Donderdag 21 september 2006
ART . NR . 54 . a , - STUDIE VAN EEN MODERNE COMPOSITIE .
Art . Nr . 54 . a ,
Studie van een moderne compositie
We gaan nu dan ook eens de analyse ondernemen van een moderne compositie , aan de hand van een werk van de begaafde schilder SHEDLIN . We gaan de gang van zaken na , het verloop dat gevolgd werd , beschreven door de kunstenaar zelf , om te geraken tot het schilderij van
fig . 56 .
Niet alleen zal dit voorbeeld de juistheid van de voorgaande beschouwing bevestigen , maar bovendien zal het je verder doen voortschrijden op het terrein van het artistieke scheppen , waarvan wij je eerder de verschillende etappes verklaard hebben .
Met het oog op een grotere helderheid van de te volgen uiteenzetting , moeten we je eerst iets gaan vertellen over de plaats , het klimaat en de tijd van " handeling " . En daarvoor moeten wij teruggaan naar de jaren 1942 - 1943 , toen men nog leefde onder de druk van de Duitse bezetting .
Om persoonlijke redenen had de kunstenaar zich moeten terugtrekken in een gebied van het departement Alpes - Maritimes ( Z . Frankrijk ) , met zijn rotsachtige en armoedige bodem , waar zelfs het water zeer zeldzaam was .
Door de omstandigheden gedwongen bracht hij zijn tijd voornamelijk door met het kweken van olijfbomen , die , ironisch genoeg , het symbool zijn van vrede en veiligheid .
Op deze dorre bodem met zijn hoekige bergkammen en steile hellingen golfde het zachte gebladerte van deze bomen tot in alle verten . Om de teeltaarde tegen deze hellingen vast te houden , hadden de mensen hen vroeger in banken ondergedeeld , die er uit zien als de treden van een reusachtige trap ; ongeveer horizontale banden , die ondersteund worden door muurtjes van op elkaar gestapelde stenen , zonder kalk of cement . Deze muurtjes van ongeveer een meter hoogte zijn aangepast aan de golvingen in de bodem en volgen min of meer hun omtrekken , maar maken soms ook wel eens een scherpe hoek . Zij waren toen begroeid met een armoedig , dicht opeen groeiend gewas , een soort van geel stro , meer geschikt als stalstro dan als veevoer . Ondanks het bijna altijd stralende weer behield het landschap een aspect van strengheid en , aangezien het stevig
" geconstrueerd " is , is en blijft het ongetwijfeld een echt landschap voor schilders .
De olijfboom , die uit Klein - Azië afkomstig is , is tegen alles bestand , behalve tegen koude . De stam is zwartachtig , vaak gewrongen als gevolg van de eerste insnijding , soms gespleten en krampachtig in zijn bewegingen . Hij kan heel oud worden , maar door de tijd en plaatselijke ongelukjes of een gedeeltelijk bederf van het hout kan het nodig zijn dat die stam met een snoeimes uitgehold wordt en vanaf de grond tot aan de eerste vertakking wordt afgeschraapt . Een zoom van groen hout wordt dan in de lange verticale wond ingesloten , die eerst de bleke kleur van beenderen vertoont om daarna met de jaren een zilverachtige en bijna zijdeachtige glans van bepaalde mineralen te gaan aannemen . Soms als de bliksem de boom gespleten heeft , komt er een diepzwarte brandwond naast die band van zilver , die het vitale deel van het hout is , dat zich aan zijn plantaardig bestaan blijft vastklampen .
In het gebied waar de kunstenaar verbleef wordt de olijvenoogst met de hand uitgevoerd en wel iedere twee jaar . Vervolgens gaat men over tot de verzorging van de bomen , van de ene naar de andere , naar gelang de leeftijd . Deze operatie heeft tot doel hem te verhinderen om te hoog te worden en de oogst dus lastig zou worden . Ook moet hij de vermeerdering van takken binnen dezelfde ruimte bevorderen en tenslotte is hij nodig om het dode hout te verwijderen .
De ladder die bij deze bewerkingen gebruikt wordt heeft slechts een enkele middenstijl , waaraan korte horizontale stokken , allen van gelijke lengte , bevestigd zijn . Zo blijft hij licht van gewicht en kan hij overal gebruikt worden .
