ART . NR . 64 . b , - TWEEDE STUDIE
Tweede studie
Voor de tweede studie nemen we een zijden sjaal met een vrij eenvoudige versiering , die over de armleuning van een grote stoel hangt .
Uiteraard moet ook dit werkstuk weer in drie stadia worden uitgevoerd . Van de eerste twee geven we geen afbeeldingen , want bij de voorgaande studie hebt je daarmee reeds kennis kunnen maken .
We wijzen echter op dat het niet noodzakelijk is om de versiering van de sjaal reeds bij de houtskoolschets na te volgen . het gaat er in eerste instantie om , een indruk te geven van het materiaal
" zijde " . De blauwe ornamenten daarop , kunnen in een later stadium op de in grijze tonen uit te voeren sjaal worden aangebracht .
De constructieschets zal dus slechts de zichtbare delen van de stoel en de omtreklijnen van de sjaal met zijn belangrijke plooien behoeven weer te geven ; de grote schaduwpartijen zullen voorlopig nog slechts in een fijne , lichte toon worden opgezet .
Later gaan we dan in dunne verf de onderschildering uitvoeren en de juiste kleurwaarden aanbrengen om reeds iets van de grijze tonaliteit van de stof te doen spreken . Dit doen we weer met een platte kwast en tevens met behulp van een weinig verdunningsmiddel , waarbij de kwast met de platte zijde op het doek wordt voortbewogen .
In het eindstadium wordt het werk verder gedétailleerd en tot een voltooid geheel gebracht ( zie de afbeelding op plaat VII ) , waarbij allereerst de stoel zijn groene nuances verkrijgt . Zijn houten arm wordt aanvankelijk bij voorkeur met een rond penseel gemodelleerd en , nadat ook de verschillende tonen van de zijden sjaal op hun plaats gezet zijn , kan de versiering met een soepele , ronde daskwast aangeduid worden , niet al te gedétailleerd en kunnen , hier en daar , lichtende toetsjes geplaatst worden .
Vruchten
Een ander soort van onderwerp zijn vruchten , waarvan we twee voorbeelden geven : allereerst een peer , daarna een perzik . Hun " huid " vertoont natuurlijk verschillen ; bij de een is hij glad , bij de ander fluweelachtig . Deze twee typen vindt men overigens bij een groot aantal vruchtsoorten .
Bij de voorgaande oefeningen hebben we opgemerkt dat de materie en de kleur van de stof een zekere eenvormigheid vertoonden over hun gehele oppervlak . Deze keer echter zullen we kleurverschillen opmerken op de schil van de vruchten en overgangen zullen te zien zijn , niet slechts tussen licht en schaduw , maar ook van de ene kleur naar de andere . In dit opzicht is de perzik een karakteristiek voorbeeld door zijn uiterst genuanceerd coloriet , dat van groen naar paars verloopt langs gele , rode en blauwe tonen .
Maar laten we eerst de peer eens bekijken .
Hij is een voorbeeld van wat Duchesseperen genoemd worden en zijn vorm is wel echt die van een peer . Zijn kleur is geel met framenten van rose - goudachtige toon . Ook hier is een schildering in opeenvolgende stadia noodzakelijk , welke ontwikkelingsgang we overigens gedurende deze gehele cursus sterk blijven aanbevelen , bij ieder soort van schildertechniek , waar immers de systematische uitvoering in étappes de moeilijkheden vermindert en vaak zelfs gemakkelijk doet overwinnen .
Men bekijke wederom plaat VII . Hij toont ons de constructieschets , zoals we die ook in een vorig geval zagen , waarbij we er ons op moeten toeleggen om het vormkarakter van de vrucht goed tot uitdrukking te brengen .
Eerst is hij weer met houtskool getekend , daarna met een kwast met vrij donkere verf overgeschilderd , zodanig dat een vereenvoudigde aanduiding van licht - en schaduwpartijen te zien is . Aangezien straks de onderschildering in nogal dunne verf zal worden aangebracht , is het raadzaam om met een licht zg. " frottis " ( wrijvende beweging met de kwast ) in bijvoorbeeld gebrande sienna te werken , teneinde de kleur van de komende onderschildering zo min mogeliijk te beinvloeden .
