Thans zouden wij , als toelichting van een opmerking uit het begin van dit lesdeel , willen aantonen dat een geest van compositie niet opgesloten behoeft te zijn in een kooi van starre beginselen . Oorspronkelijkheid en verbeeldingskracht kunnen , mits van goed gehalte en aan het onderwerp aangepast , eveneens tot gelding komen . Overigens zijn er bepaalde onderwerpen die als het ware bij voorbaat verplichten tot een soort van compositie , die geheel anders zal zijn dan degenen , die wij tot dusver de revue lieten passeren . De opstelling van de bestanddelen was daarbij onderworpen aan de algemene wetten , die wij meer dan eens bespraken . In het geval dat wij nu gaan bestuderen , is het de geest van het onderwerp zelf die een grondbeginsel van compositie verwekken zal , waaruit een bepaald rythme en een werkelijke indruk van harmonie geboren zal worden . Dit motief zien wij in de figuren 20 en 21 . Hij schijnt niet onderworpen te zijn aan de regels , die wij in het voorafgaande toepasten . De opzet is zo uitgevoerd dat wij dadelijk denken aan de dagelijkse bezigheid van een schrijver in het vertrek , waarin hij gewoon is te werken en wel door de tafel met papier boeken , tijdschriften en andere voorwerpen , maar toch niet zonder een zekere ordening , verspreid liggen . Wij zien alles een beetje vanuit de hoogte , zodat de horizon boven de afsluiting van het schilderij komt te liggen . De kunstenaar heeft juist die hoekperspectief gewild om een rythme van bewegingen te krijgen , dat , in twee tegengestelde richtingen , verkregen wordt door het verdwijnen van de groepen evenwijdige lijnen , waarvan de ene gericht is naar een verdwijnpunt aan de linkerzijde , dat buiten de lijst valt en het andere naar een tweede verdwijnpunt dat op gelijksoortige wijze buiten het doek komt te liggen . Maar als het hier bedoelde rythme bij alle onderdelen van het onderwerp zou toegepast worden , dan zou er een saaie eentonigheid onstaan . Daarom nemen het geopende boek links , de bril en enkele andere voorwerpen afwijkende posities in . De as van die bril bijvoorbeeld , die nogal de aandacht trekt , vertoont een bijzondere richting en wordt middendoor gesneden door de verticale lijn op het gulden punt van de breedte ( zie fig 21 ) . Deze speciale richting van de bril , die contrasteert met ieder van de groepen van dominerende lijnen , wordt herhaald door een evenwijdige stand van twee andere onderdelen , waarvan het een licht van toon is , bij het grote boek ( A ) en het andere donkerder is ( B ) , gelegen onder de horizontale deellijn van de compositie .
Enkele onjuist composities
Hoe deze te verbeteren
Het lijkt ons zijn nut te hebben je thans enige voorbeelden van onjuiste composities onder ogen te brengen . Je zult hun fouten nu beter kunnen beoordelen en deze fouten in het vervolg met meer succes kunnen ontlopen . Wij zullen je daarbij geen compleet uitgewerkte schilderijen tonen , maar eenvoudige schetsen , die ruim voldoende zijn om je te laten zien , waar het over gaat . Bekijken wij eerst fig . 22 , die een onevenwichtige compositie bevat . Ongetwijfeld is de vaas neergezet op een as die bij benadering overenkomt met een deellijn in de breedte , die verkregen werd volgens de gulden snede . Maar het gehele gewicht van het onderwerp bevindt zich aan de rechterzijde , terwijl aan de linkerzijde een bijna totale leegte heerst . Het grote schilderij , waarvan men een gedeelte op de achterwand ziet , neemt niet voldoende plaats in om het verbroken evenwicht te herstellen . Ten overvloede verkrijgt de vaas een buitensporig belang , ten koste van het boeket , dat overigens ook nog afgesneden wordt door de bovenrand van het opervlak . Hoe ook de kwaliteiten zouden kunnen zijn van het modelé dat men hier zou toepasen of de eventuele rijkdom van het coloriet , de copositie als zodanig zou er nimmer door kunnen slagen ! Zeer zeker zou het al voldoende geweest zijn om aan de linkerzijde bijvoorbeeld een stoel te plaatsen en dat een kleinere vaas op tafel gezet werd , om de uitbeelding een sterke verbetering te doen ondergaan ( fig . 