ART . NR . 64 . a , - DE EERSTE SCHILDEROEFENINGEN
Art . Nr . 64 . a ,
De Eerste Schilderoefeningen
Thans gaan we ons aan de eigenlijke schilderarbeid wijden . Allereerst komen daarvoor in aanmerking de weergave van eenvoudige voorwerpen ; een lap stof , een koperen , een tinnen en een kristallen voorwerp enz .
Ziehier enkele algemene voorschriften :
1 . Schilder aanvankerlijk " mager " en in een later stadium van de uitvoering " vet " , dat wil zeggen dat de eerste verflagen wat dunner moeten zijn dan de latere , hetgeen o.a . bereikt kan worden door een medium of verdunningsmiddel .
2 . Ultramarijnblauw , zwart , groen émeraude en kraplak zullen stellig barsten gaan vertonen , wanneer zij te vet worden gebruikt .
3 . Vermijd een langzaam drogende kleur over te schilderen met een sneller drogende , waarbij men moet bedenken dat lichte kleuren ( immers gemengd met wit ) minder snel drogen dan donkere .
Stoffen
Om te beginnen nemen we een stuk katoen van groene kleur , dat op een divan gelegd wordt . De onderste afbeelding van plaat VI toont de voltooide studie , eindstadium van drie stadia , die alle op deze plaat zijn afgebeeld . Bij al uw studies dient steeds de hier afgebeelde volgorde in acht genomen te worden .
Het eerste stadium betreft de opzet van het onderwerp ; het tweede de eerste verflaag ( of " onderschildering " ) en het derde het afgewerkte geheel .
1 . OPZET VAN HET ONDERWERP
Eerst dient naturlijk een tekening gemaakt te worden , die in alle opzichten correct moet zijn en wel lijnen alleen , zonder aanduiding van de schaduwen . Doe dit met behulp van een stukje houtskool , dat niet te hard moet zijn en dat gemakkelijk uitgeveegd kan worden ( met een vlerk of een lapje ) , indien een vergissing moet worden hersteld .
Men dient nu goed te beseffen dat olieverf dekkend is , dus in beginsel geen onderliggende kleur laat doorschijnen . Door zijn ondoorschijnendheid , vooral voortkomende uit de toevoeging van wit aan de verschillende kleuren , laat verf op den duur niets meer doorschijnen van de ondergrond , of eventueel onderschildering , waarop men werkt . De broze houtskooltekening wordt dus eerst gefixeerd met fixatief in daarvoor bestemd spuitje . Een platte dunne kwast wordt daarna eerst in een oliedopje ( gevuld met half om half lijnolie en siccatief ) gedoopt en daarna neemt men er een weinig verf van donkere kleur mee op , bijv. gebrande sienna , door een licht draaiende beweging die met de kwast op het palet wordt uitgevoerd . Dezelfde beweging wordt overigens ook in de toekomst vaak herhaald om een mengsel van twee of meer kleuren te maken . We houden onze kwast dan vast op een afstand van ong. 15 cm . van de haren , tussen enkele vingers en dus niet de gehele hand en trekken dan de tekening met verf over door het uiteinde van de kwast over het doek te wrijven , zonder de haren geheel plat te drukken .
Nadat we op deze wijze de tekening in verf hebben overgebracht , wordt deze aangevuld met de schaduwpartijen , die , nog steeds met de brede kwast , in een lichte toon van gebrande sienna of andere donkere kleur ( zie het eerste stadium ) wordt aangezet . Wanneer we grote oppervlakken moeten bedekken , kan men de kwast het best in de gehele hand nemen met de kwastharen plat op het doek .
2 . DE ONDERSCHILDERING
Thans kan de gehele ondergrond bedekt worden door een dun laagje verf , dat door een wrijvende beweging van de kwast aangebracht wordt ( zie het tweede stadium ) . Deze is dan de voorbereiding van het werk van het eindstadium en dient als ondersteuning voor de tonen , die er later op zullen worden aangebracht . Hij moet aan de plaatselijke tonen in licht - en schaduwpartijen op zeer vereenvoudigde wijze uitdrukking geven . De verscheidenheid van kleurwaarden en de weergave van de verschillende détails ( kleinere onderdelen ) zullen in een later stadium aan de orde komen , waarop we hieronder nader zullen ingaan .
3 . DE AFWERKING
De eerste verflaag dient een oppervlakkige weergave van het onderwerp te geven in vorm en kleur . Dit zal nu verrijkt dienen te worden door verdere toevoeging van verflaagjes , die in de lichte partijen nogal vet worden aangebracht om deze hun glans en straling te verschaffen . In de schauwpartijen daarentegen blijven we wat bescheidener voor wat de dikte van de verflaag betreft . Van licht naar donker werkend , plaatsen we de tonen naar gelang het waargenomen gamma ; op die wijze afgezwakte lichtpartijen makend , die van lieverlede overgaan in de schaduw .
Deze wijze van doen is op zijn plaats bij het getoonde onderwerp . Maar in de meeste gevallen is het juister om eerst de donkere tonen aan te brengen om zich pas daarna te wijden aan de lichte .
Overigens merken we reeds op dat men
" vet " op " mager " moet schilderen . Welnu , donkere partijen dienen altijd minder dik in de verf te zitten dan de lichte ; het zou dus logisch zijn om de laatste voor het slot te bewaren .
De verschillende afgezwakte toonwaarden kan de kwast ons geven als we de kleuren met kennis van zaken op het palet uitkiezen en mengen . Zo zal , om bij ons voorbeeld te blijven , de groen stof in de lichtste partijen uitgebeeld kunnen worden door een in de juiste verhoudingen samengesteld mengsel van cobaltgroen , cadmiumgeel licht en wit .
Deze laatste kleur zal sterk verminderd of zelfs geheel weggelaten moeten worden voor het weergeven van de schaduwpartijen ( zie derde stadium ) .
Terloops wijzen we op een belangwekkende omstandigheid , nl . dat het witte kussen uigevoerd wordt in een lichte toon van gebroken rose , verkregen uit rood omdat dit de complementaire kleur is van het groen van de lap stof . Hier vinden we de pratische toepassing van een beginsel dat we aantroffen bij de behandeling van de kleurenleer , nl . de invloed van een bepaalde kleur op wit , indien deze zich naast elkaar bevinden .













