Woensdag 7 juni 2006
ART . NR 28 . PRAKTIJK
Praktijk
Studie van de verschillende onderdelen
van het gelaat
Op de hier volgende , zullen wij trachten je vertrouwd te maken met de vorm van de verschillende onderdelen waaruit de kop is opgebouwd . Dit is nodig , omdat , wanneer je eenmaal gekomen bent aan de studie van de kop als geheel , je deze onderdelen door en door moet kennen . Alleen dan zult je in staat zijn om die onderdelen in hun juiste vorm en verhouding " in te voegen " in de algemene vorm .
Het gaat hier dus , zoals in de gehele les , om een nauwkeurige gedetailleerde studie van deze onderdelen .
Het oog
Ongetwijfeld is het oog , tesamen met de mond - en wellicht nog meer dan die - het meest uitdrukkingsvolle onderdeel van het gelaat . Het zijn de ogen die uitdrukking geven aan alle emoties en hartstochten . Haat , liefde of vrees , verbazing of vreugde , en noemt u maar op , spiegelen zich af op ons gelaat , dank zij ogen en mond , twee onderdelen met zeer grote bewegingsmogekelijkheden . Het fronsen en optrekken van de wenkbrauwen , de verbreding van de oogspleet , onderstrepen de uitdrukking van de blik ( fig . 18 ) . Wij moeten trouwens opmerken , dat één bepaald onderdeel van het gelaat nimmer alleen uitdrukking geeft van een bepaald gevoelen , en zeker niet wanneer dit er een is van grote intensiteit . Om het karakter van de ogen - een karakter dat typerend is voor een bepaald individu - te leren doorgronden is dikwijls zeer moeilijk . Wij moeten dan ook beginnen om het oog te bestuderen onder verschillende hoeken en trachten zijn juiste constructie te doorzien .
De ogen liggen in de oogholten . Van voren gezien is de grote vorm daarvan een vierhoek met afgeronde hoeken ( zie nogmaals fig . 2 en 3 ) . Bezien wij de kop van opzij , dan doet deze holte zich voor als een ovaal , waarvan de lange as van onderen naar boven enigszins schuin gericht is . Het voor ons zichtbare gedeelte van het oog bolt zich buiten deze holte . Van onderen en boven is het oog bedekt door de oogleden , die zich elk voorzetten in de huid welke over de randen van de oogholten gespannen is . Het oog is bolvormig , zoals wij in fig . 19 zien . Het is bijna geheel omgeven door het taaie oogvlies . Het buitenste oppervlak daarvan is bij een volwassene glad en wit , terwijl het bij oudere mensen enigszins geelachtig is . Van voren , ter hoogte van het hoornvlies , is de bolvorm even sterker . Het hoornvlies is dus een voortzetting van het oogvlies , doch met dit verschil dat het volkomen doorzichtig is , in tegenstelling tot het ondoorzichtige oogvlies . Dwars door het hoornvlies en als het ware daarachter opgehangen is de iris zichtbaar . Het is een soort cirkelvormig verticaal diafragma met in het midden een ronde opening , de pupil , welke een middellijn heeft van 3 à 4 mm . In kleur vertoont de iris , al naar gelang individu en ras , zeer vele variaties . De grootte van de pupil is afhankelijk van de werking van verwijdende of vernauwende spiertjes . Wij weten , dat in het donker de pupil groter wordt om nog zoveel mogelijk lichtstralen binnen te laten , terwijl hij zich vernauwt bij fel licht .
Tenslotte , hoewel wij hem niet zien , bevindt zich achter de iris de ooglens . Deze lens laat de lichtstralen , door het glasachtig lichaam heen , samenkomen op het netvlies , een vlies dat de binnen - achterkant van de oogbol bekleedt .
Deze kleine anatomische verhandeling over het oog was zeker niet overbodig , want wij dienen toch te weten wat wij tekenen . Trouwens - wij spraken hierover reeds bij de bloemen - de weergave van de zichtbare onderdelen van een object , hoe die ook moge zijn , ondervindt sterke invloed van de voorstelling die men zich maakt van de verborgen delen , die ten nauwste samenhangen met deze zichtbare delen .
