum van een Mens --Deel 3 Finale|
Het Collectaneum van een mens Deel 3: FINALE
3. FINALE overgave mooi doch zwaar aan het ritme van het leven kent geen maar slechts beleven als ik daar op kan vertrouwen en niet door de waan word bestoven pas dan ben ik in staat te geloven pas dan --onbekende psalm-- pas dan als Gij mijn verweerde hand; gerimpeld met aderen beslagen ontvangt in de rust van uw schoot aanvaardt Gij mijn zware dagen As icke meuge sterfe Ick sieje aol werumme Ende sie freugt ende piene In haort en lieve geprieme Icke denke me smarte Miene lieve von haorte Sie gaf mie surrig en de werme Icke danke dich so gerne So mien jung, moei kieke Ungelieke en so rieke t'is recht unne gaeve Hunne siele te laeven Miene friende, o so tere Gelieke vao ende mien mude Maoke mien so mere Icke sou so gere die lefe kere As icke meuge sterfe Ende alle werumme sie Laeve mie die stille Gelieke die dode die ruste wille Waor dan bluuve die piene In haort ende lief de miene Icke groete dich sere Mien al lieve, so tere Julius: Vitanova hfdst 1 vers 5 ik wens 'n nieuwe lente dat de winter sterve vivat gladiolus opdat u die erve (5) |