ART . NR . 33 . - HET UITWENDIGE
HET UITWENDIGE
Bouw en richtlijnen
Wanneer je het eerste gedeelte van deze les goed heefd bestudeerd , dan heeft je thans een naukeurig begrip van het lichaam en weet je hoe het inwendige van de mens er uit ziet .
Wij willen je nu graag zijn uiterlijk laten bestuderen en je bepaalde richtlijnen geven , die je , wanneer je ze goed beheerst , zullen helpen uw figuren nauwkeurig naar de natuur of uit het hoofd te tekenen .
Bekijkt je bijvoorbeeld de schematische figuur 22 , waarop wij bepaalde contructielijnen en richtpunten hebben aangegeven . Let eerst op de lijnen van de hals : de V - vorm van de twee halsspieren en de lijn veroorzaakt door het sleutelbeen .
Let bij het bovenlichaam op de loodrechte middellijn , die je tot as zal dienen . Wij hebben gezien , dat deze middelijn altijd duidelijk zichtbaar is , zowel aan de voor als aan de achterkant . Hij neemt de buigbeweging van de romp aan , zoals de afbeelding toont . De tepels en de navel vormen drie belangrijke richtpunten . Onthoudt ook nog bij de romp de boog van de borstkas vlak onder het borstbeen en de gekartelde uitsteeksels op de ribben ( zaagspieren op de ribben ) .
Bij het achteraanzicht ( fig . 23 ) vinden wij weer als as van de romp een verticale middelijn , die de richting van de wervelkolom volgt .
Op schouderhoogte vormt de zevende halswervel een steeds zichtbaar uitsteeksel ; vooral bij magere mensen is dit goed te zien . Het is overigens niet zelden dat men bij sterk vermagerde personen de gehele middellijn door de zich aftekenende wervels kan volgen . Het ondereinde van de lijn loopt uit in een ruitvorm , veroorzaakt door het heiligbeen , dat door symmetrische kuiltjes aangegeven wordt . Het schouderblad is vooral aan zijn onderste hoek zichtbaar . Zowel van voren als van achteren gezien zijn de okselplooi , de bouw van de bekkenbeenderen en ook die het dijbeenshoofd duidelijk waarneembaar .
Bij de elleboog veroorzaakt het uitsteeksel een lichte plooi in de huid .
De driehoekige holte , aan de achterkant van de knie getekend , de zogenaamde knieholte , is al besproken . Je kunt ook duidelijk op onze afbeeldingen de twee verdikkingen van de kuitspieren herkennen en de onderkant van de Achillespees . Tenslotte rest ons , wat de vorm van de enkels betreft , nog op te merken , dat het enkelgewricht aan de binnenkant hoger ligt dan aan de buitenkant , wat wij trouwen al op een voorgaande pagina vermend hebben .
Op fig . 24 laten wij de stand zien van het verschoven bekken , dat wil zeggen , dat het lichaam op één been rust in plaats van op twee . In dit geval dwingt het gewicht van het bovenlichaam het bekken tot een schuine stand , zodat het bekken als het ware naar buiten schuift , hetgeen wij door de stippellijn A B hebben aangegeven .
Je moet er altijd op letten , deze verbindingslijn tussen de verschoven punten A B in overeenstemming te brengen met de schouderlijn C D .
Het is nuttig na te gaan , waar de aanrakingspunten zich bevinden als de benen tegen elkaar staan . Fig . 25 toont bij een normaal gevormd lichaam de raakpunten , die op knieen en enkelhoogte onstaan . Tussen de dijen merkt je al naar gelang het model zwaarder of lichter is , een grotere of kleinere tussenruimte op ; bij de vrouw is deze ruimte evenwel zeer klein . Tussen de onderbenen ziet je , dat de verdikkingen van de kuitspier de tussenruimte gedeeltelijk , opvullen .
Bij zeer sterk gespierde mensen is het mogelijk dat de kuiten elkaar op deze plaats raken . Er dient op gelet te worden , dat de richtlijnen , die de knie snijden schuin in omgekeerde richting lopen ten opzichte van de lijnen , die de enkels snijden . Als je de schuine stippelijn op fig . 25 volgt ziet je dat zowel de tekening van de voorkant als die van de zijkant dit aangeeft .
Het been ( dijbeen , onderbeen en voet ) vertoont in zijn geheel van de zijkant gezien gewoonlijk de vorm van een zeer langgerekte S lijn tussen de verschoven punten A B in die bij het heupgewricht begint snijdt , zoals men ziet , het dijbeen in twee gelijke delen , maar loopt aan de voorkant van het onderbeen langs de omtreklijn . Wij hebben dit in onze schematische tekening met opzet enigzins overdreven . Het is echter van belang , dat deze langgerekte S - vorm goed in uw geheugen geprent wordt , want hij komt nog duidelijker tot uiting , wanneer alleen één been het lichaansgewicht draagt en het door de scheve stand van het bekken dubbel wordt belast .
Bij de romp kan men de grootste vormverschillen tussen het vrouwelijk en het mannelijk lichaam waarnemen . Toen wij het geraamte bestudeerden , hebben wij vastgesteld , dat het bekken van de vrouw veel breder en wijder is dan dat van de man . Het middel bij een vrouwenfiguur ligt hoger dan bij de man ( fig . 26 ) en de liesplooi , die bij de man zeer sterk getekend is , valt bij de vrouw nagenoeg weg .
Wanneer wij nu het bovenlichaam zowel van de vrouw als van de man , beide van de zijkant bekijken , met elkaar vergelijken , vallen de verschillen ons nog meer op
( fig . 27 ) . Bij de man is de ruglijn lang en de afvallende lendenlijn heel kort , terwijl bij de vrouw het tegenovergestelde het geval is . Sommige vervormingen van het uiterlijk van het lichaam worden veroorzaakt door het lichaamsgewicht of door een samendrukking . Als de spieren ontspannen zijn , zijn de vlezige delen aan de wet van de zwaartekracht onderworpen ; zij kunnen plat of misvormd lijken zoals de twee voorbeelden op fig . 28 tonen . Dit noemt men toevallige vervormingen , die onafhankelijk zijn van perspectief .



















