Art . Nr . 16 . a
De Theorie .
DE PLANT
Wij weten dat de bloem uit de plant ontstaat en zullen dus allereerst de plant onderzoeken en bespreken . Elke plant ontstaat uit een zaadje , dat , geplant in een geschikte omgeving , gaat kiemen , wortel schiet in de bodem en zijn stengels , takken , bladeren , bloemen en vruchten in de hoogte doet groeien .
Zonder in te gaan op de oneindige verscheidenheid van verschillende wijzen van groei , elk eigen aan zijn soort of familie , zullen wij in het kort de stadia van het algemene groeiproces uiteenzetten en de belangrijkste onderdelen van de plant hun naam geven . Het zaadje bevat meestal in hoofdzaak de plant in het klein ( het kiemplantje ). Het draagt een eerste beginsel van bladeren en wortel in zich , weliswaar nog gewikkeld in een of twee vlezige massa's ( zaadlobben ) , die moeten dienen voor zijn eerste voeding . Naarmate de wortel dieper in de bodem dringt , verheft zich de stengel boven de grond en deze vertakt zich weer in zijtakken , waaraan de nieuwe blaadjes groeien , volgens verschillende rangschikkingen , die min of meer verschillen , al naar gelang de soort ( fig . 1 ) .
Deze vertakkingen kunnen tegenovergesteld zijn , afwisselend , kransgewijs geplaatst , stervormig , spiraalvormig , en dat geldt zowel voor de eigenlijke takken ( fig . 2 ) als voor de bladstelen ( fig . 3 ) . Naar aanleiding van deze zo verschillende groeiwijzen kunnen wij reeds prachtige tekeningen en ragfijne arabesken ( fig . 4 ) maken , waarbij ook steeds de soepelheid van onze hand ontwikkeld wordt . Want bedrevenheid in het zetten van soepele vloeiende lijnen is voor de tekenaar of schilder van de planten en bloemen een eerste vereiste . Alvorens verder te gaan en om direct al bij 't begin iedere zin goed te begrijpen , zullen wij je eerst de meest voorkomende woorden en uitdrukkingen uit de plantkunde duidelijk maken . Hier volgt dan onze kleine botanische woordenlijst .
Beknopte woordenlijst
Oksel : De naar de top gerichte hoek , die de bladsteel maakt met de stengel die hem draagt .
Helmknop : Deel van de meeldraad : zakje of doosje , dat het stuifmeel bevat .
Knop : Tak in wording , hetzij bij de oksels hetzij aan het uiteinde .
Schutbladeren : Kleine blaadjes , vooral onderaan de bloemsteeltjes .
Kelk : Bekleedt uitwendig het binnenste van de bloem .
Hoofdje : De as van de bloeiwijze draagt op z'n verdikte top een bosje bloempjes dicht bijeen ( meestal bijna niet of niet gesteelde bloempjes ) .
Vruchtbladen : Bestanddelen van de stamper , apart of aan elkaar gegroeid , bevattend van onder naar boven : het vruchtbegingsel , de stijl en de stempel .
Katje : Een soort aarachtige bloeiwijze van eenslachtige bloemen , waarbij of meeldraden of stampers bedekt worden door eenvoudige schubjes .
Bloemkroon : Het geheel van de bloembladen . De bloemkroon wordt min of meer gestut en omgeven door de kelk .
Bloemtuil : Bloemdragend stengeleinde , waarbij de vertakkingen op verschillende punten uit de stengel komen , maar tot op hetzelfde hoger gelegen niveau reiken .
Zaadlob : Een van de vlezige lobben van het zaadje , dat de eerste voedingsreserve van de plant bevat bij zijn eerste groei .
Napje : Een soort bakje , dat soms het onderste deel van een vrucht omgeeft ( bv. de eikel ) .
Aar : Een geheel van vrijwel ongesteelde bloemen of korrels ingeplant langs een hoofdas .
Meeldraden : Mannelijke organen van de bloem .
Blad : Aanhangsel van stengels of takken .
Helmdraad : Het draagorgaan van de helmknop in de meeldraad .
Bloem : Deel van de plant , dat de voortplantingsorganen bevat .
Blaadje ( bladvin ) : Apart deel van de bladschijf van een samengesteld blad .
Vrucht : Dat wat volgt op de bloem en korrel of zaad bevat .
Bladschede : Verdikte of verbrede aanhechtingplaats van de steel van het blad .
Tros : Rangschikking van bloemen of vruchten , zich aftakkend van een gemeenschappelijke as .
Bloeiwijze : Rangschikking van bloemen aan één plant in het algemeen .
Bladschijf : Het brede deel van het blad .
Nerven : Vaten of buizen in het blad , die het voedingssap vervoeren .
Knoop : Het punt op de stengel , waar een blad of een groep bladeren is ingeplant .
Oog : Kleine knop , ontspruitend aan het uiteinde der takken of de oksels der bladeren .
Scherm : Bloeiwijze , waarbij de bloemstelen allen uit hetzelfde punt komen en de bloemen tot op dezelfde hoogte brengen .
Vruchtbeginsel : Orgaan aan het ondereinde van de stamper , zaadknoppen bevattend ; hierin ontstaat de vrucht .
Zaadknop : Te bevruchten onderdeel , gelegen in het vruchtbeginsel ; hieruit onstaat het zaad .
Pluim : Bloemrijk en rijk vertakt stengeleinde ( bv. haver , riet ).
Parenchym : Vulweefsel van cellen in het blad ( of merg bij een stengel , of vlees bij de vrucht ) .
Steel : Draagorgaan of voetstuk van een of ander plantenorgaan of paddestoel , bloem of vrucht .
Bloemblad : De gekleurde bladeren of onderdelen die samen de bloemkroon vormen .
Bladsteel : Zie " Steel " .
Stamper : Vrouwelijk orgaan van de bloem , samengesteldt uit vruchtbladen .
Stuifmeel : Vruchtbaar poeder , uitgestrooid door de meeldraden .
Bladskelet : Het geheel van de bladnerven .
Zijworteltjes : Vertakkingen der wortels .
Bloembodem : Bodem van de kelk .
Wortelstok : Vlezige onderaardse stengel .
Kelkbladen : Blaadjes of schubjes , die samen de kelk vormen .
Stempel : " Ontvangplaats " van de stamper , naar bovengehouden door de stijl en bestemd om de stuifmeelkorrels op te vangen en vast te houden .
Steunblad : Klein aanhangsel van bladsteel of bloem .
Stijl : Lange uitloper van het vruchtblad .
Tuil : Rechtopstaande pluim , bijv. bij seringen .
Stengel : De spil van de plant , waaraan de takken ontspringen .
Knol : Vlezig uitgroeisel op of van de wortel .
Krans : Verzameling van verscheidene organen , in een kring gelegen romdom eenzelfde punt .
Hechtrankjes : Draadjes , die bepaalde klimplanten als spiraaltje rondom een steunpunt rollen .