Vrijdag 24 augustus 2007
foto

![]() fotografie: cornelia ettl |
Geschreven door Julius Dreyfsandt zu Schlamm om 16:13
foto
![]() fotografie: cornelia ettl |
zwarte mantelgebogen leunt zij voorover, de zwijgende zwarte mantel het hoofd door ellebogen gedragen om de Geest middels deze menselijke pilaren naar bezieling te vragen de houding bidt in geborgen vuur doch ook in deemoed geknield teneinde de beklijfde levensdorst te laven |
gebroken spiegelhet gaat mij niet aan dat jij zo droomt of vleugels ziet op voorbijtrekkende woorden waar jouw schaduw de geest omzoomt en de weg slechts één richting kent die de spiegel doorboorde |
carnaval des visagesik schraap mijn masker af deze dagen het bestaat uit vele menselijke lagen die soms mijzelf een glimlach schenken of verkrampt mijn verdriet dragen maar ook rimpels men zegt van het denken als ik mij tenslotte voor de ander kwetsbaar weet blijkt ieder zich inmiddels te hebben verkleed |
als jijals jij door het raam kijkt ontspruit daar verwachting als ik het glas bekijk is het beslagen de hoop is verleden het heden zoekt naar achting om de leegte te dragen |
de levende moedergelijk aan mij geraakt de aarde in alle sferen zo bezwangerd uit ondermaanse maagdelijkheid geraakt stof bevrucht in de levende moeder vaak is dit een moment als alle jaren waar we intens naar uitstaren nog zuchtend in de barenswee mag ik, de mens, opnieuw en vertederd de verduistering uitvaren |
heb mij liefheb mij lief vertrouw mij toch ik weet het zijn woorden diep en ver verborgen huilt je kind ze wilden het vermoorden het gemis is jouw levensweg eeuwig zoekend naar dat verduisterd licht telkens weer die ongelijke strijd en telkens weer gezwicht |
in perspectiefreikt de hemel nog ver als mijn ziel even wordt gekend door de glans van reflectie of zie ik slechts mijn ego in vermeende perfectie ik word gewaar van mijn gevoel daar vertelt de stilte wat ik bedoel |
eenakterik schuif langzaam de gordijnen toe en sluit de wereld buiten zie nog even het licht van een lantaarn dat zacht schijnt door mijn ruiten de eenzame schemerlamp in de hoek werpt schaduwen op de muren als decor van mijn eenakter waarvan ik nog niet weet hoelang mijn monoloog zal duren ik fluister woorden op dit wazig toneel verbeeld mij een groot gehoor met wie ik mijn optreden deel ** ich lebe den Traum von Eden Quelle der strömende Liebe er lässt mich im Heute leben sehe die unverkennbare Schönheit komm folge mir zu der lächelnden Fröhlichkeit ** hier stokt mijn stem en voel de lege kamer het doek was al eerder gevallen toen zij vertrok naar hem |
sterven bij levenals een dichter sterft bij leven heeft de ebbe zich te vroeg doorgezet en verschraalt het kunstig zinnenweven tot knopen van een versleten letternet hij teert slechts op zijn scheppend verleden dat stilaan zo zijn glans verliest een poëet dient tot de dood zijn rijmen te smeden: een onvoltooid vers is waar hij voor kiest |
die fiereheit (iegene taole)ut is stille in diese nagte veur mie sterfe ene mensch in verslete kragte mee durfe siede ghie die doot anne ghie bluuf immer dich selfe unne werme ende fiere manne oltiet praot ghie mee dene laghe so gul ende sterreck in't fandaoge ende surge ghie feur haore sigtbaore piene tu draoge |
voel je me nogvergaat mijn zwakte voor jou zieltogend in mistig allure vlucht jij weer ver weg naar woelige innerlijke oorden waar pijnlijke zuchten mij sturen en prille zachtheid vermoorden voel jij me nog mijn verre lieve ik was het toch die je wilde gerieven zo ga ik weer een stille weg zoekend naar mijn verloren deel struikelend over droge tranen stikkend als in een slangenkeel voel jij me nog mijn verre lieve ik was het toch die je wilde gerieven ik slenter door oneindige lanen wilgen treuren mij in koor toe waar elke boom de smart vergroot en mij uitput tot stervens moe voel jij me nog mijn verre lieve ik was het toch die je wilde gerieven |
