Vrijdag 24 augustus 2007
midden in de nacht
|
nog steeds kijk ik het houdt mij bescheiden
|
Geschreven door Julius Dreyfsandt zu Schlamm om 17:30
midden in de nacht|
nog steeds kijk ik het houdt mij bescheiden
|
de verleiding|
niet dat ik zoveel luidop in woorden zei
of zo mannelijk
aandacht trok
neen, ze zag me
zoog me naar haar toe
als aasgier
met grijpende klauwen
mijn weerstand
was snel gebroken
alsof die er ooit was
toen haar aanwezigheid
als een paraplu
mij overdekte
en ik bij voorbaat
verzoop in een
omgekeerd bassin
zweetdruppels
vertaalden mijn driften
ontmand in kracht
bemand in zaadstuwende
orkanen
ik was verslagen
zonder dat zij een zucht
tot mij richtte
ze wenkte slechts
met dwingende ogen
ondergedompeld in blinde passie
vergat ik de nacht
de morgen
en mijzelf
|
op zijn tijd|
op zijn tijd wind ik het op
als ik dat niet doe
staat mijn of jouw tijd stil
of slechts die van mij
het is dan geen strop
ik hou van stilstaan
en ontspannen veren
het hoort bij mijn levensweg
vertoeven in verstilde sferen
liefst in de schaduw
van een beukenheg
daar op die oude bank
open ik de kast
met grote en kleine wijzer
maar heb geen zin
de komende uren
te spannen
ik klap hem dicht
wil de toekomst
het liefst verbannen
|
het ijzer spoorde
|
|
foto
![]() fotografie:cornelia ettl |
slaap maar|
slaap maar ik zal over
je waken
sluit de ogen
deze nacht
ik hou
de dromen buiten
die je blijkbaar
verwacht
ik blaas over
je kwetsbaar gezicht
alleen mijn tederheid
zal je raken:
zuiver en licht
van gewicht
|
foto
![]() fotografie: cornelia ettl |
foto
![]() fotografie: cornelia ettl |
ditten en dattente pas en te onpas draait mijn mallemolen rond niet zomaar of afgepast nee zo, ja zo onbepaald hevig, zoals ik altijd vond maar nu gaat het gericht weliswaar buiten zicht en ongekunsteld maar minder beladen als een gang van minder innerlijk verraden ach, wij componeren wat af zo hersenloos vaak denken is een beerput van borrelend gekwaak soms stuivend omhoog naar dwarrelend gelaak ditten en datten over weten dat ik loog en kwijlend katten in zinloos gekraak begrijp ik het wel dat komt wat komt ben ik dat die dit gebral zo maar opsomt ja, dat ben ik en u trouwens ook zag geen verschil toen ik even aan u rook |
foto
![]() fotografie: cornelia ettl |
zwarte mantelgebogen leunt zij voorover, de zwijgende zwarte mantel het hoofd door ellebogen gedragen om de Geest middels deze menselijke pilaren naar bezieling te vragen de houding bidt in geborgen vuur doch ook in deemoed geknield teneinde de beklijfde levensdorst te laven |
gebroken spiegelhet gaat mij niet aan dat jij zo droomt of vleugels ziet op voorbijtrekkende woorden waar jouw schaduw de geest omzoomt en de weg slechts één richting kent die de spiegel doorboorde |
carnaval des visagesik schraap mijn masker af deze dagen het bestaat uit vele menselijke lagen die soms mijzelf een glimlach schenken of verkrampt mijn verdriet dragen maar ook rimpels men zegt van het denken als ik mij tenslotte voor de ander kwetsbaar weet blijkt ieder zich inmiddels te hebben verkleed |
als jijals jij door het raam kijkt ontspruit daar verwachting als ik het glas bekijk is het beslagen de hoop is verleden het heden zoekt naar achting om de leegte te dragen |
de levende moedergelijk aan mij geraakt de aarde in alle sferen zo bezwangerd uit ondermaanse maagdelijkheid geraakt stof bevrucht in de levende moeder vaak is dit een moment als alle jaren waar we intens naar uitstaren nog zuchtend in de barenswee mag ik, de mens, opnieuw en vertederd de verduistering uitvaren |
heb mij liefheb mij lief vertrouw mij toch ik weet het zijn woorden diep en ver verborgen huilt je kind ze wilden het vermoorden het gemis is jouw levensweg eeuwig zoekend naar dat verduisterd licht telkens weer die ongelijke strijd en telkens weer gezwicht |
in perspectiefreikt de hemel nog ver als mijn ziel even wordt gekend door de glans van reflectie of zie ik slechts mijn ego in vermeende perfectie ik word gewaar van mijn gevoel daar vertelt de stilte wat ik bedoel |
eenakterik schuif langzaam de gordijnen toe en sluit de wereld buiten zie nog even het licht van een lantaarn dat zacht schijnt door mijn ruiten de eenzame schemerlamp in de hoek werpt schaduwen op de muren als decor van mijn eenakter waarvan ik nog niet weet hoelang mijn monoloog zal duren ik fluister woorden op dit wazig toneel verbeeld mij een groot gehoor met wie ik mijn optreden deel ** ich lebe den Traum von Eden Quelle der strömende Liebe er lässt mich im Heute leben sehe die unverkennbare Schönheit komm folge mir zu der lächelnden Fröhlichkeit ** hier stokt mijn stem en voel de lege kamer het doek was al eerder gevallen toen zij vertrok naar hem |
sterven bij levenals een dichter sterft bij leven heeft de ebbe zich te vroeg doorgezet en verschraalt het kunstig zinnenweven tot knopen van een versleten letternet hij teert slechts op zijn scheppend verleden dat stilaan zo zijn glans verliest een poëet dient tot de dood zijn rijmen te smeden: een onvoltooid vers is waar hij voor kiest |
die fiereheit (iegene taole)ut is stille in diese nagte veur mie sterfe ene mensch in verslete kragte mee durfe siede ghie die doot anne ghie bluuf immer dich selfe unne werme ende fiere manne oltiet praot ghie mee dene laghe so gul ende sterreck in't fandaoge ende surge ghie feur haore sigtbaore piene tu draoge |