Zeer geboeid door die olijfbomen , begon de kunstenaar een serie van schetsen en tekeningen te maken , in hun geheel of in onderdelen bekeken , van bomen of groepen van bomen , die hem bijzonder karakteristiek leken of zelfs wel vermakelijk van vorm waren . En hij kreeg toen het denkbeeld , niet om van een of andere olijfboom het
" portret " te maken , maar om er een
" geschiedenis " van te vertellen .
Het ging er toen om , om een doek te componeren , waarin het snoeien van die bomen werd uitgebeeld en om , aan de hand van het bijeengebrachte materiaal ( zoals schetsen , aantekeningen enz . ) een sprekende samenvatting tot stand te brengen .
Hij koos daarvoor een doek van 116 bij 82 cm ., waarop het onderwerp op stevige wijze moest vastgelegd worden , rond een of meer centra van belangstelling , details moesten worden aangebracht en dit alles moest dan met elkaar in evenwicht gebracht worden .
Door de verticaliteit van de bomen moest het doek natuurlijk in de hoogte geplaatst worden . Het in de breedte zetten zou de schilder gedwongen hebben om het aantal stammen te vermeerderen en dus een soort van fries te maken .
Hij wilde zich echter beperken tot drie of hoogtens vier stammen om niet de aandacht te veel te gaan verstrooien . Hij besloot om de eerste op een dichtbij gelegen plan te zetten maar niet op de middelijn van het doek : je zult contateren dat hij ongeveer op de gulden snede van de breedte is
( fig . 58 ) . De aandacht zal dan ook vooral op deze boom vallen door het belang , dat de schilder hem heeft willen verlenen .
In werkelijkheid had de snoei het langer groeien van de takken beperkt . Ofschoon dus afgesneden , voeren deze de blik naar de zijkanten van het doek . Om nu de blik te doen stoppen en hem te beletten uit het doek weg te lopen - waarmee de kunstenaar een grove fout begaan zou hebben - moest hij steunpunten zoeken , die het onderwerp aan de zijkanten vasthielden . Men zie nu fig . 58 bis . De lijnen AB en CD links en EF en GH rechts zijn de begrenzingen van de eerste boom en van de tweede , die de kunstenaar daar heeft aangebracht om de compositie af te sluiten , zoals geheel links het geval is met de ladder , die samenvalt met de lijn AI , die hij nagenoeg evenwijdig liet lopen met de EF . Aan hun richting is , in evenwicht , tegengesteld de belanrijkste van de bomen ABCD . Vervolgens trok hij de drie schuine lijnen KL , MN en IP , waarvan de eerste twee dicht bij een horizontale lijn liggen en die bestemd zijn het vlak op ongelijke wijze te verdelen en zich tevens door hun richting in tegenstelling te zetten tot de eerstgenoemde schuine lijnen , die naar boven gericht zijn .
Vervolgens ( zie fig . 60 ) plaatste hij in het bovenste deel KLMN een grote ovaal , die voor een klein deel in de onderste afdeling steekt . Zijn onderste bocht wordt doorsneden door de gulden snede in de hoogte . Deze ovaal bevat het gebladerte en houdt het verdwijnen tegen van de takken buiten het doek . Indien enkele takken toch de omlijsting doorsnijden wordt hun beweging onderbroken door de lijnen AI of EF . Slechts een van de beide stammen mag door de lijst steken en wel die van links , want de beschouwer moet wel in staat zijn om zijn omlaagstrevende beweging aan te voelen . Toch zal dit effect nog beperkt blijven door de aanwezigheid van de bijna horizontale bovenste lijn KL .
Twee andere , voor een gedeelte zichtbare , stammen werden toegevoegd aan het vlak tussen MNIP en zullen dus een indruk van menigvuldigheid verwekken .
Tussen de lijnen CD en EF , in het onderste deel van de grote ovaal en met zijn middelpunt ongeveer op de gulden snede van de hoogte , zal een kleinere cirkel bestemd zijn om de blik een uitweg te geven naar het verste deel van het landschap . Doot nu , wederom bij benadering , enerzijds het gulden punt van het verticale segment KM te verbinden met punt F en anderzijds de punten N en I met elkaar te verbinden , krijgt men een figuur in de vorm van een grote X , die de schilder in staat zou stellen om daarop de voornaamste onderste takken te plaatsen , die in V - vorm uitgespreid staan ( bovenste deel van deze X ) , terwijl het onderste deel ( omgekeerde V ) en de twee V - vormen aan de zijkanten het terrein op ongelijke wijze gaan begrenzen met hoeken , die ingevolge de wet van de herhalingen , zich zullen herhalen in de hoeken van de rechtlijnige muurtjes en in de muurtjes zelf , in de hoekige stenen , waauit zij opgestapeld zijn . Bedoelde hoeken zullen een balans vormen tegenover de gebogen lijnen van het bovenste deel van de compositie ( wet van de tegenstellingen ) .