letters voegenik voeg letters aan elkaar om mijn brein te verlichten soms heet dat schrijvend dichten of zo maar, een sprekend gebaar ik wil ze met leven bezielen opdat ze in woorden worden geboren scheppen in een beeld van schitterende eigenheid ik wil hen, met schoonheid toebedeeld, in gemeenschap bekoren vaak valt mij de gedachte te binnen was ik het wel die dit schreef heb dat niet alleen kunnen verzinnen zou er iets meer zijn dat mij dreef |
het licht gaat uitzwart ontleent zijn kracht aan een duistere macht het ontbreken van helder licht heeft mij naar binnen gericht de avond is zeer nabij de geest van de nacht aan zijn zij |
jij en ikjij streelt speels, raakt mij amper aan in de palm van mijn hand de intentie is diep en voelbaar de warmte die ons beiden overmant |
JantjeJantje zat op een trapje vier treden hoog hij lachte naar zijn zusje die aan een rietje zoog zij danste de kwik kwek met een blozend toetje maar in een grote plas kreeg ze een nat voetje Jantje glee naar benee en vroeg aan Sofietje ikke sal de see opdrinke geef mij da rietje |
ik, de manik verhaal u van de man schouw zijn diepste wezen, als dat al kan: naar binnengaan ofwel mijn ziel door eigen ogen lezen in mijn aard ben ik ziende blind niet dat ik dat zo wil of dat intimiteit mij ontgaat nee, het is de waarneming van de immer schone vrouw te paard en het jachtgedrag waarop ik mij verlaat het versmalt het zicht tot oerbeeld van de perfecte moeder en maagd zo zuigend en basaal ik zie daar voortdurend de engel galopperen, de gemalin van oppergod Baäl zo ben ik, is de man als u ons wilt begrijpen zult u uw verbeelding moeten rijpen tot het inzicht van een korrel zand pas dan raakt u de diepte van het mannelijk zielenland |
Channanja| zij bespeelt de oude Stradivarius met ontluikend elan haar snaren klinken als voldragen woorden wanneer zij haar sprankelende lettertonen uitstrooit in het hart van een vergrijsde man de viool, uit verguld hout gesneden trilt van vreugde onder de vingers van deze blanke lelie; een meisje met een nog pril aards verleden de schepper schonk de oude meester van de klank ook geduld: wachten op een wonderlijk rijpen is aldoor in geheimenissen gehuld |
rode rooser groeit een rode roos op mijn graf ik ben al vroeg gestorven het geloof in mijzelf is mij niet geschonken heb mijn ziel ook nooit gevonden: is in mijn ontluikende dageraad verdronken er groeit een rode roos op mijn graf zonder dat ik hem ooit water gaf ik zie de zon door het zwarte raam voel de kou door hete vuren heen maar niemand kan mijn naam ontnemen die is van mij alleen er groeit een rode roos op mijn graf zonder dat ik hem ooit water gaf zou er dan toch iets zijn wat ik niet zie en mij laat leven ondanks mijn vroege pijn |
een heer van standvandaag, te weten hedenmorgen wordt in Avericht een standbeeld in brons onthuld het is ter mijner ere opgericht het was niet mijn wens maar sta daar nu verstild te wachten onder een wit laken verhuld dagen lang heb ik moeten poseren opdat het dorp tot in einde van dagen mij kan vereren na een treurige mars van de fanfare glijdt het doek naar benee daar sta ik dan ernstig uitziend over de dorpelingen nu kunnen wij u altijd gedenken zei de burgervader tevree op een bordje staat vermeld -dit openbaar urinoir is opgericht voor een heer van stand in hem gedenken wij een arrogant mens bewater hem onbeperkt neem het heft in eigen hand- |