Naar de inhoud

Teken en schildercursus fritske3

TEKEN EN SCHILDERTECHNIEKEN EERSTE DEEL VANAF 14/10/06
seniorennet.beseniorennet.be

VERVOLG VAN FRITSKE2

Vervolg  fritske2

DE  VOLGENDE   LESSEN  BESTAAN  UIT :

   BLOEN  EN  PLANT  -  ART . NR . 16

   HET  LANDSCHAP  -  ART . NR . 19

   HET  HOOFD  - ART . NR . 26

   HET  NAAKT  -  ART . NR . 31

   FIGUURTEKENEN  -  ART . NR . 37 . 

   EN   ENKELE  BELANGRIJKE 
   ONDERDELEN : 
   
   DE   HANDEN  ART . NR . 37 . a
 
   DE  VOETEN  ART . NR . 38 .

   EN  DE  KOP  ART . NR . 39 . 

   DE  DIEREN  -  ART . NR . 43 

   DE  COMPOSITIE  -  ART . NR . 49 

   HET  ONTWERPEN  -  ART . NR . 55


                        

SCHILDERTECKNIEKEN  IN  VIER  DELEN  UITGELEGD  !!
( Deel  I  Gelieve  hiernaast  op  datum van  9/10 - 15/10/ 2006  te  klikken , en dan  scrollen  tot  op   14/10/2006 ) .

  OLIEVERFTECHNIEKEN  -  EERSTE EN   TWEEDE   DEEL  -  ART . NR . 62  EN   ART . NR . 65

  GOUACHE  -  PASTEL  -  EN    KLEURPOTLOOD   DERDE   DEEL    
 ART . NR . 70 

 
AQUAREL   VIERDE   DEEL
 ART . NR . 76
    

ART . NR . 16 . BLOEM EN PLANT , INLEIDING

Art .Nr . 16

Bloem  en  plant.

Inleiding :

 
Is  niet  alles  wat  groeit  en  bloeit  een  bewonderingswaardige  wereld , waarin  de  eeuwige  poézie  der  natuur  zingt ?
Voor sommigen  is  de  bloem  slechts  een  aanleiding  tot  prachtige  kleuren, voor  anderen , verliefd  op  de  " klare "  tekening , verleidt  zij  het  oog  tot  de  ontdekking  van  een  fijn  uitgesponnen  en  sierlijk  lijnenspel .  Wij  kunnen  de  bloem  bestuderen  in  weelderig  samengestelde  boeketten  of  in  zijn  natuurlijke  omgeving  in  de  vrije  natuur .  Men  zal  de  bloem  ontleden   om  door  te  dringen  in  het  geheim  van  haar  charme , om  er  onzegbaar  veel  resultaten in  de  vorm  van  lijnen , vormen  en  kleuren  aan  te  ontlenen .
Juist  aan  de  bloem  is  de  kunstenaar  de  grootste  rijkdom  van  zijn  palet  verschuldigd.  Zij  is  de  onuitputtelijke  schatkamer  van  de  decoratieve  kunstenaar .  Zij  is  de  taal , waarin  een  fijngevoelige  geest  zich  uitdrukt . En  allen  schenkt  zij  het  gevoel  van  harmonie  door  haar , vaak  stoutmoedig  in  hun  beweging , vloeiende  lijnen  welke  echter  steeds  zullen  opvallen  door  evenwichtigheid .  Iedereen  voelt , bewust  of  onbewust , dat  de  bloem  hem  steeds  ontroerd .  En  is  dit   ook  niet  hetzelfde  wat  wij  voelen  wanneer  wij  tegenover  een  waarachtig  kunstwerk  staan ?