Het karakter van de bodem , die ruw en steenachtig is , zoals we reeds zeiden , en zijn rustieke stevigheid zijn dus uitstekend uitgedrukt . Hiermee hebben we de essentiele bouw van het schilderij en je ziet dus wel dat , hoe " modern " dit ook schijnen mag , zijn maker zich toch is blijven inspireren op de grote klassieke beginselen .
Om kort te gaan bevat deze compositie twee stammen die zich naar boven toe van elkaar verwijderen om , tussen twee evenwijdige lijnen die dwars tegen hen in komen te vallen , een grote ovaal te bevatten , die zelf weer een rond doorkijkje bevat en dit alles boven een zeer bewogen vlak , dat niettemin op vaste wijze geconstrueerd is met behulp van elkaar kruisende lijnen , waarvan de ene de andere met zich meebrengt , aan hem beantwoordt en als rechtvaardiging dient . Het oog wordt getroffen door een grote arabesk : een soort van krulvormige lijn , bepaald door de grote bocht tussen I en E , die vergezeld en benadrukt wordt door verschillende boven elkaar geplaaste donker getinde vlakken . Die grote bocht zet zich dan voort in de grote ovaal op de bovenhelft , die hem in het punt O raakt en tenslotte tot een eind komt door zich " op te rollen " in het cirkeltje , dat het doorkijkje bevat en het middelpunt van de compositie genoemd zou kunnen worden .
De grote krulvormige lijn verbindt omhoog lopende schuine lijnen , die door hun rechtheid in tegenstelling staan tot de gebogen vormen .
Op zijn beurt zal ook de kleur natuurlijk een woordje gaan meespreken .
Studie van een moderne compositie
We gaan nu dan ook eens de analyse ondernemen van een moderne compositie , aan de hand van een werk van de begaafde schilder SHEDLIN . We gaan de gang van zaken na , het verloop dat gevolgd werd , beschreven door de kunstenaar zelf , om te geraken tot het schilderij van
fig . 56 .
Niet alleen zal dit voorbeeld de juistheid van de voorgaande beschouwing bevestigen , maar bovendien zal het je verder doen voortschrijden op het terrein van het artistieke scheppen , waarvan wij je eerder de verschillende etappes verklaard hebben .
Met het oog op een grotere helderheid van de te volgen uiteenzetting , moeten we je eerst iets gaan vertellen over de plaats , het klimaat en de tijd van " handeling " . En daarvoor moeten wij teruggaan naar de jaren 1942 - 1943 , toen men nog leefde onder de druk van de Duitse bezetting .
Om persoonlijke redenen had de kunstenaar zich moeten terugtrekken in een gebied van het departement Alpes - Maritimes ( Z . Frankrijk ) , met zijn rotsachtige en armoedige bodem , waar zelfs het water zeer zeldzaam was .
Door de omstandigheden gedwongen bracht hij zijn tijd voornamelijk door met het kweken van olijfbomen , die , ironisch genoeg , het symbool zijn van vrede en veiligheid .
Op deze dorre bodem met zijn hoekige bergkammen en steile hellingen golfde het zachte gebladerte van deze bomen tot in alle verten . Om de teeltaarde tegen deze hellingen vast te houden , hadden de mensen hen vroeger in banken ondergedeeld , die er uit zien als de treden van een reusachtige trap ; ongeveer horizontale banden , die ondersteund worden door muurtjes van op elkaar gestapelde stenen , zonder kalk of cement . Deze muurtjes van ongeveer een meter hoogte zijn aangepast aan de golvingen in de bodem en volgen min of meer hun omtrekken , maar maken soms ook wel eens een scherpe hoek . Zij waren toen begroeid met een armoedig , dicht opeen groeiend gewas , een soort van geel stro , meer geschikt als stalstro dan als veevoer . Ondanks het bijna altijd stralende weer behield het landschap een aspect van strengheid en , aangezien het stevig
" geconstrueerd " is , is en blijft het ongetwijfeld een echt landschap voor schilders .
