Woensdag 9 januari 2008
Gedicht
WINTERNACHT
Hoe zwart staan al de boomen inde witheid, onverwacht,
van 't overdadig sneeuwen, dat 't
gedaan heeft, van den nacht!
Ze staan daar, als gekoolzwart en
met teekenen geprent,
al zwarte en zwarte staven, op
een eindloos pergament.
Ze 'n roeren, noch ze 'n poeren en,
bij 't nachtelijk gestraal,
men zweren zou dat 't spoken zijn,
of reuzen altemaal.
De sterren staan en bliksemen,
als oogen, ongeteld,
van boven, uit de koppen van
die reuzen vol geweld.
Ze groeien immer grooter, en
de witheid van de snee
verzwaart de zwarte stammen. Zich!
van een' zoo wordt er twee!
'k Versta nu hoe van drollen, gij,
en droezen hebt gedroomd,
wanneer ge, Noordsche heidenen,
verkeerdet in 't geboomt.
Bij 't razen van den winter en
bij 't nijpen van den nacht,
is de oude, grimme reuzenzegge
ontstaan in uw gedacht
GUIDO GEZELLE
Geschreven door julie (Arlette) om 16:58
Reageer op dit bericht















