We menen dat een op de juiste wijze opgevatte " visuele training " , bij de leerling een gunstige verscherping der waarneming kan ontwikkelen , waar het betreft de kleur in zijn nuance en kracht , dus de kleur beschouwd als " toon " , een woord , waarvan we in het voorgaande een verklaring hebben gegeven . Dank zij dit proefondervindelijk werk kan de leerling zich vertrouwd maken met zijn palet , dat hij volkomen zal moeten leren kennen , want dat is van het grootste belang . Na verloop van zekere tijd zal hij snel , zonder allerlei probeersels , die kleuren weten te vinden die , door menging op het palet , hem precies de toon zullen opleveren , die voor een bepaald doel gewenst is . Nemen we enkele gekleurde stukjes papier ( rood , geel , blauw , groen enz . ) voor ons , met het doel hen stuk voor stuk na te bootsen met de kleuren van ons palet , dan is het mogelijk dat bijvoorbeeld het rood precies gelijk is aan het cadmiumrood van het palet . In dat geval zouden we natuurlijk kunnen volstaan met een beetje van die kleur op een kwast te nemen en het uit te strijken op een stukje wit papier . We kunnen dan de twee kleuren naast elkaar zetten om hen te vergelijken . Maar het rode papiertje kan lichter van toon zijn dan ons eigen rood , ofschoon wel van dezelfde kleur . In zo'n geval voegen we een beetje wit toe aan ons rood , hetgeen dan samen gemengd wordt op het palet . Daarvan zetten we dan een toets op het papier en kunnen we weer gaan vergelijken . Bij deze oefeningen kan men de kleur verwerken , zoals hij uit de tube komt . Maar hij zal wel wat handelbaarder worden in het gebruik en zal ook wat sneller drogen , wanneer men de kwast even doopt in een verdunningsmiddel , samengesteld uit lijnolie en een weinig siccatief .
Het is door een soortgelijke visueel - ontledende ogentraining dat we de samenstelling doorgronden van de tonen , die we willen weergeven en die papier , stof , vruchten , bloemen of andere voorwerpen te zien geven en die ons als model zullen dienen bij de eerstvolgende oefeningen , die we met nadruk als onontbeerlijk aanbevelen .
De verlangens van een leerling zijn maar al te begrijpelijk . Hij wil schilderen , iets tot stand brengen en presteren en dat wel zo spoedig mogelijk . Deze natuurlijke aandrang moet echter in toom gehouden worden . Hij zal zijn tijd niet verknoeien , wanneer hij zich aan een arbeid wijdt , waarmee hij onschatbaar voordeel zal kunnen behalen . Integendeel , hij zal er zich een onmisbare snelheid van uitvoering mede verwerven , waarbij men bedenke dat een nagejaagd " effect " uit de aard der zaak slechts een luchtige en voorbijgaande indruk geeft .
Het mengen van de kleuren dient met de grootste zorg te geschieden ; zij moeten samensmelten tot een volkomen homogeen geheel . Plaat V toont ons verschillende manieren om de steel van de kwast te hanteren : met de volle hand voor grote vlakken , tussen de vingers ( zoals bij het schrijven ) voor kleinere en nauwkeuriger toetsen .
Men ziet daar ook het schoonmaken van de kwasten . Eerst werden zij afgeveegd in een lapje en daarna gespoeld in terpentijn . Vervolgen doopt men hen in zachte zeep en worden zij onder een dunne waterstraal in de holte van de hand geheel schoonwassen . Een oude , beproefde methode wordt , na het droogvegen in een lap , vaak toegepast door hen nl. door de mond te halen . Het speeksel geeft hen de oorspronkelijke vorm terug , zodat de haren niet uit elkaar gaan staan .
Een palet wordt gereinigd door de niet meer te gebruiken verf er met een paletmes af te schrapen en het vervolgens met een lapje met wat terpentijn schoon te vrijven en tot slot met een paar druppels lijnolie op een lapje in te wrijven , zodat het hout weer een aangename glans verkrijgt .