De olijfboom , die uit Klein - Azië afkomstig is , is tegen alles bestand , behalve tegen koude . De stam is zwartachtig , vaak gewrongen als gevolg van de eerste insnijding , soms gespleten en krampachtig in zijn bewegingen . Hij kan heel oud worden , maar door de tijd en plaatselijke ongelukjes of een gedeeltelijk bederf van het hout kan het nodig zijn dat die stam met een snoeimes uitgehold wordt en vanaf de grond tot aan de eerste vertakking wordt afgeschraapt . Een zoom van groen hout wordt dan in de lange verticale wond ingesloten , die eerst de bleke kleur van beenderen vertoont om daarna met de jaren een zilverachtige en bijna zijdeachtige glans van bepaalde mineralen te gaan aannemen . Soms als de bliksem de boom gespleten heeft , komt er een diepzwarte brandwond naast die band van zilver , die het vitale deel van het hout is , dat zich aan zijn plantaardig bestaan blijft vastklampen .
In het gebied waar de kunstenaar verbleef wordt de olijvenoogst met de hand uitgevoerd en wel iedere twee jaar . Vervolgens gaat men over tot de verzorging van de bomen , van de ene naar de andere , naar gelang de leeftijd . Deze operatie heeft tot doel hem te verhinderen om te hoog te worden en de oogst dus lastig zou worden . Ook moet hij de vermeerdering van takken binnen dezelfde ruimte bevorderen en tenslotte is hij nodig om het dode hout te verwijderen .
De ladder die bij deze bewerkingen gebruikt wordt heeft slechts een enkele middenstijl , waaraan korte horizontale stokken , allen van gelijke lengte , bevestigd zijn . Zo blijft hij licht van gewicht en kan hij overal gebruikt worden .
Zeer geboeid door die olijfbomen , begon de kunstenaar een serie van schetsen en tekeningen te maken , in hun geheel of in onderdelen bekeken , van bomen of groepen van bomen , die hem bijzonder karakteristiek leken of zelfs wel vermakelijk van vorm waren . En hij kreeg toen het denkbeeld , niet om van een of andere olijfboom het
" portret " te maken , maar om er een
" geschiedenis " van te vertellen .
Het ging er toen om , om een doek te componeren , waarin het snoeien van die bomen werd uitgebeeld en om , aan de hand van het bijeengebrachte materiaal ( zoals schetsen , aantekeningen enz . ) een sprekende samenvatting tot stand te brengen .
Hij koos daarvoor een doek van 116 bij 82 cm ., waarop het onderwerp op stevige wijze moest vastgelegd worden , rond een of meer centra van belangstelling , details moesten worden aangebracht en dit alles moest dan met elkaar in evenwicht gebracht worden .
Door de verticaliteit van de bomen moest het doek natuurlijk in de hoogte geplaatst worden . Het in de breedte zetten zou de schilder gedwongen hebben om het aantal stammen te vermeerderen en dus een soort van fries te maken .
Hij wilde zich echter beperken tot drie of hoogtens vier stammen om niet de aandacht te veel te gaan verstrooien . Hij besloot om de eerste op een dichtbij gelegen plan te zetten maar niet op de middelijn van het doek : je zult contateren dat hij ongeveer op de gulden snede van de breedte is
( fig . 58 ) . De aandacht zal dan ook vooral op deze boom vallen door het belang , dat de schilder hem heeft willen verlenen .
In werkelijkheid had de snoei het langer groeien van de takken beperkt . Ofschoon dus afgesneden , voeren deze de blik naar de zijkanten van het doek . Om nu de blik te doen stoppen en hem te beletten uit het doek weg te lopen - waarmee de kunstenaar een grove fout begaan zou hebben - moest hij steunpunten zoeken , die het onderwerp aan de zijkanten vasthielden . Men zie nu fig . 58 bis . De lijnen AB en CD links en EF en GH rechts zijn de begrenzingen van de eerste boom en van de tweede , die de kunstenaar daar heeft aangebracht om de compositie af te sluiten , zoals geheel links het geval is met de ladder , die samenvalt met de lijn AI , die hij nagenoeg evenwijdig liet lopen met de EF . Aan hun richting is , in evenwicht , tegengesteld de belanrijkste van de bomen ABCD . Vervolgens trok hij de drie schuine lijnen KL , MN en IP , waarvan de eerste twee dicht bij een horizontale lijn liggen en die bestemd zijn het vlak op ongelijke wijze te verdelen en zich tevens door hun richting in tegenstelling te zetten tot de eerstgenoemde schuine lijnen , die naar boven gericht zijn .