  Wanneer  wij  starten  met  het  tekenen  van  bloemen  en  planten  moeten  er  twee  klippen  worden  omzeild .  In  de  eerste  plaats  moeten  wij  vermijden  om  tot  een  dorre  nabootsing  te  vervallen , waaruit  alle  leven  en  vrije  vondsten  verdwenen  zijn .  Maar  eveneens  moeten  wij  proberen  om  niet  te  vervallen  in  een  oppervlakkige  weergave .  Trouwens , er  is  niet  één  enkele  manier  om  een  bloem  te  tekenen  of  te  schilderen... er  zijn  er  vele !  Wat  wij  zouden  willen  is  dat  je  bij  de  studie  van  bloem  en  plant  al  het  mogelijke  doet  om  tot  een  persoonlijke  herschepping  van  het  geziene  te  komen ;  dat  je  de  studie  dus  zo  inkleedt  om  op  die  wijze  tot  een  eigen  manier  van  werken  te  komen . 
  Omdat  te  bereiken moet  je  er  dus  niet  naar  streven  tekeningen  te  maken  in  een  reeds  eerder  geziene  stijl  of  manier ; je  moet  proberen  de   bloem  op  papier  te  krijgen  zoals  je  haar  zelf  aanvoelt .  Maar  daarvoor  is  het  nodig  dat  je  precies  weet , hoe  je  een  bloem  moet  observeren  om  haar  goed  te  kunnen  begrijpen  en  dat  je  haar  leert  " zien " ; eerst  op  zichzelfstaand , daarna  met  betrekking  tot  de  steel  en  de  bladeren  en  het  geheel  in  het  verloop  van  de  verschillende  bloeistadia .  Het  is  dan  ook  heel  nuttig  om  te  beginnen  met  de  " anatomie  van  bloem  en  plant "  te  bestuderen .  In  grote  lijnen  volgen  wij  dan  haar  onstaan , haar  groei  en  de  wijze  waarop  zij  zich  voortplant .  Een  kleine  ontdekkingreis  dus  in  het  botanische  rijk !  Maar ... wij  zullen  het  eenvoudig  houden !



FIG . 4 .

Fig . 4 .

  Decoratieve  omwerkingen  van  de 
verschillende  rangschikkingen .

FIG . 3

Fig ; 3 .

  Rangschikkingen  der  bladeren . Achtereencolgens : tegenoverstaand , afwisselend , kransgewijs , stervormig .

FIG . 2 . - VERTAKKINGEN ( schema ) .

Fig . 2 .  -  Vertakkingen  ( schema ) .

Boven :  tegenoverstaand , gevolgd  door : in  afwisseling  geplaatst.
Beneden :  kransgewijs  geplaatst , gevolgd  door :  stervormig  geplaatst .

ART . NR . 16 . a , DE THEORIE ( DE PLANT )

Art . Nr . 16 . a

De  Theorie .

DE  PLANT

  Wij  weten  dat  de  bloem  uit  de  plant  ontstaat  en  zullen  dus  allereerst  de  plant  onderzoeken  en  bespreken .  Elke  plant  ontstaat  uit  een  zaadje , dat , geplant  in  een  geschikte  omgeving , gaat  kiemen , wortel  schiet  in  de  bodem  en  zijn  stengels , takken , bladeren , bloemen  en  vruchten  in  de  hoogte  doet  groeien .
  Zonder  in  te  gaan  op  de  oneindige  verscheidenheid  van  verschillende  wijzen  van  groei , elk eigen  aan  zijn  soort  of  familie , zullen  wij  in  het  kort  de  stadia  van  het  algemene  groeiproces  uiteenzetten  en  de   belangrijkste  onderdelen  van  de  plant  hun  naam  geven .  Het  zaadje  bevat  meestal  in  hoofdzaak  de  plant  in  het  klein ( het  kiemplantje ).  Het  draagt  een  eerste  beginsel  van  bladeren  en  wortel  in  zich , weliswaar  nog  gewikkeld  in  een  of  twee  vlezige  massa's  ( zaadlobben ) , die  moeten  dienen  voor  zijn  eerste  voeding .  Naarmate  de  wortel  dieper  in  de  bodem  dringt , verheft  zich  de  stengel  boven  de  grond  en  deze  vertakt  zich  weer  in  zijtakken , waaraan  de  nieuwe  blaadjes  groeien , volgens  verschillende  rangschikkingen , die  min  of  meer  verschillen , al  naar  gelang  de  soort  ( fig . 1 ) .
   Deze  vertakkingen  kunnen  tegenovergesteld  zijn , afwisselend , kransgewijs  geplaatst , stervormig , spiraalvormig , en  dat  geldt  zowel  voor  de  eigenlijke  takken  ( fig . 2 ) als  voor  de  bladstelen  ( fig . 3 ) .  Naar  aanleiding  van  deze  zo  verschillende  groeiwijzen  kunnen  wij  reeds  prachtige  tekeningen  en  ragfijne  arabesken  ( fig . 4 ) maken , waarbij  ook  steeds  de  soepelheid  van  onze  hand  ontwikkeld  wordt .  Want  bedrevenheid  in  het  zetten  van  soepele  vloeiende  lijnen  is  voor  de  tekenaar  of  schilder  van  de  planten  en  bloemen  een  eerste  vereiste .  Alvorens  verder  te  gaan  en  om  direct  al  bij  't begin  iedere  zin  goed  te  begrijpen , zullen  wij  je  eerst  de  meest  voorkomende  woorden  en  uitdrukkingen  uit  de  plantkunde  duidelijk  maken .  Hier  volgt  dan  onze  kleine  botanische  woordenlijst . 
       