Thans gaan we ons aan de eigenlijke schilderarbeid wijden . Allereerst komen daarvoor in aanmerking de weergave van eenvoudige voorwerpen ; een lap stof , een koperen , een tinnen en een kristallen voorwerp enz .
Ziehier enkele algemene voorschriften : 1 . Schilder aanvankerlijk " mager " en in een later stadium van de uitvoering " vet " , dat wil zeggen dat de eerste verflagen wat dunner moeten zijn dan de latere , hetgeen o.a . bereikt kan worden door een medium of verdunningsmiddel . 2 . Ultramarijnblauw , zwart , groen émeraude en kraplak zullen stellig barsten gaan vertonen , wanneer zij te vet worden gebruikt . 3 . Vermijd een langzaam drogende kleur over te schilderen met een sneller drogende , waarbij men moet bedenken dat lichte kleuren ( immers gemengd met wit ) minder snel drogen dan donkere .
Stoffen
Om te beginnen nemen we een stuk katoen van groene kleur , dat op een divan gelegd wordt . De onderste afbeelding van plaat VI toont de voltooide studie , eindstadium van drie stadia , die alle op deze plaat zijn afgebeeld . Bij al uw studies dient steeds de hier afgebeelde volgorde in acht genomen te worden . Het eerste stadium betreft de opzet van het onderwerp ; het tweede de eerste verflaag ( of " onderschildering " ) en het derde het afgewerkte geheel .
1 . OPZET VAN HET ONDERWERP
Eerst dient naturlijk een tekening gemaakt te worden , die in alle opzichten correct moet zijn en wel lijnen alleen , zonder aanduiding van de schaduwen . Doe dit met behulp van een stukje houtskool , dat niet te hard moet zijn en dat gemakkelijk uitgeveegd kan worden ( met een vlerk of een lapje ) , indien een vergissing moet worden hersteld . Men dient nu goed te beseffen dat olieverf dekkend is , dus in beginsel geen onderliggende kleur laat doorschijnen . Door zijn ondoorschijnendheid , vooral voortkomende uit de toevoeging van wit aan de verschillende kleuren , laat verf op den duur niets meer doorschijnen van de ondergrond , of eventueel onderschildering , waarop men werkt . De broze houtskooltekening wordt dus eerst gefixeerd met fixatief in daarvoor bestemd spuitje . Een platte dunne kwast wordt daarna eerst in een oliedopje ( gevuld met half om half lijnolie en siccatief ) gedoopt en daarna neemt men er een weinig verf van donkere kleur mee op , bijv. gebrande sienna , door een licht draaiende beweging die met de kwast op het palet wordt uitgevoerd . Dezelfde beweging wordt overigens ook in de toekomst vaak herhaald om een mengsel van twee of meer kleuren te maken . We houden onze kwast dan vast op een afstand van ong. 15 cm . van de haren , tussen enkele vingers en dus niet de gehele hand en trekken dan de tekening met verf over door het uiteinde van de kwast over het doek te wrijven , zonder de haren geheel plat te drukken . Nadat we op deze wijze de tekening in verf hebben overgebracht , wordt deze aangevuld met de schaduwpartijen , die , nog steeds met de brede kwast , in een lichte toon van gebrande sienna of andere donkere kleur ( zie het eerste stadium ) wordt aangezet . Wanneer we grote oppervlakken moeten bedekken , kan men de kwast het best in de gehele hand nemen met de kwastharen plat op het doek .
2 . DE ONDERSCHILDERING
Thans kan de gehele ondergrond bedekt worden door een dun laagje verf , dat door een wrijvende beweging van de kwast aangebracht wordt ( zie het tweede stadium ) . Deze is dan de voorbereiding van het werk van het eindstadium en dient als ondersteuning voor de tonen , die er later op zullen worden aangebracht . Hij moet aan de plaatselijke tonen in licht - en schaduwpartijen op zeer vereenvoudigde wijze uitdrukking geven . De verscheidenheid van kleurwaarden en de weergave van de verschillende détails ( kleinere onderdelen ) zullen in een later stadium aan de orde komen , waarop we hieronder nader zullen ingaan .