De belangrijkste zichtbare gedeelten zijn ongetwijfeld de oogleden . Zij zijn door rimpels van de omgeving gescheiden en zijn lichter of zwaarder met oogharen bezet . De meer of minder geopende oogspleet heeft een ovale vorm , waarvan de lange as niet geheel horizontaal loopt . De stand van deze as varieert al naar gelang van individu en ras . Vele beginners denken helaas niet aan de bolle vorm van de oogbol . Deze vorm heeft natuurlijk invloed op de vorm van de oogleden . De bovenste kromming van de lijn van de oogleden is dan ook in geen enkel opzicht gelijk aan de kromming van de onderste lijn . Het ontdekken van deze misschien uiterst geringe verschillen in kromming is dan ook een zaak van zeer nauwkeurige observatie . Het resultaat hiervan zal evenwel merkbaar zijn in de voltooide tekening welke een volmaakte gelijkenis met het model toont . In de binnenooghoek zien wij een klein rose of roodachtig uitsteeksel , de traanheuvel . Op deze plaats bevinden zich , zowel in boven - als onderooglid , de kleine openingen van de traanbuisjes . Van de binnenooghoek in de richting van de wang zien wij een meer of minder zware groef , terwijl wij bij de buitenooghoek , vooral bij oudere mensen , een reeks straalvormige plooien zien , de zgn . " kraaiepootjes " .
Wij hebben reeds gezegd dat de oogspleet ovaal van vorm is , met vanzelfsprekend zijn individuele verschillen . Wanneer je echter deze vorm eens aandachtig bestudeert , zult je opmerken dat de bovenste lijn grotendeels recht is en dan plotseling sterk naar beneden afbuigt in de richting van de neuswortel . Het verloop van de onderste lijn is bijna tegengestelde hieraan : bij de neuswortel begint hij recht en buigt dan sterk naar boven tot de buitenooghoek .
Fig . 20 laat je het verloop van deze lijnen nog eens duidelijk zien . Belangrijk is ook wat fig . 20 - A laat zien . De lijn , die de bovenkant van de oogholte ( de wenkbrauw ) raakt en langs de oogbol loopt , is schuin naar onderen gericht . Volg ook eens de gestippelde lijn in fig . 20 - B . Hier ziet je duidelijk hoe de verschillende vlakken van bovenooglid , oogbol en onderooglid gericht zijn . Wanneer men de richting van de vlakken goed bestudeert , zal het gemakkelijker worden om de ogen in al hun standen , en face , en profil , in driekwart - stand , met meer of minder opgetrokken oogleden enz . te tekenen . Wij herhalen het nogmaals : het oog is wel het belangrijkste onderdeel om een gezicht uitdrukking te verlenen . Bestudeer fig. 21 daarom goed en je zult het stellig met ons eens zijn .
Overigens zal het in het begin niet meevallen om de ogen op de juiste plaats in te tekenen . Bij een kop en face zal het even gemakkelijker gaan , omdat men daar een grotere houvast heeft aan de assen en niet te maken heeft met een perspectivische vertekening . Bij alle overige standen komt het er op aan om eerst de grondvorm te schetsen en pas wanneer deze van vorm , verhouding en stand juist is , kunt je met verdere afwerking voortgaan .
Je dient er echter wel aan te denken dat niet alleen een juiste contour het karakter van het oog bepaalt . Er komen nog andere factoren bij te pas , zoals de weergave van het relief , door een juiste aanduiding van licht - en schaduwpartijen . Vooral de lichtval op de iris is een zaak van aandachtige observatie . Je zult op de iris een zeer sterk glimlicht kunnen waarnemen . Tegenover dit glimlicht op de iris zult je een tweede , minder sterke lichtpartij zien , welke veroorzaakt wordt door de reflex .