Vervolgens ( zie fig . 60 ) plaatste hij in het bovenste deel KLMN een grote ovaal , die voor een klein deel in de onderste afdeling steekt . Zijn onderste bocht wordt doorsneden door de gulden snede in de hoogte . Deze ovaal bevat het gebladerte en houdt het verdwijnen tegen van de takken buiten het doek . Indien enkele takken toch de omlijsting doorsnijden wordt hun beweging onderbroken door de lijnen AI of EF . Slechts een van de beide stammen mag door de lijst steken en wel die van links , want de beschouwer moet wel in staat zijn om zijn omlaagstrevende beweging aan te voelen . Toch zal dit effect nog beperkt blijven door de aanwezigheid van de bijna horizontale bovenste lijn KL .
Twee andere , voor een gedeelte zichtbare , stammen werden toegevoegd aan het vlak tussen MNIP en zullen dus een indruk van menigvuldigheid verwekken .
Tussen de lijnen CD en EF , in het onderste deel van de grote ovaal en met zijn middelpunt ongeveer op de gulden snede van de hoogte , zal een kleinere cirkel bestemd zijn om de blik een uitweg te geven naar het verste deel van het landschap . Doot nu , wederom bij benadering , enerzijds het gulden punt van het verticale segment KM te verbinden met punt F en anderzijds de punten N en I met elkaar te verbinden , krijgt men een figuur in de vorm van een grote X , die de schilder in staat zou stellen om daarop de voornaamste onderste takken te plaatsen , die in V - vorm uitgespreid staan ( bovenste deel van deze X ) , terwijl het onderste deel ( omgekeerde V ) en de twee V - vormen aan de zijkanten het terrein op ongelijke wijze gaan begrenzen met hoeken , die ingevolge de wet van de herhalingen , zich zullen herhalen in de hoeken van de rechtlijnige muurtjes en in de muurtjes zelf , in de hoekige stenen , waauit zij opgestapeld zijn . Bedoelde hoeken zullen een balans vormen tegenover de gebogen lijnen van het bovenste deel van de compositie ( wet van de tegenstellingen ) .
Het karakter van de bodem , die ruw en steenachtig is , zoals we reeds zeiden , en zijn rustieke stevigheid zijn dus uitstekend uitgedrukt . Hiermee hebben we de essentiele bouw van het schilderij en je ziet dus wel dat , hoe " modern " dit ook schijnen mag , zijn maker zich toch is blijven inspireren op de grote klassieke beginselen .
Om kort te gaan bevat deze compositie twee stammen die zich naar boven toe van elkaar verwijderen om , tussen twee evenwijdige lijnen die dwars tegen hen in komen te vallen , een grote ovaal te bevatten , die zelf weer een rond doorkijkje bevat en dit alles boven een zeer bewogen vlak , dat niettemin op vaste wijze geconstrueerd is met behulp van elkaar kruisende lijnen , waarvan de ene de andere met zich meebrengt , aan hem beantwoordt en als rechtvaardiging dient . Het oog wordt getroffen door een grote arabesk : een soort van krulvormige lijn , bepaald door de grote bocht tussen I en E , die vergezeld en benadrukt wordt door verschillende boven elkaar geplaaste donker getinde vlakken . Die grote bocht zet zich dan voort in de grote ovaal op de bovenhelft , die hem in het punt O raakt en tenslotte tot een eind komt door zich " op te rollen " in het cirkeltje , dat het doorkijkje bevat en het middelpunt van de compositie genoemd zou kunnen worden .
De grote krulvormige lijn verbindt omhoog lopende schuine lijnen , die door hun rechtheid in tegenstelling staan tot de gebogen vormen .
Op zijn beurt zal ook de kleur natuurlijk een woordje gaan meespreken .

