3 . DE AFWERKING
De eerste verflaag dient een oppervlakkige weergave van het onderwerp te geven in vorm en kleur . Dit zal nu verrijkt dienen te worden door verdere toevoeging van verflaagjes , die in de lichte partijen nogal vet worden aangebracht om deze hun glans en straling te verschaffen . In de schauwpartijen daarentegen blijven we wat bescheidener voor wat de dikte van de verflaag betreft . Van licht naar donker werkend , plaatsen we de tonen naar gelang het waargenomen gamma ; op die wijze afgezwakte lichtpartijen makend , die van lieverlede overgaan in de schaduw . Deze wijze van doen is op zijn plaats bij het getoonde onderwerp . Maar in de meeste gevallen is het juister om eerst de donkere tonen aan te brengen om zich pas daarna te wijden aan de lichte . Overigens merken we reeds op dat men " vet " op " mager " moet schilderen . Welnu , donkere partijen dienen altijd minder dik in de verf te zitten dan de lichte ; het zou dus logisch zijn om de laatste voor het slot te bewaren . De verschillende afgezwakte toonwaarden kan de kwast ons geven als we de kleuren met kennis van zaken op het palet uitkiezen en mengen . Zo zal , om bij ons voorbeeld te blijven , de groen stof in de lichtste partijen uitgebeeld kunnen worden door een in de juiste verhoudingen samengesteld mengsel van cobaltgroen , cadmiumgeel licht en wit . Deze laatste kleur zal sterk verminderd of zelfs geheel weggelaten moeten worden voor het weergeven van de schaduwpartijen ( zie derde stadium ) . Terloops wijzen we op een belangwekkende omstandigheid , nl . dat het witte kussen uigevoerd wordt in een lichte toon van gebroken rose , verkregen uit rood omdat dit de complementaire kleur is van het groen van de lap stof . Hier vinden we de pratische toepassing van een beginsel dat we aantroffen bij de behandeling van de kleurenleer , nl . de invloed van een bepaalde kleur op wit , indien deze zich naast elkaar bevinden .
Voor de tweede studie nemen we een zijden sjaal met een vrij eenvoudige versiering , die over de armleuning van een grote stoel hangt . Uiteraard moet ook dit werkstuk weer in drie stadia worden uitgevoerd . Van de eerste twee geven we geen afbeeldingen , want bij de voorgaande studie hebt je daarmee reeds kennis kunnen maken . We wijzen echter op dat het niet noodzakelijk is om de versiering van de sjaal reeds bij de houtskoolschets na te volgen . het gaat er in eerste instantie om , een indruk te geven van het materiaal " zijde " . De blauwe ornamenten daarop , kunnen in een later stadium op de in grijze tonen uit te voeren sjaal worden aangebracht . De constructieschets zal dus slechts de zichtbare delen van de stoel en de omtreklijnen van de sjaal met zijn belangrijke plooien behoeven weer te geven ; de grote schaduwpartijen zullen voorlopig nog slechts in een fijne , lichte toon worden opgezet . Later gaan we dan in dunne verf de onderschildering uitvoeren en de juiste kleurwaarden aanbrengen om reeds iets van de grijze tonaliteit van de stof te doen spreken . Dit doen we weer met een platte kwast en tevens met behulp van een weinig verdunningsmiddel , waarbij de kwast met de platte zijde op het doek wordt voortbewogen . In het eindstadium wordt het werk verder gedétailleerd en tot een voltooid geheel gebracht ( zie de afbeelding op plaat VII ) , waarbij allereerst de stoel zijn groene nuances verkrijgt . Zijn houten arm wordt aanvankelijk bij voorkeur met een rond penseel gemodelleerd en , nadat ook de verschillende tonen van de zijden sjaal op hun plaats gezet zijn , kan de versiering met een soepele , ronde daskwast aangeduid worden , niet al te gedétailleerd en kunnen , hier en daar , lichtende toetsjes geplaatst worden .