In fig . 20 wordt dit met een drietal schetsjes gedemonstreerd . Bij het tekenen en schilderen van ogen zult je op dit verschijnsel heel goed moeten letten , want deze twee ogenschijnlijk niet belangrijke details , zijn juist van grote invloed op een levendige weergave van de ogen .
De mond
Uit artistiek oogpunt bezien , speelt de mond ( fig . 22 en 23 ) een zeer belangrijke rol . Zonder zelfs de ogen van iemand te zien , is het in vele gevallen mogelijk zijn gevoelens te raden door naar zijn mond of beweging daarvan te zien . Het is juist door zijn grote bewegelijkheid dat de mond in sterke mate de expressie beinvloedt . Opgetrokken mondhoeken - met op hetzelfde moment opgetrokken wenkbrauwen - drukken over het algemeen vrolijkheid uit . Staan mond en wenkbrauwen in hun normale stand , dan geeft dit een uitdrukking van kalmte . Samengetrokken wenkbrauwen en neergetrokken mondhoeken duiden op bedroefdheid . Zo kunnen wij nog vele voorbeelden geven , doch het is nuttiger en leerzamer om uw medemensen zelf te bestuderen . Iedere dag ! Want dan pas leert je die typische uitdrukkingen kennen .
Het is duidelijk dat door de vorm van de kaken de scheidingslijn van de lippen boogvormig is ( zie fig . 22 links boven ) .
Bezien wij de kop in driekwart aanzicht , dan zal zich een zeer sterke verkorting van de mond aan de andere zijde van de middenas voordoen . In fig . 12 - C zien wij dit duidelijk weergegeven. Het is een belangrijke vormverschijning waarop je altijd goed dient te letten .
Hoewel , evenals het oog , de mond ook zijn persoonlijke verschillen heeft , is er toch van de vorm een duidelijker algemene beschrijving te geven . De bovenlip heeft in het midden een kleine verdikking met links en rechts daarvan een afplatting . Daarna verdikt hij zich weer naar beide kanten . De onderlip laat twee langer gerekte verdikkingen zien , links en rechts van het midden . Fig . 24 laat dit duidelijk zien . Met dit zeer eenvoudige schema zijn we natuurlijk niet klaar . Je zult zelf door nauwkeurig observeren de grote verschillen in monden moeten leren ontdekken . En al schetsende en bestuderende zult je merken dat vorm en beweging van de mond een belangrijk aandeel vormen in het weergeven van de juiste uitdrukking .
Bij het tekenen van de mond is het van groot belang te letten op de juiste weergave van licht - en schaduwpartijen , om op die wijze tot een mooie plastische vorm te komen . Je zult bemerken , dat het hier vaak gaat om de meest gevoelige toonwaarden . Tekent je in een enkele lijn , houdt dan de lijnen van de mond uiterst soepel . Dit geld wel in het bijzonder voor de scheidingslijn van de lippen . Is de mond geopend of zijn de lippen vaneen , maak dan niet de fout iedere tand door een harde lijn weer te geven . Tanden moeten slechts heel even aangeduid worden met een contour , doch wel dient je door middel van licht - en schaduwval de glans daarvan weer te geven . Hiervoor is het belangrijk dat je let op de gemidelde toonwaarde van de tanden . In het halflicht - en schaduwgedeelte kunt je toon en lijn natuurlijk wel iets meer accentueren .
Om de mond op de juiste wijze in het gelaat te plaatsen verwijzen wij je naar fig . 12 - A . In beginsel - let wel : in beginsel ! - ligt de mond , wanneer de ruimte tussen neustop en kin in drieen verdeeld is , op de bovenste deellijn . Maar nogmaals : alleen door een goede waarneming mag je zich laten leiden . Het aangegeven schema van fig . 12 - A dient alleen als een vergelijkingsmogelijkheid . Schetst je de mond in een gelaat , maak dan altijd gebruik van de hulplijnen zoals je die in fig . 22 ziet .