              Beknopte  woordenlijst

Oksel :  De  naar  de  top  gerichte  hoek , die  de  bladsteel  maakt  met  de  stengel  die  hem  draagt . 
Helmknop :  Deel  van  de  meeldraad :  zakje  of  doosje , dat  het  stuifmeel  bevat . 
Knop :  Tak  in  wording , hetzij  bij  de  oksels  hetzij  aan  het  uiteinde . 
Schutbladeren :  Kleine  blaadjes , vooral  onderaan  de  bloemsteeltjes .
Kelk :  Bekleedt  uitwendig  het  binnenste  van  de  bloem .  
Hoofdje :  De  as  van  de  bloeiwijze  draagt  op  z'n  verdikte  top  een  bosje  bloempjes  dicht  bijeen  ( meestal  bijna  niet  of  niet  gesteelde  bloempjes ) . 
Vruchtbladen :  Bestanddelen  van  de  stamper , apart  of  aan  elkaar  gegroeid , bevattend  van  onder  naar  boven :  het  vruchtbegingsel , de  stijl  en  de  stempel .
Katje :  Een  soort  aarachtige  bloeiwijze  van  eenslachtige  bloemen , waarbij  of  meeldraden  of  stampers  bedekt  worden  door  eenvoudige  schubjes . 
Bloemkroon :  Het  geheel  van  de  bloembladen .  De  bloemkroon  wordt  min  of  meer  gestut  en  omgeven  door  de  kelk .
  Bloemtuil :  Bloemdragend  stengeleinde , waarbij  de  vertakkingen  op  verschillende  punten  uit  de  stengel  komen , maar  tot  op  hetzelfde  hoger  gelegen  niveau  reiken . 
  Zaadlob :  Een  van  de  vlezige  lobben  van  het  zaadje , dat  de  eerste  voedingsreserve  van  de  plant  bevat  bij  zijn  eerste  groei .
  Napje :   Een  soort  bakje , dat  soms  het  onderste  deel  van  een  vrucht  omgeeft  ( bv.  de  eikel ) .  
  Aar :  Een  geheel  van  vrijwel  ongesteelde  bloemen  of  korrels  ingeplant  langs  een  hoofdas .  
  Meeldraden :  Mannelijke  organen  van  de  bloem .
  Blad :  Aanhangsel  van  stengels  of  takken .
  Helmdraad :  Het  draagorgaan  van  de  helmknop  in  de  meeldraad .
  Bloem :  Deel  van  de  plant , dat  de  voortplantingsorganen  bevat .
  Blaadje  ( bladvin ) : Apart  deel  van  de  bladschijf  van  een  samengesteld  blad .  
  Vrucht :  Dat  wat  volgt  op  de  bloem  en  korrel  of  zaad  bevat .  
  Bladschede :  Verdikte  of  verbrede  aanhechtingplaats  van  de  steel  van  het  blad .
  Tros :  Rangschikking  van  bloemen  of  vruchten , zich  aftakkend  van  een  gemeenschappelijke  as .
  Bloeiwijze :  Rangschikking  van  bloemen  aan  één  plant  in  het  algemeen .  
  Bladschijf :  Het  brede  deel  van  het  blad . 
  Nerven :  Vaten  of  buizen  in  het  blad , die  het  voedingssap  vervoeren .
  Knoop :  Het  punt  op  de  stengel , waar  een  blad  of  een  groep  bladeren  is  ingeplant .
  Oog :  Kleine  knop , ontspruitend  aan  het  uiteinde  der  takken  of  de  oksels  der  bladeren .  
