Zaterdag 8 september 2007


..
Geschreven door Julius Dreyfsandt zu Schlamm om 16:55



er zij licht (1)diep zinken
is naar leegte dalen
treden overslaan
blindelings dralen
op één been hinken
nog minder dan dat
zal verdwalen zijn
in wat al verborgen is
roepen naar
gesloten oren
met minstens een
dikke laag vernis
de zwarte echo bekoren
geluiden die weerkaatsen
tegen gedeukte dromen
in de adem haasten
dat een bonkend hart
moet omzomen
er zij licht
dacht ik even,
zonder zicht
er zij licht (2)er zij licht
denk ik even
en word zonder zicht
voortgedreven
als passief verwijlen
in de draaimolen
van oneindig ijlen
ik zwaai naar
omstanders in de mist
zie slechts schimmen
waarvan de armen
zijn uitgewist
er zij licht
vaak
door schaduw
ontwricht
foto
verlate vlindersik zag verlate vlinders dichtbij maar ook ver weg ze hadden op mij gewacht had ze ver verbannen, uit mijn denken gedacht had het pad verengd zag nog weinig licht sloot mij verkrampt voor ander goeds het bleek, uiteindelijk, niet echt gedicht heb die fladderaars bij me geroepen mijn ramen weer wijds open gezet dat heb ik nodig met meerdere te gaan over mijn levensstoepen kan mijzelf aan anderen niet onthouden dat is wat ik zo van het leven leer ik laat me daarom opnieuw roepen één kostbare vlinder koos voor de nacht hij is mijn ziel vergeten vloog voorbij de innerlijke spiegel ik word nu veracht |
getijdenzoeken over de grens van de schaduw is een wens het blijft bij een schuchtere verbeelding van ravijnen die ik vul met goden of te zoete rozijnen soms schep ik een verduisterd einde, opgaan in niets van al het zijnde zo bewegen mijn getijden als liefde en verlies van vermijden of bezitten het is maar net hoe het gemoed vaart, ik ongewild kies |
over veldenik ga over glanzende glooiende velden langs bloemen, bomen en blaren waar geurende rozen ruiken en strelende struiken stuiven adem de zachte zwoele zucht die mijn lijf laat leven en vrijelijk vult vol vreugde om mij met het waarachtige wezen te verweven ik zie een zuiverende zwevende zon waaronder vriendelijke vogels vliegen en leeuwen briesend blazen in mijn hemelse hof van heden ontmoet mijn mooie medemens met een lovende liefelijke lach en toeven teder en tevreden door deze dromerige dichtende dag |
dit momentmijn hand kruist de vier windstreken terwijl mijn stramme benen op de versleten plank pijnlijk wenen de ogen verstard gericht op een beeld van verbeelding aan wie ik mijn verloren hoop met droge tranen schenk de geur van een gedoofde kaars is als balsem voor mijn pijn in dit moment van alleen zijn |
verjongdze was nog zo jong, een late twenniemeis, die mijn hart beroerde toen zij mijn hart bezong wat was het dat mij diep ontroerde ik zelf was al vergrijsd al lang gearriveerd in het leven de wereld bereisd met weelde omgeven zij keek me uitnodigend aan, grote verlichtende kijkers zogen me naar haar stralende bloesem elke beweging die zij maakte schokte mijn bestaan zonder te vragen greep ik haar hand raakte verward in al mijn lagen zwom ik nu in verwarmd drijfzand of herstelde mijn jeugd zich in mijn voorlaatste dagen? |
mijn geliefdede voorlaatste bladzij, papier met gebruinde vlekken kleeft ook nu aan mijn hand ik las het duizendmaal op een rij noch mijn gemoed noch mijn vinger willen verder trekken ik bezweer het einde ontken een mogelijk afscheid berust liever in het onvolledig zijnde wil mijn verbeelde geliefde bewaren eer zij mogelijk naar de stilte geschreven wordt en mijzelf terug in de leegte doet staren een vrouw, wachtend op mij bij de openhaard wuift mij toe met uitgestrekte armen haar stem klinkt zo verzachtend hoe kunnen geschreven woorden mij zo intens verwarmen |