Vruchten
Een ander soort van onderwerp zijn vruchten , waarvan we twee voorbeelden geven : allereerst een peer , daarna een perzik . Hun " huid " vertoont natuurlijk verschillen ; bij de een is hij glad , bij de ander fluweelachtig . Deze twee typen vindt men overigens bij een groot aantal vruchtsoorten . Bij de voorgaande oefeningen hebben we opgemerkt dat de materie en de kleur van de stof een zekere eenvormigheid vertoonden over hun gehele oppervlak . Deze keer echter zullen we kleurverschillen opmerken op de schil van de vruchten en overgangen zullen te zien zijn , niet slechts tussen licht en schaduw , maar ook van de ene kleur naar de andere . In dit opzicht is de perzik een karakteristiek voorbeeld door zijn uiterst genuanceerd coloriet , dat van groen naar paars verloopt langs gele , rode en blauwe tonen . Maar laten we eerst de peer eens bekijken . Hij is een voorbeeld van wat Duchesseperen genoemd worden en zijn vorm is wel echt die van een peer . Zijn kleur is geel met framenten van rose - goudachtige toon . Ook hier is een schildering in opeenvolgende stadia noodzakelijk , welke ontwikkelingsgang we overigens gedurende deze gehele cursus sterk blijven aanbevelen , bij ieder soort van schildertechniek , waar immers de systematische uitvoering in étappes de moeilijkheden vermindert en vaak zelfs gemakkelijk doet overwinnen . Men bekijke wederom plaat VII . Hij toont ons de constructieschets , zoals we die ook in een vorig geval zagen , waarbij we er ons op moeten toeleggen om het vormkarakter van de vrucht goed tot uitdrukking te brengen . Eerst is hij weer met houtskool getekend , daarna met een kwast met vrij donkere verf overgeschilderd , zodanig dat een vereenvoudigde aanduiding van licht - en schaduwpartijen te zien is . Aangezien straks de onderschildering in nogal dunne verf zal worden aangebracht , is het raadzaam om met een licht zg. " frottis " ( wrijvende beweging met de kwast ) in bijvoorbeeld gebrande sienna te werken , teneinde de kleur van de komende onderschildering zo min mogeliijk te beinvloeden . Waar we in de eerste aanleg de achtergrond met enkele schetsmatige tonen hebben aangezet , moeten we niet nalaten om in het tweede stadium de twee tonen , rood en bruin , in hun kleurwaarde en - kracht op te zetten , waarbij een verdunningsmiddel voor de verf wederom op zijn plaats is . De peer zelf geven we zijn eigen tonen in licht en schaduw , zonder ons reeds te bekommeren om het rose "blosje " dat deze soort kenmerkt en dat een teken is van zijn rijpheid . Dit toontje zal pas in het laatste stadium onze aandacht vragen en kan ofwel in vette verf , ofwel met z.g. glacis ( waarover in het vorige hoofdstuk gesproken werd ) worden geschilderd . Tenslotte wijden we ons aan de afwerking op de bekende wijze , dus vet in de verf en soepel gepenseeld in de richting van de plastische vormen . Besteed goed aandacht aan de overgangen van licht naar schaduw ; het bolvormig modelé , dat daardoor op sommige plaatsen ontstaat , moet nauwlettend geobserveerd worden , evenals de verschillende toonwaarden . Zo zullen we in de schaduw opmerken dat de paarsachtige complementaire van het geel dit laatste ietwat groenachtig zal doen schijnen , wat nog versterkt wordt door de werking van de groene complementairen , die de rode achtergrond oproept . Derhalve : modulaties in licht en schaduw en tevens kleur geven aan het " blosje " door een mensel van wit , kraplak en cadmiumgeel . Ook mogen de glimlichten op de lichtzijde van de vrucht niet vergeten worden , met één enkele vlotte toets van wit , dat licht gekleurd is met een beetje citroengeel , bij voorkeur aan te brengen , wanneer het werk reeds enigermate is aangedroogd . De reflex ( lichtere rand ) aan de schaduwzijde dient natuurlijk evenmin achterwege te blijven . Beiden kunnen eventueel ook door een zeer licht glacis aangebracht worden . Thans wenden we ons tot de uitbeelding van de perzik . Ook hier gaan