De neus
De neus , het meest vooruitstekende gedeelte van het gelaat , is algemeen gesproken wigvormig ( zie fig . 22 en 25 ) . Van opzij bezien is hij driehoekig van vorm en meer nog dan in het vooraanzicht , is hij in deze stand het meest karakteristiek voor de expressie . Immers , bezien wij iemand van opzij , dan valt de neus het meeste op . Het skelet van de neus wordt gevormd door het neusbeen dat ontspringt tussen de oogholten . Dit eigenlijke neusbeen is maar zeer klein en het zet zich dan ook voort in kraakbeenachtige gedeelten welke de neusholte vormen . In het midden van die neusholte bevindt zich een tussenwand , eveneens van kraakbeen . Op die wijze worden dus de neusgaten gevormd . De vorm van de neusgaten kan men het beste bestuderen bij een iets achteroverliggende kop . Ze zijn komma - vormig , met het dikke gedeelte naar onderen gericht , op een schuin gericht vlak dat meer of minder sterk begrensd is , zoals je ziet in fig . 22 en 25 . Bij het zijaanzicht en zelfs in driekwart - stand zijn de aanhechtingsplaats van de neuswortel in het voorhoofd , de vorm en richting van de neusvleugels , kortom , de algemene contour van de neus , duidelijk zichtbaar . In vooraanzicht is het echter anders gesteld . Dan wordt het relief alleen bepaald door de lichte en donkere vlakken . De toonwaarde van die vlakken dienen dan uiterst zorgvuldig bestudeerd te worden , om op die manier het juiste relief en daarmee ook het juiste karakter van het model weer te geven .
Je heeft het bij het bestuderen van neuzen al gemerkt , dat er zich vele moeilijkheden kunnen voordoen in de vorm van de neusgaten en bij de verschillende verkortingen , wanneer het hoofd zich voor - of achterover buigt . Maak daarom talrijke schetsen van neuzen en maak deze nauwkeurig . Want alleen dan zult je de grote verscheidenheid van haviksneuzen , wipneuzen , lange of dikke neuzen kunnen ontdekken .
Studie van de verschillende onderdelen
van het gelaat
Op de hier volgende , zullen wij trachten je vertrouwd te maken met de vorm van de verschillende onderdelen waaruit de kop is opgebouwd . Dit is nodig , omdat , wanneer je eenmaal gekomen bent aan de studie van de kop als geheel , je deze onderdelen door en door moet kennen . Alleen dan zult je in staat zijn om die onderdelen in hun juiste vorm en verhouding " in te voegen " in de algemene vorm .
Het gaat hier dus , zoals in de gehele les , om een nauwkeurige gedetailleerde studie van deze onderdelen .
Het oog
Ongetwijfeld is het oog , tesamen met de mond - en wellicht nog meer dan die - het meest uitdrukkingsvolle onderdeel van het gelaat . Het zijn de ogen die uitdrukking geven aan alle emoties en hartstochten . Haat , liefde of vrees , verbazing of vreugde , en noemt u maar op , spiegelen zich af op ons gelaat , dank zij ogen en mond , twee onderdelen met zeer grote bewegingsmogekelijkheden . Het fronsen en optrekken van de wenkbrauwen , de verbreding van de oogspleet , onderstrepen de uitdrukking van de blik ( fig . 18 ) . Wij moeten trouwens opmerken , dat één bepaald onderdeel van het gelaat nimmer alleen uitdrukking geeft van een bepaald gevoelen , en zeker niet wanneer dit er een is van grote intensiteit . Om het karakter van de ogen - een karakter dat typerend is voor een bepaald individu - te leren doorgronden is dikwijls zeer moeilijk . Wij moeten dan ook beginnen om het oog te bestuderen onder verschillende hoeken en trachten zijn juiste constructie te doorzien .
