Naar de inhoud

Hylpen likje stea oen it Yselmor

mijn
Welkom in Hindeloopen. Welkom bij mijn digitaal boek
akke.beakke.be

mijn

Gedichten

Zie ook andere blogs in linker kolom

Ik wens u veel kijk- en leesplezier


Archief

De Struners by naet


Toelichting op onderstaand gedicht "Strûners by naet".

Dat jongelieden, die verkeering met elkander hebben, met andere zoodanige paren een gezelschap vormen, om nu en dan een vrolijken avond of nacht door te brengen, in een daartoe afgehuurd of eigen lokaal, -- dit gebruik, dit uitgaan om te vrijen, is nog niet afgeschaft. Dat jongelingen zich naar het huis begeven, waarin zich een gezelschap meisjes bevindt, om daar met haar tot laat in den nacht vrolijk te zijn,-- daarvan heeft ROOSJEN eene even eenvoudige als natuurlijke schildering gegeven in het hierachter voorkomende vers: Hûnlipper Houmanhou of Vastenavond, met de eigenaardige woorden der volkstaal.

Om eerst toegang tot een meisje te bekomen, was het gebruikelijk, dat de jonginan eene bejaarde weduwe uitnoodigde, de baan voor hem bij het meisje en hare ouders klaar te maken. Werd hem het verlangde bezoek toegezegd, dan vond hij de vrijster op een bepaalden avond in het achtergebouw of Lytshuus hem wachten. Ten einde haar vrij te houden, gaf hij haar geld om een en ander te halen, veelal bij of door de weduwe, die daar al voor gezorgd en hiervan mede haar voordeel had. Kwam hij spoedig eens weder, dan was dit een goed teeken; maar liet hij lang op zich wachten, dan vermminderde de hoop. Zoodra dit kortgaerdjen echter door andere vrijers ontdekt werd, vonden deze er genoegen in om het paar te storen, waarom men altijd bedacht was het licht zóó te plaatsen, dat men het buiten niet kon zien, Het verzoek van den struner om toegelaten te worden, of om enkel zijn pijp aan te steken, kon soms niet worden geweigerd, dewijl eene weigering ligt aanleiding gaf tot allerlij baldadigheid en kattekwaad, gelijk op meer plaatsen in Friesland waar dit struunjeijen bekend is.

Uit: Merkwaardigheden van Hindeloopen


De strûners by naet

Kóm jûnges, wy solle faniend
Es ferm oen it strúnen.
Yk wet in heel geselskip
Faniend yn ‘t op ‘e Toenen
Kóm, eet ús earst es nei De Krim,
En der in slókjen drynke.
Of wol'me löuwer nei De Swan
En der es mei'nerm klynke.
Tynkt jimme dot naat goo,
Den kriie wy mear moo.
En beste klaere jeneaver,
En yk traktearje as 't wêze mut.
Kóm staen nó naat te sangerjen
Kóm jûnges, kóm nó furt.
En jé kómen op it strúnersplak,
It wied alles tiaster búten.
Jê keken almar óm en óm
En Jê kloppen oen 'e rûten.
Geart see: 'Der binne têen!
Jan see: 'Leet my ris sên'.
'Waraitsjes!' rôpte Stóffel,
"k Hear jerm rabbeljen ûnder elkerm':
'Wy wolle gin strúners hewwe,
Wy bliuwe mei ús sem.
Mar jitte degen jê jer' best
Om yn 'e hûs te kómmen.
Mar al jerre smeaken jooch jerm naat;
Jê kôsten búten brómme.
Jê waarden tyge kwaa,
Jê skreauden jerm hael daa.
Jê skódden oen 'e feensters
En je klóppen tyge oen 'e dór.

Mar alles kôst naat hêalpe,
Der seten skettels fór.

Herkomst gedicht onbekend
Reageer op dit bericht

Meer van Hylpen likje stea oen it Yselmor

↑ Terug naar de berichten