Waar we in de eerste aanleg de achtergrond met enkele schetsmatige tonen hebben aangezet , moeten we niet nalaten om in het tweede stadium de twee tonen , rood en bruin , in hun kleurwaarde en
- kracht op te zetten , waarbij een verdunningsmiddel voor de verf wederom op zijn plaats is . De peer zelf geven we zijn eigen tonen in licht en schaduw , zonder ons reeds te bekommeren om het rose "blosje " dat deze soort kenmerkt en dat een teken is van zijn rijpheid . Dit toontje zal pas in het laatste stadium onze aandacht vragen en kan ofwel in vette verf , ofwel met z.g. glacis ( waarover in het vorige hoofdstuk gesproken werd ) worden geschilderd .
Tenslotte wijden we ons aan de afwerking op de bekende wijze , dus vet in de verf en soepel gepenseeld in de richting van de plastische vormen . Besteed goed aandacht aan de overgangen van licht naar schaduw ; het bolvormig modelé , dat daardoor op sommige plaatsen ontstaat , moet nauwlettend geobserveerd worden , evenals de verschillende toonwaarden . Zo zullen we in de schaduw opmerken dat de paarsachtige complementaire van het geel dit laatste ietwat groenachtig zal doen schijnen , wat nog versterkt wordt door de werking van de groene complementairen , die de rode achtergrond oproept . Derhalve : modulaties in licht en schaduw en tevens kleur geven aan het " blosje " door een mensel van wit , kraplak en cadmiumgeel . Ook mogen de glimlichten op de lichtzijde van de vrucht niet vergeten worden , met één enkele vlotte toets van wit , dat licht gekleurd is met een beetje citroengeel , bij voorkeur aan te brengen , wanneer het werk reeds enigermate is aangedroogd . De reflex ( lichtere rand ) aan de schaduwzijde dient natuurlijk evenmin achterwege te blijven . Beiden kunnen eventueel ook door een zeer licht glacis aangebracht worden .
Thans wenden we ons tot de uitbeelding van de perzik . Ook hier gaan we natuurlijk weer in drie stadia te werk , maar we menen dat die thans niet meer alle drie behoeven afgebeeld te worden . We zullen ons derhalve beperken tot een bespreking van het voorbeeld , dat op plaat VIII is afgedrukt . Deze vrucht , die zo smakelijk is , zowel om te eten als om te zien , zal je natuurlijk wel bekend zijn . Zijn coloriet is rijk aan krachtige harmonieën en vertoont dat typisch fluweelachtige aspect , dat ook sommige pruimsoorten eigen is en die tonen kunnen bevatten , die tot coeruleumblauw toe gaan en zelfs tot licht cobaltviolet . Dit tere , donzige vel komt het meest tot zijn recht aan de omtrekken en gaat plaatselijk onmerkbaar over in rode cadmium , hier en daar fijngroen en aan de schaduwzijde in donker paarsblauw . Derhalve , nadat de vormen in tekening vastgelegd zijn , gaat men over tot het aanbrengen van de kleurwaarden van de achtergrond in niet al te vette verf ; vervolgens , in vettere verf , de tonen van het licht op de vruchten , daarna de rode partijen , erop toeziende dat de overgangen naar het licht en vervolgens naar de schaduw de juiste mate van geleidelijkheid vertonen . Als laatste bewerking moet onze kwast zowel in de lichtpartijen als ook in de halftonen en schaduwen de verschillende nuances aanbrengen en tot slot het licht paarachtige blauw van de schil .
Men moet echter wel begrijpen dat een schildewijze , waarbij de penselen op zacht strelende wijze over het doek worden bewogen , niet moet inhouden dat het gehele oppervlak er " glad gelikt " zal moeten uitzien . Ons voorbeeld toont in enkele patijen een zekere forsheid en in andere een wat gladdere behandeling . Uw eigen waarneming en gevoel moeten je de weg wijzen bij de keuze der factuur en de , naar gelang de omstandigheden , vereiste toetsen .