De ogen liggen in de oogholten . Van voren gezien is de grote vorm daarvan een vierhoek met afgeronde hoeken ( zie nogmaals fig . 2 en 3 ) . Bezien wij de kop van opzij , dan doet deze holte zich voor als een ovaal , waarvan de lange as van onderen naar boven enigszins schuin gericht is . Het voor ons zichtbare gedeelte van het oog bolt zich buiten deze holte . Van onderen en boven is het oog bedekt door de oogleden , die zich elk voorzetten in de huid welke over de randen van de oogholten gespannen is . Het oog is bolvormig , zoals wij in fig . 19 zien . Het is bijna geheel omgeven door het taaie oogvlies . Het buitenste oppervlak daarvan is bij een volwassene glad en wit , terwijl het bij oudere mensen enigszins geelachtig is . Van voren , ter hoogte van het hoornvlies , is de bolvorm even sterker . Het hoornvlies is dus een voortzetting van het oogvlies , doch met dit verschil dat het volkomen doorzichtig is , in tegenstelling tot het ondoorzichtige oogvlies . Dwars door het hoornvlies en als het ware daarachter opgehangen is de iris zichtbaar . Het is een soort cirkelvormig verticaal diafragma met in het midden een ronde opening , de pupil , welke een middellijn heeft van 3 à 4 mm . In kleur vertoont de iris , al naar gelang individu en ras , zeer vele variaties . De grootte van de pupil is afhankelijk van de werking van verwijdende of vernauwende spiertjes . Wij weten , dat in het donker de pupil groter wordt om nog zoveel mogelijk lichtstralen binnen te laten , terwijl hij zich vernauwt bij fel licht .
Tenslotte , hoewel wij hem niet zien , bevindt zich achter de iris de ooglens . Deze lens laat de lichtstralen , door het glasachtig lichaam heen , samenkomen op het netvlies , een vlies dat de binnen - achterkant van de oogbol bekleedt .
Deze kleine anatomische verhandeling over het oog was zeker niet overbodig , want wij dienen toch te weten wat wij tekenen . Trouwens - wij spraken hierover reeds bij de bloemen - de weergave van de zichtbare onderdelen van een object , hoe die ook moge zijn , ondervindt sterke invloed van de voorstelling die men zich maakt van de verborgen delen , die ten nauwste samenhangen met deze zichtbare delen .
De belangrijkste zichtbare gedeelten zijn ongetwijfeld de oogleden . Zij zijn door rimpels van de omgeving gescheiden en zijn lichter of zwaarder met oogharen bezet . De meer of minder geopende oogspleet heeft een ovale vorm , waarvan de lange as niet geheel horizontaal loopt . De stand van deze as varieert al naar gelang van individu en ras . Vele beginners denken helaas niet aan de bolle vorm van de oogbol . Deze vorm heeft natuurlijk invloed op de vorm van de oogleden . De bovenste kromming van de lijn van de oogleden is dan ook in geen enkel opzicht gelijk aan de kromming van de onderste lijn . Het ontdekken van deze misschien uiterst geringe verschillen in kromming is dan ook een zaak van zeer nauwkeurige observatie . Het resultaat hiervan zal evenwel merkbaar zijn in de voltooide tekening welke een volmaakte gelijkenis met het model toont . In de binnenooghoek zien wij een klein rose of roodachtig uitsteeksel , de traanheuvel . Op deze plaats bevinden zich , zowel in boven - als onderooglid , de kleine openingen van de traanbuisjes . Van de binnenooghoek in de richting van de wang zien wij een meer of minder zware groef , terwijl wij bij de buitenooghoek , vooral bij oudere mensen , een reeks straalvormige plooien zien , de zgn . " kraaiepootjes " .
Wij hebben reeds gezegd dat de oogspleet ovaal van vorm is , met vanzelfsprekend zijn individuele verschillen . Wanneer je echter deze vorm eens aandachtig bestudeert , zult je opmerken dat de bovenste lijn grotendeels recht is en dan plotseling sterk naar beneden afbuigt in de richting van de neuswortel . Het verloop van de onderste lijn is bijna tegengestelde hieraan : bij de neuswortel begint hij recht en buigt dan sterk naar boven tot de buitenooghoek .