we natuurlijk weer in drie stadia te werk , maar we menen dat die thans niet meer alle drie behoeven afgebeeld te worden . We zullen ons derhalve beperken tot een bespreking van het voorbeeld , dat op plaat VIII is afgedrukt . Deze vrucht , die zo smakelijk is , zowel om te eten als om te zien , zal je natuurlijk wel bekend zijn . Zijn coloriet is rijk aan krachtige harmonieën en vertoont dat typisch fluweelachtige aspect , dat ook sommige pruimsoorten eigen is en die tonen kunnen bevatten , die tot coeruleumblauw toe gaan en zelfs tot licht cobaltviolet . Dit tere , donzige vel komt het meest tot zijn recht aan de omtrekken en gaat plaatselijk onmerkbaar over in rode cadmium , hier en daar fijngroen en aan de schaduwzijde in donker paarsblauw . Derhalve , nadat de vormen in tekening vastgelegd zijn , gaat men over tot het aanbrengen van de kleurwaarden van de achtergrond in niet al te vette verf ; vervolgens , in vettere verf , de tonen van het licht op de vruchten , daarna de rode partijen , erop toeziende dat de overgangen naar het licht en vervolgens naar de schaduw de juiste mate van geleidelijkheid vertonen . Als laatste bewerking moet onze kwast zowel in de lichtpartijen als ook in de halftonen en schaduwen de verschillende nuances aanbrengen en tot slot het licht paarachtige blauw van de schil . Men moet echter wel begrijpen dat een schildewijze , waarbij de penselen op zacht strelende wijze over het doek worden bewogen , niet moet inhouden dat het gehele oppervlak er " glad gelikt " zal moeten uitzien . Ons voorbeeld toont in enkele patijen een zekere forsheid en in andere een wat gladdere behandeling . Uw eigen waarneming en gevoel moeten je de weg wijzen bij de keuze der factuur en de , naar gelang de omstandigheden , vereiste toetsen .
Voor de volgende studie maken we een keus uit groenten en wel een wortel en een ui . Wederom laten we de afbeeldingen van de eerste twee stadia achterwege en volstaan we met u het eindresultaat te tonen op plaat VIII . Terloops merken we op dat eigenlijk alles belangwekkend kan zijn om te schilderen , of het nu groenten , vruchten of bloemen zijn ( aan dit laatste onderwerp zullen we later aandacht besteden ) . Het voorstel dat we je ter studie voorleggen zullen we eens nader bekijken . Ook dit is weer opgevat en uitgevoerd in een algemene zin , om het zo uit te drukken , en we zullen ons best doen , hierbij zo ver mogelijk te gaan en tevens van een grote oprechtheid te blijven . We zouden je niet genoeg op het hart kunnen drukken dat het noodzakelijk is om op een objectief ware wijze alle oefeningen van deze les in de praktijk om te zetten . Men dient er van doordrongen te zijn dat het in de eerste plaats door een oplettende waarneming en een natuurgetrouwe weergave is , dat men leert zien en schilderen . Men weet natuurlijk dat het oppervlak van bepaalde groenten een minder aantrekkelijk aspect vertoont dan dat van een vrucht . Niettemin vertonen de tomaat , die de ui en de aubergine , om er enkele te noemen , een glimmende huid die hun een uiterlijk verschaft dat gelijkwaardig is aan dat van de meeste vruchten . De wortel en de aardappel bijvoorbeeld , hebben daarentegen niet dat glanzende uiterlijk dat we kennen van de appel en de peer . Een scherpe observatie van deze kenmerken , als ook die van de kleuren van bovengenoemde objecten zal met succes te pas kunnen komen bij onze picturale weergave . Bij het gegeven voorbeeld kan de tegenstelling , het verschil in " bouwstof " , tussen de wortel en de ui , mede te constateren bij de reflexen en glimlichten op de ui , duidelijk waargenomen worden . Deze kenmerken zijn bij de wortel deels in geringe mate , deels in het geheel niet aanwezig . Overigens worden de waargenomen bijzonderheden niet aanstonds uitgebeeld , maar veeleer bij de voltooiïng , wanneer we hen in hun juiste kleuren en toonwaarden of , beter gezegd , juiste toonverhoudingen , trachten aan te brengen .