23 ) . De tweede compositie verwekt een pijnlijk gevoel van leegte ( fig . 24 ) , waarbij de elementen van het onderwerp min of meer opgeofferd schijnen . Weliswaar ontvangt de beschouwer hier een zeker gevoel van evenwicht , maar dit gebeurt zonder dat het belang van het motief in de geringste mate vergroot wordt . Er bestaat geen centrum van belangstelling ; de leegheid in het midden kan daar beslist niet voor doorgaan ! Een beter resultaat zouden wij met weinig moeite kunnen verkrijgen zonder zelfs onze positie ten opzichte van het raam , het gordijn en het opgehangen schilderij te wijzigen . Daartoe verplaatsen wij de " verminkte " lamp een weinig naar links en met de vaas doen wij hetzelfde naar rechts . Nu gaan wij er ook nog een paar dingen aan toevoegen : twee of drie boeken en een vouwbeen , bijvoorbeeld , waarbij wij deze voorwerpen volgens weloverwogen assen neerleggen . Zoals je ziet , heeft de compositie er aanmerkelijk door gewonnen ( fig . 25 en 25 bis ) .
We besluiten dit onderwerp over het stilleven met de analyze van een compositie van Paul CEZANNE ( 1839 - 1906 ) , die wij zien in fig . 26 . Zijn bouw schijnt in tegenspraak te zijn met de beginselen , die we in het voorgaande uiteengezet hebben en het is vooral om die reden , dat we je hem laten zien . Maar , deze bijzonderheid daargelaten , bevat hij zodanige kwaliteiten , dat hij ruimschoots onze bewondering verdient op te wekken . We constateren hier dus niet een toepassing van de grote wetten , die de grondslag vormen van de klassieke kunstwerken , die het verleden ons naliet . Maar toch is dit een evenwichtig schilderij . Twee grote vlekken , de ene donker aan de linkerkant en de andere licht aan de rechterkant , stellen hun toonwaarden tegenover elkaar aan beide zijden van het bordje , dat ongeveer op de middellijn van het vlak gelegen is . De twee vlekken zijn enerzijds de fles en anderzijds de handdoek , waartussen het glas als een soort van " band " dienst doet . De blik wordt allereerst geleid naar het centrum van het schilderij door de stralende lichtheid van het doek . Twee belangrijke " rythmes " van bewegingen treden hier op de voorgrond . Het ene is horizontaal en wordt vertegenwoordigd door de rand van de tafel , herhaald door de opstelling van de groenten en voor een gedeelte ook door de witte doek . Het andere rythme is verticaal en dat wordt voortgebracht door de fles , de staarten van de uien en het glas . Maar ook het neerhangende gedeelte van de doek werkt hieraan mee . We hebben gezegd dat in de werken van de oude meesters de grootte van de lichte partijen niet omvangrijker is dan het derde deel van het totale oppervlak . Waar dit beginsel hier niet strikt in acht genomen werd , zult je toch constateren dat het oppervlak van de lichtste toonwaarden geringer is dan het oppervlak van de minder lichte tonen . Overigens is het duidelijk dat de waarde van deze compositie vooral schuilt in de uitdrukking van de kleur , waarvan het clair - obscuur in hoge mate opmerkelijk is . Laten we van dit woord clair - obscuur de reeds gegeven definitie hier dus aanvullen . We zeiden dat dit woord betrekking heeft op de goed doordachte verdeling van licht - en schaduwpartijen , van de toonwaarden dus . Maar als we nu met kleuren te doen hebben ? In dat geval beantwoordt clair - obscuur aan hun harmonie , die verkregen wordt door de intensiteit in licht en schaduw . We hebben dus ook hierbij te doen met waarden , maar met gekleurde waarden .