Fig . 20 laat je het verloop van deze lijnen nog eens duidelijk zien . Belangrijk is ook wat fig . 20 - A laat zien . De lijn , die de bovenkant van de oogholte ( de wenkbrauw ) raakt en langs de oogbol loopt , is schuin naar onderen gericht . Volg ook eens de gestippelde lijn in fig . 20 - B . Hier ziet je duidelijk hoe de verschillende vlakken van bovenooglid , oogbol en onderooglid gericht zijn . Wanneer men de richting van de vlakken goed bestudeert , zal het gemakkelijker worden om de ogen in al hun standen , en face , en profil , in driekwart - stand , met meer of minder opgetrokken oogleden enz . te tekenen . Wij herhalen het nogmaals : het oog is wel het belangrijkste onderdeel om een gezicht uitdrukking te verlenen . Bestudeer fig. 21 daarom goed en je zult het stellig met ons eens zijn .
Overigens zal het in het begin niet meevallen om de ogen op de juiste plaats in te tekenen . Bij een kop en face zal het even gemakkelijker gaan , omdat men daar een grotere houvast heeft aan de assen en niet te maken heeft met een perspectivische vertekening . Bij alle overige standen komt het er op aan om eerst de grondvorm te schetsen en pas wanneer deze van vorm , verhouding en stand juist is , kunt je met verdere afwerking voortgaan .
Je dient er echter wel aan te denken dat niet alleen een juiste contour het karakter van het oog bepaalt . Er komen nog andere factoren bij te pas , zoals de weergave van het relief , door een juiste aanduiding van licht - en schaduwpartijen . Vooral de lichtval op de iris is een zaak van aandachtige observatie . Je zult op de iris een zeer sterk glimlicht kunnen waarnemen . Tegenover dit glimlicht op de iris zult je een tweede , minder sterke lichtpartij zien , welke veroorzaakt wordt door de reflex .
In fig . 20 wordt dit met een drietal schetsjes gedemonstreerd . Bij het tekenen en schilderen van ogen zult je op dit verschijnsel heel goed moeten letten , want deze twee ogenschijnlijk niet belangrijke details , zijn juist van grote invloed op een levendige weergave van de ogen .
De mond
Uit artistiek oogpunt bezien , speelt de mond ( fig . 22 en 23 ) een zeer belangrijke rol . Zonder zelfs de ogen van iemand te zien , is het in vele gevallen mogelijk zijn gevoelens te raden door naar zijn mond of beweging daarvan te zien . Het is juist door zijn grote bewegelijkheid dat de mond in sterke mate de expressie beinvloedt . Opgetrokken mondhoeken - met op hetzelfde moment opgetrokken wenkbrauwen - drukken over het algemeen vrolijkheid uit . Staan mond en wenkbrauwen in hun normale stand , dan geeft dit een uitdrukking van kalmte . Samengetrokken wenkbrauwen en neergetrokken mondhoeken duiden op bedroefdheid . Zo kunnen wij nog vele voorbeelden geven , doch het is nuttiger en leerzamer om uw medemensen zelf te bestuderen . Iedere dag ! Want dan pas leert je die typische uitdrukkingen kennen .
Het is duidelijk dat door de vorm van de kaken de scheidingslijn van de lippen boogvormig is ( zie fig . 22 links boven ) .
Bezien wij de kop in driekwart aanzicht , dan zal zich een zeer sterke verkorting van de mond aan de andere zijde van de middenas voordoen . In fig . 12 - C zien wij dit duidelijk weergegeven. Het is een belangrijke vormverschijning waarop je altijd goed dient te letten .
Hoewel , evenals het oog , de mond ook zijn persoonlijke verschillen heeft , is er toch van de vorm een duidelijker algemene beschrijving te geven . De bovenlip heeft in het midden een kleine verdikking met links en rechts daarvan een afplatting . Daarna verdikt hij zich weer naar beide kanten . De onderlip laat twee langer gerekte verdikkingen zien , links en rechts van het midden . Fig . 24 laat dit duidelijk zien . Met dit zeer eenvoudige schema zijn we natuurlijk niet klaar . Je zult zelf door nauwkeurig observeren de grote verschillen in monden moeten leren ontdekken . En al schetsende en bestuderende zult je merken dat vorm en beweging van de mond een belangrijk aandeel vormen in het weergeven van de juiste uitdrukking .