  Scherm :  Bloeiwijze , waarbij  de  bloemstelen  allen  uit  hetzelfde  punt  komen  en  de  bloemen  tot  op  dezelfde  hoogte  brengen .
  Vruchtbeginsel :  Orgaan  aan  het  ondereinde  van  de  stamper , zaadknoppen  bevattend ; hierin  ontstaat  de  vrucht .
  Zaadknop :  Te  bevruchten  onderdeel , gelegen  in  het  vruchtbeginsel ; hieruit  onstaat  het  zaad .
  Pluim :  Bloemrijk  en  rijk  vertakt  stengeleinde  ( bv. haver , riet ).
  Parenchym :  Vulweefsel  van  cellen  in  het  blad  ( of  merg  bij  een  stengel , of  vlees  bij  de  vrucht ) .
  Steel :  Draagorgaan  of  voetstuk  van  een  of  ander  plantenorgaan  of  paddestoel , bloem  of  vrucht .
  Bloemblad :  De  gekleurde  bladeren  of  onderdelen  die  samen  de  bloemkroon  vormen .
  Bladsteel :  Zie  " Steel " .
  Stamper :  Vrouwelijk  orgaan  van  de  bloem , samengesteldt  uit  vruchtbladen .
  Stuifmeel :  Vruchtbaar  poeder , uitgestrooid  door  de  meeldraden .  
  Bladskelet :  Het  geheel  van  de  bladnerven .
  Zijworteltjes :  Vertakkingen  der  wortels .  
  Bloembodem :  Bodem  van  de  kelk .  
  Wortelstok :  Vlezige  onderaardse  stengel .
  Kelkbladen :  Blaadjes  of  schubjes , die  samen  de  kelk  vormen .  
  Stempel :  " Ontvangplaats "  van  de  stamper , naar  bovengehouden  door  de  stijl  en  bestemd  om  de  stuifmeelkorrels  op  te  vangen  en  vast  te  houden .  
  Steunblad :  Klein  aanhangsel  van  bladsteel  of  bloem .  
  Stijl :  Lange  uitloper  van  het  vruchtblad .  
  Tuil :  Rechtopstaande  pluim , bijv. bij  seringen .  
  Stengel :  De  spil  van  de  plant , waaraan  de  takken  ontspringen .  
  Knol :  Vlezig  uitgroeisel  op  of  van  de  wortel .  
  Krans :  Verzameling  van  verscheidene  organen , in  een  kring  gelegen  romdom  eenzelfde  punt .  
  Hechtrankjes :  Draadjes , die  bepaalde  klimplanten  als  spiraaltje  rondom  een  steunpunt  rollen .
                                                                 

PLAAT II . - BLADEREN

Plaat II

Bladeren :  15 , Hulst . - 16 , Plataan .
17 , Boterbloem . - 18 , Braamstruik .
19 , Kastanje . - 20 , Klaver . - 21 , Acacia .
22 , Es . - 23 , Rozenstruik . - 24 , Meidoorn .
25 , Eik . - 26 , Peperboompje . - 27 , Distel.

PLAAT I , - BLADEREN

Plaat  I

Bladeren :  1, Sering . - 2 , Appelboom .
3 , Brandnetel . - 4 , Linde . - 5 , Viooltje .
6 , Oostindische  kers . - 7 , Hondsdraf .
8 , Haagbeuk . - 9 , Eik . - 10 , Paardebloem .
11 , Klimop . - 12 , Spaanse  aak ( esdoorn ) .
13 , Heggerank. - 14 , Druif.

Meer van Teken en schildercursus fritske3

↑ Terug naar de berichten