Bij het tekenen van de mond is het van groot belang te letten op de juiste weergave van licht - en schaduwpartijen , om op die wijze tot een mooie plastische vorm te komen . Je zult bemerken , dat het hier vaak gaat om de meest gevoelige toonwaarden . Tekent je in een enkele lijn , houdt dan de lijnen van de mond uiterst soepel . Dit geld wel in het bijzonder voor de scheidingslijn van de lippen . Is de mond geopend of zijn de lippen vaneen , maak dan niet de fout iedere tand door een harde lijn weer te geven . Tanden moeten slechts heel even aangeduid worden met een contour , doch wel dient je door middel van licht - en schaduwval de glans daarvan weer te geven . Hiervoor is het belangrijk dat je let op de gemidelde toonwaarde van de tanden . In het halflicht - en schaduwgedeelte kunt je toon en lijn natuurlijk wel iets meer accentueren .
Om de mond op de juiste wijze in het gelaat te plaatsen verwijzen wij je naar fig . 12 - A . In beginsel - let wel : in beginsel ! - ligt de mond , wanneer de ruimte tussen neustop en kin in drieen verdeeld is , op de bovenste deellijn . Maar nogmaals : alleen door een goede waarneming mag je zich laten leiden . Het aangegeven schema van fig . 12 - A dient alleen als een vergelijkingsmogelijkheid . Schetst je de mond in een gelaat , maak dan altijd gebruik van de hulplijnen zoals je die in fig . 22 ziet .
De neus
De neus , het meest vooruitstekende gedeelte van het gelaat , is algemeen gesproken wigvormig ( zie fig . 22 en 25 ) . Van opzij bezien is hij driehoekig van vorm en meer nog dan in het vooraanzicht , is hij in deze stand het meest karakteristiek voor de expressie . Immers , bezien wij iemand van opzij , dan valt de neus het meeste op . Het skelet van de neus wordt gevormd door het neusbeen dat ontspringt tussen de oogholten . Dit eigenlijke neusbeen is maar zeer klein en het zet zich dan ook voort in kraakbeenachtige gedeelten welke de neusholte vormen . In het midden van die neusholte bevindt zich een tussenwand , eveneens van kraakbeen . Op die wijze worden dus de neusgaten gevormd . De vorm van de neusgaten kan men het beste bestuderen bij een iets achteroverliggende kop . Ze zijn komma - vormig , met het dikke gedeelte naar onderen gericht , op een schuin gericht vlak dat meer of minder sterk begrensd is , zoals je ziet in fig . 22 en 25 . Bij het zijaanzicht en zelfs in driekwart - stand zijn de aanhechtingsplaats van de neuswortel in het voorhoofd , de vorm en richting van de neusvleugels , kortom , de algemene contour van de neus , duidelijk zichtbaar . In vooraanzicht is het echter anders gesteld . Dan wordt het relief alleen bepaald door de lichte en donkere vlakken . De toonwaarde van die vlakken dienen dan uiterst zorgvuldig bestudeerd te worden , om op die manier het juiste relief en daarmee ook het juiste karakter van het model weer te geven .
Je heeft het bij het bestuderen van neuzen al gemerkt , dat er zich vele moeilijkheden kunnen voordoen in de vorm van de neusgaten en bij de verschillende verkortingen , wanneer het hoofd zich voor - of achterover buigt . Maak daarom talrijke schetsen van neuzen en maak deze nauwkeurig . Want alleen dan zult je de grote verscheidenheid van haviksneuzen , wipneuzen , lange of dikke neuzen kunnen ontdekken .

















